Posted on

Is Poetin de staatsman bij uitstek van onze tijd?

“Als we gebruik zouden maken van traditionele maatstaven voor het begrijpen van leiders, die draaien om de verdediging van grenzen en nationale bloei, dan zou Poetin als de staatsman bij uitstek van onze tijd gelden. [..] Wie zou zich op het wereldtoneel met hem kunnen meten?”, zo vraagt Chris Caldwell zich af in een opmerkelijk essay in het maart-nummer van Imprimis, het tijdschrift van Hillsdale College.

Wat verheft Poetin boven alle andere leiders van de 21e eeuw?

“Toen Poetin aan de macht kwam in de winter van 1999-2000, was zijn land weerloos. Het was bankroet. De buit werd verdeeld door zijn nieuwe kleptocratische elites, in samenspanning met zijn oude imperiale rivalen, de Amerikanen. Poetin bracht daar verandering in.”

“In het eerste decennium van deze eeuw, deed hij wat Kemal Atatürk in Turkije deed in de jaren ’20. Uit een verbrokkelend rijk, richtte hij een natiestaat op, en gaf er samenhang en een doel aan. Hij disciplineerde de plutocraten van zijn land. Hij herstelde de militaire slagkracht. En hij weigerde, met steeds onverbloemder retoriek, om zich neer te leggen bij een ondergeschikte rol voor Rusland in een door de Amerikanen gerund wereldsysteem, ontworpen door buitenlandse politici en zakenlieden. Zijn kiezers zien hem als iemand die zijn land gered heeft.”

De steun onder de bevolking voor Poetins regering is, na 17 jaar aan de macht, groter dan die van welke westerse leider dan ook. Zijn indrukwekkende stappen naar het weer groot maken van Rusland verklaren waarom hij zowel binnenlands als onder de Russische diaspora in ere gehouden wordt, maar wat verklaart Poetins aantrekkingskracht in het Westen, ondanks het feit dat hij de westerse media minstens even tegen zich heeft als president Trump?

Antwoord: Poetin weerstaat de westerse progressieve visie op wat de toekomst van de mensheid zou moeten zijn. Jaren geleden stelde hij zich al op één lijn met traditionalisten, nationalisten en populisten in het Westen, en tegen wat zij waren gaan verachten in hun eigen decadente beschaving.

Wat zij verafschuwden, verafschuwde Poetin. Hij is een ‘god-en-vaderland’ Russische patriot. Hij verwerpt de Nieuwe Wereldorde die tegen het einde van de Koude oorlog door de Verenigde Staten gevestigd werd. Poetin stelt Rusland voorop.

En in het trotseren van de Amerikanen spreekt hij voor die miljoenen Europeanen die hun nationale identiteiten willen herstellen en hun verloren soevereiniteit willen herwinnen van de supranationale Europese Unie. Poetin weerstreeft ook het progressieve morele relativisme van een westerse elite die haar christelijke wortels heeft afgesneden om secularisme en hedonisme te omarmen.

Het Amerikaanse establishment veracht Poetin, omdat hij, zoals ze zeggen, een agressor is, een tiran, een ‘killer’. Ze beschuldigen hem ervan dat hij Oekraïne is binnen gevallen en delen ervan bezet houdt. Zijn oude KGB-kameraden zouden journalisten, overlopers en dissidenten vermoorden.

Maar ofschoon de politiek onder zowel tsaren als commissars vaak een bloedsport is geweest in Rusland, wat heeft Poetin zijn binnenlandse vijanden eigenlijk gedaan in vergelijking met wat onze Arabische bondgenoot generaal Abdel-Fattah el-Sissi heeft gedaan met de Moslimbroederschap die hij omverwierp in een militaire staatsgreep in Egypte?

Wat heeft Poetin gedaan in vergelijking met wat onze NAVO-bondgenoot president Erdogan heeft gedaan in Turkije, die 40.000 mensen gevangen heeft gezet sinds de mislukte staatsgreep in juli. Of in vergelijking met onze Filipijnse bondgenoot Rodrigo Duterte, die leiding heeft gegeven aan de buitengerechtelijke liquidatie van duizenden drugsdealers?

Denkt iemand dat president Xi Jinping voorzichtiger omgegaan zou zijn met illegale demonstraties tegen zijn regime op het Plein van de Hemelse Vrede dan president Poetin vorige week in Moskou?

Veel van de vijandigheid tegen Poetin komt vooruit het feit dat hij niet alleen het Westen trotseert als hij opstaat van de belangen van Rusland, maar dat hij ook vaak slaagt in wat hij beoogt en er zonder straf en zonder berouw mee weg komt.

Hij blijft niet alleen populair in zijn eigen land, maar heeft ook bewonderaars in landen wier politiek establishment onverzoenlijk vijandig tegenover hem staat. In december liet een peiling zien dat 37 procent van alle Republikeinen een gunstige beoordeling van de Russische leider had, maar dat slechts 17 procent positief was over president Barack Obama.

Er is nog een andere reden dat Poetin positief gezien wordt. Miljoenen nationalisten die hun landen willen zien vertrekken uit de EU zien hem als een bondgenoot. Poetin verwelkomt veel van deze bewegingen, de Amerikaanse elite staat er daarentegen vijandig tegenover.

Poetin heeft de nieuwe eeuw beter gelezen dan zijn rivalen. Waar de 20e eeuw de wereld verdeeld zag tussen een communistisch Oosten en een vrij en democratisch Westen, wordt de 21e bepaald door nieuwe en andere worstelingen. De nieuwe scheidslijnen liggen tussen sociaal conservatisme en genotzuchtig secularisme, tussen tribalisme en transnationalisme, tussen de natiestaat en de Nieuwe Wereldorde.

Inzake de nieuwe scheidslijnen staat Poetin aan de zijde van de opstandelingen. Zij die De Gaulles Europa der Vaderlanden willen ter vervanging van het Eenheids-Europa waarnaar de EU op weg is, zien Poetin als bondgenoot.

Zo komt dan de oude vraag op: Wie heeft de toekomst?

In de nieuwe worstelingen van de nieuwe eeuw is het niet uitgesloten dat Rusland – zoals Amerika in de Koude Oorlog – aan de winnende kant staat. Overal in Europa kijken partijen die zich vrij willen maken van de EU veeleer naar Moskou dan over de Atlantische Oceaan.

“Poetin is een symbool geworden van nationale soevereiniteit in haar strijd met het globalisme”, schrijft Caldwell. “Dat blijkt de grote slag van onze tijd te zijn. Zoals onze laatste verkiezingen laten zien, geldt dat zelfs hier.”

Posted on

Blokfluit en curryworst – Duitse politici minachten hun eigen volk

Voorbij zijn de tijden dat prominente (West-)Duitse politici van zowel links als rechts een gezond patriottisme onderhielden. Met tenenkrommende uitingen laten regeringsleden van vandaag hun verstoorde verhouding tot de natie zien. Te midden van de immigratiechaos is dat een dodelijk gevaar voor Duitsland.

Ze hitst op en zet aan tot haat. Jutta Ditfurth (65), ooit medeoprichter van de Groenen en tegenwoordig voor een obscuur ecologisch splinterpartijtje gemeenteraadslid in Frankfurt, houdt zich niet in. Het racisme en de haat die ze op 13 oktober jongstleden van het spreekgestoelte in het Römer, het raadshuis van de financiële metropool, verbreidde, zal haar niet haar baan kosten. Ze zal niet van Facebook verbannen worden. Ze zal niet de hele verontwaardigingsmachinerie van de mainstream media over zich heen krijgen. Het gaat per slot van rekening maar om Duitsland. Sterven moet het, omdat dat geweldig zou zijn, zo citeert Jutta Ditfurth genoeglijk uit een lied van een punkband. Ze maakt geen geheim van haar sympathie voor dit soort hersenloze liedjes.

Wat gemeenteraadslid Ditfurth in alle openheid te beste geeft, zou bondskanselier Angela Merkel vanzelfsprekend nooit over de lippen komen. Haar houding tegenover de natie lijkt veeleer in een stadium aanbeland dat het midden houdt tussen onverschilligheid en minachting. Als het om geboren Duitsers gaat – autochtonen zouden we in Nederland zeggen, dan heeft Merkel het over “de mensen die hier al wat langer wonen” (in een interview in de prime time talkshow Anne Will op televisiekanaal ARD). In tegenstelling tot “hen die er nieuw bijgekomen zijn”, waarmee Merkel de heerscharen aan ‘asielzoekers’ die ze het land heeft binnengelaten bedoelt. Willekeuriger kan het niet.

En als de bondskanselier zich dan toch eens over culturele waarden en nationale identiteit uitlaat, is plaatsvervangende schaamte op zijn plaats. De zorg voor de uitbreiding van de islam in Duitsland moet men volgens Merkel beantwoorden met het in ere houden van christelijke tradities. Daar zit wat in, al kun je er natuurlijk niet mee volstaan. Maar op het buitengewone partijcongres van haar CDU waar ze deze uitspraak deed vulde ze dat vervolgens in met een oproep aan haar toehoorders om met Kerst vooral samen liedjes te zingen en blokfluit te spelen. “Ik meen dat volstrekt oprecht. Anders zouden we een stuk heimat kwijtraken.” Oprecht is ten aanzien hiervan slechts de indruk hoe vals en onecht de tonen van Merkels blokfluit-statement klinken.

Dat dergelijke tenenkrommende uitlatingen in de publieke sfeer vrijwel onverschillig geaccepteerd worden, ligt er misschien aan dat er naast en achter Merkel al te veel blokfluiten het zelfde deuntje blazen, zodat je oren er van gaan suizen. Toondoof van die aanhoudende blokfluiterij is de anti-Duitse klank een vanzelfsprekendheid geworden. Zo viel minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière in een discussie over integratie en nationale cultuur niets anders te binnen dan geroosterd varkensvlees en curryworst. Dergelijke lekkernijen zal men natuurlijk ondanks de instroom van islamitische immigranten ook in de toekomst kunnen blijven eten, zo verkondigde hij genereus.

Wat een mogelijke toekomstige regeringscollega van zijn geboorteland vindt, heeft hij ook reeds duidelijk gemaakt. Martin Schulz, die in januari afzwaait als voorzitter van het Europees Parlement en genoemd wordt voor de positie van minister van Buitenlandse Zaken, wil naar eigen zeggen ook in de toekomst de EU-belangen voorop stellen. De belangen van Duitsland lijken hem minder na aan het hart te liggen.

Samenvattend kunnen we zeggen dat, ook als CDU en SPD met het oog op de verkiezingscampagne weer enigszins uit elkaar drijven qua standpunten, ze toch nog altijd een zijn in hun verachting voor het Duitse volk. Vanuit de huidige praktijk is het haast niet voor te stellen dat Willy Brandt – toch bepaald geen nationalist – ooit als leider van de sociaaldemocraten aantrad met de leuze ‘Duitsers, we kunnen trots zijn op ons land’. Dat was in de campagne voor de verkiezingen van 1972, en de SPD behaalde met 45,8 procent van de stemmen haar beste verkiezingsresultaat ooit.

Met patriottisme laten zich verkiezingen winnen. Het is een kracht die mensen er toe aan kan zetten voorbij hun eigenbelang te zien en zich in dienst te stellen van een groter goed. Natuurlijk verschillen culturen in de keuze van uitingsvormen voor hun patriottisme, zo komt het Amerikaanse patriottisme Europeanen dikwijls pathetisch voor. Maar zonder een gezonde mate aan vaderlandsliefde gaat het ook niet.

Vraag je maar eens af hoe het een onderneming zal vergaan, waarvan de leidinggevenden zich niet met het bedrijf identificeren. Stel je voor dat de inkopers halfhartig over prijzen onderhandelen, dat het de personeelchefs om het even is wie er aangenomen wordt, en dat de productieleiders meer bezig zijn met de kwaliteit van hun stropdassen dan met die van de producten van de firma. Zo’n onderneming zou binnen de kortste keren een geval voor de curator zijn. Jutta Ditfurths fantasieën over het massaal verrekken van de Duitsers zijn er niet voor nodig, om het land massieve schade toe te brengen, de onverschilligheid en minachting van CDU en SPD kunnen daartoe meer dan volstaan.

Posted on

Integratie en de menselijke natuur

Peter van Duyvenvoorde heeft weer eens op de hem typerende, onderkoelde wijze een knuppel in het hoenderhok gegooid met zijn stuk over DENK als teken van geslaagde integratie. Het is een elegant betoog, steekhoudend ook. En toch klopt er iets niet.

Om daar de vinger achter te krijgen, is het behulpzaam om niet vanuit de boeken naar de praktijk te kijken, maar de praktijk te analyseren en aan de hand daarvan een diagnose te stellen. Doen we daar voor de vuist weg een poging toe.

Spraakregeling

Van Duyvenvoorde werpt terecht de belangwekkende vraag op wat integratie is. Om te beoordelen of de integratie mislukt is, moet men immers eerst weten wat integratie is of zou moeten zijn. In het publieke discours zien we hier het eerste knelpunt. Wanneer veel burgers spreken over integratie, bedoelen ze dat vreemdelingen zich aan moeten passen aan de autochtone mores, en liefst dermate dat je eigenlijk beter van assimilatie dan van integratie zou kunnen spreken. De knellende beperkingen van de politiek-correcte spraakregeling verhinderen echter dat dit punt in het politieke discours wordt opgehelderd. Politici van de gevestigde partijen hebben ook geen belang bij helderheid op dit punt.

Stilzwijgende premisse

politics-of-human-natureEn dat brengt ons bij een volgende probleem in het discours: De vraag die ook bij Van Duyvenvoorde niet aan de orde komt, is die naar de wenselijkheid van integratie. En die wenselijkheid is nu precies de stilzwijgende premisse in het hele integratiedebat dat al jaren voortwoekert. Dat lijkt me toch een wezenlijke vraag. Zeker omdat diverse politici ook wel gezegd hebben dat integratie ‘van twee kanten moet komen’, het vraagt dus niet alleen iets van de allochtonen, maar ook van de autochtonen.

Al jaren wordt er tegen de klippen op een integratiebeleid gevoerd, zonder dat in het publieke debat expliciet de vraag aan de orde gesteld is of we willen integreren. In de praktijk zien we dat mensen van een bepaalde afkomst graag bij elkaar in de buurt wonen. We hebben zelfs gezien dat politici van de meest multicultureel gezinde partijen hun kinderen liever niet naar een ‘zwarte school’ lieten gaan. Zelfs de ‘juiste’ politieke gezindheid kan kennelijk de menselijke natuur niet overwinnen.

Menselijke natuur

utopische-verleidingDat is de kern van het probleem met het politieke waanbeeld van integratie. Het houdt geen rekening met de menselijke natuur. Dat is typisch voor utopische idealen. Niet voor niets waren progressieven steeds gericht op het scheppen van een zogenaamde ‘nieuwe mens’, zie bijvoorbeeld de eugenetische beweging in Amerika of de Sovjet-mens. Zo bezien is het niet alleen de vraag of we wel willen integreren, maar ook of we het uiteindelijk wel kunnen.

Er zit overigens een curieuze sprong in het stuk van Van Duyvenvoorde. In de loop van zijn betoog springt hij van het begrip integratie naar het begrip multiculturele samenleving, om vervolgens door te gaan op de ‘interculturele samenleving’. Daar zitten wat impliciete denksprongen die het niet helderder maken wat hij wil zeggen. Maar dat soort hiaten zijn dus niet exclusief voorbehouden aan die schrijver. De lange weg die het zogenaamde ‘integratiedebat’ al heeft afgelegd is vergeven van dit soort knipgaten.

Mislukt, en dan?

De meesten zullen zich nog wel herinneren dat de toenmalige premier Jan-Peter Balkenende op enig moment stelde dat de multiculturele samenleving mislukt was. Geen wonder, want de meeste mensen konden destijds niet voor de vuist weg zeggen wat dat eigenlijk inhield. Verwoede krantenlezers konden misschien nog een formule als ‘integratie met behoud van eigen cultuur’ ophoesten, maar hoe dat in de praktijk in zijn werk moest gaan, is moeilijk voor te stellen.

Op de vragen wat er dan misgegaan was met de multiculturele samenleving, waarom ze mislukt was en wat het nieuwe ideaal moest zijn, bleef Balkenende – op zijn minst in de publieke waarneming – het antwoord schuldig.

Hiaten

Het zoveelste hiaat in een integratiedebat dat vanaf het begin gedoemd was te mislukken, omdat het al aanving met een hiaat.

verschrikkelijke-janmaatDe meest fundamentele vragen, of we het willen en of we het kunnen, waren namelijk al snel taboe. Temeer omdat op de gerelateerde vragen naar de wenselijkheid van de komst van grote groepen vreemdelingen een zo mogelijk nog groter taboe lag. De ongelikte voormannen van de Centrumbeweging stelden die vragen nog wel, maar werden genegeerd, overstemd, geïntimideerd en uitgesloten van het politieke discours. Velen van hen werden ook in hun persoonlijke leven zwaar getroffen, kregen te kampen met het verlies van hun baan en sociale uitsluiting. En dat allemaal omdat ze de euvele moed hadden om pertinente vragen te stellen. Joost Niemöller heeft er een boeiend boek over geschreven.

Het hiaat in het integratiedebat dat in die jaren geslagen is, is nooit meer ingehaald, integendeel het hiaat heeft zich steeds herhaalt. En zo zitten we nu met een publiek discours over integratie en multiculti dat van de gaten aan elkaar hangt. Geen wonder dat er zoveel onbegrip en wantrouwen bestaat, tussen groepen allochtonen en autochtonen, maar vooral ook tussen burgers en politici.

Het is de hoogste tijd dat eindelijk die cruciale vragen eens behoorlijk besproken worden. In zekere zin is het daar zelfs al te laat voor, want decennia van falend beleid zijn niet meer terug te draaien.

Posted on

Wie moet de hegemoon zijn in Europa?

De belangrijkste politieke vraag is de vraag naar de hegemonie. Wie is de hegemoon? Wie zet in een federatie, een verbond van staten, zijn ideeën door? Wie is er overheersend, heerst met andere woorden zonder te regeren ook daar, waar de nominale heerschappij aan anderen toekomt?

De hegemoon staat typisch gesproken aan het hoofd van een federatie. Koning Philippus II, de vader van Alexander de Grote, heerste in Macedonië, in de overige staten van de Korintische Bond was hij overheersend, als hegemoon resp. opperbevelhebber kon hij ze in de oorlog tegen de vijandelijke Perzen leiden.

Aan dit patroon is tot op de dag van vandaag niet veel veranderd. Waar zich ook maar staten aan elkaar verbinden, drukt een van deze staten zijn stempel op de federatie, doortrekt haar met zijn politieke idee zoals de Macedonische koningen de Korinthische Bond met hun militaristische koningscultus. Waar de hegemoon ontbreekt, waar de federatie geen externe vijand erkent, daar storten zich de individuele staten al snel militair op elkaar.

De Vrede van Westfalen maakt in 1648 een einde aan de Dertigjarige Oorlog. Ze beëindigde ook de hegemonie van de Rooms-Duitse keizer over Europa en luidde het tijdperk van het interstatelijke volkenrecht (Ius Publicum Europaeum) in. In die tijd ontstonden soevereine Europese staten, wier soevereiniteit vooral in het ‘ius ad bellum’ bestond, in het recht om elkaar de oorlog te verklaren. En daarvan maakten ze ook rijkelijk gebruik. De volgende anderhalve eeuw zouden als de tijd van de Kabinettskriege de geschiedenisboeken in gaan. Europa was destijds verenigd in de vijandschap van de staten die er deel van uitmaakten.

Na de Franse Revolutie deden twee staatsmannen een poging Europa weer hegemoniaal te verenigen. Napoleon kroonde zich tot keizer van de Fransen en voerde voor het idee van het burgerlijk recht, de Code Civil of Code Napoléon, een Europese oorlog, waarin het Heilige Rooms Rijk definitief verslagen werd. Bismarck verenigde Zuid- en Noord-Duitsland in het teken van de Pruisische discipline en schiep een Europees systeem van evenwicht rondom het Duitse Rijk. Maar zowel Frankrijk als Duitsland faalden in hun streven naar hegemonie. Hun politieke ideeën bleken zwakker dan de rivaliteit van de Europese naties.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog schetste de volkenrechtsgeleerde Carl Schmitt een nieuwe hegemoniale ordening voor Europa in zijn brochure Völkerrechtliche Großraumordnung mit Interventionsverbot für raumfremde Mächte. Schmitt stelde zich een ordening van de Europese wereldregio (Großraum) voor naar het voorbeeld van de Monroedoctrine, waarin de Verenigde Staten van Amerika als hegemoon van het Amerikaanse continent werden vastgelegd. De hegemoon in de wereldregio noemde hij ‘rijk’: “Rijken in deze zin zijn de leidende en dragende machten, wier politieke idee in een bepaalde wereldregio uitstralen en die voor deze wereldregio de interventies van regiovreemde machten in beginsel uitsluiten.”

Met het ‘rijk’ bedoelde Schmitt het Duitse Rijk, met de ‘regiovreemde machten’ in de eerste plaats de Verenigde Staten, die hun wereldregio in de Eerste Wereldoorlog verlaten hadden en met hun politieke idee, de volken over de hele wereld naar Amerikaans voorbeeld in een smeltkroes samen te smelten, ver naar Europa uitstraalden. Tegenover de unipolaire voorstelling van de wereld, zoals die in het manifest destiny, de ‘geopenbaarde bestemming’ van de VS, tot uitdrukking kwam, bracht Schmitt een multipolaire orde naar voren, zoals die voor het Duitse Rijk met zijn agressieve rassenideologie natuurlijk niet in overweging kwam. De theorie van de volkenrechtsgeleerde uit het Sauerland heeft hun tijd echter ver overleefd.

In Schmitts Großraumordnung bestaat de wereld uit meerdere wereldregio’s, die wederom uit vele volkeren bestaan. Maar alleen het rijk, dat de wereldregio met zijn politieke idee doortrekt, heeft statelijke functie, is soeverein, beslist over oorlog en vrede.

Na de Tweede Wereldoorlog vormden de gefaalde hegemoniale machten Duitsland en Frankrijk het zich verenigende Europa slechts retorisch. Katholieken als Jean Monnet of Konrad Adenauer verkochten het nieuwe Europa als hernieuwing van het Heilige Roomse Rijk, als wedergeboorte van het Frankische Rijk en dergelijks meer. Maar hegemoon waren de Verenigde Staten, die met de NAVO het politiek bepalende bondgenootschap geschapen hadden. De Amerikaanse president, opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten, kon de Europese staten even zeer verbinden tot vijandschap ten opzichte van Rusland als Philippus II van Macedonië de Korinthiërs en Thraciërs tegen de Perzen. De opperbevelhebber van het strategische NAVO-commando Europa was steeds een Amerikaanse generaal of admiraal.

Op de vraag, of de Europese Unie een Großraum is in de zin van Carl Schmitt, antwoordde de publicist en Schmitt-leerling Günter Maschke vijf jaar geleden in een interview: “Nee. Waarom? Er is geen homogeniteit van de federatie, er is geen eensgezindheid over de vijand, er is geen werkelijk politiek project. ‘Europa’ is een systeem geworden, – en dat is het bepalende punt -, dat gehoorzaamheid verlangt, zonder bescherming te bieden. Dat moet mislukken.” De EU wordt door een hegemoon gedomineerd, die buiten de wereldregio ligt, door een ‘regiovreemde macht’. Duitsland overheerst niet, het oefent met haar grote economische kracht alleen economische aanzuiging uit, die het niet kan kanaliseren, omdat het politiek onmachtig is.

Duitsland is (economisch) sterk genoeg om voor de kredieten aan diep in de schulden stekende staten in het zuiden borg te staan. Het is echter niet sterk genoeg om hervormingen in deze staten af te dwingen, laat staan om aan de nietbijstandsclausule voor schuldenstaten vast te houden, die in het Verdrag van de Europese Unie is opgenomen. Duitsland is sterk genoeg om met sociale voorzieningen illegale immigranten aan te lokken. Het is echter te zwak om zijn grenzen te verdedigen of om deze immigranten over andere EU-lidstaten te verdelen, laat staan om aan Dublin II vast te houden, volgens welke verordening dat land voor een asielzoeker verantwoordelijk is, waar hij voor het eerst geregistreerd is.

Europa doet zich als Großraum voor, maar is het niet, omdat het geen eigen hegemoon heeft. Tegen het ontkleden van macht van de natiestaten maakt zich recent op het gehele continent weerstand breed. Nationale partijen verlangen een ‘Europa der vaderlanden’, dat een statenbond moet zijn in plaats van een bondsstaat. Zo zag Charles de Gaulle zijn alternatieve visie van een verenigd Europa, die hij ook het ‘Europa der staten’ noemde, een Europa bevrijd van de hegemonie van de Verenigde Staten van Amerika.

Maar opgepast, in de statenbond komt de vraag naar de hegemonie nog dringender op tafel als in de bondsstaat. In de statenbond verlangen de individuele staten soevereiniteit, dat omvat mede het recht op oorlog en vrede. Het tijdperk van de natiestaten was geen tijd van vrede, en de soevereiniteit is een havik en geen duif.

Maar een staat moet de soevereiniteit wel gewassen zijn, hij moet economisch sterk zijn, schuldenloos, en zijn elites moeten in een geest van politieke verantwoording gevormd zijn. Zwakke staten kunnen nooit soeverein zijn, omdat de voorwaarden daartoe ontbreken. Zouden ze niettemin het recht of oorlog en vrede moeten hebben? Moeten kleine staten het recht hebben op hun territorium de troepen van regiovreemde machten te laten stationeren. Moet pak ‘m beet Albanië in een Europa der vaderlanden in staat zijn zich met de VS te alliëren? En zo nee, wie moet het dan verhinderen, wanneer het toch soeverein over zijn lot beschikt?

De Pax Americana was voor Europa een pijnlijke episode. Ze heeft de Europese volken van hun eigen aard berooft en het continent tot een aanhangsel van de westerse hegemoon verlaagd. Ze heeft de jammerlijkste klasse politici voortgebracht die het continent ooit gezien heeft. Maar de Pax Americana heeft ook zeventig jaar lang verhinderd dat de Europese kernstaten tegen elkaar oorlog voerden. Ze heeft in het bijzonder de rivaliteit tussen Duitsland en Frankrijk geneutraliseerd, door vijandschap jegens het oosten te mobiliseren.

Vandaag de dag zijn de kernstaten gedepolitiseerd, hun regeringen niet in staat om de grenzen naar buiten tegen illegale immigratie te beschermen, noch om de burgers voor geweld binnen die grenzen te beschermen. Ze eisen gehoorzaamheid zonder bescherming. Oost-Europese staten zoals Hongarije, Tsjechië en Slowakije zouden er misschien toe bereid zijn, maar zijn niet sterk genoeg, om zich als hegemoon over heel Europa op te werpen. De vraag blijft zodoende boven de markt hangen, wiens politieke idee op Europa af moet stralen, wanneer het Brusselse juk eenmaal afgeschud is.

Misschien beantwoordt de vraag, wie het Europa der vaderlanden verenigt, zich in de toekomst wel vanzelf. De grondtrekken van een multipolaire wereldorde, bestaande uit cultureel afgebakende wereldregio’s, heeft Alexander Doegin in zijn boek Konflikte der Zukunft. Die Rückkehr der Geopolitik indrukwekkend neergezet. Wanneer de landen van Europa de vrije hand hebben hun orde weer tot stand te brengen, kan hij er plotseling zijn, de politieke idee die op het continent afstraalt en haar nieuwe vorm verleent.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Duitse editie van Katehon.com

Lees ook de recensie van Kisoudis’ meest recente boek Goldgrund Eurasien op Novini.