Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

Het verhaal van Jack European

Je komt als chauffeur soms rare dingen tegen. Zo zat ik een tijdje geleden achter een Roemeense vrachtwagen met het opschrift ‘Jack European’. De eerste associatie is natuurlijk dat de beste man een bedrijfsnaam heeft gekozen waarmee hij veel opdrachten in West-Europa krijgt. Dat gaf mij al een wat vervreemd en tragisch gevoel. Iemand die zich een totaal andere naam moet geven om brood op de plank te krijgen.

Nu had ik toevallig kort daarvoor een documentaire gezien over het leven van Roemeense vrachtwagenchauffeurs. Die rijden vier, vijf weken aan één stuk Europa door, 100 uur in de week, voor 600 Euro in de maand en zien hun vrouw en kinderen vrijwel nooit. Ik besloot na enige tijd de vrachtwagen in te halen. Bij het passeren keek ik de cabine in, benieuwd wie er nu achter Jack European schuilging. Het was een jonge man van rond de dertig, met de melancholische en tragische blik waar mensen uit die streken patent op hebben. Voor hem op het dashboard stonden  fotootjes van kinderen en een kleine icoon met lichtjes eromheen.

De tragiek-meter sloeg bij mij door tot donkerrood. Daar reed Dimitru, of wat zijn echte naam ook was, met een vreemde en bizarre naam op zijn vrachtwagen, wekenlang weg bij zijn familie om voor een paar grijpstuivers veelal overbodige spullen door Europa te rijden.

Mijn gedachten gingen onwillekeurig naar een voormalig buurtgenoot, ook vrachtwagenchauffeur, die ook internationaal reed en steeds meer uren moest maken vanwege de concurrentie uit Oost-Europa. Ook hij zag zijn vrouw en kinderen steeds minder, waardoor zijn huwelijk op de klippen liep en hij in een stacaravan buiten het dorp terecht kwam.

Zomaar twee verhalen die bijeenkomen. Maar wel exemplarische verhalen van jonge mannen die proberen de kost te verdienen voor hun gezin, maar de wrange vruchten plukken van het neoliberale project EU. Van het vrije verkeer van goederen, diensten en personen, wat ons ‘in ons aller gezamenlijke belang’ en andere gevleugelde kreten door de neus wordt geboord. Het klinkt leuk en aardig, maar het trekt ondertussen een spoor van sociale en maatschappelijke vernieling door alle Europese landen. Zo groeit dus ook een steeds groter wordend deel van de kinderen op in een sociaal maatschappelijke orde die kraakt in zijn voegen en steeds verder uitéénvalt.

Posted on

John Gray: De EU is niet de wereld

Na de Brexit is Europa onherroepelijk veranderd, en het Verenigd Koninkrijk ook. Voor mij staat dit voor een nieuw begin, een kans voor het Verenigd Koninkrijk om zich te ontdoen van het blok aan haar been dat het falende Europese project geworden is en haar plaats in te nemen in de grotere wereld. Tegelijkertijd kunnen we ons voordeel doen met een sceptischer houding tegenover de politieke klasse, waarvan een groot deel het referendum zo ontzettend verkeerd had ingeschat.

Er zijn echter velen die met een bang voorgevoel naar de toekomst kijken, zij vrezen dat de Brexit ons zal veranderen in een meer gesloten en teruggetrokken samenleving, dat we een vergeten hoekje zullen worden waar weinig gebeurt, afgesneden van de culturele rijkdom en economische levendigheid van de rest van de wereld. Een dergelijke zwarte kijk op de toekomst wordt gehuldigd door veel van de tegenstanders van de Brexit, voor hen is dat wat Brexit betekent.

Voor mij is er echter iets onwerkelijks, iets irrationeels en zelfs hysterisch aan deze reactie. De EU is niet de wereld, of het meest dynamische deel van de wereld. De EU is zelfs niet Europa. Het is alleen maar een specifieke set aan regelingen die over de afgelopen decennia opgebouwd zijn door een deel van de Europese landen. Een vertrek uit deze zelfingenomen en claustrofobische instelling is geen terugtrekking uit de wereld, het is eerder een terugkeer naar de wereld.

Misschien zullen weinigen het zich nog herinneren, maar vanaf het prille begin was het Europese project een middel om de macht van Europa opnieuw te vestigen in de wereld. Schrijvend in 1919, volgend op de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog, vroeg de Franse essayist en dichter Paul Valéry zich af: “Zal Europa worden wat het in werkelijkheid is, dat wil zeggen een klein voorgebergte aan het Aziatische continent? Of zal het blijven wat het lijkt te zijn, dat wil zeggen het uitverkoren deel van de aardkloot, de parel van de wereld, het brein van een groot lichaam?” Voor Valéry en menigeen die dacht zoals hij, destijds en later, had Europa de eerste wereldomspannende beschaving geschapen. Gebruik makend van hun superieure kennis en uitvindingen, hadden Europeanen hun dynamisme geprojecteerd naar immobiele culturen overal ter wereld. Het waren Europeanen die Afrika gekoloniseerd hadden en hun schepen naar China en Japan hadden gestuurd. Ook waren het Europeanen die de energieke beschaving gecreëerd hadden die was uitgegroeid tot de Verenigde Staten. Europa was de bron van de vooruitgang. De vraag in 1919 was of Europa de positie van wereldmeesterschap kon hernemen die het ooit gehad had.

Het Europese project begon op te doemen na wat wel Europa’s tweede burgeroorlog genoemd is, maar was niet louter een poging om de wonden van Europa te helen. Het was ook, in de optiek van veel van haar voorstanders, een manier om een tegenwicht te creëren tegen de Amerikaanse macht. Europa was in die jaren een braakland, zoals dat ook in 1919 voor grote delen ervan gegolden had. Internationaal stond het zwakker dan ooit. Vanuit het oosten werd Europa bedreigd door Rusland, terwijl het van de andere zijde van de Atlantische Oceaan uitgedaagd werd door de grote macht van Amerika. De taak waarvoor men zich gesteld zag was om Europa om te vormen tot een enkele staat, die zich kon meten met deze twee grote rivalen. Het nieuwe Europa zou een derde weg zijn tussen kapitalisme en socialisme in een supranationale staat die zich uitstrekte over het hele continent.

Na de conferentie van Jalta in februari 1945, werd Europa verdeeld in twee sferen, waarvan een, de oostelijke, gedomineerd werd door de Sovjet-Unie. Deze scheiding duurde bijna een halve eeuw. Maar toen de Sovjet-Unie instortte, grepen de hoeders van de Europese gedachte de kans aan die het einde van de Koude Oorlog bood. Ze zetten het project door van een supranationale staat die Europa weer een plaats als mondiale supermacht moest geven.

Wat mij betreft was dit altijd een naar binnen gekeerde visie. Andere culturen waren niet statisch tot de Europeanen kwamen kijken en de boel opschudden. Tot voor een paar eeuwen geleden waren India en China de meest innovatieve economieën ter wereld. De periode van Europese dominantie was kort. Tegen de laatste decennia van de 19e eeuw was Japan snel aan het industrialiseren, terwijl de meeste Europese economieën nog altijd op landbouw gebaseerd waren. In 1905, tijdens de Russisch-Japanse oorlog, in de Slag bij Tsushima, waar de Russische keizerlijke vloot verslagen werd door Japan, werd dat land het eerste niet-Europese land dat een beslissende militaire slag toebracht aan een Europese grootmacht. De betekenis van die gebeurtenis ging niet voorbij aan de leiders van anti-koloniale bewegingen zoals Sun Yat-sen in China en Jawaharlal Nehru in India, die het vierden als een overwinning voor de onafhankelijkheidszaak.

De Europese gedachte is nog altijd naar binnen gericht. Ik kan me goed herinneren dat ik enkele jaren geleden luisterde naar een Europese academicus, die een internationaal publiek vertelde dat het ongeveer een eeuw zou duren om een Europese regering tot stand te brengen. Ik hoorde het aan met ongeloof en enig vermaak. Stelde deze spreker zich nou voor dat de rest van de wereld zo’n honderd jaar zou afwachten hoe Europa een naar binnen gerichte obsessie najaagt?

In het midden van de 19e eeuw vreesde de liberale denker John Stuart Mill dat Engeland een soort China zou worden, een beschaving, zo schreef hij in zijn essay On liberty, die stationair was geworden. Als China nog vooruit gebracht zou worden, dan moest dat volgens Mill wel door buitenlanders gedaan worden. Met het oog op de tijd waarin hij schreef kunnen we de Victoriaanse wijsgeer zijn tunnelvisie misschien wel vergeven. Maar hoe kan ook maar iemand niet zien welk deel van de wereld nu stationair is?

Zij die vrezen dat de Brexit van het Verenigd Koninkrijk een stilstaand hoekje zal maken, hebben niet opgemerkt wat een backwater Europa al geworden is. Het Verenigd Koninkrijk kan er alleen maar op vooruit gaan als het zijn banden uitbreidt met regio’s wier economieën groeien, zoals China, India en Afrika. Politiek zit Europa muurvast in onoverkomelijke dilemma’s.

Hoewel het geruststellend zou zijn om te denken dat een Brexit hervorming [van de EU] zou stimuleren, is een meer plausibel scenario dat de EU zal versplinteren. In cultureel opzicht heeft Europa iets van zijn vitaliteit behouden, maar het kunnen toch alleen de meest provinciale tegenstanders van een Brexit zijn die denken dat een vertrek uit de EU het Verenigd Koninkrijk zou afsnijden van de belangrijke stromingen in de cultuur en de kunst. De werken van Michel Houellebecq en Bernardo Bertolucci zullen ons niet ontzegd worden, omdat de handelsvoorwaarden tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk enigszins veranderd zullen zijn.

Maar terwijl we een andere verhouding met Europa krijgen, krijgen we misschien ook betere toegang tot de culturen van het leeuwendeel van de wereld. Ik kan me moeilijk voorstellen dat het meer open staan voor de creatieve vitaliteit van India, China, Rusland, Japan, Afrika, het Midden-Oosten, Australazië en Noord- en Zuid-Amerika, een conditie van culturele armoede is.

Brexit zal niet betekenen dat we afgesneden zijn van de rest van de wereld, wel integendeel. Maar het Verenigd Koninkrijk zal er gewis fundamenteel door veranderd worden. En dat kon wel eens zijn waar de tegenstanders van Brexit zo bang voor zijn.

Het referendum staat voor een groot falen van de regerende klasse. Niet alleen had men er niet serieus bij stil gestaan dat de kiezers daadwerkelijk voor een Brexit zouden kunnen kiezen. Dat de kiezers de toegenomen fragiliteit van de Europese Unie zouden doorzien werd niet eens in overweging genomen. Toen de kiezers de koers die door zo’n groot deel van het establishment aanbevolen werd van de hand wezen, kon dat alleen maar uit irrationale motieven zijn. Vreemd genoeg zijn het nu niet de wereldvreemde politici die al zo lang aan de macht zijn die aangevallen worden, maar de gewone mensen die tegen hen stemden. Stompzinnig en bevooroordeeld zouden de onwetende massa’s de leiding van hun meer rationale meesters afgewezen hebben en een waanvoorstelling omhelsd hebben.

Op een bepaalde manier is het een begrijpelijke reactie. Er zijn irrationale krachten die een rol spelen in de politiek. Maar onze politieke klasse is veel irrationeler geweest dan de massa die hen al zo lang moet verdragen. Tegen al het bewijs van de jaren sinds de financiële crisis in, waarin de EU van de ene misslag naar de andere ging, zijn zij die ons regeerden er op blijven staan dat de EU te hervormen is.

Onheilspellend gerommel in de Europese politiek is afgeschreven als tekenen van achterlijkheid die vanzelf zullen verdwijnen als de nieuwe orde gevestigd wordt. Maar er is nu een domino-effect in werking getreden. Overal in Europa keren nationale regeringen of groeiende oppositiekrachten zich tegen onderdelen van de Europese integratie, bijvoorbeeld de herverdeling van vluchtelingen. Nationale regeringen hernemen langzaam maar zeker hun machtspositie.

De toenemende tekortkomingen van de EU zijn onderdeel van de bredere crisis van de globalisering. Terwijl het enerzijds de welvaart van veel mensen heeft doen toenemen heeft de mondiale markt anderzijds grote aantallen mensen in een positie van chronische ontbering en verarming geplaatst. Zij die in de steek gelaten zijn, hebben niet slechts minder geld te besteden, hun hele bestaan kan getekend zijn doordat ze van hun positie in de samenleving beroofd zijn. In sommige delen van de ontwikkelde wereld is de levensverwachting weer teruggevallen naar het niveau van ontwikkelingslanden. De armen onder ons zijn anders, ze sterven eerder dan de rest. In de tussentijd kunnen ze echter stemmen.

Brexit is de eerste in een reeks revoltes die in veel andere landen uit zullen breken. Het zijn niet alleen die groepen die verarmd zijn, die het slachtoffer zijn geworden van globalisering. Delen van de middenklasse hebben hun inkomens en vooruitzichten al decennia zien stagneren. De vrees die vat krijgt op deze mensen is ook onderdeel van wat achter de opkomst van Donald Trump zit. Met een gebrek aan uitzicht op een toekomst heeft men geen vertrouwen meer in mainstream-politici.

De gebruikelijke remedie is meer onderwijs. Maar zoals menigeen ondervonden heeft, is een universitaire graad dikwijls niet veel meer dan een paspoort naar een levenslange schuld, gekoppeld aan een eindeloze baanonzekerheid.

Stemmen uit het establishment stellen dat beperkingen aan handel en migratie deze situatie niet zullen veranderen, die voortvloeit uit technologische vooruitgang. Een gerobotiseerde economie komt op die grote aantallen arbeiders overtollig zal maken. Maar de ontwrichting die deze nieuwe technologieën gewrocht hebben, is versneld en vergroot door goedkope import en arbeidsmigranten die weinig kosten. De miljoenen die aan de scherpe kant van deze ontwikkelingen zitten, weten dat zij die hen tot nu geregeerd hebben niets anders te bieden hebben dan een zich nog verder verslechterende status quo. Het is niet geheel toevallig, dat de eerste duidelijke tekenen dat kiezers deze status quo zouden gaan verwerpen, in de vroege ochtenduren van 24 juni uit de steden van het post-industriële noorden van Engeland kwamen. Het was nooit realistisch om te denken dat de miljoenen verworpenen eindeloos zouden kunnen bestaan op een dieet van loze beloften. Vroeger of later moest er zich wel een politieke opstand voordoen. Hoe kan het dat zoveel politici en opiniemakers bezeten waren van zo’n absurde visie? Het antwoord is dat ze geloofden dat ze aan wat sommigen graag de goede kant van de geschiedenis noemen stonden. Welke moeilijkheden er misschien ook overwonnen moesten worden, de globalisering zou vanzelf op koers blijven met hen aan de leiding. Vandaag kunnen deze heersende klassen niet meer zo zeker zijn dat de geschiedenis aan hun kant staat. En toch blijven sommigen spreken en handelen alsof wat er gebeurt is niet meer is dan een incident en alles al snel weer zal gaan zo als voorheen. Zij die zichzelf als verlicht en vooruitstrevend beschouwen verkeren vandaag de dag in een staat van ontkenning.

Sommigen zeggen dat de Brexit nooit werkelijk voltrokken zal worden, anderen zeggen dat het Verenigd Koninkrijk voor een apocalyptische ramp staat. Dit zijn fantasieën, die verder verwijderd zijn van enige waarneembare werkelijkheid of realistisch voorstelbare toekomst dan de percepties van gewone mensen.

De grootste verandering die de Brexit op de kortere termijn teweeg zal brengen heeft betrekking op de manier waarop het Verenigd Koninkrijk bestuurd wordt. Iedere partij die weigert de boodschap van het referendum in acht te nemen heeft een zeer onzekere toekomst. Sommigen die claimen voor de 48 procent te spreken die tegen de Brexit stemden, zeggen dat ze ‘hun land terug willen’. Het is een vreemd bezitterige taal waarin ze hun boosheid en teleurstelling uitdrukken. Het Verenigd Koninkrijk is niet meer hún land dan het het land van de voorstanders van de Brexit is. Mij klinken deze klagerige protesten een beetje in de oren als die opmerking van de apocriefe hertogin in het Dorchester Hotel, die toen ze hoorde dat Labour de parlementsverkiezingen van 1945 gewonnen had, sputterde: “Het land zal het niet nemen!” Wat het referendum duidelijk heeft gemaakt, is dat er een meerderheid in het land is die niet langer van zins is gezag op vertrouwen te accepteren. Zij die terug verlangen naar de status quo van voor de referendumuitslag, zijn nostalgisch naar een verleden dat niet meer terug zal keren. Laten we de kans die we gekregen hebben aangrijpen en ons huis opbin een ruimere wereld.

Deze tekst is gebaseerd op een toespraak uit juli 2016.

Posted on

De ‘elite’ is de weg kwijt

“Beste elite, u veroorzaakt geen kloof maar een ravijn.” Dit schreef Roderick Veelo in een open brief aan de maatschappelijke bovenklasse. Hij wijst er op dat de polarisering steeds sterker voelbaar is en dat het publiek debat erg verhit is geraakt. De veenbrand, aangestoken door Pim Fortuyn, is nooit bekoeld. Burgers zijn nog altijd boos en de PVV staat hoog in de peilingen. Veelo vreest dat als er niets gebeurt er een “full scale klassenstrijd uitbreekt.”[1]

Zijn oproep is echter niets nieuws. De kloof tussen burger en politiek is al zo oud als de politiek zelf. Plato maakte in Politeia (380 v.C.) een uitvoerige analyse van de klassenstrijd, die zich altijd met economische en culturele spanningen aankondigt en er onvermijdelijk mee eindigt dat de bovenklasse wordt weggevaagd. So far so good. Maar het gaat hier om iets anders: namelijk om het ontstaan van twee gescheiden leef- en belevingswerelden. Een zekere afstand tussen regeerders en geregeerden is al zo oud als de politiek zelf, maar vandaag voelen we de frictie tussen totaal verschillende belevingswerelden die niet meer op elkaar inhaken.

Januari 2015 lanceerde ik de stelling dat burgers zoeken naar een nieuwe elite, als deel van de aankondiging van mijn boek Avondland en Identiteit (Aspekt 2015):

“’Nederland is af!’, beweerde in 1995 het Paarse kabinet. Pim Fortuyn’s opkomst toonde barsten in dit wereldbeeld. De eenentwintigste eeuw bracht nieuwe omwentelingen; oude conflicten laaiden opnieuw op. Economisch (het Westen tegen China), religieus (Occident versus Islam), militair (Europa contra Rusland). Aanvankelijk keek men op naar neoliberale self-made men als Rijkman Groenink, Dirk Scheringa en Jordan Belfort. Ondertussen groeiden de schuldenbubbels: banken en zelfs hele landen gingen failliet – de belastingbetaler moest bijspringen en de bevolking begon haar ‘elite’ te wantrouwen. Voorbeeld is Dominique Strauss-Kahn, een oude socialist die in woord het marxisme beleed en praktisch een libertijnse, welhaast ontwortelde levensstijl navolgde. De werkeloosheid groeide en de spanningen stegen, zeker in binnenwijken. De cultuur bleek te politiek correct geworden en burgers voelden zich vernacheld door hun ‘bovenbouw’. Dat wil zeggen door wetenschappers, mediamakers en politici.

Het protest is algemeen doch mist cohesie. Mensen wantrouwen doelen die het individu overstijgen en niet tot onmiddellijk tastbaar resultaat leiden. Het vormen van een ‘nieuwe elite’ is mede hierdoor een moeizaam proces.”[2]

Studenten houd ik altijd voor dat alles staat en valt met het verhelderen van begripsdefinities. Laten we de term ‘elite’ nu opvatten als de (Hilversum)media, de politieke scoutingcommissies, vakbonden, topambtenaren, finance sector, multinationals en entertainmentindustrie, die innig verstrengeld zijn en een gelijksoortig sociaal-liberaal ‘kosmopolitisch’ wereldbeeld delen. Als het definiëren van zo’n elite wat ‘complot-achtig’ aandoet, bedenk u dan dat dit niet zo is: de Amerikaanse gerenommeerde historicus Christopher Lasch (1932 – 1994) beschreef de verstrengeling van deze belangen en wereldbeelden al in The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy (1994). Lasch typeerde de “superklasse” die ontstond als “symbool-analisten”, bedoelend dat zij de voeling met de tastbare economie kwijtraken. Hun steeds abstractere wereldbeeld gaat uit van een theoretisch universeel wereldburgerschap: dit is het wereldbeeld van de homo-economicus dat zich geen rekenschap aflegt van lokale wortels, banden en tradities. Dit zien we vandaag terug in de opschalingdiscussie en het rendementsdenken. Volgens Lasch waren de kiemen van de klassenstrijd tijdens zijn leven ingezaaid.

Van een klassenstrijd is vandaag nog geen sprake – van een klassenvervreemding zeker wel. “Of het nou gaat over de opvang van vluchtelingen, het tekenen van een associatieverdrag, terreuraanslagen of de rol van religie, het debat wordt door boze burgers én elite gevoerd op leven en dood.” schrijft Veelo. “Boze burgers kunnen schelden, maar de elite kan er ook wat van. Via nieuwe en oude media. Een voorbeeld: het dedain van columnist Arnon Grunberg voor het gewone volk druipt dagelijks van de Volkskrant. De haat voor het ‘verwende’ mokkende deel van de natie.”

Hier heeft hij zeker een punt. Grunberg is een typisch voorbeeld van zo’n “Revolting Elite”. Meer dan een jaar na mijn aankondigingsartikel zien we hoe de ‘elite’ wanhopig probeert terug te vechten. Bijvoorbeeld door Wilders voor het gerecht te brengen of door Hirsi Ali te bashen in praatprogramma’s op de publieke omroep. Enkele weken geleden werd nog gepoogd om Thierry Baudet onder tafel te laten praten door Rob Riemen van het Nexus Instituut. Dat faalde erbarmelijk toen Riemen dr. Baudet van nationalisme beschuldigde, waarop Baudet rustig uitlegde dat nationalisme niet enkel negatief is. Riemen’s grote held de Duitse schrijver Thomas Mann was bijvoorbeeld een nationalist met afkeer van het nazisme.

In Veelo’s column zie ik twee belangrijke parallellen met mijn proefschrift. Ten eerste het ‘terugvechten’ door de elite. Eurocommissaris Frans Timmermans verklaarde onlangs dat hij met Google, Twitter, Facebook en Microsoft in overleg is om “hate speech” op het internet aan te pakken.[3] Dit is de oorlog om het internet, want alternatieve media kunnen het nieuws- en informatiemonopolie van de symbool-analisten doorbreken. Echter, het onderscheid tussen haatzaaierij en een oprechte kritiek op de multiculturele samenleving, is zélf een politieke kwestie en dit hoort niet bij privébedrijven geparkeerd te worden. Het raakt aan mijn proefschrift omdat ik er dieper inga op The Circle (2013) door Dave Eggers. Daarin ontstaat een vergelijkbaar conglomeraat van sociale media- en overheidsmacht.

Ten tweede herken ik de verhitte stemming die het hele publieke debat dooradert. Dit kunnen we vergelijken met een koortsachtige fase in de vaderlandse geschiedenis, namelijk het conflict tussen Orangisten en Patriotten. Beide kampen hadden een eigen pers – uiteindelijk ontstond een staatsgreep die door een Pruisische interventie moest worden opgebroken.

De Patriotten trokken zich terug naar Frankrijk en in het kielzog van Napoleon kwamen ze hier uiteindelijk aan de macht. Vervang ‘Patriotten’ door ‘PVV’ en ‘Napoleon’ door ‘Marine le Pen’, en apocalyptische scenario’s dienen zich aan. Vooral ook omdat Frankrijk er als militaire macht binnen Europa nog echt toe doet. PVV-supporters zijn natuurlijk geen meerderheid van de bevolking, evenmin als het Front National dat in Frankrijk is, maar als minderheid zijn ze wel fanatieker én meer sneuvelbereid dan hun hedonistisch-kosmopolitische tegenstrevers. Nu we dan toch speculeren voegen we daar aan toe: een Duitsland dat onder Merkel in een totale impasse raakt, plus een non-interventionistische VS onder Donald Trump. Brexit anyone?

Ondanks dat dit scenario maar wilde speculatie is in het kader van 1 april, adviseer ik toch iedereen om bij voorbaat kennis te nemen van ‘Clubkoorts en Revolutie’, het werk waarop Geerten Waling binnenkort promoveert. Omdat het wel eens een goede handleiding c.q. ‘survival guide’ zal kunnen bieden voor het Europa dat nu aanbreekt.


 

[1] http://politiek.tpo.nl/column/beste-elite-veroorzaakt-geen-kloof-ravijn/

[2] http://www.dagelijksestandaard.nl/2015/02/avondland-en-identiteit-burgers-zoeken-een-nieuwe-elite/

[3] http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2016/03/eu_straks_doodstil_in_alle_talen.html

Posted on

Polen: Conservatieven kunnen zonder coalitiepartner regeren

De conservatieve partij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS) heeft zondag volgens de exit poll en een late peiling met 38 à 39 procent van de stemmen de parlementsverkiezingen in Polen gewonnen. Volgens de peilingen heeft PiS daarmee meer dan de helft van de 460 zetels in de Sejm, het lagerhuis van het parlement, en kunnen de conservatieven alleen regeren.

In de aanloop naar de verkiezingen werd nog gespeculeerd over mogelijke coalitiepartners voor PiS, te denken viel aan de boerenpartij PSL die in de afgelopen regeerperiode een regeringscoalitie vormde met het liberale Burgerplatform (PO), aan de libertarische partij ‘KORWiN’ van de markante Janusz Korwin-Mikke of aan Kukiz ’15, een nieuwe anti-establishment-partij van de rockmuzikant Pawel Kukiz. KORWiN lijkt echter met 4,9 procent in de exit poll de kiesdrempel van 5 procent precies gemist te hebben. Kukiz ’15 haalde met zo’n 9 procent wel de kiesdrempel. Doordat de conservatieven echter zelfstandig een meerderheid van de zetels in de Sejm hebben veroverd, kunnen ze zich het gedoe van het tevreden stellen en houden van radicale coalitiepartners besparen. PiS is overigens voorstander van een hervorming van het kiesstelsel waarvan Kukiz een speerpunt heeft gemaakt. De partijen hebben samen echter niet de twee derde meerderheid die nodig is om de grondwet te wijzigen.

Historisch hoogtepunt
Voor PiS is de verkiezingsuitslag een historisch hoogtepunt. Met zo’n 39 procent heeft de partij meer steun gekregen dan ooit tevoren. In de eerste parlementsverkiezingen waaraan PiS in z’n huidige vorm deelnam (2001), behaalde de partij 9,5% van de stemmen. In 2005 werd PiS de grootste partij met 27% van de stemmen, waarop een turbulente regeringscoalitie werd gevormd met de links-nationalistische partij ‘Zelfverdediging’ en de nationaal-katholieke ‘Liga van Poolse Gezinnen’. In 2007 groeide PiS ten koste van haar coalitiepartners naar 32% van de stemmen, werd echter verslagen door het Burgerplatform, dat daarop de regering vormde. Er volgde een reeks verkiezingsnederlagen voor de conservatieven, tot ze eerder dit jaar de presidentsverkiezingen wonnen. Nu kunnen ze dus ook weer de regering overnemen.

De verkiezingen van 2015 vormen temeer een historisch hoogtepunt voor PiS, omdat het de eerste keer is sinds de ontmanteling van het Warschaupact, dat één partij de meerderheid van de zetels behaalt en zonder coalitiepartners de regering kan vormen. Premier Ewa Kopacz (PO) gaf zondagavond de verkiezingsnederlaag toe en feliciteerde PiS-lijsttrekker Beata Szydlo. De verwachting is dat Szydlo premier zal worden van de nieuwe regering, en niet partijleider Jaroslaw Kaczynski, de tweelingbroer van de in 2010 bij een vliegtuigongeval omgekomen president Lech Kaczynski. Met het aantreden van een conservatieve, gematigd eurosceptische, regering, moet men er in Europees verband rekening mee houden, dat Polen zich bijvoorbeeld in de immigratiecrisis fermer op zal stellen. Kaczynski en andere PiS-politici hebben geregeld lovend gesproken over het beleid van de Hongaarse premier Viktor Orbán.

Samen zwak
Een ander opmerkelijk feit aan deze verkiezingen is dat de linkse partijen, die in recente jaren toch al marginaal geworden waren, nu geheel zijn verdwenen uit het parlement. En dat terwijl de sociaaldemocratische SLD en de links-liberale TR van Janusz Palikot aan de verkiezingen deelnamen met een gezamenlijke lijst met diverse kleinere partijen. Waar de toen nieuwe partij van Palikot in 2010 nog met 10% van de stemmen de Sejm binnenstormde, kon ze nu samen met de sociaaldemocraten en anderen nog niet de voor coalities geldende kiesdrempel van 8 procent halen. En dat terwijl ook de sociaaldemocraten in 2010 zo’n 8 procent van de stemmen kregen. Ook de uiterst linkse coalitie ‘Samen’ haalde met, volgens de peilingen, zo’n 3,9 procent de kiesdrempel niet. De neoliberale ‘Moderne partij’ van de econoom Ryszard Petru lijkt met zo’n 7 procent echter wel de kiesdrempel gehaald te hebben.

Posted on 1 Comment

Nieuwe Poolse president wil arbeidsmigranten terug lokken

Andrzej Duda, die in de verkiezingen afgelopen mei als kandidaat van de conservatieve partij ‘Recht en Gerechtigheid’ (PiS) de zittende president Bronislaw Komorowski versloeg, wil zich er voor inzetten dat Poolse arbeidsmigranten op termijn weer terugkeren naar Polen. Dat zegt hij in een interview met het Duitse boulevardblad Bild.

Volgens Duda heeft de regering de Polen jarenlang voorgehouden dat het goed ging met de economie, veel mensen vernamen daar echter weinig van. De werkloosheid is volgens de nieuwe president veel te hoog. “De mensen hebben geen werk, of een slecht betalend baantje waarvan ze niet leven kunnen.”

Dat is volgens Duda ook de reden dat veel jonge Polen, vooral uit de provincie, naar het buitenland vertrekken. “Ze zien dat het hun leeftijdsgenoten in het Westen beter vergaat. Dus verlaten ze hun vaderland en gaan naar Duitsland, Engeland, Frankrijk of Nederland. Dat is het drama dat de Poolse samenleving vandaag de dag beleeft. Het is een belangrijke opdracht voor de Poolse politiek, om de voorwaarden te scheppen voor hun terugkeer.”

In het interview gaat Duda verder in op de Poolse verhouding met Duitsland en Rusland.

Posted on

Creëer veilige havens voor Syrische vluchtelingen in regio

Slechts twee procent van de Syrische vluchtelingen slaagt er in naar Europa te komen en in een van de EU-lidstaten asiel aan te vragen. Het gaat daarbij om die vluchtelingen die zich de dure overtocht kunnen veroorloven en bereid zijn hun leven te riskeren. De andere 98 procent van de inmiddels miljoenen ontheemden verblijven nog in Syrië als interne verdrevenen of in de aangrenzende landen, Jordanië, Libanon en Turkije.

De ontwikkelingseconoom Paul Collier heeft onlangs het Jordaanse vluchtelingenkamp Zaatari, niet ver van de Syrische grens, bezocht en aan de hand daarvan nagedacht hoe men deze mensen zou kunnen helpen. In de eerste plaats was hij blij met het goede werk dat de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR doet voor de circa 80.000 bewoners van het kamp. Het enige probleem is dat de vluchtelingen niet mogen werken, omdat Jordanië begrijpelijkerwijs bang is voor negatieve gevolgen voor het de werkperspectieven van de eigen bevolking.

Werkloosheid is voor de Syrische vluchtelingen een groot probleem. Het gezinshoofd kan op die manier zijn gezag verliezen, de dochters kunnen in de prostitutie terecht komen en veel zonen komen op het idee om geld te verdienen door zich bij de een of andere militie in Syrië aan te sluiten.

Hoe kan dit probleem nu opgelost worden? Collier stelt voor, dat Europa samen met de aan Syrië grenzende landen die het meest met de vluchtelingenstroom te maken hebben, ‘veilige havens’ inricht, waar de vluchtelingen kunnen werken zonder autochtonen uit hun aanstellingen te verdringen. Het gaat daarbij vooral ook daarom, voor Syrië en zijn burgers een perspectief voor de tijd na de oorlog te scheppen.

Het idee is zogezegd, dat de burgers hun economische activiteit als het ware in ballingschap simpelweg voortzetten, met elkaar blijven samenwerken en op enig moment met hun onderneming en al weer terug kunnen keren naar Syrië. Het idee doet een beetje denken aan het voorstel van de econoom Paul Romer, om voor de bestrijding van de armoede zogenaamde ‘Charter Cities’ in te stellen. “Naar het voorbeeld van Hongkong zou een industrieland in een ontwikkelingsland een onbewoond stuk grond moeten overnemen, om daar een compleet nieuwe stad naar kapitalistische maatstaven op te bouwen”, zo vatte het dagblad Die Welt zijn voorstel samen. Voorwaarde voor het slagen van dergelijke ‘Charter Cities’ is alleen, dat een industrieland “garant staat voor de rechtszekerheid in de stad”.

Collier denkt nu aan iets dergelijks voor Syrië en heeft daarvoor zelfs al gekeken naar een bedrijventerrein dat op slechts tien minuten van Zaatari gelegen is. “Dit zou een haven voor Syrische bedrijven kunnen worden, die in hun eigen land niet meer kunnen bestaan, en zou een vestigingsplaats kunnen zijn voor mondiale ondernemingen, die voor de Europese markt produceren en daarbij zowel Syriërs als Jordaniërs aan zouden kunnen stellen”, aldus Collier in een recente bijdrage op Social Europe.

Hij is zich daarbij zeer wel bewust, dat de opbouw en ondersteuning van deze veilige havens voor Europa geenszins goedkoop zou zijn. Het is echter zonder twijfel zinvoller om vluchtelingen direct ter plaatse te helpen en ze het vooruitzicht van een uiteindelijke terugkeer naar hun vaderland te bieden, in plaats van miljarden euro’s uit te geven om ze in Europa onder te brengen, waarbij ze ook nog eens hun leven op het spel moeten zetten om hier te geraken.