Posted on

Veroordeling terugkerende jihadisten vaak moeilijk

De terugkeer van jihadisten vanuit Syrië naar West-Europa bergt grote veiligheidsrisico’s in zich. Veroordeling blijkt vaak moeilijk. En na een gevangenisstraf kunnen jihadisten, na een paar jaar als slapende cel, opnieuw geactiveerd worden voor terroristische activiteiten.

Naar schatting zo’n 40.000 personen uit de hele wereld zouden als jihadist naar Syrië zijn getrokken. Zo’n 2.000 uit kwamen er uit de Russische Federatie. Uit West-Europa kwamen er circa 4.500, waarvan 1500 uit Frankrijk, 850 uit het Verenigd Koninkrijk en 400 uit België. Van de 980 jihadisten uit Duitsland werden er 170 gedood, een derde van de overlevenden keer inmiddels terug. Tegenwoordig bevinden er zich nog 66 Duitse staatsburgers in Koerdische gevangenschap, tegen 18 is een Duits arrestatiebevel uitgevaardigd. Hun uitlevering vindt geen doorgang, omdat er geen uitleveringsverdrag is en de Koerdische junta weliswaar feitelijk macht uitoefent in delen van het noordoosten van Syrië, maar niet als staat erkend is. Het risico bestaat dat er IS-strijders ongecontroleerd vrijkomen.

Internationaal tribunaal

Verschillende landen roepen nu dan ook op tot vervolging door een tribunaal van de Verenigde Naties. Ook Zwitserland pleit voor een internationaal strafhof, maar dan wel ter plaatse. Frankrijk liet dit idee inmiddels varen uit zorg dat gevaarlijke jihadisten daar vrijgelaten zouden kunnen worden. Behalve Engeland maken de meeste landen geen haast. De terugkeerders zouden met het vliegtuig teruggehaald moeten worden, er is zelfs sprake van een internationale luchtbrug. Zwitserland wijst dit actieve terughalen als enige af. “Ze hebben de weg naar Syrië gevonden, dan moeten ze de weg terug ook maar zien te vinden”, aldus een expert van de federale overheid tegenover Novini.

http://www.novini.nl/laat-internationale-jihadisten-gewoon-door-syrie-berechten/

Arrestatiebevel

Anders dan Engeland, Frankrijk en België die de opname van hun staatsburgers afwijzen, staat Zwitserland iedere Zwitser de inreis toe. Ook de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Heiko Maas stelt: “Deze personen kunnen alleen dan naar Duitsland komen, wanneer vastgesteld is dat ze onmiddellijk in hechtenis gekomen kunnen worden.” Dat kan Maas wel zeggen, maar Duitsland is internationaal-rechtelijk verplicht zijn staatsburgers toe te laten, ook als ze in het buitenland misdaden hebben gepleegd. Een arrestatiebevel vereist concrete bewijzen. Om deze te verzamelen is dikwijls bijzonder lastig. Volgens een uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof is het blote feit van verblijf in IS-gebied niet voldoende voor strafvervolging. Mede daarom maken Duitse overheidsinstanties geen haast met de repatriatie.

Intrekken staatsburgerschap

Voor het intrekken van staatsburgerschap is in Zwitserland een veroordeling nodig. Het intrekken van staatsburgerschap gebeurt in Europese landen doorgaans echter alleen als er sprake is van dubbel staatsburgerschap. De conventie is immers dat niemand stateloos gemaakt mag worden. Zodoende was de uitzondering die de Britse regering onlangs maakte ook omstreden. Londen koos ervoor Shamima Begum, een in Engeland geboren vrouwelijke IS-strijder van Bangladeshi afkomst het staatsburgerschap te ontnemen, waarop zij stateloos werd. Bangladesh wil haar ook niet opnemen.

Bewijzen

Mannelijke jihadisten waren vaak in IS-propagandavideo’s te zijn met vermoorde slachtoffers. Beelden die nu gebruikt kunnen worden voor het opbouwen van een zaak. Niet zelden zijn hun stemmen te identificeren. Terugkerende jihadisten die zich onschuldig voordoen, zijn vaak toch als strijders te herkennen aan het eelt op de vinger waarmee ze de trekker overgehaald hebben.

Vrouwen, die een vijfde van de jihadisten uit Duitsland uitmaken, waren minder vaak te zien in video’s. Eerder strafzaken hebben echter reeds bewezen dat ook zij in trainingskampen vaak onderwezen werden in het gebruik van automatische vuurwapens en dat ze aan publieke executies deelnamen. Wanneer directe betrokkenheid bij een misdaad niet te bewijzen valt, zijn ze voor IS-lidmaatschap of ondersteuning van een terroristische organisatie nog tot enkele jaren gevangenisstraf te veroordelen.

Laatste bolwerk ontmanteld, strijd gaat voort

Ofschoon onlangs na bijna vijf jaar ook het laatste bastion van IS in Syrië, in het dorp Baghouz ontmanteld kon worden, betekent dit niet dat IS zijn strijd op zal geven. IS-leider Abu Bakr al-Bagdadi, op wiens hoofd de VS een beloning van 25 miljoen dollar hebben gezet, zou in Irak ondergedoken zijn. In een audioboodschap riep hij op tot nieuwe aanslagen in het Westen, met “bommen, messen en auto’s”.

Surveillance

Zoals te verwachten verklaren veel jihadisten zich bij arrestatie voor onschuldige slachtoffers. De meesten lijken echter onverbeterlijk te zijn – de moorddadige ideologie leeft dikwijls voort. In Zwitserland verklaarde het verantwoordelijke department onlangs: “de terroristische dreiging in Zwitserland blijft verhoogd.” Natuurlijk zal een veroordeelde IS-strijder ook buiten de gevangenis in de gaten gehouden worden, zo licht een overheidsexpert toe. Maar volledige toezicht vereist zo’n 30 personen per geval, dat kan geen West-Europees land in alle gevallen opbrengen.

Slapercellen

Al met al is de kans groot dat niet weinig jihadisten zich na een paar jaar gevangenis uiterlijk hervormd voor zullen doen, om vervolgens twee of drie jaar een normaal leven te leiden, waarna ze opnieuw ingeschakeld kunnen worden voor aanslagen.

Posted on

Drastische bevolkingsdaling Baltische staten

De directeur van het Litouwse Centrum voor Sociaal Onderzoek, Sarmine Mikulioniene uit bezorgdheid over de bevolkingsdaling in de Baltische staten in het algemeen en Litouwen in het bijzonder.

In de eerste plaats trekken mensen tussen de 18 en 30 jaar oud sinds de jaren ’90 naar het westen en is dit verschijnsel sterk toegenomen sinds de toetreding tot de Europese Unie in 2004. Hoofdreden is de mogelijkheid om beter te verdienen. Hoewel de economie in de Baltische staten zich positief ontwikkelt, is vooral bij de lonen nog een duidelijke kloof met West-Europa zichtbaar.

Waar in bijvoorbeeld Duitsland het doorsnee uurloon bij 15,70 euro ligt, is dat in Letland slechts 3,35 euro. De toetreding van Letland tot de EU leidde tot een massale uittocht van arbeidskrachten, vooral naar Ierland en Groot-Brittannië, maar ook andere West-Europese landen gelden bij de Balten als aantrekkelijker dan hun eigen arbeidsmarkt.

Diverse andere landen hebben met een vergelijkbare uittocht te maken. Vooral Letland, Litouwen, Bulgarije en Moldavië hebben te kampen met een drastische krimp van de bevolking. Mikulioniene waarschuwt: “De situatie is zeer zorgwekkend. In Litouwen zijn 2.000 dorpen volledig verdwenen, we sluiten universiteitsafdelingen en kunnen geen mensen vinden voor het werk.”

De bevolkingsdaling bedraagt in Litouwen 23 procent sinds 1991. Wanneer steeds meer jonge mensen hun land verlaten, heeft dat voor het land in kwestie als gevolg dat de bevolking snel vergrijst. Zowel de economie als het pensioenstelsel zuchten hieronder.

Letland kampt met 27 procent nog sterker met bevolkingsdaling. Wanneer mensen in de vruchtbare leeftijd wegtrekken, betekent dat ook dat in hun thuisland minder kinderen geboren worden. De bevolkingsdichtheid is in Litouwen gedaald naar 44 inwoners per vierkante kilometer, in Letland zelfs naar 29. Ter vergelijking: Nederland heeft 411 inwoners per vierkante kilometer en Duitsland 231.

Naast de Balten die naar het Westen trekken, zijn veel etnische Russen vanuit de Baltische staten naar Rusland vertrokken. In Rusland geldt al langer een vereenvoudigde naturalisatieprocedure. Het is een van de manieren waarop Moskou de eigen negatieve demografische ontwikkeling af probeert te remmen. Sinds 2014 hebben zo’n 600.000 etnische Russen uit diverse voormalige Sovjetrepublieken daar gebruik van gemaakt. Velen kwamen uit de Oekraïne of Kazachstan, maar ook uit de Baltische staten, waar hun rechten sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aanzienlijk beperkt zijn. Zo zijn veel van de etnische Russen die vaak al generaties in de Baltische staten wonen stateloos. In Litouwen vormen etnische Russen zo’n vijf procent van de bevolking, maar in Estland en Letland is ongeveer een kwart van de bevolking van Russische afkomst.

In Estland stijgt het geboortecijfer sinds enkele jaren weer licht, doordat de regering een aantal prikkels in het leven geroepen heeft. Zo krijgt de ouder die thuisblijft een vergoeding ter hoogte van het laatste loon voor het zwangerschapsverlof en moeten werkgevers naar de andere ouder flexibel zijn.

Posted on

Wat Hubert Smeets niet snapt over ’68 en cultuurmarxisme

1968, dit jaar 50 jaar geleden. De eerste herdenkingsnummers liggen al in de winkel. Hubert Smeets, Oost-Europa expert en columnist van NRC Handelsblad, doet op een van de eerste dagen van dit jubileumjaar in zijn krant ook een duit in het zakje. Zijn insteek is niet de opstandige minderheid van studenten die in dat jaar de straten en universiteiten van een groot aantal westerse steden bezette, maar het ‘cultuur-marxisme’. Volgens de oud-correspondent maken “nieuwrechtse denkers in Europa en Amerika” een fout door de geest van ’68 te zien als “als bron van al het kwaad dat ons teistert”. 1968 was juist “een kraamkamer voor krachten waaraan het marxisme ten onder zou gaan”.

Smeets maakt niet alleen een karikatuur van het begrip ‘cultuur-marxisme’, hij laat ook zien dat hij er niets van heeft begrepen. De voorbeelden die hij noemt – Dubcek in Tsjechoslowakije, Michnik in Polen en Sacharov in de Sovjetunie – zijn volstrekt willekeurig. Want 1968 was ook het jaar van het Tet-offensief in Vietnam, waarmee de communisten in Hanoi lieten zien dat ze nog lang niet verslagen waren. 1968 was ook het jaar waarin Mao Zedong, dankzij de Culturele Revolutie die hij twee jaar eerder had uitgeroepen, zijn macht over de Communistische Partij versterkte. 1968 tenslotte was ook het jaar waarin de Khmer Rouge, een tot dan toe onbekende illegale beweging, voor het eerst een landelijke opstand in Cambodja ontketende. Maar deze gebeurtenissen verdonkeremaant Smeets, omdat ze niet in zijn kraam te pas komen. Iets wat hij de critici van de geest van ’68 juist verwijt.

Want voor die critici, die het begrip ‘cultuur-marxisme’ hebben gemunt, is het jaartal 1968 slechts een symbool. De geest van ’68 mag dan wel in dat jaar met veel rumoer van zich laten horen, de geestelijke wortels van de studentenbeweging reiken veel dieper in de geschiedenis. Historici van het beruchte decennium noemen daarvoor een instituut, de Frankfurter Schule. Deze groep van Duitse sociologen en filosofen begon voor de Tweede Wereldoorlog vanuit een marxistische visie kritiek te leveren op maatschappelijke structuren. Na hun vlucht naar de Verenigde Staten na de machtsovername van Hitler cs. vonden de ideeën van Horkheimer, Adorno, Marcuse en Fromm steeds meer ingang op de Amerikaanse universiteiten. Hun boeken gingen in de jaren zestig van hand tot hand.

De kritiek op de soixant-huitards – getypeerd als ‘cultuur-marxisme’ – richt zich niet op de voormalige socialistische heilstaten in het oosten. De kritiek richt zich op de macht van de babyboomers in de media en het onderwijs in westerse landen. In het Oostblok heeft de bevolking zich op eigen kracht vrijgevochten van het communistische juk. In het Westen heeft het (cultuur)marxisme tot in de diepste poriën van de samenleving haar invloed doen gelden (een overwinning waar de communistische machthebbers van toen alleen maar over konden dromen). En de ironie, die Smeets ook niet noemt, is dat de voormalige Oostbloklanden politiek gezien duidelijk afstand nemen van de ‘cultuur-marxistische’ verworvenheden, terwijl de met Mao-vlaggen zwaaiende en met Che Guevara-buttons getooide vertegenwoordigers van de generatie van 1968 vijf decennia lang hun invloed uit konden oefenen in de westerse samenlevingen. Op dat laatste richt de conservatieve kritiek anno 2018 zich.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on Leave a comment

Democratisering en sociaal-economische ontwikkeling in Latijns-Amerika: kansen voor een sociale dialoog

De sociale en democratische uitdagingen waar Latijns-Amerika voor staat – in sommige landen meer dan andere – zijn ongekend groot. Gekenmerkt door steeds groter wordende politieke instabiliteit, steeds intensere internationale competitie in het kader van de globalisering, toenemende sociale ongelijkheid en geweld, en de daarmee gepaarde sociale onrust, lijkt de sociale dialoog een absolute noodzaak.

In veel Latijns-Amerikaanse landen kan er vanaf de jaren ’90 dan ook een trend worden waargenomen van institutionalisering van de sociale dialoog. Veel beleidsmakers zien de ontwikkeling daarvan als de volgende stap in het democratiseringsproces, nadat hervormingen tijdens de jaren ’80 zich vooral hadden gericht op mensenrechten en kiesstelsels.

De bevordering van de sociale dialoog, gezien als instrument tot sociaal-economische ontwikkeling, staat ook steeds meer in de belangstelling van nationale en internationale beleidsmakers en is verworden tot een vast onderdeel van veel ontwikkelingssamenwerkingprogramma’s.

Ook op internationaal niveau is er groeiende belangstelling voor dit onderwerp, zoals de recente activiteiten van het United Nations Department of Economic and Social Affairs (UNDESA) aantonen (1). De bevordering van de sociale dialoog wordt eveneens nadrukkelijk genoemd als onderdeel van de samenwerking tussen Europa en Latijns-Amerika in de “Verklaring van Lima”, op de vijfde top tussen regeringsleiders van beide continenten in mei 2008.

Wat zijn de kansen voor de verwezenlijking van de sociale dialoog in Latijns-Amerika? Welke factoren binnen de bestaande politieke en sociaal-economische context verhinderen dit? Waarom is de sociale dialoog noodzakelijk? Om antwoord te geven op deze vragen zal de politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika worden behandeld, waaruit de noodzaak van de sociale dialoog blijkt. Na de bestaande vormen van de sociale dialoog te hebben geanalyseerd, zal gekeken worden naar de manier waarop de sociale dialoog aangepast kan worden aan de Latijns-Amerikaanse context. Tegen die achtergrond zullen een paar afsluitende opmerkingen worden gemaakt over de kansen en mogelijkheden voor de sociale dialoog in Latijns-Amerika.

Politieke en sociaal-economische inrichting van Latijns-Amerika

De politieke inrichting van Latijns-Amerika wordt gekenmerkt door een opmerkelijke homogeniteit. Bestaande uit een twintigtal landen doen veel politieke trends zich in het hele continent vrijwel gelijktijdig voor: tijdens de jaren ’80 maken 13 landen de overgang van een autoritair regime naar democratie. Dit kan worden verklaard door het zogenoemde “convergentie-effect” (2) dat te maken heeft met een gemeenschappelijke historische en culturele achtergrond en het feit dat het continent beïnvloed wordt door dezelfde internationale economische en politieke ontwikkelingen.

Omdat politieke ontwikkelingen in Latijns-Amerika in veel opzichten erg vergelijkbaar zijn met West-Europa maar tegelijkertijd ook vaak veel intenser of gewelddadiger lijken, kan het continent worden getypeerd als het “Verre Westen.” (3)

De balans van twee decennia democratie is dat hoewel in veel landen de democratische overgang heeft kunnen zorgen voor de consolidering van een electorale democratie, deze nog veel kwalitatieve elementen ontbeert zoals het respect van democratisch pluralisme, politieke accountability en een effectieve deelname van het maatschappelijk middenveld aan de politieke besluitvorming.

Deze situatie, aangevuld met de tegenvallende sociaal-economische resultaten, verklaart de grote sociale ontevredenheid met de democratie die in veel landen bestaat en een hoge mate van politieke instabiliteit ten gevolge heeft gehad. De meest in het oog springende voorbeelden hiervan zijn de 12 presidenten die als gevolg van sociale mobilisaties zijn afgezet en de opkomst van linkse en populistische regeringen in een tiental landen (4).

De meest recente afgezette president, ditmaal door een militaire coup, was President Manuel Zelaya in Honduras. De paradox van Latijns-Amerika lijkt te zijn dat de over de laatste twee en drie decennia aanhoudende economische groei gepaard is gegaan met de vergroting van de inkomstenongelijkheid. Het grote contrast tussen arm en rijk – zowel binnen de landen als tussen de landen – is een voedingsbodem voor sociale onvrede en potentieel zeer explosieve situaties, met name wanneer dit ook een contrast is tussen etnische bevolkingsgroepen. Veel van de huidige politieke instabiliteit en sociale conflictsituaties is af te leiden uit deze schrijnende ongelijkheden.

De noodzaak voor de bevordering van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

Tegen dit kader, dat genuanceerd moet worden afhankelijk van de specifieke landgebonden context, moet Latijns-Amerika zoeken naar de institutionele mechanismen om tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen in het politieke systeem.

Politieke systemen zijn een interactie tussen regeringen, de parlementaire oppositie en de extraparlementaire oppositie (het maatschappelijk middenveld); een spel van een grote verscheidenheid van actoren, in een vaak ondoorzichtig proces, met constant veranderende machtsverhoudingen, de formatie van veranderende sociale en politieke coalities en schuivende draagvlakken (5).

Er komt heel veel af op het continent dat nog steeds op zoek is naar de formule om alle tegenstellingen te accommoderen en de sociale conflicten te kanaliseren of te absorberen. In het democratiseringsproces van Latijns-Amerika – dat in veel landen al ver op gang is maar in andere landen iets lijkt te haperen – is een sociale dialoog nuttig om in de eerste plaats de sociale vrede te waarborgen en in de tweede plaats een bijdrage te kunnen leveren aan de bevordering van goed bestuur en economische ontwikkeling.

Het algemene verlies van het vertrouwen in democratische instituties is het kader waarin het maatschappelijk middenveld en met name sociale bewegingen opkomen. De steun voor de democratie, zoals blijkt uit de enquêtes van de Latinobarómetro (6), is ongekend laag. In landen als Paraguay, El Salvador, Ecuador of Peru geeft minder dan 50% van de bevolking aan nog vertrouwen te hebben in de democratie. Er bestaat dus een verband tussen het verlies aan legitimiteit van met name de politieke partijen en de empowerment van het maatschappelijk middenveld. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de Piqueteros-beweging in Argentinië, de Movimento dos Trabalhadores Rurais Sem Terra (‘Beweging van Plattelandswerkers Zonder Grond’, red.) in Brazilie of de schoolmeestersbeweging FRENADESO in Panama.

Deze vrij plotselinge opkomst van de “sociale sector” dient evenwel in goede banen te worden geleid. De toename van sociale conflicten, ook wel aangeduid als “de democratie van de straat”, is zorgwekkend omdat het de zwakheid illustreert van de democratische instituties om alle sociale vragen en eisen te kanaliseren en van de onmacht van de politieke partijen om te voldoen aan de verwachtingen van de bevolking. De aanhoudende sociale onlusten in Bolivia, met als hoogtepunt oktober 2003 toen de zittende President Gonzalo Sánchez de Lozada werd gedwongen tot aftreden door het volk, is hier een voorbeeld van.

De meeste Latijns-Amerikaanse landen zijn nog ver verwijderd van een bestuursvorm die in staat is sociale conflicten te absorberen en onvertegenwoordigde segmenten van de samenleving door middel van overlegmechanismen deel te laten nemen aan het politieke proces. Er moeten creatieve instituties worden ingesteld om op een verantwoorde manier met het grote aantal eisen vanuit de samenleving om te gaan en een open dialoog te voeren met deze organisaties.

De groeiende complexiteit van de huidige samenleving – ook de Latijns-Amerikaanse – en de diversificatie van de eisen van de bevolking geeft de noodzaak aan voor een verdere ontwikkeling en institutionalisering van de sociale dialoog. De sociale dialoog dient op een zodanige manier te worden ingericht dat de regering op de juiste manier kan reageren op de vragen en zorgen van de samenleving.

Bestaande vormen van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog in Latijns-Amerika is niet afwezig maar neemt andere vormen aan dan in Nederland. De institutionele kaders voor de participatie van het maatschappelijk middenveld in de politieke besluitvorming zijn zeer divers en hebben variërende resultaten. Ondanks de verschillen tussen de afzonderlijke landen zijn er een aantal algemene patronen te ontdekken die Latijns-Amerika als geheel karakteriseren.

Een typologisch onderscheid kan gemaakt worden tussen meerdere niveaus van institutionalisering van de sociale dialoog: (a) nationale dialogen en consultatieprocessen op ad hoc basis en (b) geïnstitutionaliseerde overlegplatformen. De nationale dialogen en consultatieprocessen worden in de regel door de Presidenten geconvoceerd rond een specifiek onderwerp in een bepaalde context, afhankelijk van de behoeften van het moment, vaak als antwoord op hevige sociale mobilisaties. Dit was het geval in Panama in 2002 toen de regering een grootschalige consultatie bijeenriep om draagvlak te vinden voor een omstreden onderwijswet.

Kerkelijke vertegenwoordigers vervullen een belangrijke rol in de bemiddeling tussen de verschillende organisaties die deelnemen aan dergelijke processen. Korte tijd na parlementaire verkiezingen, als presidenten weinig parlementaire steun of een instabiele parlementaire meerderheid hebben, worden ook vaak consultatieprocessen georganiseerd. Het doel van deze consultaties voor de President is dan om zich te verzekeren van de steun van de extraparlementaire oppositie om zo de onderhandelingen met het parlement te vergemakkelijken. Voorbeelden hiervan zijn de Concertación Nacional van President Miguel Ángel Rodríguez in Costa Rica 1998, de Plan Visión de País in Guatemala in 2006 en Visión de México in 2001. Enkele consultatieprocessen richten zich nadrukkelijk op de lange termijn en hebben tot doel een breedgedragen ontwikkelingsstrategie te formuleren. Visión 2020, in 1998, in Panama was zo’n proces waaraan NGO’s, politieke partijen, internationale organisaties en kerken aan mee hebben gedaan, met als doel te reflecteren op de toekomst van het land na de teruggave van het Panama-kanaal in 2000. In Peru stelden de politieke partijen en de belangrijkste sociaal-economische actoren in 2002 een “strategische agenda voor de eenentwintigste eeuw” op, met als doel de regeerbaarheid van het land te herstellen na de autoritaire regeringsperiode van President Fujimori.

De bestaande consultatieprocessen richten zich echter vooral op de korte termijn en beperken zich in dat opzicht vaak alleen tot conflictbeheersing of maken deel uit van instrumentele strategieën voor regeringen om politieke schade te beperken. Het is van groot belang voor de Latijns-Amerikaanse politieke en sociale actoren boven de visie van conjuncturele sociale pacten uit te stijgen om een duurzame sociale dialoog te bevorderen, draagvlak te generen voor belangrijke hervormingen en een gemeenschappelijke ontwikkelingsstrategie voor de lange termijn vast te stellen om zo meer continuïteit van het regeringsbeleid te garanderen.

De analyse van de in het verleden gevoerde dialogen laat ook zien dat niet alleen de coördinatie tussen organisaties van het maatschappelijk middenveld maar het interne organisatieniveau van deze organisaties voor een groot deel hun politieke invloed bepaald. Dit draagt bij aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de sociale actoren. Dit is ook de reden dat met name werkgeversorganisaties, maar ook de media en de kerken, vaak veel dominanter zijn dan andere organisaties van het maatschappelijk middenveld.

De zwakte van de NGO’s en de vakbeweging verklaart de gedeeltelijke mislukking van veel consultatieprocessen, zoals bijvoorbeeld in de Dominicaanse Republiek (Diálogo Nacional, 1997) of in Honduras (Concertación Nacional, 1990), waarvan de politieke doorwerking zeer beperkt was. De instelling van sociaal-economische raden in Latijns-Amerika is een trend van het laatste decennium. Achtereenvolgens stelden Nicaragua (1999), Mexico (2000), Peru (2001), Brazilië (2003) en de Dominicaanse Republiek (2005) een sociaal-economische raad in. De MERCOSUR stelde eveneens in 1994 een adviesraad in, naar het voorbeeld van het European Economic and Social Council (EESC).

Deze raden zijn allen, met enige kenmerkende institutionele verschillen, sterk geïnspireerd op Europese raden. In alle gevallen gaat het om adviesorganen voor de Uitvoerende en Wetgevende Macht met een representatieve vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld met permanent benoemde leden. Gangbare kenmerken zijn dat de regering lid en voorzitter van de Raad is, er meestal geen onafhankelijke geledingen zijn en dat de thematiek van de Raad vaak breder is dan alleen sociaal-economische vraagstukken.

Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.
Losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen zijn in staat grote groepen mensen op de been te brengen.

Desondanks is de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog – met uitzondering van Brazilië en Peru – in weinig landen operationeel. Bestaande adviesraden blijken in de praktijk slechts beperkt te functioneren. In het geval van met name Mexico en Venezuela (waar sinds 1946 een adviesraad bestaat) komt de raad zelden bijeen. In Nicaragua staat de Consejo de Planificación Económica y Social (CONPES) volledig onder controle van de sandinistische regeringspartij FSLN. Pogingen in Costa Rica, Bolivia en Chili hebben geen resultaten opgeleverd. Bij de eerste twee landen was de Nederlandse SER overigens betrokken. In deze landen lijkt het binnen de huidige politieke machtsverhoudingen onwaarschijnlijk dat er op de korte termijn een sociaal-economische adviesraad wordt ingesteld. Huidige initiatieven in o.a. Guatemala, Colombia en Honduras lijken hoopvol maar lopen het risico stuk te lopen op de politisering van de publieke sector, sterk gepolariseerde verhoudingen en de zwakte van de sociaal-economische actoren.

De sociale dialoog exporteren naar de Latijns-Amerikaanse context

Omdat de sociale dialoog geen modeloplossingen biedt, dient de inrichting hiervan aan te worden gepast aan de eigen historische en culturele context van het continent en de specifieke landen, met aandacht voor de bestaande machtsverhoudingen, de samenstelling van het maatschappelijk middenveld, het institutionele kader en de heersende politieke cultuur.

Er kunnen drie hoofdkenmerken van de Latijns-Amerikaanse politieke systemen worden aangegeven die sterk afwijken van de Nederlandse overlegeconomie. Deze algemene kenmerken dienen de institutionele keuzes voor de inrichting van de sociale dialoog in Latijns-Amerika te bepalen. In de eerste plaats zijn Latijns-Amerikaanse landen, in tegenstelling tot Nederland, geen parlementaire democratieën maar hebben presidentiële regimes. Een belangrijke eigenschap van deze presidentiële regimes is dat ze in de meeste gevallen gekoppeld zijn aan kiesstelsels van Evenredige Vertegenwoordiging. Hierdoor komt het zeer regelmatig voor dat regeringen geen parlementaire meerderheid hebben, wat de regeerbaarheid ernstig bemoeilijkt. Vanwege het ontbreken van een consensuscultuur en de vergaande politieke polarisering kan dit zelden worden verholpen worden door coalitieregeringen.

In de tweede plaats is het maatschappelijk middenveld minder overzichtelijk gestructureerd en ook breder qua thematiek. Stil gestaan dient te worden bij de recente empowerment van het maatschappelijk middenveld en de grote mobilisatiecapaciteit van movimientos sociales (sociale bewegingen: losse sociale coalities rond conjuncturele onderwerpen). Daarnaast is de organisatie van de economie ook erg verschillend, met een grote informele sector. Vanwege de extreme verdeeldheid van het maatschappelijk middenveld is een “klassieke” inrichting van de sociale dialoog met werkgevers en werknemers niet levensvatbaar. Nagedacht zal moeten worden over de legitimiteit en representativiteit van het maatschappelijk middenveld.

Ook zal gekeken moeten worden naar manieren om de adversariale – op conflict gerichte – houding van maatschappelijke organisaties te doorbreken. In de derde plaats is er een totaal verschillende politieke cultuur. Latijns-Amerikaanse landen zijn “meerderheidsdemocratieën” (7). Er bestaat een specifieke Latijns-Amerikaanse policy making style (8) die vooral de continuïteit van het regeringsbeleid op de lange termijn niet ten goede komt. Dit impliceert ook de afwezigheid van een politiek onafhankelijk ambtenarenapparaat.

De toekomst van de sociale dialoog in Latijns-Amerika

De sociale dialoog maakt het mogelijk voor het maatschappelijk middenveld om deel uit te maken van belangrijke hervormingsprocessen. Het maatschappelijk middenveld beperkt zich niet tot het voeren van een oppositiestrijd tegen de institutionele politieke machten, maar maakt deel uit van alle fases van het public policy-proces dankzij formele en informele institutionele mechanismen en wordt een volwaardige speler in een inclusieve en plurale sociale democratie.

De weg die Latijns-Amerika heeft ingeslagen voor de ontplooiing van de sociale dialoog is nog lang, vooral wanneer een aantal fundamentele voorwaarden voor succes ontbreken. De sociale dialoog kan alleen functioneren als aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan, waarvan de versterking van de capaciteit van met name de vakbeweging en van onafhankelijke publieke onderzoeksinstellingen de belangrijkste zijn. Toch is een eerste stap gezet in de richting van een sociale democratie in Latijns-Amerika.

De sociale dialoog moet in geen geval het primaat van de politiek ondermijnen, waarbij een sociaal-economische raad het parlement vervangt, zoals President Evo Morales van Bolivia of oppositieleider Ottón Solís in Costa Rica van de Partido Acción Ciudadana voor ogen hebben. De verbreding van de participatie van het maatschappelijk middenveld in het public policy-proces is echter op zijn plaats.

De vraag naar meer sociale dialoog is tegelijkertijd het gevolg van de zwakte van politieke partijen en de intrinsieke beperkingen van de representatieve democratie evenals een mogelijk antwoord daarop. De sociale dialoog dient niet top-down te worden ingesteld maar kan pas succesvol zijn als het ingebed is in het sociaal-economisch leven en in de politieke cultuur. Zo zal er meer aandacht besteed moeten worden aan de sociale dialoog op sector- en bedrijfsniveau.

Sociaal-economische raden zijn niet de enige vorm van geïnstitutionaliseerde sociale dialoog. Voor elk afzonderlijk land zal de precieze vormgeving van de sociale dialoog verder moeten worden uitgewerkt afhankelijk van de samenstelling van het maatschappelijk middenveld en de institutionele tradities. Het is noodzakelijk de sociale dialoog te “tropicaliseren.” Voor collectieve onderhandeling kan gedacht worden aan een eenvoudig onderhandelingsplatform naar het model van de Nederlandse Stichting van de Arbeid. Voor sociaal-economische advisering moeten er keuzes gemaakt worden over o.a. de samenstelling (en de criteria daarvoor, vooral voor de benoeming van onafhankelijke leden), doelstellingen, thematiek, methodologie, interne organisatie en politieke autonomie en financiering. In dit kader is het relevant nader te kijken naar het functioneren van de meer succesvolle adviesraden in Brazilië en Peru.

De institutionalisering van de sociale dialoog biedt overigens geen garantie voor een daadwerkelijke doorwerking van de aanbevelingen van het maatschappelijk middenveld in het politieke besluitvormingsproces. Een zekere mate van institutionalisering is noodzakelijk om legitimiteit te geven aan de sociale dialoog. Te veel institutionalisering brengt echter het risico met zich mee van machtsmanipulatie vanuit de regering. Om coöptatie van het maatschappelijk middenveld te voorkomen, zeker in die gebieden waar populistische tendensen bestaan is het van belang de autonomie en onafhankelijkheid van de sociale actoren ten opzichte van de regering te garanderen. In de institutionele kaders moeten voldoende waarborgen ingebouwd worden om manipulatie van het maatschappelijk middenveld door middel van corporatistische structuren te voorkomen.

Tot slot is politieke wil van alle kanten (regering, parlementaire oppositie en extraparlementaire oppositie) een vereiste. De weerstand van de regering van President Arias in Costa Rica tegen de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog heeft de instelling van een sociaal-economische raad op de korte termijn zeer onwaarschijnlijk gemaakt. Ook is een constructieve opstelling in de onderhandelingen. Dit vraagt om een cultuurverandering die een breuk met de ideologische polarisering en de op confrontatie gerichte politieke cultuur impliceert. Van de geïnstitutionaliseerde sociale dialoog moeten geen wonderen worden verwacht.

De sociale dialoog moet gezien worden als een middel om tot goed economisch beleid te komen en niet als een doel op zich. De sociale dialoog is nodig om maatschappelijk draagvlak te genereren voor het regeringsbeleid en beleid te maken dat gericht is op continuïteit op de lange termijn. Overheidsbeleid moet boven regeringsbeleid komen te staan. Daarnaast kan de sociale dialoog voorzien in de noodzaak kanalen te openen en te versterken om de participatie van het maatschappelijk middenveld mogelijk te maken en ordelijk te laten verlopen en sociale conflicten te voorkomen.

[box type=”download” border=”full”]Petri – De Sociale Dialoog in Latijns-Amerika nader beschouwd[/box]


(1) Het UNDESA organiseerde op 24 en 25 juli 2008 een internationale Expert Group Meeting in Wenen met als doel informatie uit te wisselen over participatie en sociale dialoogmechanismen.
(2) Olivier Dabène, La région Amérique latine. Interdépendance et changement politique, Paris: Presses de Sciences Po, 1997.
(3) Alain Rouquié, Amérique latine: introduction à l’Extrême-Occident, Paris: Editions du Seuil, 1987
(4) Buve, Raymond, ‘Is er één grote Links Golf in Latijns-Amerika?’, in: Internationale Spectator, Jaargang 61, nr 2, februari 2007
(5) Dennis P. Petri & Jean-Paul Vargas, Efectividad Parlamentaria, San José: Ministerio de Asuntos Exteriores y de Cooperación de España, 2008
(6) Latinobarómetro. Opinión Pública Latinoamericana. Zie website: http://www.latinobarometro.org/.
(7) Arend Lijphart, Democracy in plural society. A comparative exploration, New Haven: Yale University Press, 1977
(8) Albert Hirschman, Journeys towards progress. Studies of economic policy-making in Latin America, Boulder: Westview Press, 1963