Posted on

Rusland en de leugens van De Standaard

In het stuk “Poetin test Zelenski met Russische paspoorten” van Roeland Termote in De Standaard van vandaag 2 mei staat “…. op wat in de afvallige Georgische regio’s Zuid-Ossetië en Abchazië gebeurde. Ook daar verstrekte Rusland paspoorten, om vervolgens in 2008 de aanwezigheid van zijn staatsburgers aan te grijpen als motief voor een militaire inval.”

Afscheiding

Wat uw medewerker hier schrijft is een flagrante leugen en typerend voor de wijze waarop De Standaard over Rusland bericht. Vooreerst ontstond het probleem toen Georgië zich met westerse steun afscheidde van Rusland en die twee deelrepublieken van Georgië zich dan op hun beurt afscheurden van Georgië. En als de ene deelstaat zich mag afscheuren dan logischer wijze mag ook de andere dat doen. Maar ja, de ene had de steun van de EU en de VS, de twee anderen niet.

Toen daaruit een gewapend conflict ontstond werd er tussen Rusland, Georgië, de Verenigde Staten en landen van de EU een vredesakkoord getekend waarbij Rusland in Zuid-Ossetië en Abchazië een gewapende vredesmacht mocht stationeren.

Georgische aanval

Het Georgische leger, geleid door een generaal met Israëlische en Georgische nationaliteit en gesteund door de VS, heeft na een serie incidenten dan Zuid-Ossetië aangevallen. Dit exact de dag dat in China de Olympische Spelen begonnen en Poetin in Beijing was. Een aanval die vermoedelijk dus niet toevallig was.

Daarbij vuurden Georgische troepen zelfs op het hospitaal in de Zuid-Ossetische hoofdstad. Een oorlogsmisdaad. Ook beschoot men uiteraard de Russische vredesmacht die dan terugvuurden en de Georgische troepen verjoegen.

Russische interventie

Bashar al Assad
Voor De Standaard is het berichtgeven simpel. Is iemand de vijand van de VS dan is dat ook zo voor die krant. Jarenlang bijvoorbeeld beweerde Jorn De Cock, hun correspondent in Libanon, dat de verhalen over de aanwezigheid van al Qaida in Syrië door de Syrische president Bashar al Assad (foto) verspreidde leugens waren. De vrouw van Jorn De Cock werkte bij het uitbreken van die oorlog in Syrië voor de regering van de Qatarese dictatuur. Diezelfde regering die al Qaida in Syrië bewapende. Of hoe De Standaard die terroristen die nadien in België en elders toe sloegen steunde. Als dat geen kwaliteitskrant is.

Rusland volgde hierbij exact de regels van het internationaal recht en viel bij die actie maar enkele kilometers dat land binnen om zich daarna, eens de zaak gestabiliseerd, terugtrok. Deze versie van de feiten wordt officieel door niemand betwist. Ook niet door de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy die poogde te bemiddelen.

Vijand van Washington dus van De Standaard

Maar ja, Rusland is tegenwoordig de vijand van Washington en dus is Rusland de vijand, de slechterik, voor De Standaard. Juist zoals dat met de Venezolaanse president Maduro is die recent in de krant voor dictator werd uitgescholden.

Hetzelfde met Syrië waar De Standaard jarenlang de aanwezigheid van al Qaida in Syrië als een leugen van president Bashar al Assad beschreef. Nog zo’n slechterik. De vernielingen in Syrië door die jihadisten – de ‘vrijheidsstrijders’ – kregen dan ook de steun van deze krant. En zonder die jihadisten waren er hier in België vermoedelijk geen aanslagen gepleegd. Om over na te denken.

Het is simpel: Is de VS kwaad op een regering en poogt deze die omver te werpen dan komt De Standaard af met moddergooien, leugens, halve waarheden en verdraaiingen richting dat land. De voorbeelden zijn legio. Zich een kwaliteitskrant noemen is poepsimpel, dat ook zijn is echter een gans ander verhaal.


Noot van de redactie

Meer over de Russische paspoorten leest u hier:

Meer over de Russisch-Georgische oorlog en de nasleep daarvan leest u hier:

Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on

Een kijkje bij de Russische troepen in Transnistrië

Een recent gepubliceerde uitzending van Voyennaya Priyomka van Telekanal Zvezda geeft een zeldzame blik op de Russische troepenmacht in Transnistrië. In de reportage wordt een beeld geschetst van de dagelijkse bezigheden van soldaten. Daarnaast is er veel aandacht voor de moeilijkheden waar het troepencontingent mee te kampen heeft door haar ligging tussen de Republiek Moldavië en Oekraïne.

“We gaan u niet vertellen hoe ons programma terecht is gekomen in Transnistrië”, meldt Voyennaya Priyomka. De reden is de ligging van Transnistrië – een niet-erkend land dat zich van de Republiek Moldavië afgescheiden heeft. “In het oosten ligt Oekraïne en in het westen Moldavië. Dus je mag zeggen dat het door historische en politieke omstandigheden omsingeld is.” Het programma meldt dat het bezoeken van Transnistrië door Russische journalisten erg moeilijk is geworden door de politieke toestand in Moldavië en Oekraïne. “[Russische journalisten] worden niet doorgelaten naar Transnistrië door de Moldavische grenswacht.”

Het programma, dat normaal vooral aandacht besteed aan het nieuwste en meest bijzondere Russische militaire materieel, geeft in een tweeluik aandacht aan de omstandigheden waarin de Russische troepen (de OGRV – Operativnaya Groepa Rossijskich Voisk) zich bevinden en hoe zij zijn georganiseerd. Hierbij moet worden gedacht aan problemen met bevoorrading, de bewakingstaken van een grote munitieopslag op het territorium van Transnistrië en de vredesmissie die door Russische vredestroepen worden uitgevoerd.

Transnistrië

Tijdens het uiteenvallen van de Sovjet-Unie riep Transnistrië (Officieel: Pridnestrovische Moldavische Republiek – PMR) in 1990 haar onafhankelijkheid van de Moldavische Socialistische Sovjet-Republiek (MSSR) uit. Niet lang daarna, in 1991, splitste de MSSR zich af van de Sovjet-Unie en was het voornemens zich aan te sluiten bij Roemenië. Dit laatste leidde tot veel ongenoegen in de PMR met uiteindelijk een gewapend conflict tot gevolg waarbij zo’n duizend mensen zijn omgekomen. Het vechten werd gestopt door tussenkomst van het 14de Sovjet-leger.

Russische troepen zijn sindsdien in de PMR gelegerd gebleven, zij het dat hun aantal over de jaren sterk is teruggebracht naar zo’n 1500 man. Hoewel de PMR haar eigen leger heeft, zijn er ook troepen gestationeerd die onder Russisch commando vallen. De troepen van het OGRV bevinden zich echter ver van huis. In het verleden werd de bevoorrading geregeld via Oekraïne, maar door een andere politieke toestand in het land is dat ook niet meer mogelijk. Daarnaast ligt de aanwezigheid van de OGRV gevoelig: een deel van de Moldavische regering wil dat de troepen vertrekken en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft vorig jaar op haar instigatie een resolutie hierover aangenomen.

Geïsoleerde ligging

Transnistrië (gearceerd) is geheel omsloten door de Republiek Moldavië en Oekraïne.

Er is geen directe verbinding tussen Rusland en Transnistrië, over land noch of over zee. Dit betekent dat het Russische contigent moet worden bevoorraad via derde landen. In het verleden is het transport naar Transnistrië veelal verlopen via Oekraïne. Maar dat is geen optie meer door de regering die na de Maidan aan de macht is gekomen.

Hoewel er in Tiraspol, de hoofdstad van de PMR, een landingsbaan is ingericht voor vliegtuigen, is deze sinds 2012 niet meer gebruikt. Commandant van het OGRV, kolonel Dmitri Zelenkov legt uit: “Vanuit mijn gezichtspunt waren er politieke kwesties die het niet toelaten om een verbinding te maken tussen Tiraspol en Moskou.” Toestellen zouden immers via Moldavisch luchtruim moeten vliegen.

Geen aflossing

De Russische troepen is het in principe toegestaan om te vertrekken. Zo heeft zelfs Oekraïne vorig jaar bekend gemaakt dat het bereid is Russische troepen uit Transnistrië doorgang te geven. Ook via de luchthaven van Chisinau, de hoofdstad van Moldavië, kunnen Russische troepen het land in principe uit. Maar als de troepen eenmaal zijn vertrokken kunnen ze het land niet meer in. De Russische troepen kunnen om die reden niet worden afgelost. Zonder uitzondering bevinden de aanwezige troepen zich daarom al sinds minimaal 2014 in de PMR. Ook kolonel Dmitri Zelenkov, wordt door Zvezda gevraagd:

“Hoeveel jaar bevindt u zich in deze positie?”

“Sinds december 2014.”

“Wanneer was de laatste keer dat u in Rusland was?”

“De laatste keer was voordat ik hier naartoe kwam.”

“Dit kan gebeuren” staat er op een poster van een ontploffende kernbom. Kolonel Zelenkov en Zvezda-presentator Aleksei Egorov staan op het punt de munitieopslag in Kolbasna binnen te gaan. In de opslagplaats zou zoveel (conventionele) munitie zijn opgeslagen dat de vuurkracht te vergelijken is met de nucleaire bom die op Hiroshima is gegooid.

Geen bevoorrading

Een bijkomend probleem is dat er geen nieuwe voorraden, zoals reserveonderdelen of munitie, kunnen worden aangeleverd. In de reportage is dan ook te zien dat er veel aandacht wordt besteed aan het repareren en hergebruiken van onderdelen. In sommige gevallen wordt er zelfs gesproken over het zelf fabriceren van onderdelen omdat sinds 2013 geen nieuw materieel meer is aangeleverd.

Want ook op dit vlak is er immers een probleem. Sinds 2014 zijn bijvoorbeeld drones een steeds grotere rol gaan spelen in oorlogsvoering. Niet alleen geavanceerde maar ook kleine drones die voor verkennings- of gevechtsdoeleinden kunnen worden gebruikt. Om die reden heeft het OGRV lokaal een zelfgebouwde luchtafweerinstallatie gebouwd. Het programma voegt eraan toe: “Op het zelfgebouwde voertuig zitten geen raketten of moderne kanonnen, maar het is beter dan niets.”

Een door het OGRV zelf geïmproviseerd luchtafweervoertuig.

Ook bij trainingen nopen de bevoorradingsproblemen tot creatieve oplossingen. Zo heeft het OGRV, om munitie en brandstof te besparen, een BRDM-2 in tweeën laten zagen, voorzien van een lasertje en wankel op banden geplaatst. Zo kan er worden geoefend met schieten alsof het voertuig rijdt zonder munitie of brandstof te gebruiken.

Organisatie van Russische troepen

De taken van de Russische troepen in Transnistrië bestaan enerzijds in het handhaven van de vrede en anderzijds in het bewaken van bepaalde objecten, de meest belangrijkste hiervan is de munitieopslag in Kolbasna. De Russische vredesmissie staat los van het OGRV, niettemin wisselen de troepen elkaar jaarlijks af. Zelenkov vertelt hierover aan Zvezda: “Er is een jaarlijks rotatie tussen de verschillende onderdelen. Een onderdeel gaat voor een jaar naar de vredesmissie. Een tweede afdeling gaat uit de vredesmissie. En een derde bereidt zich voor op vredesmissie.” Ondanks het duidelijk verschil tussen het OGRV en de vredesmissie wordt er toch afgewisseld tussen de verschillende onderdelen omdat troepen anders niet afgewisseld kunnen worden, aldus Voyennaya Priyomka.

Een nagebouwde controlepost van de Russische vredeshandhavingsmissie. Op de post worden Russische vredeshandhavers geoefend om later te worden ingezet op controleposten tussen Transnistrië en Moldavië.

Ook de training wordt lokaal gedaan. In de reportage wordt bijvoorbeeld een demonstratie gegeven bij een nagebouwde controlepost. In de oefening wordt getraind hoe moet worden omgegaan met een scenario waarin een wapen wordt gesmokkeld en vervolgens de controlepost wordt aangevallen. En hoe er vanuit de vredesmissie wordt gereageerd door het inzetten van versterkingen met behulp van een BTR (een pantserinfanterievoertuig). Naast een nagebouwde controlepost laat het programma ook een oefenterrein zien waar getraind kan worden met zwaarder wapentuig. De reportage spreekt over de aanwezigheid van een aantal gepantserde voertuigen maar de aanwezigheid van tanks wordt weersproken.

Een pantservoertuig is doormidden gesneden, op banden geplaatst en wordt met een hendel in beweging gebracht. Door de geïmproviseerde opstelling kunnen schutters oefenen op het pantservoertuig.

Qua rechtspraak vallen de Russische troepen onder het Russische militaire recht. In de PMR is daarom ook een militaire rechtbank gevestigd waar militaire zaken worden beslecht. Maar in verband met de aanwezigheid van veel Russische paspoorthouders in de PMR kunnen ook civiele zaken hier worden voorgebracht.

Munitieopslag

Een groot deel van het tweeluik gaat over de munitieopslag in Kolbasna. In Kolbasna is namelijk een munitieopslagplaats gevestigd die nog uit de tijd van de Koude Oorlog stamt. De opslag was bedoeld voor een eventuele oorlog in het zuidelijke deel van Europa. Die oorlog is er nooit gekomen, maar de munitie ligt er nog steeds.

In de jaren ‘90 en begin deze eeuw is veel voortgang gemaakt om de munitie in de opslagplaats ofwel te vernietigen dan wel af te voeren. In latere jaren is dit echter tot een halt gekomen, tot ergernis van Chisinau. Voyennaya Priyomka stelt dat de resterende munitie niet kan worden vervoerd vanwege de toestand in Oekraïne. En het vernietigen van de munitie vergt speciale opblaasplaatsen die niet voorhanden zijn in Transnistrië. Tot op de dag van vandaag wordt de opslag derhalve beveiligd door de OGRV. De munitie wordt niet alleen beveiligd tegen het in verkeerde handen vallen, maar ook tegen brand en explosie.

Militaire brandweer oefent scenario’s rond het uitbreken van brand bij de munitieopslag in Kolbasna.

De reportage biedt een korte kijk in de keuken van de veiligheidsmaatregelen die van kracht zijn, zoals het verbod op elektronica in de opslagplaats. Ook geeft de militaire brandweer een uitgebreide demonstratie op het oefenterrein.

Spanning met Moldavië en Oekraïne

Het spreekt voor zich dat informatie afkomstig uit welk defensieapparaat dan ook met een kritische blik moet worden bekeken, onafhankelijk van welk land. De lezer moet zich realiseren dat het goed mogelijk is dat de capaciteiten grote of beter kunnen worden voorgesteld dan ze in werkelijkheid zijn. Het tegenovergestelde, dat het Russische contigent sterker is dan het in het tweeluik wordt voorgesteld, is eveneens mogelijk. De aanwezigheid van Russische troepen in de PMR is immers controversieel.

De aanwezigheid van het Russische troepencontingent in Transnistrië is een doorn in het oog van zowel de huidige regering van Moldavië als buurland Oekraïne. Zo veroordeelde de Moldavische minister van Buitenlandse Zaken de aanwezigheid van Russische troepen in Transnistrië door een resolutie in te dienen bij de Verenigde Naties. De president van Moldavië sprak zich echter tegen de resolutie uit. Hij wees erop dat het de situatie in het land alleen maar zou escaleren.

Vanwege de gespannen relatie van Oekraïne met Rusland, ziet ook Oekraïne de troepen liever vertrekken uit Transnistrië. Derhalve heeft Oekraïne in april van dit jaar voorgesteld om vrije doorgang te geven aan de Russische troepen via Oekraïens territorium. Rusland wees dit voorstel echter van de hand omdat het vreesde dat een dergelijke terugtrekking zou kunnen leiden tot een destabilisatie van de situatie in Transnistrië.

De Russische troepenmacht van 1500 man is een factor die eigenlijk amper een bedreiging kan vormen voor Oekraïne, te meer daar het naar alle waarschijnlijkheid ontbreekt aan zware wapens en luchtdoelartillerie. Voor Moldavië, dat zelf een actief leger heeft van 5.000 à 7.500 man (reserves niet meegerekend), is de Russische troepenmacht echter wel een factor van betekenis.

Reportages bekijken

Zoals gezegd zijn de reportage vooralsnog alleen in het Russisch te bekijken op het YouTube-kanaal van Zvezda. Er bestaat echter een kans dat de uitzending in de toekomst in het Engels op het kanaal van RT Documentaries verschijnt. In het Russisch zijn de uitzendingen hier en hier te bekijken.

Posted on

Dutchbat-veteraan doet aangifte tegen Defensie vanwege giftige stoffen

Dutchbat-veteraan Remko de Bruijne doet aangifte tegen Defensie wegens zware mishandeling. Dat meldt het televisieprogramma Een Vandaag dat er in de uitzending vanavond aandacht aan besteedt. In november publiceerde Novini reeds een uitgebreid artikel waarin De Bruijne en anderen vertelden over de blootstelling van militairen aan asbest en andere giftige stoffen. 

Dutchbat-militairen die gelegerd waren in Potocari, Srebrenica, doen aangifte tegen Defensie van mishandeling en poging zware mishandeling. Veteraan Remko de Bruijne neemt hierin het voortouw. Kern van de aangifte is dat ze tijdens hun missie onbeschermd zijn blootgesteld aan asbest, andere giftige stoffen en straling.

Bergen asbest en chemicaliën

De Dutchbatters verbleven destijds op het terrein van een oude accu-fabriek, waar bergen asbest, andere chemicaliën en een vat met daarop de waarschuwing ‘nucleair’ lagen. In Een Vandaag vertellen de mannen over de omstandigheden waarin ze hun werk moesten doen. Ook hebben ze foto- en videomateriaal van de aanwezigheid van de gevaarlijke stoffen op het terrein.

Karremans: oude accufabriek ongeschikt als compound

De veteranen krijgen steun van hun destijds hoogste baas, overste Karremans. De oud-luitenant kolonel stelt in een reactie op de aangifte dat de militairen “nooit gelegerd hadden mogen worden in een zwaar beschadigde en vervuilde accufabriek”.

“Ik heb toen opdracht gegeven de klerezooi zoveel mogelijk op te ruimen”, schrijft Karremans. “Pas (veel) later begin je je allerlei mogelijke consequenties te realiseren. Ik dus ook. Maar laat ik één ding toevoegen: er lag veel meer rotzooi en gif dan Dutchbat wist. Alle meldingen ten spijt, en pogingen tot overleg alsmede het zoeken naar een constructieve uitweg zijn bij het MinDef te enen male een utopie.”

Defensie: ‘geen onverantwoord risico gezondheid personeel’

Defensie laat in een reactie weten dat de Landmacht tijdens een verkenning voorafgaand aan de missie al melding maakte van milieuverontreiniging in een gebouw naast de compound. Daarop zouden maatregelen genomen zijn.

De aanwezigheid van asbest wordt niet ontkend, maar het personeel zou daardoor geen onverantwoord risico voor de gezondheid hebben gelopen. Wel stelt Defensie dat het personeel destijds onvoldoende geïnformeerd is. “Een ieder die gediend heeft in Potocari kan zich alsnog melden via het Veteranenloket”, aldus een woordvoerder van Defensie tegen Een Vandaag.

Grote bergen losse asbest

Eerder constateerde het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) dat het complex in Potocari ‘ernstig beschadigd’ was. Volgens Defensie was van het ‘zwaar’ beschadigde complex een groot deel niet bruikbaar vanwege ‘asbest en aanwezigheid machines’.

Het aanwezige chemische afval zou relatief onschuldig zijn en gemakkelijk te verwijderen. Ook heeft men tijdens een andere inspectie “grote hoeveelheden losse asbest aangetroffen die in bergen in de hoeken van loodsen lagen.”

De uitzending van Een Vandaag op NPO 1 begint om 18:15 uur. Het artikel van Novini uit november is hieronder te vinden:

http://www.novini.nl/dutchbat-militairen-bleken-op-gifbelt-gestationeerd/

Posted on

Defensie flatert voort

Er zijn weinig ministeries waar zoveel misstanden worden geconstateerd als Defensie. Het departement ligt nagenoeg permanent onder vuur. Daarbij schiet de afhandeling van diverse affaires voortdurend tekort.

Ondermaatse voedselveiligheid in legerkantines, een op z’n minst discutabele commando-overdracht op Vliegbasis Eindhoven, een verongelukte duiker in Curaçao, corrupte wagenparkbeheerders, dodelijke slachtoffers in Mali wegens ondeugdelijk materieel, een misbruikzaak in de Oranjekazerne en een fataal ongeval op de schietbaan te Ossendrecht.

Het is slechts een bescheiden opsomming van defensieschandalen van de afgelopen paar jaar. Minister Jeanine Hennis en commandant der Strijdkrachten Tom Middendorp restte begin oktober weinig anders dan het veld te ruimen. Hennis ging even later echter aan de slag bij datzelfde Defensie. Als overste levert ze inmiddels een ‘speciale bijdrage aan gereedsstellingsoefeningen’. Middendorp is ondertussen adjudant van de koning, als dank voor ‘bewezen diensten’ aan de Nederlandse krijgsmacht.

Fouten maakt iedereen – ze vervolgens vakkundig weer herstellen, is de kunst. En daar loopt het bij Defensie een- en andermaal mis. Een gemiddelde werknemer die verantwoordelijk is voor zoveel blunders en de falende afhandeling daarvan, zal na te zijn opgestapt in de regel niet in aanmerking komen voor een eervolle functie bij een aanverwante werkgever. Laat staan dat hij of zij door hetzelfde bedrijf in dienst wordt genomen.

Het is allerminst van de laatste tijd – laat staan incidenteel – dat nalatigheid bij de afwikkeling van ongelukken en schandalen gebrekkig wordt aangepakt. De gevaren van het kankerverwekkende chroom-6 waren volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu al in 1973 bij het departement bekend. Overlevenden en nabestaanden van de vliegtuigcrash in de Ierse Zee in 1981, verklaarden in november vorig jaar dat het ministerie de zaak nog steeds niet naar behoren had behandeld. Srebrenicaveteranen voelen zich jaren later nog altijd in de steek gelaten door hun voormalige werkgever.

Sprookje

Het Srebrenica-drama is zonder twijfel een van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis van onze krijgsmacht. De door Dutchbat te beschermen moslimenclave in voormalig Joegoslavië werd op 11 juli 1995 onder de voet gelopen door de Servische troepen van generaal Mladić. Vervolgens voltrok zich de ernstigste oorlogsmisdaad op Europees grondgebied sinds de Tweede Wereldoorlog. Het dodental van de genocide bedroeg rond de 8.000. Een rammelend mandaat, gebrekkige voorbereiding, ontoereikende bewapening – het zijn slechts enkele oorzaken van het mislukken van de missie. Nederland hield er een nationaal trauma aan over.

Veteraan Remko de Bruijne was erbij als soldaat eerste klasse: ‘We wisten al weken van tevoren dat de enclave zou vallen. We meldden elke dag de troepenverplaatsingen van bussen, tanks en andere voertuigen vanuit Servië richting Srebrenica. De Servische regering zei dat het een oefening betrof, meer niet. Ik was 20, vers van de luchtmobiele opleiding, maar dat sprookje geloofde ik niet. Oefenen tijdens een oorlog – oorlog is toch geen oefening? De troepenbewegingen werden doorgegeven aan onze operations room in Potočari, die gaf het weer door aan de hogere echelons in Zagreb. Helaas is er niets mee gedaan en het resultaat kennen we allemaal.’

Afgezien van de oorlogshandelingen, waren de werkomstandigheden op de basis van Dutchbat verre van ideaal. “Nabij onze compound lagen bergen wit asbest, open en bloot”, vertelt De Bruijne. “Na een regenbui was alles over het terrein gespoeld. We hebben het in opdracht onbeschermd opgeruimd – daar zijn foto’s van. Ook stond er een open nucleair vat dat gevaarlijke straling bevatte. In een rapport werd gezegd dat men het personeel en het thuisfront niet ongerust wilde maken ‘vanwege dit gegeven’.”

Sceptisch

Jaar in jaar uit verschijnen aanhoudend berichten over de omstreden wijze waarop Defensie met de nasleep van de tragedie omgaat. De Bruijne: “In 2014 bezochten Hennis, premier Rutte en generaal Middendorp een bijeenkomt in Amersfoort, speciaal voor Dutchbat III. Ze hebben daar allerlei beloften gedaan, onder meer over eerherstel en hulp bij psychische problemen. Dat is allemaal op niets uitgelopen. Met mij zijn vele Dutchbatveteranen zeer sceptisch over wat Defensie en de politiek toezeggen. Zelf heb ik al 14 jaar een procedure lopen tegen Defensie. Ze hebben de zaak getraineerd, zijn afspraken niet nagekomen en hebben zich bediend van procedurele trucjes.”

Defensie laat in een reactie weten: “De militairen van Dutchbat hebben een heel moeilijke periode doorgemaakt en helaas hebben sommigen hierdoor schade ondervonden. Defensie biedt hen zorg en ondersteuning; er zijn voorzieningen waarvan zij gebruik kunnen maken. Ook hebben deze veteranen een beroep kunnen doen op de ereschuldregeling om schade op Defensie te verhalen. Veteranen die nog restschade ondervinden, kunnen rechtstreeks contact met ons opnemen. De aanvragen worden zo voortvarend mogelijk en op individuele basis behandeld.”

De Bruijne is niet onder de indruk: “Je kunt natuurlijk ondersteuning aanvragen; alleen wordt in de praktijk alles afgewezen. Je moet meerdere keuringen ondergaan door artsen van Defensie en er is hen weinig aan gelegen om je financieel tegemoet te komen.” Het is de oud-militair verder opgevallen dat het departement het nodige kwijt is over de val van de enclave: “De werkorder Srebrenica: verdwenen. Documentatie over graven op de compound: zoek. Het beruchte fotorolletje: vernietigd.” Dat laatste spreekt minister Bijleveld tegen: “Defensie heeft geen beeldmateriaal achtergehouden. Al het beeldmateriaal waarover Defensie beschikte, is ter beschikking gesteld aan het Joegoslaviëtribunaal en aan het NIOD dat in 2002 het rapport Srebrenica, een ‘veilig’ gebied heeft gepubliceerd.”

Diskrediet

Dat laatste is volgens auteur Edwin Giltay weinig overtuigend: “De bronnen die ik in mijn boek De doofpotgeneraal opvoer, hebben aannemelijk kunnen maken dat fotomateriaal van Dutchbat wel degelijk is achtergehouden.” Zijn non-fictie thriller werd in 2015 door de rechtbank verboden op verzoek van een voormalig defensiemedewerker; volgens haar waren de feiten verzonnen.

De doofpotgeneraal ~ Edwin Giltay

Ank Bijleveld verklaart desgevraagd: “In het boek lopen feiten en fictie inderdaad door elkaar heen.” In hoger beroep veegde het Gerechtshof Den Haag de bezwaren echter van tafel en stelde dat er geen twijfel bestaat over de zorgvuldigheid van het inmiddels weer verkrijgbare boek. “Daar vindt Defensie verder niets van,” zegt Bijleveld.

Giltay werd indertijd in een door het ministerie officieel naar buiten gebracht rapport aangemerkt als “volledig gestoord”. De bewindsvrouw ontkent anno 2018 achter dit rapport te staan: “Defensie heeft zich nooit in deze zin over de heer Giltay uitgelaten.” Het document is desondanks nimmer herroepen en blijkt nog steeds openbaar.

Kwalijker dan dat het ministerie hem in diskrediet brengt, vindt de schrijver dat de waarheid over Srebrenica nog steeds in de doofpot zit: “Het toegeven van fouten is bij Defensie nooit echt ontwikkeld. In tegenstelling tot sommige fotorolletjes.” De Bruijne vult aan: “Liever houden ze alles onder de pet, want anders komen de schadeclaims. Gerechtigheid en waarheid zijn niet relevant voor ze.”

Posted on

Georgië houdt militaire oefening rond tiende verjaardag oorlog

Op de tiende verjaardag van de oorlog tussen Georgië en Zuid-Ossetië waarbij ook Rusland zou interveniëren is een militaire oefening in Georgië in volle gang. Aan de oefening doen ook een aantal andere landen mee, waaronder diverse NAVO-landen en Oekraïne.

In totaal nemen meer dan 3.000 soldaten deel aan de oefening. Naast 1.300 uit Georgië zelf doen ook zo’n 1.200 Amerikaanse soldaten mee. Naast dat zowel Azerbeidzjan als Armenië troepen hebben afgevaardigd voor de oefening, heeft ook Oekraïne soldaten gestuurd om deel te laten nemen aan de oefening in Georgië. Naast manschappen hebben de VS ook enkele Abrams-tanks en Strykers- en Bradley-pantservoertuigen naar de oefening gestuurd, evenals Blackhawk-helikopters en Apaches. Duitsland heeft eveneens pantservoertuigen naar de oefening gestuurd.

In een verklaring van het Georgische ministerie van Defensie werd vermeld wat het doel was van de oefening ‘Noble Partner 2018’:

Het doel van de oefening is om onze paraatheid en interoperabiliteit te versterken tussen de strijdkrachten van Georgië, de VS en partnerlanden. Het verbeteren van vaardigheden in stabiliteit, defensie en offensieve operaties en bij te dragen aan een veilige omgeving in het Zwarte Zeegebied.

De Georgische president Giorgi Margvelasjvili opende de oefening door de deelnemers toe te spreken. Hoewel het gebruikelijk is niet te suggereren dat in een militaire oefening tegen een bepaald land wordt getraind verklaarde Margvelasjvili:

Vandaag bevinden wij ons op het territorium van een land waarvan 20 procent volkomen illegaal wordt bezet door onze buur Rusland.

Rusland

In Rusland wordt met zorg gekeken naar de Georgische samenwerking met de NAVO. Konstantin Kosatsjev, hoofd van de commissie Internationale Zaken van de Federatieraad (de Russische senaat), heeft pas nog verklaard dat:

De nieuwe landen worden betrokken in allerlei programma’s die tot doel hebben Rusland vast te zetten. Het duidelijkste voorbeeld is het ontwikkelen van een Europees raketschild… Dit alles zal allerlei extra spanningen opleveren in de zuidelijke Kaukasus en dit alles zal natuurlijk om een reactie vragen van de militaire planning vanuit de Russische Federatie. Dit hoeft voor niemand een verrassing te zijn.

Ook de Russische premier Dmitri Medvedev – die tijdens de oorlog in Georgië president was – liet zich scherp uit over een eventueel NAVO-lidmaatschap van Georgië:

Het lid worden van Georgië van de NAVO kan een vreselijk conflict teweegbrengen. Het is onbegrijpelijk waarom ze dit zouden moeten doen.

De aanloop naar de oorlog

In april 2008 op de NAVO-conferentie van Boekarest werd Georgië en Oekraïne toegezegd dat ze in de toekomst lid zouden worden van de NAVO. Het laat zich denken dat de toenmalige Georgische president Saakasjvili mede hierdoor overmoedig is geworden en besloten heeft Zuid-Ossetië binnen te vallen. Landen met een territoriaal conflict kunnen namelijk volgens de regels van de NAVO zelf geen lid worden van het bondgenootschap. Ironisch genoeg heeft de neoconservatief Saakasjvili de kwestie, door het met een militair offensief te willen forceren, alleen maar verergerd.

In de maanden na de NAVO-conferentie begonnen de spanningen al op te lopen tussen Georgië en Abchazië, een niet-erkend land dat officieel op Georgisch grondgebied ligt. Uiteindelijk brak er oorlog uit, niet tussen Abchazië en Georgië, maar tussen Georgië en Zuid-Ossetië, een ander niet-erkend land op Georgisch grondgebied. De oorlog begon toen Saakasjvili zijn leger beval Zuid-Ossetië binnen te vallen. De aanval op Russische vredestroepen zorgde ervoor dat Rusland vervolgens in zou grijpen in de oorlog met een gigantische inzet van reguliere troepen inclusief haar luchtmacht. Deze inzet van Russische troepen werd door veel landen veroordeeld.

http://www.novini.nl/georgie-onderzoekt-oorlogsmisdaden-in-zuid-ossetie/

Saakasjvili gaf het bevel aan te vallen op 7 augustus 2008. Amper 5 dagen en bijna 800 doden later op 12 augustus was de oorlog ten einde. Zowel Abchazië als Zuid-Ossetië zijn de facto geheel niet meer onder controle van de Georgische regering, terwijl dit voor de oorlog grotendeels ook al niet het geval was. Niet veel tijd na de oorlog erkende Rusland (als één van de weinige landen in de wereld) zowel Abchazië als Zuid-Ossetië als onafhankelijke landen.

Ironisch genoeg is de enige manier waarop Georgië het zichzelf mogelijk kan maken om daadwerkelijk lid te worden van de NAVO om de onafhankelijkheid van Abchazië en Zuid-Ossetië te erkennen. Dat lijkt echter onwaarschijnlijk. Dit alles had voorkomen kunnen worden als Georgië Abchazië en Zuid-Ossetië al bij het opbreken van de Sovjet-Unie had laten gaan.

Posted on

Opnieuw geruchten over uitwisseling van gebieden tussen Servië en Kosovo

De spanningen tussen Kosovo en Servië lopen opnieuw op, nu de regering van Kosovo er nog altijd niet in is geslaagd een statuut vast te stellen voor de Servische gemeenschap in Kosovo. Ondertussen doen geruchten de ronde over opsplitsing van Kosovo.

De gemeenschap van Servische gemeentes (lichtblauw) in Kosovo onder het akkoord uit 2013 (kaart: Vladimir Varjačić)

Een van de aanleidingen voor de onrust, is dat de president van Kosovo, Hashim Thaci, op Facebook stelde dat met Servië gesproken zou moeten worden over een ‘grenscorrectie’. Dit werd algemeen opgevat als een understatement voor de uitwisseling van grondgebied en veel mensen dachten hierbij vanzelfsprekend aan de gemeentes in het noorden van Kosovo waar vooral Serviërs wonen. Maar Thaci stelde later dat er geen sprake van is dat deze gebieden afgescheiden zouden worden van Kosovo en dat hij er alleen aan werkte om bepaalde gebieden van Servië waar veel Albanezen wonen bij Kosovo te voegen. Voor de Servische regering is het afstaan van de gemeentes waar Thaci op doelt onbespreekbaar.

Ondertussen is op 4 augustus de deadline verlopen voor het vaststellen van een statuut voor de gemeenschap van Servische gemeentes in Kosovo – een afspraak die al in 2013 onder auspiciën van de Europese Unie gemaakt is. Nadat berichten opdoken dat Serven in het noorden van Kosovo overwogen nu dan zelf maar een autonome regio uit te roepen, waarschuwde premier Ramush Haradinaj dat op ‘een eventuele poging tot het uitroepen van autonomie’ een reactie zou volgen vanuit Pristina.

In een brief die de Servische president Aleksandar Vucic schreef aan Servische inwoners van Kosovo waarschuwde hij de bewoners om niet in te gaan op provocaties en geen dingen te doen die de internationale gemeenschap later tegen hen zou kunnen gebruiken. “Servië is vandaag gereed om aan haar verplichtingen jegens u te voldoen en om uw levens en vrede te beschermen als dat noodzakelijk is. (…) Er zullen geen nieuwe “Stormen” (hier wordt gerefereerd aan de Kroatische Operatie Storm) komen in Kosovo en Metohija.” De Servische president voegde hier aan toe dat hij KFOR als vredeshandhavende macht in Kosovo verantwoordelijk houdt voor het bewaken van de civiele infrastructuur waar Serven in Kosovo van afhankelijk zijn.

Er zijn berichten dat KFOR troepen heeft verplaatst naar het noorden van Kosovo. Dit zou mogelijk uit vrees zijn dat de situatie uit de hand loopt. KFOR spreekt dit tegen en zegt dat het om een oefening zou gaan.

De huidige situatie komt na eerdere geruchten dat Poetin en Trump in Helsinki het eens zouden zijn geworden over een opdeling van Kosovo. Volgens de Albanese geruchten zou Rusland Kosovo willen erkennen in ruil voor aansluiting van de noordelijke gebieden van Kosovo, waar voornamelijk Serven wonen, bij Servië.

Posted on

VN: Russische troepen moeten Transnistrië verlaten

De algemene vergadering van de Verenigde Naties heeft een ontwerp resolutie aangenomen van o.a. Moldavië, die Rusland oproept zijn troepen terug te trekken uit Transnistrië, een niet erkend land dat formeel tot het territorium van Moldavië behoort. De resolutie ligt onder vuur vanuit Rusland en Transnistrië, maar ook de president van Moldavië is er niet over te spreken.

De Russische troepen gestationeerd in Transnistrië, een niet-erkend land dat zich begin jaren ‘90 heeft afgescheiden van Moldavië, dienen zich terug te trekken naar Rusland volgens een vorige week aangenomen VN-resolutie. Omdat Transnistrië een niet-erkend land is en officieel op het territorium ligt van Moldavië, wil de huidige regering in Chisinau dat de troepen vertrekken. De Moldavische minister van Buitenlandse Zaken Tudor Ulianovschi stelde dat de Russische troepen zich op het Moldavische grondgebied bevinden zonder toestemming van Moldavië.

In een verklaring stelt het Moldavische ministerie van Buitenlandse zaken: “De voortdurende aanwezigheid van Russische troepen en munitie op het territorium van Moldavië zonder de toestemming van Moldavië is niet alleen onverenigbaar met haar onafhankelijkheid, soevereiniteit, territoriale integriteit en permanente neutraliteit, maar ook met het internationale recht en met de provisies van het VN-handvest.” Volgens de verklaring benadrukte het document dat het over de Russische militaire ‘Task-Force’ gaat en niet over de Russische troepen als vredesbewakers.

De reactie van de Moldavische president Dodon (Socialistische Partij) staat echter haaks op de verklaring van zijn eigen ministerie van Buitenlandse Zaken. Dodon verklaart tegenover RIA Novosti: “De Moldavische vertegenwoordiger heeft een voorstel naar voren gebracht in de VN over de terugtrekking van Russische troepen van het territorium van Moldavië. Het voorstel is enkel gericht op een escalatie van de situatie in de republiek en het aanrichten van serieuze schade aan de Moldavisch-Russische relaties. De resolutie verslechtert enkel de positie van Chisinau, inclusief, vanuit het perspectief van eerder behaalde vooruitgang naar een politieke oplossing van het conflict met Transnistrië.”

Het ministerie van buitenlandse zaken van Transnistrië (formeel de Pridnestrovische Moldavische Republiek geheten) legt er in een verklaring de nadruk op dat de Russische troepen in Transnistrië de taak uitvoeren van het waarborgen van een duurzame vrede. Tiraspol laat in de verklaring verder weten dat “geen enkel besluit over het veranderen van het format van de vredesmissie onder het patronage van Rusland kan worden genomen zonder het in acht nemen van de mening van Transnistrië.” Een vergelijkbare verklaring was al voor de stemming in de VN gedaan door de Transnistrische minister van buitenlandse zaken Vitali Ignatjev.

De rol van de Russische troepen in het stoppen van de oorlog tussen Moldavië en Transnistrië wordt aangehaald door de verklaring van het Russische ministerie van Buitenlandse zaken: “Het aannemen van de resolutie kan de prille vooruitgang ondermijnen die de afgelopen maanden is gemaakt in het Transnistrische conflict.” Verder voegt het Russische ministerie eraan toe: “Het is noemenswaardig dat binnen het leiderschap van de Moldavische republiek er geen eenheid is met betrekking tot de resolutie, dit volgt uit de speciale verklaring van de President van de Republiek van Moldavië.”

Spanningen

Begin dit jaar spande de Liberale Partij van Moldavië een rechtszaak aan om ervoor te zorgen dat de Russische taal de status zou verliezen van taal der internationale communicatie. In juli zou het constitutioneel hof van Moldavië de Liberale Partij gelijk geven. Een dergelijk besluit bemoeilijkt een eventuele herintegratie van Transnistrië in Moldavië vanwege de grote Oekraïense en Russische minderheid in het niet erkende land.

Een grote stap voorwaarts voor de verhoudingen tussen Moldavië en Transnistrie werd afgelopen april bezegeld. Toen kwamen de regeringen in Chisinau en Tiraspol overeen dat inwoners van Transnistrië voor hun voertuigen neutrale nummerborden zouden krijgen zodat ze per september konden deelnemen aan het internationale autoverkeer.

Moldavische verkiezingen

In november dit jaar worden er in Moldavië parlementsverkiezingen gehouden. In de peilingen staat de Socialistische Partij (PSRM), waartoe ook de eerder genoemde president Dodon behoort, aan de leiding met zo’n 50 procent van de stemmen. Het ligt in de lijn der verwachting dat de PSRM een gematigdere koers zal varen ten aanzien van Transnistrië.

De huidige regering van Moldavië stelt zich hard op naar de regering in Transnistrië. Het is daarom de verwachting dat zowel Transnistrië als Rusland de Moldavische verkiezingen af zullen wachten in de hoop op een politieke leiding die meer bereid is om rond de tafel te gaan zitten met Transnistrië. Tot die tijd is weinig beweging te verwachten rond het Transnistrische conflict.

Achtergrond

Transnistrië scheidde zich in 1990 af van Moldavië uit vrees voor het opkomende nationalisme, dat pleitte voor aansluiting bij Roemenië, invoering van het Latijnse in plaats van het cyrillische alfabet en de uitzetting van etnische minderheden zoals Russen en Oekraïners. Nadat de nationalisten in 1990 de Moldavische verkiezingen wonnen en opriepen tot het vormen van milities om gewapenderhand een onafhankelijkheidsreferendum in Gagaoezië (een overwegend door Gagoezen bewoonde regio in het zuiden van Moldavië) tegen te gaan, vormde men in Transnistrië, waar Russen en Oekraïners een groot deel van de bevolking vormen, eigen milities en riep de PMR de onafhankelijkheid uit. Uiteindelijk kwam het tot een gewapend conflict, aan het einde waarvan een gezamenlijke vredeshandhavingsmissie van Moldavië, Transnistrië en Rusland tot stand kwam. Rusland stuurt aan op de vorming van een Moldavische federatie, waarvan Transnistrië deel uitmaakt, maar het Westen oefent druk uit op Chisinau om hier niet in mee te gaan.

Aanwezigheid Russische Troepen

De aanwezigheid van de Russische troepen in Transnistrië stamt nog uit de Sovjet-tijd. Nadat de oorlog in Transnistrië was geëindigd is er een gezamenlijke Russisch-Transnistrisch-Moldavische vredesmissie opgezet. Ook is een deel van het Sovjet/Russische 14de leger in Transnistrië achtergebleven om Sovjet-munitiedepots te beschermen, doch zouden deze troepen volgens het vredesverdrag van 1992 Transnistrië moeten verlaten wanneer het conflict is opgelost. Er is echter een meningsverschil tussen de huidige Moldavische regering en Rusland en Transnistrië over de vraag wat het inhoudt wanneer het conflict is opgelost of niet.

Eveneens belangrijk is het ondertekenen door Rusland van het Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa. Volgens dit verdrag zouden de munitiedepots moeten worden ontruimd en de Russische troepen in Transnistrië de regio moeten verlaten. Een groot deel van deze munitie is inmiddels ontruimd. Echter is een deel van de Sovjet-munitie over haar houdbaarheidsdatum heen en beroept Rusland zich erop dat de overige munitie niet vervoerd kan worden. In totaal zijn er nog zo’n 1000 à 1500 Russische militairen aanwezig in Transnistrië. Een deel hiervan (500 man) behoort tot de gezamenlijke vredesmissie. De aanwezigheid van de overige Russische militairen wordt door hetzelfde verdrag geregeld, maar hierover bestaat onenigheid.

Posted on

Moldavië gaat grens tussen Oekraïne en Transnistrië controleren

Oekraïne en Moldavië gaan in het vervolg gezamenlijk de grens met Transnistrië controleren. Hierdoor is Moldavië in staat te controleren welke goederen en personen de afvallige regio in gaan. Deze beslissing kan gevolgen hebben voor de 1500 Russische militairen die in Transnistrië zijn gestationeerd in het kader van een vredesmissie.

Transnistrië is een regio die zich in 1990 heeft afgescheiden van de rest van Moldavië. Sinds die tijd is er een groep Russische militairen gestationeerd in Transnistrië. Transnistrië, formeel de Pridnestrovische Moldavische Republiek (PMR) genaamd, wordt echter door geen enkel ander land ter wereld erkend. Transnistrië ligt tussen de rivier de Dnjestr en de Oekraïense grens. Bijgevolg zijn de enige toegangswegen via Oekraïne of Moldavië.

In maart heeft het Oekraïense parlement, de Verkhovna Rada, een overeenkomst geratificeerd die in 2017 door de Oekraïense premier Volodymyr Groysman is ondertekend. Hierin staat onder andere dat Oekraïne en Moldavië in het vervolg gezamenlijk de Oekraïense grensposten naar Transnistrië/Moldavië gaan bemannen. De route via Oekraïne is voor de economie van Transnistrië van groot belang.

In 2015 ontzegde Oekraïne Rusland reeds de toegang tot het gebied, waar zo’n 1500 Russische militairen gelegerd zijn. Sindsdien werd er gebruik gemaakt van een Moldavische luchthaven vanwaar de laatste etappe van de reis naar Transnistrië over de weg werd gemaakt. De Oekraïense regering wil dat Rusland zijn militairen terugtrekt uit Transnistrië, deze zijn daar echter gestationeerd in het kader van het onopgeloste conflict tussen de PMR-regering in Tiraspol en de Moldavische regering in Chisinau.

Transnistrië scheidde zich in 1990 af van Moldavië uit vrees voor het opkomende nationalisme, dat pleitte voor aansluiting bij Roemenië, invoering van het Latijnse in plaats van het cyrillische alfabet en de uitzetting van etnische minderheden zoals Russen en Oekraïners. Nadat de nationalisten in 1990 de Moldavische verkiezingen wonnen en opriepen tot het vormen van milities om gewapenderhand een onafhankelijkheidsreferendum in Gagaoezië (een overwegend door Gagoezen bewoonde regio in het zuiden van Moldavië) tegen te gaan, vormde men in Transnistrië, waar Russen en Oekraïners een groot deel van de bevolking vormen, eigen milities en riep de PMR de onafhankelijkheid uit. Uiteindelijk kwam het tot een gewapend conflict, aan het einde waarvan een gezamenlijke vredeshandhavingsmissie van Moldavië, Transnistrië en Rusland tot stand kwam. Rusland stuurt aan op de vorming van een Moldavische federatie, waarvan Transnistrië deel uitmaakt, maar het Westen oefent druk uit op Chisinau om hier niet in mee te gaan.

Posted on

Wit-Rusland bereid tot vredesmissie Donbass

De president van Wit-Rusland, Aleksandr Loekasjenko, heeft eerder deze week aangegeven bereid te zijn om vredestroepen te sturen naar Donbass. Als Rusland en Oekraïne besluiten dat een vredesmissie gewenst is, is zijn land bereid troepen te sturen, aldus de Wit-Russische president.

“Dezer dagen wordt opnieuw teruggekomen op een variant [voor een oplossing voor het conflict] die ik had voorgesteld. ‘Laten we Wit-Rusland mee laten doen, omdat Rusland zogezegd Wit-Rusland vertrouwt.’ Ik heb er zelfs al over gesproken met beide presidenten, Porosjenko en Poetin, omdat veel van hun afhangt. Jullie [Porosjenko en Poetin – SB] moeten er niet van uitgaan dat ik voor één van beiden zal zijn. Ik ga precies uitvoeren wat jullie twee presidenten hebben afgesproken, Porosjenko en Poetin. Als jullie afspreken dat we tussen [Oekraine en Rusland met troepen – SB] zullen staan. Dan zal ik er gaan staan. Als jullie afspreken om 10.000 gewapende troepen van Wit-Rusland in te voeren, dan zullen wij [Wit-Rusland – SB] ze plaatsen op de plek waar jullie dat zeggen. Maar ik ga niets doen waarover jullie niets hebben afgesproken.” – Aldus Loekasjenko.(1)

https://www.youtube.com/watch?v=8pD_MfdCLVU

Loekasjenko geeft aan dat Wit-Rusland een belang heeft bij het oplossen van het conflict omdat er volgens officiële cijfers 160.000 vluchtelingen voor de burgeroorlog naar Wit-Rusland zijn getrokken. Volgens de president zorgt dit voor een grote kostenpost vanwege de onderwijs- en zorgkosten waar Wit-Rusland nu voor betaald.(1)

Een dergelijk voorstel vanuit Wit-Rusland is interessant omdat het inzetten van een Wit-Russische vredesmacht voor zowel Oekraïne, Rusland als voor de DNR en LNR een mogelijk acceptabele militaire macht kan zijn. Voor Wit-Rusland brengt het het voordeel met zich mee dat het land een constructieve rol op kan nemen in de internationale politiek en zo krediet kan opbouwen.

De opmerking van Loekasjenko komt nadat vorige maand speciaal gezant van de VS, Kurt Volker en de Russische diplomaat Vladislav Soerkov in Dubai een succesvolle ontmoeting hebben gehad over het Minsk-akkoord. Soerkov merkte na afloop op dat “het Amerikaanse Dubai-voorstel in eerste instantie er best haalbaar uitziet.” Volker op zijn beurt liet weten dat “er meer openheid in het denken was over een breder mandaat voor een vredesmissie… Het zag er constructiever uit.”

Afgelopen weekend gaf de Zweedse minister van Defensie Peter Hultqvist reeds aan dat Zweden bereid zou zijn een bijdrage te leveren aan een eventuele vredesmissie in het oosten van Oekraïne. Zweden werd hiervoor genoemd omdat het geen lid van de NAVO is. Aangezien Zweden recent echter zijn defensiedoctrine heeft aangepast en steeds nauwer samenwerkt met de NAVO, lijkt het niet aannemelijk dat de Russische zijde in het Minsk-proces hier zonder meer mee akkoord zou gaan. Wit-Rusland werkt weliswaar militair en economisch samen met Rusland, maar vaart de laatste jaren een koers waarbij het zowel met Rusland als met Oekraïne en het Westen goede relaties nastreeft. Eerder was de Wit-Russische hoofdstad Minsk zodoende al een voor alle partijen acceptabele locatie voor besprekingen. Het ligt in de rede dat diverse landen een bijdrage zullen leveren aan een eventuele vredesmissie, een gevoelige kwestie is welk land de leiding zou krijgen.