Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on

Britse en Duitse militaire missies in Constantinopel en de Eerste Wereldoorlog

De bemoeienissen van de Duitse generaal Otto Liman von Sanders met het Turkse leger in de aanloop tot én tijdens de Grote Oorlog heeft in de geschiedschrijving een bijzondere plaats gekregen. De militaire missie onder zijn leiding is door de Anglo-Amerikaanse geschiedschrijvers gebruikt om de aan Duitsland toegeschreven c.q. nagestreefde Weltmacht te illustreren. Ze werd gepresenteerd onderdeel te zijn van een bewust gevoerde agressieve koers met de oorlog van ’14-’18 als logisch resultaat.

Wát was er zo bijzonder aan deze missie en wat was de reden dat vooral de eerder genoemde historici zo gebeten waren op Liman von Sanders? Duitsland was namelijk niet het eerste of enige land dat activiteiten ontplooide binnen de Ottomaanse krijgsmacht. Engeland was bijvoorbeeld al sinds al sinds 1868 nauw betrokken bij de opbouw en ontwikkeling van de Ottomaanse vloot. De Engelse admiraal Hobart Hamden vervulde vanaf dat jaar een belangrijke rol binnen de Ottomaanse marine en zou in 1885 zelfs opklimmen tot persoonlijk adviseur van de Sultan. Ook Frankrijk was nauw betrokken bij het rijk der Ottomanen, met name door middel van haar grote betrokkenheid met de douane en het bankwezen.

Achtergrond

Mede door haar grote militair-economische strategische positie werden de grenzen van het Ottomaanse Rijk constant bedreigd door de gebiedshonger van haar Engelse, Russische en Franse tegenstrevers. Nadat in 1871 Duitsland als overwinnaar uit de Frans-Pruisische oorlog tevoorschijn was gekomen en daaruit het Tweede Duitse Rijk tevoorschijn kwam, richtten de Ottomanen zich tot dit nieuwe rijk voor o.a. militaire ondersteuning. Om minder van de Engelse en Franse wapenleveranties afhankelijk te zijn, werd op verzoek van de Turken het leger gereorganiseerd met Duitse ondersteuning. Onder toezicht van de Duitse generaal Colmar Freiherr von der Goltz werden in de periode van 1883 tot 1895 grote hoeveelheden Krupp-geschut en aanzienlijke hoeveelheden diverse vuurwapens geleverd. Het Duitse Rijk werd een nieuwe speler in het militair-strategische gebied van de Bosporus.

Russische militairen steken de Donau over in juni 1877 (schilderij van Nikolai Dmitriev-Orenburgsky)

Na enkele bloedige conflicten – zoals de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, een oorlog met Griekenland in 1897 en de Eerste- en de Tweede Balkanoorlog van 1912 en 1913 – zette het Ottomaanse Rijk zich schrap voor een volgend conflict. Een oorlog die naar alle verwachting gevoerd zou worden met haar rivaal en buurland Griekenland met alle mogelijke consequenties die voortvloeiden uit de sleutelpositie die ze in de regio vervulde. De andere grootmachten uit die tijdsperiode – Engeland, Rusland en Frankrijk – aasden als roofgieren op elke mogelijkheid de scepter over te kunnen nemen van de Zieke Oude Man. Elk van hen was gebrand op een zo groot mogelijke invloed binnen het Ottomaanse Rijk dat zijn beste tijd al achter zich had.

Engels – Ottomaanse bemoeienis

Door een van buitenaf bewust gevoede verdeel-en-heers politiek heerste er grote instabiliteit binnen het rijk. Angst bij het staatshoofd om door kringen binnen het eigen militaire apparaat van de troon gestoten te worden, leidde er onder andere toe dat de Ottomaanse krijgsmacht in een deplorabele toestand verkeerde. Ondanks dat werden binnen legerkringen constant pogingen ondernomen de krijgsmacht naar een hoger plan te tillen. In 1904 werden twee Amerikaanse officieren – admiraal Bucknam en Captain Ledbetter – aangetrokken om de marine onder handen te nemen, zonder zichtbaar resultaat. Daarop verzocht de Ottomaanse regering in 1908 Engeland haar te assisteren de marine te moderniseren en 2 februari 1909 maakte admiraal Douglas Gamble zijn opwachting in Constantinopel. Hij zou zich – overigens zónder merkbaar resultaat – tot maart 1910 bezig houden met de sterk verouderde marine. In april 1910 werd hij opgevolgd door admiraal Hugh Williams die tot april 1912 – net als zijn voorganger Douglas Gamble – weinig vorderingen maakte met de modernisering van de vloot. De Ottomanen waren over de Engelse inspanningen dan ook niet tevreden.

De vlootopbouw: gecontroleerde modernisering

De Ottomaanse vloot bestond in die periode uit een samenraapsel van 52 oude en nieuwe schepen, sterk verschillend in grootte en sterkte, waarvan er 24 in zo’n slechte technische staat verkeerden dat ze niet inzetbaar waren. De aankoop van twee – 20-jaar oude – Duitse oorlogsschepen uit de Brandenburgklasse in augustus 1910 moest de Turkse vloot in staat stellen enig tegenwicht te bieden aan het op een Italiaanse werf op stapel staande Griekse oorlogsschip Averoff. Tussen deze beide rivalen was een heuse wapenwedloop gaande. De Ottomaanse wens om moderne(re) Engelse oorlogsschepen aan te schaffen, werd echter stelselmatig getorpedeerd, zoals op 10 juli 1910 toen Engeland weigerde de Swifture en Triumph te verkopen. Daarvoor in de plaats bood ze twee kleinere schepen aan met beduidend minder vuurkracht. Van Duitsland werden toen wél passende oorlogsbodems betrokken. In mei 1911 stemde Engeland uiteindelijk in met de bouw van twee Dreadnoughts (gepantserde slagschepen) wat in Griekenland tot grote irritatie leidde. Op 6 december 1911 werd de kiel van één van de bestelde schepen – de Reshadiye – gelegd. Frankrijk raakte op haar beurt ook geïrriteerd, omdat zij van mening was dat Engeland bovenmatig profiteerde van de economisch aantrekkelijke wapenwedloop tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

De SMS Kurfürst Friedrich Wilhelm die later in Ottomaanse dienst zou komen.

Dat de beide Engelse admiraals niet bijzonder succesvol waren, was niet in de laatste plaats te wijten aan de opdracht om vooral de Engelse belangen in het oog te houden. Een moderne, slagkrachtige marine was iets waarvoor Good Old Albion het minste belangstelling had. Een strijdmacht die ze mogelijk in de toekomst als tegenstander op haar pad zou kunnen vinden. Een militair krachtige natie vormde – in dat voor haar zo belangrijke deel van de wereld – een forse bedreiging en een sterke marine was evenmin in het belang van haar Entente-genoot Rusland. Zich afzijdig houden van de vlootmodernisering zou betekenen dat ook haar invloed minimaal zou zijn, iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen.

„If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”, zoals het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken aan Rusland liet weten.

Toen het mandaat van admiraal Hugh Williams op zijn eind liep, werd op 11 maart 1912 admiraal Arthur Limpus tot zijn opvolger benoemd. Deze admiraal met één jaar ervaring werd door Winston Churchill aangeprezen als een „fine fellow’ who would make a good personal impression”. Begin mei 1912 arriveerde Limpus met zijn staf in Constantinopel. Ook Limpus was gehandicapt door het mandaat dat hij meegekregen had. Tóch slaagde hij er in een opdracht voor een drijvend reparatiedok binnen te halen, dat door de Vickers Armstrong Company gebouwd zou worden. Limpus liet weten dat met deze opdracht de invloed binnen de Ottomaanse marine een onaantastbare voorsprong voor Engeland betekende. Zoals hij het omschreef was het een practical monopoly of naval construction and repairs for thirty years.’ Het Ottomaanse Rijk bleef intussen onverkort vasthouden aan haar koers om haar vloot uit te bouwen en te moderniseren met grote oorlogsbodems, maar ondervond een zeer terughoudend Engeland op haar pad.

Duitse inmenging

Het succes van Limpus met het reparatiedok werd overschaduwd door de komst van de Duitse generaal Liman von Sanders die niet zoals de Engelse missies door een mandaat gehinderd werd. Het lokte nogal heftige Engelse en Russische reacties uit. Met name Rusland stond nogal wat drastische maatregelen voor: “the three powers must be prepared to take active steps such as the occupation of Turkish Ports”, aldus minister Sazonov. Maar de Engelse en Russische protesten haalden niets uit. De Groot-Vizier reageerde daarop door mee te delen de Duitse missie gelijkwaardig aan die van Engeland te beschouwen, “Limpus had a similar if not more extensive command. Admiral Limpus had command of the whole Turkish fleet, whereas the German general was to have command of one army corps only … the two commands could hardly be compared in importance”.

Eind 1912 polste het Ottomaanse Rijk het Duitse Keizerrijk hoe het dacht over het zenden van een militaire missie om haar leger te reorganiseren. Terwijl verkennende besprekingen daarover gaande waren, bracht de Russische tsaar in mei 1913 een bezoek aan Berlijn waar de Duitse keizer hem op de hoogte bracht van het Turkse verzoek, een verzoek waartegen hij geen bezwaar aantekende. Op 22 mei 1913 volgde daarop het officieel Turkse verzoek en benoemde Duitsland op 30 juni 1913 generaal Liman von Sanders tot leider van de Duitse militaire missie naar Constantinopel. In de formele overeenkomst liet de Turkse regering in augustus 1913 vastleggen dat Liman von Sanders in de functie van Ottomaans generaal het in Constantinopel gelegerde 1legerkorps zou omvormen tot een elite-eenheid. Toen in december 1913 de Duitse missie in Constantinopel arriveerde en haar specifieke taak naar buiten gebracht werd, stuitte dat op hevige Russische protesten. Ook in Engeland was men ‘not amused’ en de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau was eveneens niet bepaald enthousiast. De critici meenden het zenden van de missie als een stap te moeten presenteren van Duitsland om de macht in die belangrijke regio naar zich toe te trekken en de Turkse geest te vergiftigen (poisoning the Turkish mind).

De grootmachten vergaten daarbij voor het gemak de eigen belangenverstrengeling binnen zowel het Ottomaanse leger áls de marine. Om aan de bezwaren enigszins tegemoet te komen werd besloten een cosmetische aanpassing aan te brengen in rang en titel van Liman von Sanders. In januari 1914 werd hij tot Ottomaans maarschalk benoemd en kreeg hij de opdracht mee om zich in de minder belangrijke functie van Inspecteur Generaal te belasten met de meer algemene reorganisatie van het Ottomaanse leger.

Vlootpolitiek en Britse belangen

Terwijl Liman von Sanders zich met de modernisering van het leger bezig hield, hield het Ottomaanse Rijk nauw contact met de Engelse marinemissie om haar marine te versterken.

Door geldgebrek was in 1912 de bouw van het tweede – in 1911 bestelde – slagschip, de Mahmud Resad V geannuleerd. In januari 1913 liet Sir Gerard Lowther – de Engelse ambassadeur in Constantinopel – aan zijn regering weten dat het Ottomaanse Rijk grote belangstelling had voor de Rio de Janeiro, een Dreadnought welke in opdracht van Brazilië op een Engelse werf gebouwd werd. Behalve van Ottomaanse zijde was er ook van Russische en Italiaanse kant interesse in dit schip dat Brazilië door financieringsproblemen van de hand wilde doen, maar nog niet officieel op de markt gebracht was. Het schip zou niet eerder dan in de zomer van 1914 van stapel lopen wat Turkije wel als een handicap beschouwde. Duitsland bood daarop twee 19-jaar oude schepen aan, die wel direct ter beschikking waren. In reactie op het Duitse aanbod liet Limpus in een bericht van 12 maart 1913 aan Winston Churchill weten dat zo’n aankoop de Ottomanen steviger in Duitse armen zou drijven en hij drong er op aan dat Engeland een tegenbod moest doen door bijvoorbeeld 2 oudere types Dreadnought aan te bieden. In antwoord hierop liet Winston Churchill op 3 april 1913 aan Limpus weten niets anders dan twee oude en afgedankte Royal Sovereigns in de aanbieding te hebben, een aanbod dat van Turkse zijde werd afgeslagen.

Ondertussen ging het getouwtrek om de Rio de Janeiro stug door. Italië leek de koop rond te hebben, wat Frankrijk weer in allerhoogste alarmfase bracht. Een oorlogsbodem met zulke formidabele vuurkracht als onderdeel van de marine van de Italiaanse buurstaat, was iets dat niet in Frans belang kon zijn. Frankrijk deed daarop Griekenland het voorstel het schip te financieren en leek daarin succesvol te zijn. Op 22 november 1913 informeerde het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken Churchill dat Griekenland de financiering rond had waarna deze zijn goedkeuring gaf en de werf de waarschuwing kreeg het schip niet aan een andere partij dan Griekenland te verkopen. Uiteindelijk ging het schip tóch aan de Griekse neus voorbij. Op 15 december 1913 werd bekend dat het Ottomaanse Rijk alsnog de nieuwe eigenaar geworden was van de Rio de Janeiro. Ze was aangekocht met behulp van een Franse lening…..[!] en hernoemd in Sultan Osman I. Het financiële belang had gewonnen. Als bonus bij de verkoop was namelijk bedongen dat ook de renovatie van de Ottomaanse scheepswerven door Armstrong Whitworth bij de deal waren inbegrepen, eveneens door Frankrijk gefinancierd.

Engelse confisquatie en publieke opinie

Op 3 september 1913 werd de eveneens in 1911 bestelde Reshadiye te water gelaten en begon de verdere afbouw van het schip. De Turken waren er op gebrand om de Reshadiye en de Sultan Osman I zo snel als mogelijk in eigen wateren te hebben, niet in de laatste plaats vanwege de ontwikkelingen op maritiem gebied in de Griekse buurstaat. Een Turkse bemanning was al in Engeland om de Reshadiye naar eigen wateren te varen en admiraal Limpus werd op 27 juli 1914 naar Engeland gezonden om de levering te begeleiden van de Sultan Osman I. Bij het ontbreken van een voldoende opgeleide Turkse bemanning kreeg hij de opdracht mee dit schip te laten bemannen met Engelse marineofficieren ‘in ruste’. Het zou vergeefse moeite zijn. De Armstrong Whitworth werf kreeg op 31 juli 1914 van Winston Churchill de opdracht het schip vast te houden en niet te overhandigen, in de middag gevolgd door een bestorming van het schip door Engelse mariniers die het in bezit namen. De actie kwam voor Enver Pasha niet onverwacht. Ook de Reshadiye werd door Engelse mariniers bestormd, haar Ottomaanse bemanning gevangen genomen en het schip geconfisqueerd.

De Reshadiye in Britse dienst als HMS Erin

Zowel de Sultan Osman I als Reshadiye werden na een verklaring van Winston Churchill op 3 augustus 1914 in de Engelse vloot opgenomen en omgedoopt tot respectievelijk HMS Agincourt en HMS Erin. Op 22 augustus werd HMS Erin officieel in gebruik genomen. Beide schepen zouden in de zeeslag bij Jutland in 1916 slag leveren met de Duitse vloot. Een ander – nog in 1914 bij de Engelse Vickers-werf besteld – schip dat de naam Fatih had moeten dragen, werd bij het uitbreken van de oorlog niet meer in productie genomen. In totaliteit zou het Ottomaanse Rijk in elf jaar (tot 1914) 40 schepen van Engelse werven aanschaffen. Door de annexatie van de schepen beroofde Engeland het rijk tegelijk van een investering van £ 4.000.000; een bedrag dat voor een groot deel door haar burgers in een nationale schooi- en bedelcampagne bij elkaar gebracht was. De Engelse actie zorgde ervoor dat de Turkse publieke opinie omsloeg in haar nadeel.

Duitse compensatie en Griekse bewapeningswedloop

De Engelse actie zou er mede voor zorgen dat het Ottomaanse Rijk zich aan de kant van de Centrale Mogendheden stelde. Ze ontving ter compensatie van de door Engeland in beslag genomen schepen, reeds op 12 augustus 1914 de volledig bemande Duitse oorlogsbodem SMS Goeben (omgenoemd tot Javuz Sultan Selim) en de SMS Breslau (omgedoopt in Midill). Admiraal Limpus werd op 15 augustus 1914 van zijn functie ontheven waarna hij naar Malta vertrok om in september zijn nieuwe post te betrekken: Superintendent of the dockyard’. De Duitse admiraal Souchon werd daarop door de Sultan tot opperbevelhebber van de Ottomaanse vloot benoemd.

Ook de Griekse marine kende onder soortgelijke condities als het Ottomaanse Rijk ondersteuning door Engelse militaire missies, zoals onder admiraal Lionel Tufnell die Griekenland moest adviseren. De Grieken bevonden zich in een wapenwedloop met het haar Turkse buurnatie en was druk doende haar vloot op oorlogssterkte te brengen. Begin 1910 wist ze een – oorspronkelijk voor de Italiaanse marine geplande – kruiser aan te kopen. Op de Orlando-werf in het Italiaanse Livorno was begin 1910 de kiel gelegd van deze £ 950.750,- kostende kruiser die om budgettaire redenen al spoedig stilgelegd werd. Op 27 februari 1910 zag Griekenland kans de kruiser voor 30% van de originele kostprijs aan te kopen en volgde er op 12 maart 1910 de officiële bekrachtiging. Het aankoopbedrag werd voor een deel betaald uit de nalatenschap van de Griekse zakenman Giorgios Averoff; het overige deel werd via buitenlandse credieten gefinancierd. De nieuwe kruiser zou de naam van de ‘gulle gever’ gaan dragen Giorgios Averoff.

Tewaterlating van de Averof in het Italiaanse Livorno in 1910

En bij de Vulcan-werf in het Duitse Hamburg plaatste Griekenland de bouw van een kruiser die oorspronkelijk de naam Vasilfs Georgios zou meekrijgen. Onder de uiteindelijke naam Salamis zou deze slagkruiser voorzien worden van geschut van Amerikaanse makelij, maar ze werd nooit opgeleverd. Het uitbreken van de oorlog in 1914 zorgde ervoor dat de bouw werd opgeschort.

Admiraal Mark Edward Frederick Kerr

Begin 1913 diende Griekenland een verzoek in de militaire missie te vernieuwen; en dan niet geleid door naval pensioners zoals Tufnell, maar onder commando van een officier in actieve dienst. Op 2 juni 1913 liet Winston Churchill per brief aan de Griekse minister van marine weten dat door de snelle groei van de Engelse marine moeilijk aan die wens tegemoet kon worden gekomen, maar dat hij er tóch in geslaagd was een geschikte kandidaat te vinden. Admiraal Mark Edward Frederick Kerr – een protégé van Louis Alexander von Battenberg (ná 1917 Lord Mountbatten genoemd) – werd uitgezonden en op 17 september 1913 nam hij het commando over de Griekse marine op zich. Kerr zag zijn benoeming niet zozeer als een promotie, eerder als een belemmering van zijn marinecarrière en dat zou hij op een nogal bijzondere manier laten gelden.

Kerr kreeg van Churchill de opdracht mee niet té meegaand te zijn en vooral toch het Engelse belang boven het Griekse belang te stellen. Een slagkrachtige Griekse marine was – net als een moderne Ottomaanse vloot – niet in het belang van het British Empire. Ook hier gold dat afzijdigheid bij de vlootmodernisering gelijk zou staan aan minimaal invloed. Iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen. Om de regie te kunnen voeren in de modernisering nam ze een ‘actieve’ rol op zich, want ook hier gold “If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”..

Engels Mandaat en Kerrs verzoek

Kerr kreeg van Winston Churchill een gelijksoortig mandaat mee als zijn tegenhangers in Ottomaanse dienst:

“It is not intended that the instruction and assistance we are giving to the Greek Navy should place them on the same level of naval science as the British. The refinements of our gunnery, torpedo, and submarine courses should not be disclosed but only that general information such as would be appropriate to foreign officers allowed for instructional purposes to attend certain courses”.

Gehinderd door dit mandaat kreeg Kerr het herhaaldelijk aan de stok met minister-president Eleutherios Venizelos die – evenals de Ottomaanse Sultan – zijn zinnen had gezet op zwaar oorlogsmaterieel. Zijn verstandhouding met de Griekse koning Constantijn was daarentegen zeer bijzonder en intens. Dit vertaalde zich in grote sympathie en loyaliteit, iets dat hem in een moeilijke positie bracht. Door het mandaat gehinderd kon Kerr niet anders dat elk verzoek tot levering van grote en zware slagschepen saboteren. Door te lobbyen via zijn beschermheer Lord Mountbatten probeerde hij ter compensatie ondersteuning los krijgen – indien er daadwerkelijk tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk oorlog uitbrak – in de vorm van Engelse onderzeeërs destroyers en kruisers. Hij verbond daaraan verregaande persoonlijke consequenties:

“If war breaks out in the spring or summer when we are so weak, I feel I should change my nationality and fight for these people. I know it means ruin for me afterwards, but I have a strong feeling that I should do so. I would not feel so, except for the fact that they will be so weak, having no one who knows how to work a flotilla and I may make the difference of victory or defeat”.

…. in zijn verzoek dat geen Engels belang diende en bij voorbaat kansloos was.

Uitbreiding van de Griekse vloot

Griekenland bleef naarstig op zoek naar aanvulling op haar vloot. Ze bood Japan een fors bedrag voor haar kruiser Kongo, maar de deal ging niet door. China bood een kleine kruiser aan, die op het punt stond de Amerikaanse scheepswerf te verlaten; het woog allemaal niet op tegen de komst van de twee Ottomaanse Dreadnoughts de Reshadiye en de Sultan Osman I. In haar wanhoop bood ze begin 1914 met gulle hand op twee afgedankte Amerikaanse oorlogsschepen, de Idaho en de Mississippi, die de New York Times omschreef als: “In the ordinary course, the ships would be consigned to the scrap heap, or be used as targets”.

Op 28 mei 1914 gaf de Amerikaanse Senaat hieraan haar goedkeuring, maar even leek het nog dat het de Ottomanen gelukt was roet in het eten gooien. Zij boden een hoger bedrag voor de dodelijke schroot. Tijdens een Senaatszitting van 23 juni 1914 werden de afdankertjes alsnog aan Griekenland gegund. De afgeschreven schepen brachten meer op dan de originele bouwkosten! Admiraal Kerr was woedend over de aankoop die Venizelos achter zijn rug om gedaan had: “The deal ruined the progress of the Greek navy for the rest of the time I was there, and afterwards”.

De Idaho – die (héél comfortabel) op oefening was in de Middellandse Zee – kon snel worden overgedragen zodat Griekenland haar mogelijk nog kon inzetten voordat de Sultan Osman I van de Engelse werf zou glijden. Het Griekse schip kreeg daarbij de naam Limnos.

Een afhoudende koers: Kerrs rol uitgespeeld

Toen de Groote Oorlog op het punt van uitbreken stond, ontving admiraal Kerr van de kant van de First Lord of the Admiralty – Winston Churchill – het verzoek de Griekse marine aan geallieerde zijde te plaatsen. Kerr stelde daaraan dusdanige eisen dat van een samengaan geen sprake kon zijn. De gevraagde Griekse maritieme ondersteuning van een Engelse campagne in de Dardanellen kwam niet tot stand. Kerr wilde zijn Griekenland zo lang als mogelijk buiten de gevechten en zo mogelijk neutraal houden. Zo nam hij radiostilte in acht rondom de beide Duitse oorlogsschepen de Breslau en de Goeben die onder commando van admiraal Wilhelm Anton Souchon richting Griekenland opstoomden. De exacte locatie van beide schepen was hem bekend, maar hield hij deze informatie 3 dagen voor zich vóórdat hij ze via prins Sdemidoff – de Russische ambassadeur in Athene – doorspeelde. Sdemidoff telegrafeerde deze strategisch belangrijke informatie naar de admiraliteit in St. Petersburg, die op haar beurt de Engelse admiraliteit op de hoogte bracht. De goede verstandhouding die Kerr had met de Duitse keizer, zal zeker meegewogen hebben in de door hem gemaakte keuze. Kerr kende de keizer persoonlijk. Hij had hem meerdere keren ontmoet, zoals in 1889 toen prinses Sophie – zuster van de keizer – met de Griekse prins Constantijn trouwde en in april 1908 op het eiland Corfu waar hij een lange ontmoeting met hem gehad had.

Admiraal Souchon (rechts) met Otto Liman von Sanders en zijn dochter aan boord van de Goeben

Al met al was de houding van Kerr voor de de First Lord of the Admiralty reden op hem in 1914 van zijn Griekse post te ontheffen. De carrière van Kerr binnen de Engelse marine was definitief voorbij en hij moest zijn heil elders zoeken. Kerr nam vlieglessen en kreeg via zijn machtige connecties uiteindelijk een aardig betaalde positie binnen de Engelse luchtmacht. In 1919 wist Kerr voor een moment terug te komen in de wereldaandacht. Samen met Air Commodore H.G. Brackley wist hij de eerste lucht-post vlucht te maken van New Foundland naar New York.

Duits commando tijdens de oorlog

De talloze verzoeken van zowel Griekenland als het Ottomaanse rijk tot een met Engeland af te sluiten alliantie of bondgenootschap, waren al die jaren stelselmatig afgewezen. Terwijl Griekenland zich neutraal probeerde op te stellen, sloot het Ottomaanse Rijk op 1 augustus 1914 een overeenkomst met het Duitse Keizerrijk. Ze zette admiraal Souchon aan het hoofd van haar marine en benoemde generaal Liman von Sanders in augustus 1914 tot bevelhebber van het vijfde Turkse leger in de Bosporus.

Diens invloed was in eerste instantie beperkt en tegen zijn uitdrukkelijk advies in ging Enver Pasha op 22 december 1914 over tot een stoutmoedig plan om met het 3e Turkse leger de aanval te openen op het Russische Kaukasus-leger. Hij had daarmee de bedoeling om daar alle in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 verloren gebieden terug te veroveren. Het zou een militaire blunder van de eerste orde zijn met catastrofale gevolgen. Het Turkse leger werd in de Slag van Sarikamish vernietigend verslagen en op 17 januari 1915 waren van de 95.000 manschappen slechts 20.000 over! Na deze mislukte operatie droeg Enver het commando over aan generaal Hafiz Hakki en gaf collaboratie door Armeniërs als reden voor het mislukken van de veldtocht.

Na een volgende mislukte operatie eind januari 1915 in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen, onder aanvoering van de al even ondeskundige Djemal Pasha, kwam het commando in handen van Liman von Sanders. Het was onder zijn leiding dat de geallieerde aanvallen op de Dardanellen in maart 1915 stukliepen tegen het door hem gecommandeerde 5e Turkse leger. Anders dan zijn Engelse tegenhangers in buitenlandse dienst, die jarenlang de militaire opbouw frustreerden, was Liman von Sanders niet gehinderd door beperkende mandaten. Kampend met dezelfde problemen binnen het militaire apparaat wist hij wél – en dat binnen ettelijke maanden – het Ottomaanse leger te hervormen tot een slagvaardig leger. Dit alles was er de oorzaak van dat Liman von Sanders zich bij de geallieerden weinig geliefd maakte.

Naspel

Nadat de Grote Oorlog in het voordeel van de geallieerden was beslecht, werd Liman von Sanders door zijn rancuneuze tegenstanders op 3 februari 1919 als oorlogsmisdadiger op Malta vastgezet. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de Armeense genocide door Turkije, een beschuldiging die niet hard gemaakt kon worden. Het was juist mede door de persoonlijke tussenkomst van hém geweest dat de Armeniërs van Constantinopel en Smyrna enigszins gespaard bleven! Nadat ook Sir Ian Hamilton – zijn Engelse opponent in de slag om de Dardanellen – zich voor hem ingezet had, werd hij op 26 juli 1915 uit zijn eenzame opsluiting vrijgelaten waarna hij in augustus 1919 arriveerde in Berlijn.


Bronnen

Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges, G. von Jagow, Reimar Hobbing Verlag, Berlin, 1919
Manuscript ‘Schaakspel om de Wereldmacht’- Fré Morel
net.lib.byu.edu/estu/wwi/comment/morgenthau/Morgen08.htm
www.kcl.ac.uk/lhcma/locreg/LIMPUS.shtml
en.wikipedia.org/wiki/Otto_Liman_von_Sanders
www.gallipoli-association.org/contentpage.asp?pageid=35
www.firstworldwar.com/bio/liman.htm
en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Sarikamis
en.wikipedia.org/wiki/First_Suez_Offensive
 de.wikipedia.org/wiki/Colmar_Freiherr_von_der_Goltz
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 de.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Milit%C3%A4rmission_im_Osmanischen_Reich
 www.stahlgewitter.com/14_10_30.htm
 www.historyhouse.com/in_history/turkey_boat
 www.superiorforce.co.uk
en.wikipedia.org/wiki/Mark_Kerr_(admiral)
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 www.superiorforce.co.uk(externe link)
 en.wikipedia.org/wiki/HMS_Agincourt_(1913)
 de.wikipedia.org/wiki/HMS_Erin
 hnsa.org/ships/averoff.htm
 www.bsaverof.com/uk/history.htm
 www.geocities.com/roynagl/handleypage.htm
 www.knerger.de/Die_Personen/militar_14/militar_15/militar_16/hauptteil_militar_16.html

Posted on

De curieuze onafhankelijkheid van Catalonië en de EU

Mocht u het nog niet weten: de minister-president van Catalonië is in Brussel. Na een omstreden referendum besloot Carles Puidgemont het vliegtuig naar Brussel te pakken om bij de Europese Unie de Catalaanse zaak te bepleiten. Tot nu toe kreeg hij daar nul op het rekest en het is nog maar de vraag wat hij denkt (dacht) te bereiken. Binnen de Europese Unie is het vooral de Belgische federale regering geweest die de meest uitgesproken standpunten innam over de Catalaanse kwestie. Standpunten die dan ook niet verder gingen dan het veroordelen van het geweld van de Guardia Civil en oproepen tot dialoog. Niet dat dat hoeft te verbazen, buitenlandse conflicten importeren in regeringszaken is nooit een teken geweest van staatsmanschap.

Catalaanse grieven

Over de Catalaanse separatisten vallen enkele opmerkelijke dingen te zeggen. Het is echter nodig om te benadrukken dat de escalatie van dit conflict voor een aanzienlijk deel bij Madrid ligt. In een cynische visie, die het gevolg is van de democratische logica naar de letter te volgen, besloot de Partido Popular (PP) dat zij door een conflict met Catalonië meer stemmen kon winnen in de rest van Spanje dan dat ze zou verliezen in Catalonië. In 2006 krijgt Catalonië een nieuw statuut van autonomie, dat zwakker is dan wat gewenst was in 2005 en beloofd in 2003. De PP trekt naar het Grondwettelijk Hof die in 2010 het statuut op belangrijke delen schrapt. Het betekent een belangrijke breuk in de verhouding tussen Barcelona en Madrid. In 2012 geeft de Spaanse overheid aan de regionale overheden een kredietlijn (FLA) aan lagere interest dan op de markt beschikbaar is. Uiteindelijk zal Catalonië 40% van alle FLA-fondsen voor regionale overheden via het FLA-mechanisme krijgen en wordt Madrid de grootste schuldeiser (60%) voor de Catalaanse openbare schuld.

Catalonië voelt zich terecht benadeeld door het schrappen van het statuut. Madrid voelt zich gesterkt doordat zij, niet onterecht, meent via het FLA-mechanisme Catalonië financieel en economisch  overeind gehouden te hebben. Zoals hierboven reeds gezegd, redeneerde Rajoy van de PP ook naar de letter democratisch. Aangezien de PP in Catalonië slechts op een klein aantal van de stemmen kan rekenen, is het interessanter voor de PP om het conflict op te drijven. Op deze manier kan zij op stemmen rekenen van armere regio’s, die economisch en financieel afhankelijk zijn van Madrid en dus van Spaanse eenheid. Wat de PP verliest in Catalonië wint zij elders in meervoud. De spanning werd verder opgebouwd tot het referendum waar de Guardia Civil, blijkbaar zonder strategische doelen, de wapenknuppels liet spreken. Vervolgens koos Catalonië voor een onafhankelijkheidsverklaring in twee delen en op een zeer halfhartige wijze. Zelfs Madrid, dat op vinkenslag lag om de Catalaanse separatisten te vervolgen bij de minste gelegenheid, moest informeren wat er nu eigenlijk gebeurd was. Uiteindelijk begon Madrid over te gaan tot de juridische vervolging van de Catalaanse leiders van de separatisten. Tot de verbazing van vele eurofielen, en de verwachting van de eurosceptici zweeg de EU oorspronkelijk, om daarna de kant te kiezen van Spanje. Internationale veroordelingen bleven uit, belangrijke internationale erkenning van een Catalaanse republiek bleef ook uit.

Bedenkingen

Desondanks stellen de aanhangers van de Catalaanse separatisten momenteel dat de houding van de EU ten voordele van Spanje nadelig zou zijn voor de EU. Het tegendeel is waar. De EU moet men zien als hebbende een structuur die gelijkenissen toont met het Perzische Rijk van weleer. Elke lidstaat van de EU is een eigen satrapie waar de nationale elites hun macht behouden en gelegitimeerd zien door Europese regeringsinstellingen. Vanuit deze instellingen, die fungeren als een postmodern keizerlijk hof, kijken de machtigste intriganten neer op de deelstaten waarbij zij slaan en zalven naargelang het centrum van het rijk daar baat bij heeft. Polen en Hongarije gaan de verdere centralisering van het geheel tegen en dienen dus bestraft te worden. Spanje daarentegen is een loyale vazal die de richtlijnen van de EU volgt en mee een motor vormt voor verdere Europese integratie. Daarom mag zij genadeloos hard optreden tegen interne dissidentie indien zij dat wenst. Dat is niet eigen aan Spanje, eenzelfde houding ziet men tegenover Frankrijk, Nederland en Ierland. Daar stemde de bevolking via referenda tegen Europese besluitvorming, maar werd dit uiteindelijk genegeerd of werd er gestemd tot de juiste resultaten er waren. Zolang de satrapen braaf via de keizerlijke weg naar het Brusselse hof reizen om hulde te brengen aan het centrale machtscentrum blijven de problemen binnen hun grenzen interne problemen. Zodra zij een afwijkende route nemen en zich verwijderen van het machtscentrum en van het beleid daardoor uitgestippeld, worden problemen binnen hun grenzen existentiële breekpunten voor de EU.

Momenteel heeft de EU er alle baat bij om Spanje te steunen. Daartegenover zal staan dat Spanje niet te moeilijk doet tegenover verdere machtscentralisatie naar Brussel en braaf mee zal stemmen tegen de Visegrad-landen (wiens informeel forum overigens al wankel is). Wordt de EU echter geconfronteerd met een existentieel probleem door Catalonië? Absoluut niet, integendeel.

Het Catalaanse bochtenwerk

Aan de Vlaamse krant “Het Nieuwsblad” gaf Carles Puidgemont op 8 november 2017 een interview over hoe dat onafhankelijke Catalonië vorm moet krijgen. Daar gaf hij een uiteenzetting over het feit dat de Catalaanse onafhankelijkheid allesbehalve onafhankelijkheid inhoudt, integendeel. Militair gezien wil Catalonië geen investeringen doen in soldaten of wapens, een leger zal er namelijk niet komen. Landsgrenzen moeten er ook niet komen en een Catalaans paspoort is optioneel. De concurrentie met Spanje wordt niet aangegaan, maar in de zin daarop gaan de bedrijven wel de concurrentie aan met de rest van de wereld. Wat duidelijk impliceert dat Catalonië binnen Spanje blijft.  Het meest concreet is Puidgemont in de volgende zin: “Vergis u ook niet, het einddoel is geen nieuwe staat met landsgrenzen en een eigen leger, die naast Spanje zal ontstaan.” Op 13 november 2017 verscheen in het Franstalige Le Soir een interview met Puidgemont waarin hij zei bereid te zijn om een oplossing te zoeken zonder de Catalaanse onafhankelijkheid . Hij zegt daarbij dat hij dertig jaar heeft gewerkt om Catalonië te verankeren in Spanje. Een kaakslag voor hen die de wapenstok van de Guardia Civil hebben getrotseerd om hun stem uit te brengen.

Waarom immers een referendum houden over onafhankelijkheid indien dat niet het doel was? Het voorstel van Puidgemont komt er immers op neer dat militair gezien Catalonië volledig kiest voor een Europees leger (NAVO-leden zijn immers verplicht zelf te investeren in een nationaal leger). Daarnaast kiest men voor de integratie van Catalonië als een soort provincie van de Europese Unie. Catalonië zou er ook niet voor kiezen de economische concurrentie aan te gaan met Spanje. Deze factoren samen zorgen ervoor dat de Catalaanse onafhankelijkheid minder zou inhouden dan een Amerikaanse deelstaat.

Op cultureel vlak is het beleid van de Catalaanse separatisten ook al enkele jaren typerend voor de postmoderne anti-identitaire nietszeggendheid. Arabisch wordt op de scholen aangeleerd naast het Spaans. De contacten met de moslimgemeenschap zijn dan ook goed, op voorwaarde dat men de islamisten van de Moslimbroeders als de ganse moslimgemeenschap beschouwt. In ruil voor het ondersteunen van de onafhankelijkheidsgedachte ondersteunt Catalonië actief radicaalislamitische prekers en verenigingen. Zo zijn er al langer plannen om de grote arena van Barcelona om te vormen in de grootste moskee van Europa. De enige reden dat dit niet is doorgegaan, is omdat de financiële kant (gesteund door wahhabitisch Saoedie-Arabië) niet rond geraakte. In Barcelona ziet men ook de typische uitingen van een progressieve hogere middenklasse wiens prioriteiten verwaterd zijn geraakt tot een misplaatst wereldredderssyndroom. “Refugees welcome, tourists go home” is een typische uiting hiervan, waarbij zelfs een toeristische bus werd aangevallen. Het verbaast dan ook niet dat de politieke initiatieven vanuit deze middens enkel nationale structuren willen afbreken en er geen eigen wensen op te zetten. Waar de Catalaanse anarchisten en communisten nog voor soevereiniteit pleitten, zijn hun erfgenamen enkel voor een statuut dat inhoudt dat ze niet direct onder Madrid vallen. Voor hen is het afstaan van soevereiniteit aan Brussel, het zichzelf aanbieden als trouwe vazallen, het hoogste doel geworden in een beweging die zijn eigen autonomistische wortels ontkent.

Indien de EU een Catalaanse republiek zou erkennen en mee helpen opzetten, dan zou dit de facto betekenen dat Brussel naast zijn Spaanse satrapie een gebied krijgt dat praktisch direct vanuit Brussel geregeerd zou worden. Geen grenzen, geen leger en geen paspoort houdt in dat het enige dat Catalonië onderscheidt van Spanje een directe verhouding tot de EU zou zijn. De Catalaanse regering zou niet meer zijn dan een provinciaal bestuur waarbij de eigenlijke beslissingen in Brussel, en dus gedeeltelijk ook in Madrid, zouden gemaakt worden.

Voor de Europese Unie is het dan ook geen existentiële crisis. Zij spreken zich in dit geval uit tegen het separatisme van de Catalanen omdat de wijziging voor hen geen voordeel levert tegenover de status quo, die Spanje nauwer aan de EU hecht. Supranationale organisaties als de EU, en de NAVO, bekijken de wereld slechts gedeeltelijk ideologisch, maar vooral geopolitiek en machtscentraliserend. Kosovo moest en zou onafhankelijk worden omdat het de Russische invloedssfeer, via Servië, op de Balkan en Oost-Europa zou tegengaan. Getuige daarvan is het immense Camp Bondsteel in het zuidoosten van Kosovo, nochtans geen NAVO-lid. Decennia daarvoor mocht NAVO-lid Turkije Cyprus binnenvallen om een Turks separatisme in het noorden te ondersteunen. Geen van beide gingen in tegen de geopolitieke belangen van de NAVO als geheel en versterkten de organisatie in haar brede geopolitieke doelstellingen. Qua machtscentalisering zit de EU nu nog steeds op de route naar een federaal Europa. Indien morgen Spanje zich kritisch begint op te stellen tegenover de EU zullen de Catalaanse leiders opeens wel open deuren ontmoeten in de wandelgangen van de Europese instellingen. Zo mocht Sturgeon van de Scottish National Party opeens ook op audiëntie bij Verhofstadt en co toen het Verenigd Koninkrijk voor Brexit koos. Met het ontvangen van de SNP, en dat is dan weer geopolitiek, liet de EU nogmaals blijken dat zij er niet vies van is om de periferie van de EU te destabiliseren en een invloedszone daarin te vestigen. Of dat nu is door middel van het ondersteunen van het Schotse separatisme of door het steunen van gewapende milities van neonazi’s in Oekraïne.

De EU steunt cultureel gezien dan wel een postmodern en ronduit nihilistisch beleid, maar Catalonië is in zijn plannen voor “onafhankelijkheid” té postmodern om te voldoen aan de geopolitieke belangen van de EU en de militaire alliantie NAVO waar de EU een belangrijke positie inneemt. Voor de tegenstanders van de machtscentralisatie van de EU en/of de geopolitieke doelen van de NAVO presenteren de Catalaanse separatisten geen interessant alternatief dat als blauwdruk kan dienen voor de bredere beweging tegen voornoemde Europese en Atlantische belangen. Wat we hier wel uit kunnen leren, is dat wanneer het erop aankomt de Europese lidstaten bruut geweld zullen en mogen inzetten tegen hun inwoners. Zolang dat geweld ertoe dient de eenheid van de EU te behouden, zal dat ook op goedkeuring van die EU kunnen rekenen. Tenslotte draait de EU om macht, alle romantische sprookjes ten spijt.