Posted on

“Belasting is diefstal”

Het is ieders morele plicht zo weinig mogelijk belasting te betalen, vindt belastingadviseur Toine Manders.  “Er is geen principieel verschil tussen belasting en roof.”

‘De koning van de belastingontwijking’ wordt hij wel genoemd, of ‘belastingridder’ door het zakenblad Quote. Ruim twintig jaar hielp Toine Manders kleine en middelgrote ondernemers in Nederland met het behalen van fiscale voordelen in belastingparadijzen. In 2014 werd hij op Cyprus gearresteerd op verdenking van het leiden van een illegaal trustkantoor. Hij bracht drieënhalve maand door in voorlopige hechtenis. De HJC Group, waaronder het trustkantoor HJC Cyprus en het Haags Juristen College (HJC) in Den Haag, waaraan hij sinds 1994 verbonden was, hield op te bestaan. Na ruim vierenhalf jaar is het wachten nog steeds op een rechtszaak, en dus is er nog geen enkele schuld bewezen.

Met Nozick Consulting in Zoetermeer heeft Manders zijn werk weer opgepakt. Nog steeds helpt hij het midden- en kleinbedrijf met het zoeken naar ‘creatieve oplossingen die forse besparingen opleveren’.

Omdat Manders’ naam genoemd wordt in de Panama Papers werd hij vorig jaar verhoord door de Parlementaire Ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Fragmenten van zijn verhoor gingen viral op sociale media, en dan vooral het fragment waarin hij commissielid Renske Leijten van de SP de les las over de DDR-ideologie die hij bij haar meende te bespeuren.

Manders is meer dan een handige jongen die van belastingontwijking zijn beroep heeft weten te maken. Zijn werk is voor hem als een roeping. Als overtuigd libertariër streeft hij naar een zo klein mogelijke overheid en de afschaffing van alle belastingen. Om dit te bereiken, zet hij zich al sinds de jaren negentig in voor de Libertarische Partij (LP). Hij was voorzitter en politiek leider, en vertegenwoordigt de partij thans internationaal. Als vice-voorzitter geeft hij leiding aan de internationale koepel van libertarische partijen, the International Alliance of Libertarian Parties.

Een gesprek over onder meer postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, liberalen van de VVD die geen echte liberalen zijn, naamgenoot Toine Manders van 50Plus, de grijze draaischijftelefoon van de PTT, het Zwitserse bankgeheim, Amerikaanse robberbarons, de Europese Unie die belastingadviseurs dwingt ‘NSB’er’ te worden, de VS als ‘welfare-warfare-police state’ – en Nederlandse belastingambtenaren ‘zonder humor’en met ‘lange tenen’ die je zonder pardon in ‘een hok’ stoppen als je ze te slim af bent en de spot met ze drijft.

Belasting is diefstal. Hoezo? 

Je spreekt van diefstal als je eigendom je wordt afgenomen. Je spreekt van roof als dat gebeurt onder bedreiging van geweld. Er is geen verschil tussen belasting en roof. Want wat gebeurt er als de staat belasting heft? Dan wordt je eigendom van je afgenomen. Eerst krijg je een brief waarin je bevolen wordt geld af te staan, en als je daar niet op reageert, krijg je brieven die steeds dreigender worden. Als je dan nog steeds niet reageert, komt er iemand langs met het doel om spullen van je af te nemen. Als je die niet binnenlaat, dan komt hij terug met iemand die een pistool draagt of met twee mensen die een pistool dragen. Dan wordt er ingebroken in je huis en worden jouw spullen tegen jouw wil meegenomen. Als je je daar tegen verzet, ben je strafbaar en word je opgesloten in een hok. Als je probeert deze gang van zaken te voorkomen door geen aangifte te doen, dan ben je ook strafbaar, want op het niet doen van aangifte staat vier jaar gevangenisstraf. Dan kom je ook in een hok. Dat is dus hoe de staat aan haar geld komt.

U roept mensen op belasting te ontwijken, niet te ontduiken. Wat is het verschil? 

Belastingontduiking is het besparen van belasting door de wet te overtreden. Belastingontwijking is het besparen van belasting binnen de grenzen van de wet. Je maakt dan dus gebruik van de wettelijke mogelijkheden die er zijn. Denis Healey, voormalig Brits minister van Financiën, heeft gezegd: “Het verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking is de dikte van een gevangenismuur.” Ik heb die slogan vaak gebruikt tijdens mijn seminars. Maar inmiddels mogen we vaststellen dat ook als je wel degelijk binnen de grenzen van de wet blijft het toch kan gebeuren dat je aan de verkeerde kant van de gevangenismuur terecht komt. De staat heeft zich wat dat betreft een slechte verliezer getoond.

Voor u mag het verschil dan duidelijk zijn. Maar kennelijk zien het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) het anders. 

Dat zou betekenen dat er bij het OM en de FIOD hele eerlijke, nette, goed bedoelende mensen zijn, die oprecht dachten dat wat ik deed in strijd met de wet was. Maar ik denk niet dat dat zo is. Want er was geen bewijs en er is geen bewijs. We zijn na mijn ontvoering in januari 2014 inmiddels ruim vierenhalf jaar verder. Ze hebben tien FIOD-ambtenaren op een vliegtuig naar Cyprus gezet en alles platgelegd, computers, papieren, dossiers meegenomen, een aantal medewerkers als verdachten aangemerkt, zodat mensen bang werden en stopten met werken, en het bedrijf dezelfde dag nog werd gesloten. Ze hebben vierenhalf jaar de tijd gehad alle dossiers door te pluizen. Ze beschikken over alle cliëntengegevens, alle structuren die waren opgezet, verslagen van gesprekken die zijn gevoerd met meer dan tienduizend cliënten en potentiële cliënten. Maar tot de dag van vandaag is er nog steeds geen enkele cliënt en zelfs geen enkele potentiële client veroordeeld of überhaupt vervolgd voor belastingontduiking, witwassen of andere vergrijpen.

Velen zullen zeggen: het heffen van belastingen is volkomen legitiem, want zo hebben we het met elkaar afgesproken. Het is democratisch verankerd. Er is geen meerderheid in Tweede Kamer tegen belastingheffing.

Zo hebben we het met elkaar afgesproken? Dat hebben we helemaal niet zo met elkaar afgesproken. Ik heb die afspraak niet gemaakt. Kunt u zich herinneren die afspraak te hebben gemaakt? Het sociaal contract is een mythe, of beter gezegd, een leugen.

Het argument van de democratie, dat het democratisch is besloten, dat de meeste stemmen gelden, gaat ook niet op. Als je op straat twee rovers tegen het lijf loopt die zeggen: “We houden een verkiezing of je wel of niet beroofd moet worden”, en ze stemmen vervolgens met z’n tweeën voor, en jij stemt tegen, en ze zeggen dan: “Je hebt verloren, want de meeste stemmen gelden en we nemen nu jouw portemonnee af” – dan is het toch nog steeds niet gerechtvaardigd? En of die bende nu bestaat uit twee, tien, honderd of tien miljoen, het maakt voor het principe niets uit. Het principe is: Je mag niet iemands lichaam of eigendom schenden. Ieder mens heeft recht op zijn eigen lichaam en eigendom zolang hij geen inbreuk maakt op iemand anders lichaam of eigendom. De overheid schendt dat principe, op verschillende manieren, onder meer door belastingheffing en de militaire dienstplicht die nog steeds niet is afgeschaft. Ook al staat de meerderheid daar achter, dat maakt niet uit. Of iets democratisch besloten is, zegt helemaal niets over de rechtmatigheid van de daad.

Stel dat we in Nederland nog een stelsel hadden van referenda, en er zou een referendum worden gehouden over het belastingstelsel. Zou de meerderheid dan voor afschaffing stemmen?

Ik denk niet dat de meerderheid zou stemmen voor volledige afschaffing. Maar dat heeft een achtergrond.  De gemiddelde burger merkt weinig van hoge belastingdruk in Nederland. Dat komt doordat vrijwel alle belastingen worden geheven via de ondernemer, die dat maar moet doorberekenen in lagere lonen en hogere prijzen. Loonbelasting, sociale premies, BTW, accijnzen,  invoerrechten, enzovoort.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden een artikel las over de tien grootste ergernissen van de gemiddelde Nederlander. Bovenaan stonden de gemeentelijke belastingen. Ik was heel even verbaasd.  Maar toen viel het kwartje. Het is zo’n beetje de enige belasting die niet via de ondernemer wordt geheven, maar rechtstreeks bij de belastingbetaler zelf, waarbij hij jaarlijks een enveloppe aantreft op de deurmat, met daarin een brief waarin niet staat “U krijgt geld terug”, maar waarin staat “U moet geld overmaken”. Blijkbaar maakt dat een enorm psychologisch verschil.

Ik voorspel dat er een belastingopstand zou uitbreken als belastingen die nu via de ondernemer worden geheven van het ene op het andere jaar rechtstreeks werden geheven bij de burger zelf. Mensen zouden razend en ziedend worden. Nederland heeft net als de VS haar bestaan te danken aan een belastingopstand. Nederlanders hebben een tachtigjarige oorlog gevoerd vanwege de tiende penning, die de Spaanse bezetter ons had opgelegd. Dat was een soort BTW van 10 procent.

Dus stel dat alle belastingen direct werden geheven bij de burger en er dan een referendum zou worden gehouden over belastingheffing, dan denk ik niet dat we meteen naar nul zouden gaan, maar wel dat de belastingdruk extreem veel lager zou worden dan deze nu is.  De meeste mensen denken dat belastingheffing een noodzakelijk kwaad is en dat we niet zonder kunnen.

Hoe verklaart u dat mensen denken dat we niet zonder belastingen kunnen?

Dat komt door al die met belastinggeld gesubsidieerde scholen, universiteiten en media. We zijn van generatie op generatie naar staatsscholen gegaan, met leraren die iedere maand een salaris krijgen van de overheid, en ons daarom van jongs af aan hebben geleerd dat we heel blij moeten zijn dat we leven in zo’n prachtig land als Nederland, waar we van de wieg tot aan het graf worden verzorgd, met gratis onderwijs, gezondheidszorg, wegen, enzovoort.  Zoals het spreekwoord zegt: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.” 

In dictaturen mogen docenten zich verheugen in de bijzondere belangstelling van de machthebbers. Als je te overheidskritisch bent dan word je in het gunstigste geval ontslagen, en in het slechtste geval beland je in een kamp of onder de grond. Dat heeft een reden: docenten hebben een grote invloed op de publieke opinie, en dat is omdat ze les geven aan jonge mensen. Zolang mensen jong zijn, zijn ze heel plooibaar. Daar gebruiken machthebbers de stok, hier de wortel, en dat werkt veel beter: onze docenten zijn true believers.

Dat er nog geen belastingopstand is uitgebroken, zal er ook mee te maken hebben dat de overheid haar inkomsten aanwendt voor voorzieningen waar iedereen van profiteert, zoals onderwijs, gezondheidszorg en een wegennet. 

De tegenprestatie die de overheid levert, rechtvaardigt nog niet dat ze belasting heft. Het is en het blijft roof. Als we het argument serieus nemen, van “Je krijgt er toch iets voor terug?”, dan zou de melkboer ook ongevraagd melk bij je op de stoep kunnen zetten, en je een gepeperde rekening kunnen sturen, en dan kunnen zeggen: “U moet betalen, want ik heb u melk geleverd.” Een betaling mag je verlangen op basis van een overeenkomst, of als je schade is berokkend. Je kunt niet zeggen: “Ik heb geld nodig, dus u moet mij betalen in ruil voor een tegenprestatie die ik u ongevraagd lever.”

Nederlanders die moeite hebben met de hoge belastingdruk, zou voor de voeten geworpen kunnen  worden: Er is niemand die je verplicht in Nederland te blijven. 

Ja, je mag toch weg? Dat is een drogreden waar de meeste mensen intrappen. Als we dat argument serieus nemen dan zou de maffia op Sicilië ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet protectiegeld te betalen? We dwingen je niet om hier te blijven wonen.” Of dan zouden inbrekers in mijn huis ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet dat we je spulletjes meenemen? Je hoeft hier niet te blijven. Je mag weg.” Het punt is hier echter: die inbrekers zijn niet de rechtmatige eigenaren van mijn huis. Dat ben ikzelf. Dus ik hoef niet weg. Zij moeten weg. Zij hebben niets te zoeken in mijn huis. Idem dito voor de maffia op Sicilië. Zij zijn niet de rechtmatige eigenaren van Sicilië. Dus als zij een winkelier bedreigen voor protectiegeld, hoeft die winkelier niet weg. Die maffiosi moeten weg, want die hebben niets te zoeken in die winkel.

Onze huizen en winkels bevinden zich wel op het grondgebied van de Staat der Nederlanden.

De impliciete aanname van dat argument is dat de staat rechtmatig eigenaar is van alle grond, en dus alle regels mag maken op haar grond die ze maar wil. Maar dat is niet zo. De staat is nooit op een rechtmatige manier aan grond gekomen. De staat is ontstaan door roversbendes die door een gebied trokken. Die vielen een dorp binnen, de mannen werden vermoord, de vrouwen werden verkracht, het dorp werd geplunderd en in brand gestoken, en dan gingen ze door naar het volgende dorp. Totdat ze tot het inzicht kwamen: “Eigenlijk zijn we stom bezig, want als je eenmaal zo’n dorp veroverd hebt, dan kun je het toch beter gewoon bezet houden in plaats van iedereen vermoorden.” En dan dus niet eenmalig plunderen, maar structureel plunderen. Bij iedere oogst een deel van de oogst opeisen, en iedere keer als er iets verdiend wordt afpersen. Zo is het feodalisme ontstaan. De roverhoofdman werd de koning en de koning gaf zichzelf het recht belasting te heffen. Hij delegeerde de belastingheffing aan de adel en de adel stuurde mensen met zwaarden langs bij het gepeupel om belasting te heffen. Zo is de staat ontstaan. Op basis van roof. Wat ik dus tegen inbrekers mag zeggen, “Ik ga niet weg, jullie moeten weg”,  zou ik ook tegen de staat moeten kunnen zeggen.

U stelt dat het niet alleen moreel verwerpelijk is dat mensen gedwongen worden belasting te betalen, maar ook dat belastingheffing schade toebrengt. 

Zo is dat. Veel geld wordt uitgegeven aan dingen die beter überhaupt niet gedaan zouden moeten worden, zoals het voeren van oorlogen, het doden van onschuldige mensen in andere landen. De overgrote meerderheid van de libertariërs is non-interventionalist. Zij vinden dat een leger alleen mag verdedigen. Zij zijn mordicus tegen wat Amerika doet: het spelen van politieman van de wereld, soldaten sturen naar andere landen om even orde op zaken te stellen, terwijl het dan meestal een chaos wordt, zoals we hebben gezien in Irak en Libië.

In eigen land brengt de staat productieve mensen schade toe. Hoe productiever mensen zijn, hoe zwaarder ze worden belast, hoe meer ze wordt afgepakt. Wat de staat ook doet is een enorm leger van ambtenaren inhuren die voortdurend bezig zijn met het verzinnen van nieuwe regels. Het maakt voor hun niet uit dat de regeldruk al veel te hoog is. Zij zijn er voor ingehuurd om die regels te maken, dus vinden ze altijd wel iets om nieuwe regels voor te maken. Het is ook een soort vicieuze cirkel. Stap één is: de staat veroorzaakt een probleem door interventie. Stap twee is: politici en hun ambtenaren gaan nadenken over de oplossing van dit probleem. Ze vinden altijd wel een oplossing en die is eigenlijk altijd dezelfde: er moeten nog meer regels komen, want er waren er toch nog te weinig. De staat moet nog meer ingrijpen, nog meer uitgeven en er moeten nog meer ambtenaren komen. Samengevat: geef ons meer geld, geef ons meer macht, en dan lossen wij het probleem voor u op.

Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de trend bijna altijd: een grotere overheid, meer regels, hogere staatsuitgaven, meer ambtenaren. Maar problemen worden daarmee helemaal niet opgelost, ze worden alleen maar erger. Een jaar lang word je dus schade toegebracht, je wordt als een kind behandeld, er word je van alles verboden en je wordt overal toe verplicht, en vervolgens moet je je meesters ook nog eens precies gaan vertellen wat je hebt verdiend, en plus minus de helft aan ze afstaan voor de wederdienst, de tegenprestatie die ze je hebben geleverd. De Amerikaanse libertariër Lysander Spooner zei: “Wat de staat doet is nog erger dan een struikrover die jou berooft. De struikrover laat je met rust nadat hij je heeft beroofd. Na de beroving ben  je weer vrij. Hij schrijft je niet de wet voor, vertelt je niet wat je wel en wat je niet moet doen.”

Welke problemen veroorzaakt de staat volgens u?

De overheid voert bijvoorbeeld maximumhuren en minimumlonen in, verklaart cao-lonen algemeen verbindend of stelt minimumprijzen voor melk en boter vast. Wat krijg je dan? Een verstoring van de markt. Vraag en aanbod raken uit balans. Want wat gebeurt er bij een minimumprijs voor melk en boter? Mensen gaan minder melk en boter gebruiken, maar de boeren gaan juist meer melk en boter produceren, want ze krijgen er een mooie hoge prijs voor. Met het gevolg dat er een boterberg en een melkplas ontstaan, en deze uiteindelijk gedumpt worden in de Derde Wereld.

Er is ook een enorme boete op lonen, op arbeid. Daardoor houden mensen zo weinig over. De staat zegt dan: “Jullie zijn zo zielig, jullie hebben zo weinig geld om van te leven, weet je wat? We voeren een minimumloon in en verklaren de cao-afspraken algemeen verbindend.” Het gevolg daarvan is niet alleen dat die mensen meer geld overhouden. Het gevolg is dat ze werkloos worden. Want op het moment dat iemand door de hoge belastingen het minimumloon niet kan waarmaken, een werknemer meer kost dan oplevert, dan wordt hij eenvoudig niet aangenomen.

Niet alleen overschotten, ook tekorten worden per definitie door de overheid veroorzaakt. Woningnood ontstaat doordat de staat maximumprijzen vaststelt. De wachtlijsten in de zorg ontstaan door maximumprijzen voor de zorg.

U heeft in een lezing gezegd: “Het komt voor dat de staat wel dingen doet die nuttig zijn.” Hoe moeten die dan worden betaald? Niet uit belastingheffing?

De staat besteedt ons belastinggeld inderdaad ook aan nuttige dingen, zoals zorg, onderwijs, politie, rechtspraak, infrastructuur, defensie en telecommunicatie. Maar ook daarmee moet ze ophouden. Juist omdat het veel te belangrijk is om aan de staat over te laten. Laat ik het voorbeeld geven van telecommunicatie. Want dat is een terrein waar de staat toevallig een stap terug heeft gedaan. Ze  heeft haar monopolie beëindigd. Telecommunicatie is begonnen als particulier initiatief. De telegraaf en telefoon zijn particuliere uitvindingen. Telecommunicatiebedrijven waren particulier en concurrerend. Op een gegeven moment heeft de staat het gemonopoliseerd en concurrentie verboden. Dat remde de innovatie. U herinnert zich waarschijnlijk de grijze draaischijftelefoon? Die is in de jaren ’50 ontworpen. Sinds de jaren ’60 moesten alle Nederlanders die een telefoon wilden er verplicht eentje huren van staatmonopolist PTT. Toen het monopolie werd opgeheven, in de jaren ’90, hadden we nog steeds diezelfde telefoon, maar we mochten eindelijk ook een andere telefoon gaan gebruiken. Sindsdien hebben we een enorme inhaalslag gezien op het vlak van innovatie. Nu hebben we telefoons die in feite computers zijn en die meer kunnen dan de computer waarmee mensen naar de maan gingen in 1969. De kosten zijn ook dramatisch gedaald. Vroeger toen het monopolie nog bestond, betaalde je drie gulden per minuut om naar Amerika te bellen en 19 gulden naar Afrika of Azië. Dus als je emigreerde ging je er van uit dat je nooit meer gebeld zou worden door je familie, want dat was te duur. Nu kun je voor 1, 2 of 3 eurocent per minuut de hele wereld bellen, vaak zelfs gratis met Skype en andere services.

Ook op andere terreinen ziet u graag dat de overheid zich volledig terugtrekt?

Telecommunicatie is een voorbeeld van iets waarbij mensen met eigen ogen hebben gezien dat het beter kan zonder staatsmonopolie. Maar toch trekken ze dan niet de conclusie dat het ook wel eens zou kunnen gelden voor zorg, onderwijs en infrastructuur. Terwijl daar precies hetzelfde voor geldt. Toen ik begin jaren ’90 pleitte voor het einde van het monopolie op de telecommunicatie zeiden mensen: “Dat kan helemaal niet. Want bellen doe je via een lijn onder de grond en je gaat dan toch niet twee, drie, vier lijnen naast elkaar leggen? Het is een natuurlijk monopolie, en dat moet dan wel een staatsmonopolie zijn, want als een particuliere organisatie een monopolie krijgt dan kunnen ze vragen wat ze willen en worden we allemaal straatarm.” Zo denkt men dus nog steeds over monopolies. Als ik pleit voor het afschaffen van het monopolie op zorg, onderwijs of infrastructuur, dan zeggen mensen: “Belachelijk, dat kan helemaal niet.”

Je kunt toch wel kiezen naar welke school je kinderen gaan, welk ziekenhuis jou behandelt of wie jouw zorgkosten verzekert?

Dat klopt. Er is een heel klein beetje keuzevrijheid. Nederland is ook zeker niet het ergste land ter wereld. Er is onderzoek gedaan naar het niveau van economische vrijheid in 160 verschillende landen, en Nederland staat meestal in de top 20. Als je kijkt naar persoonlijke vrijheid, staan we zelfs in de top 5. Begrijp me niet verkeerd: Nederland is ziek. Maar de meeste landen zijn nog veel zieker dan wij. Maar dat we minder ziek zijn is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Als je ziek bent wil je gezond worden.

In hoeverre kan de staat zich terugtrekken? Politie, leger en rechtspraak zijn moeilijk voorstelbaar zonder overheid en belastingbetalers.

Dat is inderdaad voor veel mensen heel moeilijk te begrijpen. Voor libertariërs zijn dat ook de laatste staatsmonopolies waarvan ze afscheid willen nemen. Toch zijn die monopolies al voor een deel verdwenen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de rechtspraak, dan zie je dat heel veel bedrijven arbitrage met elkaar afspreken. Ze leggen contractueel vast dat als ze een geschil met elkaar krijgen ze dat niet voorleggen aan de staatsrechter maar aan een arbitragecommissie. Waarom? Omdat een zaak winnen bij een staatsrechter heel veel meer tijd en geld kost dan een zaak verliezen bij een arbiter.

U bent kritisch over de Europese Unie. Hoe past dat binnen de libertarische filosofie?

Tot circa 1992 was er een ontwikkeling van het wegnemen van barrières, het verlagen en afschaffen van invoerrechten en invoerquota. De slogan was: ‘Vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, vrijheid van vestiging’. Dat waren stappen in de goede richting. Rond 1992 was dat project grotendeels afgerond, maar in plaats dat de eurocraten zeiden: “Stuur ons naar huis”, zeiden ze: “Nu gaan we de volgende fase in.” Eerst kregen we de economische eenwording, nu krijgen we de politieke eenwording. We gaan harmoniseren: een minimumtarief invoeren voor de BTW, een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting. Dan is er dus geen ontsnapping meer mogelijk. Dan is het niet meer mogelijk om met de voeten te stemmen door in België te gaan wonen. De Nederlandse overheid en andere overheden van EU-lidstaten kunnen dan op belastinggebied niet meer met elkaar concurreren in het voordeel van hun eigen burgers. Het is dan een soort kartel geworden van belasting heffende politici.

We leven in een wereld met zo’n tweehonderd staten. Niet zo lang geleden, na de Tweede Wereldoorlog, waren het er tachtig. Ik zie dat als een vooruitgang. Hoe meer staten, hoe kleiner het grondoppervlak. Ideaal zou zijn als de grootste staat Liechtenstein was. Dat is nu de kleinste staat ter wereld, met 35.000 inwoners, maar ook de rijkste, gecorrigeerd voor koopkracht. Miniatuurstaatjes zoals Liechtenstein, Monaco, Luxemburg, Andorra, San Marino, Singapore en in zekere zin ook Hong Kong hebben met elkaar gemeen dat ze het heel goed doen. Ze scoren zwaar bovengemiddeld in alle internationale vergelijkingen. De mensen daar zijn vrijer, hebben een hogere levensverwachting en een hoger welvaartsniveau. Hetzelfde zie je bij de belastingparadijzen: Bermuda, de Kaaiman-eilanden, Jersey, Guernsey, Isle of Man.

Zie ook de VS. De federale overheid was daar tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw extreem klein. Je had daardoor vijftig staten die hevig met elkaar concurreerden. Daarom groeiden ze zo snel, werden alle uitvindingen daar gedaan, vertrokken alle mensen met talent naar Amerika. Daarvan is weinig overgebleven. Ruim honderd jaar geleden kwam de omslag. Amerika ontwikkelde zich van waarschijnlijk het vrijste land ter wereld tot een welfare-warfare-police state.

Zwitserland is ook een goed voorbeeld. Dat land telt 26 kantons, die met elkaar kunnen concurreren omdat de federale overheid heel weinig macht heeft, al begint dat de laatste drie jaar helaas wel te veranderen. Er zijn in Zwitsersland nog steeds kantons zonder erfbelasting en schenkbelasting, of waarbij het tarief voor de inkomstenbelasting lager wordt naarmate je productiever bent. Daarom zijn de Zwitsers nog steeds het rijkste volk ter wereld. Niet als je kijkt naar het inkomen per hoofd, maar wel naar het vermogen per hoofd.

Hoe kan het dat ministaatjes vrijer en welvarender zijn? Ligt de oorzaak werkelijk in het geringe grondoppervlak?

Stel je voor dat de wereld zou bestaan uit honderd miljoen miniatuurstaatjes. Dan wordt het makkelijker voor mensen om met hun voeten te stemmen. Als ze ontevreden zijn over de regel- en lastendruk waar ze wonen, dan is het makkelijk verhuizen naar een ander miniatuurstaatje een paar kilometer verderop waar de regel- en lastendruk lager is.

Mensen zien wel in dat concurrentie tussen bedrijven goed is, maar niet dat concurrentie tussen staten nog veel belangrijker is. Als staten met elkaar moeten concurreren dan is dat een rem op de macht van de politici. Concurrentie zorgt ervoor dat ze gedwongen worden hun tarieven en regeldruk te verlagen, om talenten en kapitaal te lokken in plaats van die te verjagen. Europa heeft in zevenhonderd jaar tijd een enorme voorspong gekregen op de rest van de wereld. De laatste tientallen jaren beginnen we die voorsprong in rap tempo te verliezen aan de Aziatische Tijgers Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. Hoe kan dat? Omdat Europa een lappendeken was van miniatuurstaatjes. Zo bestond Duitsland uit dertig staten. Italië uit een stuk of tien. Die concurreerden met elkaar.

U beschouwt de vrije markt als oplossing. Is daar nu juist geen overheid voor nodig? Om bijvoorbeeld kartelvorming en monopolievorming tegen te gaan?

De staat is juist zelf de übermonopolist en überkartelvormer. Als je kijkt hoe monopolies zijn ontstaan: de koning verkocht aan een handlanger een alleenrecht. Hij zei dan: “Vanaf  nu ben jij de enige die nog zout of peper mag importeren in mijn land. Alle concurrenten sluit ik voor je op in de gevangenis, maar je moet wel betalen voor dat alleenrecht.” Monopolies kunnen alleen maar ontstaan of standhouden door overheidsinterventie. Op de vrije markt zijn monopolies onmogelijk.

Op de vrije markt is het zo dat als een bedrijf binnen een bepaalde regio een gigantisch marktaandeel verovert, dat alleen maar kan door heel erg efficiënt te zijn en voor een lage prijs te werken. Want in iedere sector heb je een optimaal aantal aanbieders. We hebben bijvoorbeeld miljoenen bakkers in de wereld en we hebben maar tientallen autofabrikanten. Dat is omdat het miljarden kost om een auto te ontwikkelen. Voor een brood is heel wat minder geld nodig. Je kunt dus niet a priori zeggen: “Er moeten minimaal zoveel aanbieders zijn van een product.” Wat de optimale grootte is, is nu juist iets wat op de markt zal blijken. De consument wil een zo goed mogelijke auto of een zo goed mogelijk brood tegen een zo laag mogelijke prijs. De producenten gaan proberen marktaandeel te veroveren door te innoveren, door een steeds betere auto te bouwen tegen een zo laag mogelijke prijs. Of neem computers. Die worden steeds beter en steeds goedkoper. Omdat je daarmee je marktaandeel kunt behouden, vergroten of voorkomen dat het kleiner wordt.

Op een markt die werkelijk helemaal vrij is, kan een computerfabrikant alle andere computerfabrikanten opkopen en vervolgens de prijs flink omhoog gooien en de kwaliteit laten versloffen omdat hij met niemand meer hoeft te concurreren.

Ik ken die drogreden. Dat is een marxistische mythe. Je kunt alleen maar steeds groter worden door steeds efficiënter te worden. Als je te groot wordt en daardoor minder efficiënt wordt, en je kostprijs juist omhoog gaat omdat je bureaucratisch bent geworden, dan zul je juist marktaandeel gaan verliezen, want er zijn dan namelijk concurrenten die marktaandeel van je afsnoepen. Zelfs al zou je een natuurlijk monopolie hebben verworven, waardoor je de enige aanbieder bent geworden, bijvoorbeeld in het geval van een dorp dat zo klein is geworden dat maar één bakker de meest efficiënte oplossing is en twee bakkers niet efficiënt zouden zijn, dan betekent dat niet dat je daarvan misbruik zou kunnen maken. Want als je dat zou proberen te doen, dan is er altijd de latent aanwezige concurrentie. Want stel dat je een monopolie hebt bereikt en je denkt dat je de prijzen flink kunt verhogen en er met de pet naar kunt gooien, dan kom je er snel achter dat het zo niet werkt in de vrije markt. Want zodra je misbruik gaat maken van je monopoliepositie door een slechte service te leveren of een slecht product te bieden tegen een te hoge prijs, dan zul je merken dat er opeens een nieuwe bakker komt die marktaandeel van jou gaat afsnoepen.

Marxisten zullen dan tegenwerpen dat monopolisten nieuwe toetreders uit de markt kunnen drukken voordat ze in staat zijn geweest marktaandeel af te snoepen. Maar als bakker kun je eerst eens even offertes sturen aan alle grote klanten en zeggen: “Ik beloof dat ik een jaar lang brood zal leveren om acht uur ’s ochtends, voor deze prijs en van deze kwaliteit, maar dat doe ik pas als honderd mensen hebben getekend, eerder begin ik er niet aan.” Als dan honderd mensen hebben getekend heb je een gegarandeerde afzetmarkt, en de bakker die tot twaalf uur bleef liggen, en die zijn broden tien keer zo duur had gemaakt, zal er achter komen dat hij ten onder gaat. Want zelfs al zou hij zijn leven beteren, dan is hij te laat, want die ander heeft al zijn honderd getekende offertes liggen.

Vaak, als gewaarschuwd wordt voor monopolievorming, wordt gewezen naar personen als Rockefeller en Vanderbildt, die in het Amerika van de 19de eeuw kapitaal maakten. Ze zijn afgeschilderd als robber barons. Maar wat blijkt nou? Ze waren voortdurend bezig prijzen te verlagen. Doordat ze innoveerden, konden ze efficiënter werken, en daardoor konden ze prijzen verlagen en dat deden ze ook. Daardoor veroverden ze een groot marktaandeel en daardoor konden ze het ook behouden. Het klopt dus niet dat ze op een gemene manier marktaandeel hadden veroverd.

Amerikaanse spoorwegbedrijven hebben jarenlang hun prijzen moeten verlagen. Op een gegeven moment waren ze dat zo beu dat ze gingen lobbyen bij de federale overheid om een instantie op te zetten die de prijzen moest gaan reguleren. Dat was onder het mom van ‘in het belang van de consument’, want, zo zeiden, ze: “Het is toch belachelijk dat een pakketje versturen van New York naar Chicago goedkoper is dan een pakketje van New York naar Cleveland,dat veel dichterbij is?” De verklaring voor dat prijsverschil was echter dat er moordende concurrentie was op de spoorlijnen die van New York naar Chicago liepen. Toen die regulerende instantie er eenmaal was, gingen de prijzen omhoog.

Hetzelfde is gebeurd met de luchtvaartindustrie, die is de overheid ook gaan reguleren. Dat is onder president Jimmy Carter afgeschaft, met het gevolg dat vliegen opeens veel goedkoper werd. In Europa is dat ook gebeurd. Met het Open Skies Agreement is vliegen veel goedkoper geworden. In mijn kindertijd was vliegen nog iets voor rijke mensen. Nu vlieg je voor een paar tientjes naar de Middellandse Zee.

Over het vraagstuk van de staat en de vrije markt staan libertariërs en marxisten lijnrecht tegenover elkaar. Maar van een discussie lijkt het niet te komen.

Marxisten zijn inderdaad de tegenpool. Ik heb lang geleden een keer een debat gehad met een SP’er, maar die had het marxisme eigenlijk al afgezworen.

In Nederland zijn het de VVD en de SP die gezien worden als elkaars tegenpolen. 

Illustratief voor her verschil tussen die partijen vind ik het debat dat ze met elkaar voerden over de inkomstenbelasting. In 2012 was het marginale tarief voor de inkomstenbelasting 52 procent. De SP wilde het tarief verhogen naar 60 procent en de VVD wilde het verlagen naar 51 procent. Dat is dus marge waarbinnen de discussie in Nederland zich afspeelt. Wij staan als LP zover af van de status quo dat je er voor ons geen marxist bij hoeft te halen om een beetje vuurwerk te brengen in een discussie.

Er is een andere Toine Manders. Van de partij 50Plus. Die is erg verdrietig dat hij soms verward wordt met u. Hij heeft verklaard u asociaal te vinden.

Dat mag hij vinden. Ik vind het  jammer dat ik soms met hem verward word. Hij heeft laten zien een opportunist te zijn. Toen de VVD hem geen derde termijn gunde als europarlementariër stapte hij meteen over naar 50Plus. Ik ken hem verder niet. Ik heb me nooit in hem verdiept. Iemand die is overgestapt van de VVD naar de LP heeft hem ooit uitgenodigd om met mij in debat te gaan over liberalisme. Toen zei hij dat hij dat misschien nog wel eens wilde, maar voorlopig zeker niet.

In 2014 heeft de LP niet meegedaan aan Europese verkiezingen. Deel van de reden was dat ik achter de tralies zat. Ze hebben mij opgesloten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Dat was in januari 2014. In maart waren de gemeenteraadsverkiezingen en in mei de Europese verkiezingen. Even leek het erop dat twee mensen die Toine Manders heetten, zouden meedoen, ik namens de LP en hij namens 50Plus, maar daar is het dus niet van gekomen. 

Hoe plaatst u de LP in het links-rechts spectrum? De retoriek van anti-belasting en vrije markt zal velen uit de VVD-achterban aanspreken. Het idee van non-interventie de SP-achterban. De LP is ook voor het vrije verkeer van personen, het openstellen van de grenzen. Daar zal de GroenLinks-achterban van smullen.

Nolan-diagram

David Nolan, één van de oprichters van de Amerikaanse Libertarian Party, heeft gezegd: het politieke spectrum is geen links-rechts lijn. Het is tweedimensionaal. Op de linker-as heb je persoonlijke vrijheid en op de rechter-as economische vrijheid.

Mensen die links zijn, progressief of liberal, zoals ze dat in Amerika noemen, hechten weinig waarde aan economische vrijheid, maar ze zijn wel voor persoonlijke vrijheden. Ze zijn voor vrijheid van meningsuiting en godsdienst, voor een liberaler beleid op het gebied van drugs, prostitutie, pornografie en abortus.

Rechts, of conservatief, is de tegenpool. Zij willen meer economische vrijheid en dus een kleinere overheid als het gaat om de economie. Ze zijn voor lagere belastingen, minder regels, privaat eigendom, het tegengaan van staatsmonopolies. Maar als het gaat om persoonlijke vrijheid is het net andersom. Dan vinden ze dat de staat hard moet optreden tegen drugs, prostitutie, pornografie, godslastering, majesteitsschennis en het verbranden van de nationale vlag. Vaak ook zijn ze voor de militaire dienstplicht.

Helemaal onderin vinden we de communisten en fascisten. Die hechten aan geen enkele vrijheid enige waarde. Het individu moet volledig onderworpen zijn aan de staat. Als er mensen zijn die denken dat fascisten voor economische vrijheid zijn, een soort kapitalisten zijn, dan zeg ik: “Niets is minder waar.” In zowel fascistisch Italië als in Duitsland had de staat een enorme dikke vinger in de economische pap. Grootgrondbezitters of fabrieken werden niet onteigend, maar werden wel voor het karretje van de staat gespannen. Het was een geleide economie. De staat schreef voor wat die bedrijven moesten doen. Zo moesten ze zich voornamelijk inzetten voor de oorlogsindustrie.

Het centrum zien mensen als het toppunt van beschaving. Dan ben je gematigd, geen extremist, niet radicaal. Maar zoals je ziet, grenst het midden aan de communisten en fascisten. Dus zo mooi is dat midden helemaal niet. Voor het midden geldt dat er geen enkele vrijheid is die ze echt belangrijk vinden. Conservatieven zijn in elk geval nog voor een vrije markt, en liberals zijn tenminste nog voor persoonlijke vrijheden. Mensen die echt progressief, echt liberal zijn, zijn ook anti-oorlog. Dat veranderde in Amerika toen Barack Obama tot president werd gekozen. Toen vergaten ze ineens al hun anti-oorlogsideeën. Sindsdien zijn er niet zoveel echte liberals meer. De Democratische Partij in de VS is heel erg opgeschoven naar het centrum. Ze vinden geen enkele vrijheid nog echt belangrijk.

Bovenin het politieke spectrum vind je, wat we in Nederland noemen, de liberalen. De echte liberalen willen zowel meer economische als persoonlijke vrijheid.  Ze hechten aan beide vrijheden veel belang. Wat niet wegneemt dat er veel mensen zijn die zich liberaal noemen maar het niet echt zijn, omdat ze bijvoorbeeld voor een streng drugsbeleid zijn. Bij de VVD zie je dat ze zijn opgeschoven naar rechts-conservatief. Zo moet je voor de bescherming van de rechten van verdachten niet bij de VVD zijn, en ook niet voor een liberaal migratiebeleid. De VVD is dus maar tot op zekere hoogte wat de partij zegt te zijn: liberaal. Ze zitten op het grensvlak rechts-conservatief,  centrum en liberaal.

Waar vind je nou de libertariërs? Helemaal bovenin. Wij zijn heel erg liberaal, want wij willen 100 procent economische en persoonlijke vrijheid.

De liberale VVD-achterban zul je niet aanspreken met het openstellen van de grenzen. De achterban van die partij is heel erg gekant tegen immigratie.

De meeste libertariërs zeggen: “We zijn voor open grenzen, maar we erkennen tegelijk dat dit niet werkt in combinatie met het uitdelen van gratis geld, zorg, onderwijs en huizen aan immigranten. Dat zou in een libertarische samenleving niet kunnen.” Als je kijkt naar geschiedenis van de VS: tot in de jaren ’20 waren er nauwelijks immigratiebeperkingen. Er gingen mensen heen vaak zonder enige opleiding, soms zelfs analfabeten, maar niet om hun hand op te houden, maar om zichzelf productief te maken, een bestaan op te bouwen. Vaak met succes. Hun kinderen waren vaak veel welvarender dan zijzelf. Het was in een tijd dat de overheid extreem klein was, met name de federale overheid, die toen nog geen inkomstenbelasting mocht heffen. 

U heeft op BNR Nieuwsradio geadverteerd met de slogan ‘Belasting is diefstal’. Daar kwam in 2008 een einde aan. Waarom was dat?

Een anonieme persoon heeft een klacht ingediend omdat het spotje in strijd zou zijn met het goed fatsoen. De Reclame Code Commissie deed toen BNR de aanbeveling het spotje niet meer uit te zenden. Dat is Orwelliaanse newspeak voor censuur, want de Commissie pretendeert dat er sprake is van zelfregulering, dat media die reclame uitzenden zichzelf normen willen opleggen en zich daarom aansluiten bij de stichting Reclame Code. Maar de werkelijkheid is anders. De Mediawet verplicht zendgemachtigden lid te worden, en daarmee aanbevelingen te volgen. Het zijn dus geen aanbevelingen maar censuur. Alle zendgemachtigden houden zich er aan, want willen hun zendmachtiging niet verliezen.

We zijn in beroep gegaan tegen de aanbeveling. Ik heb bij het college van beroep betoogd dat de slogan niet in strijd kan zijn met het fatsoen, immers: de waarheid mag gezegd worden. Tot mijn verbazing werd de aanbeveling van Reclame Code vernietigd, omdat de commissie vond dat de slogan niet in strijd was met het fatsoen. Maar er kwam een andere aanbeveling voor in de plaats: de aanbeveling de slogan niet uit te zenden omdat deze in strijd zou zijn met de waarheid, want belasting is geen diefstal, en reclameslogans mogen niet in strijd zijn met de waarheid.

Hoe verklaart u dat u wel bent aangepakt, en niet de trustkantoren die multinationals nog steeds behulpzaam zijn met belastingontwijking in het buitenland?

Ik kan niet kijken in de hoofden van de FIOD- en OM-mensen. Ik kan alleen raden wat ze motiveert. Maar over het algemeen is het zo dat trustkantoren niet etaleren dat ze zich bezighouden met belastingontwijking. Op hun websites kom je het woord ‘belastingontwijking’ niet tegen. Überhaupt kom je daar weinig tegen over fiscaliteit. Ik daarentegen was altijd erg recht voor zijn raap. Ik gebruikte wel het woord ‘belastingontwijking’ op onze website en in brochures. Ik deed er zelfs nog een schepje bovenop met de slogan ‘Belasting is diefstal’. In interviews maakte ik ook geen geheim van mijn gedachtegoed. Ik zei dingen als: ‘De overheid is een criminele organisatie’, ‘Belasting is gelegitimeerde roof’, ‘De ondernemer is een onderdrukte minderheid’, ‘Belastingontwijking is een moreel recht en een morele plicht’. Dat vonden ze bij de fiscus ongetwijfeld niet leuk om te horen. Belastingambtenaren zijn meestal mensen zonder humor, met een goed geheugen en lange tenen. Als je daar eenmaal op getrapt hebt, dan vergeten ze dat niet. Ik waande mij veilig, want ik dacht: “Ik houd mij aan de regels, zij moeten dat ook doen, en dus zullen ze het wel doen.” Achteraf concludeer ik dat ik te naïef ben geweest. Zelfs ik heb mij nog vergist in de ongelooflijke slechtheid van de staat.

Nadat wij in 2001 waren begonnen met het aanbieden van HJC-trustdiensten, vanaf een nieuw kantoor op Cyprus, kwam er in 2004 een wet Toezicht Trustkantoren, maar die gold alleen voor trustkantoren met een zetel in Nederland. Daar viel dus HJC in Cyprus niet onder. De fiscus kon dus de informatie over mijn cliënten niet zomaar bemachtigen. Dat vonden ze waarschijnlijk heel vervelend. Dus hebben ze als oplossing bedacht: zware beschuldigingen uiten, ons een criminele organisatie noemen, zodat de overheid in Cyprus meewerkte, en ze alsnog de cliëntgegevens konden bemachtigen. 

U heeft, na uw aanvaring met de Nederlandse staat, een nieuw begin gemaakt met Nozick Consulting in Zoetermeer. Is dat een voortzetting van dezelfde activiteiten onder een andere naam?

Het is een belastingadvieskantoor voor de kleine- en middelgrote ondernemer, dat met name gericht is op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ondanks de reparatiewetgeving is het ons gelukt een nieuw product te ontwikkelen voor de kleine ondernemer, waarbij alle rechtspersonen van de bedrijfsstructuur zich in Nederland bevinden.

Het ontwijken van belasting via het buitenland is niet langer iets dat u uw cliënten adviseert?

Buitenlandse structuren bieden nog steeds een groter voordeel, maar de kosten zijn ook hoger. Als je een Nederlandse structuur kiest is het voordeel iets minder groot, maar de kosten zijn een stuk lager. Er komen steeds meer regels om belastingontwijking tegen te gaan. Die maken het niet onmogelijk, maar wel lastiger en duurder, waardoor het omslagpunt, de minimale winst die je moet behalen, hoger komt te liggen. Zodat de kleinste ondernemer afvalt. Alleen de grote en middelgrote ondernemers kunnen nu nog belasting ontwijken. Ik vind dat een treurige ontwikkeling.

Hoe kijkt u aan tegen de afschaffing van de dividendbelasting? Het zijn niet de kleintjes die daarvan profiteren.

Ik ben voor afschaffing van alle belastingen, dus ook voor die op dividend. Niet alleen om principiële, morele redenen, maar ook om pragmatische redenen. De dividendbelasting is een boete op investeren. Als een buitenlandse investeerder investeert in een Nederlands bedrijf, dan krijgt hij daar een boete voor, in de vorm dus van dividendbelasting. Engeland legt die boete niet op. Dus als je kunt kiezen als buitenlandse investeerder tussen investeren in een Engels bedrijf zonder boete en een Nederlands bedrijf met boete, dan zul je eerder kiezen voor het Engelse bedrijf. Dus als je die boete afschaft dan is dat natuurlijk gunstig voor het investeringsklimaat. Het aantrekken van buitenlands kapitaal is goed de voor de economische groei en de levensstandaard. Dus uiteraard ben ik daar voor.

Als je op korte termijn kijkt, zeg je misschien: “Die buitenlandse investeerders, die voordeel genieten van de afschaffing van de Nederlandse belasting op dividend, wat hebben wij daar mee te maken? We willen wat goed is voor het Nederlandse volk.” Dat is kortzichtig. Want dat buitenlandse kapitaal draagt juist bij aan onze levensstandaard.

De Nederlandse belastingbetaler ziet het als onrechtvaardig dat buitenlandse investeerders geen belasting hoeven te betalen.

Dat begrijp ik, en ik zou ook heel graag zien dat de belasting voor iedereen wordt verlaagd, niet alleen voor buitenlandse investeerders. Maar we moeten voorkomen dat we worden uitgespeeld tegen elkaar. Het is beter te zeggen: “Elke belastingverlaging is een stap in de goede richting, dus laten we ons niet verzetten tegen welke belastingverlaging dan ook.”

Ik ben het er verder niet mee eens dat in het geval van de afschaffing van de dividendbelasting een beperkte groep daar van profiteert, want als het investeringsklimaat verbetert dan profiteert uiteindelijk iedereen daar van in Nederland. Meer kapitaal betekent: meer machines, automatisering, innovatie en efficiency. Dat zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit en dus hogere lonen en een hogere levensstandaard. Werknemers kunnen zo steeds meer presteren in steeds minder tijd. De reden dat we niet meer zestig uur in de week werken, maar nog maar 35 uur is dat de arbeidsproductiviteit zo hard is gestegen doordat er meer kapitaal is gevormd als gevolg van een grotere economische vrijheid.

Hoe verklaart u dat de Nederlandse regering alleen buitenlandse investeerders belastingvoordeel gunt? De schatkist loopt er miljarden mee mis.

Kleine ondernemers hebben geen lobby. Grote bedrijven huren lobbyisten in en maken politieke vriendjes. Als een politicus geen politicus meer is, zoals Wim Kok, dan wordt hij commissaris bij Shell of een ander beursgenoteerd bedrijf. Gerhard Schröder tekende een contract met Gazprom, meteen nadat hij als politicus was uitgerangeerd. Dick Cheney, was minister van defensie onder Bush senior, en aansluitend CEO bij Halliburton, de grote defense contractor. Toen Bush junior werd gekozen, werd Cheney vice-president en ging hij lobbyen  om oorlog in Irak te voeren, waar Halliburton uiteindelijk een fortuin mee heeft gemaakt.

De overheid is een soort doping. Als je doping legaliseert heb je als sporter geen kans meer zonder doping. Zo ook met de overheid. Als je een groot bedrijf hebt, en je hebt een overheid die je kan maken of breken, die je subsidies kan geven of niet, die je privileges kan geven of niet – dan ga je dus lobbyen. Want als jij niet lobbyt en de concurrent wel, dan ga je uiteindelijk ten onder. Je moet vriendjes maken. Microsoft heeft heel lang niet gelobbyd, totdat ze miljardenclaim kregen wegens monopolievorming. Sindsdien zijn ze maar gaan lobbyen.

Wat ook speelt: grote bedrijven laten zich sterk leiden door regeldruk en lastendruk. Ze kunnen makkelijk met hun voeten stemmen, en zeggen: “We gaan ergens anders een nieuwe fabriek plaatsen of een nieuw hoofdkantoor.” Dus hebben politici er belang bij grote bedrijven te lokken, en niet te verjagen. Als je kijkt welke belasting is er verlaagd de afgelopen tientallen jaren, dan was dat met name de vennootschapsbelasting, van gemiddeld 48 procent in 1980 in de OESO-landen naar nu gemiddeld zo’n 23 procent. Nederland gaat deze belasting verlagen van marginaal 25 naar 21 procent. Niet zo lang geleden was dat nog 35 procent. Het is zelfs 45 procent geweest onder premier Joop den Uyl.

Nu blijkt Shell al een voorschot te hebben genomen op de afschaffing van de dividendbelasting. Het bedrijf heeft jarenlang geen belasting afgedragen. Met toestemming van de Belastingdienst. Hoe ziet u dat?

Shell heeft gedaan wat iedereen in Nederland mag doen: Je mag als belastingbetaler om een ruling vragen. Als je een brief schrijft met de vraag of jouw interpretatie van de belastingwetgeving juist is, dan is de belastinginspecteur verplicht daar antwoord op te geven. Hij hoort rechtszekerheid te verschaffen.

Shell had vroeger zowel in Nederland als Engeland een hoofdkantoor. In Engeland was geen dividendbelasting, in Nederland was die er wel. Ze wilden fuseren. Als ze dat hadden gedaan zonder afspraak met de fiscus te maken, dan zou dat betekenen dat investeerders in Shell Engeland door de fusie geconfronteerd zouden worden met de Nederlandse boete. Dan was de fusie niet doorgegaan. Dan hadden de aandeelhouders van de Engelse vestiging gezegd: “Dan maar geen fusie.” De Shell-top is toen naar de fiscus gestapt met het verhaal dat ze wilden fuseren en het hoofdkantoor in Nederland wilden vestigen. Shell heeft waarschijnlijk gezegd dat ze een mogelijkheid zagen de dividendbelasting te ontwijken en gevraagd om een handtekening als bevestiging dat de fiscus die structuur accepteerde en niet achteraf zou proberen die onderuit te halen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de oplossing die Shell had bedacht een illegale of strafbare oplossing was. Waarschijnlijk paste de oplossing binnen de grenzen van de wet.

Het probleem met rulings is wel vaak: Als je een structuur hebt die over de landsgrenzen heen gaat, als je Nederlandse belasting ontwijkt door inkomsten in het buitenland te laten vallen of vermogen in het buitenland op te bouwen, en je wilt daar een ruling over, dan krijg je die niet als kleine ondernemer. Dan zeggen ze: “Dat is fiscale grensverkenning. Daar werken we niet aan mee.” Als een multinational dezelfde ruling vraagt, dan krijgen ze wel een ruling. Maar zoals ik al zei: we hebben een nieuw product ontwikkeld, dat we binnen de Nederlandse grenzen houden, en dan kun je ook als kleine ondernemer vragen om duidelijkheid.

De postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, hoe ziet u die? De Nederlandse staat en de Nederlandse burger lijken daar niet echt wijzer van te worden.

Natuurlijk zou het geweldig zijn als Nederland een belastingparadijs was voor iedereen niet alleen voor doorstroomvennootschappen in het buitenland. Maar de Nederlandse staat en de Nederlandse burger worden er wel degelijk wijzer van. Trustkantoren in Nederland besturen ongeveer 10.000 doorstroomvennootschappen. Daarnaast heb je ook nog doorstroomvennootschappen die geen trustkantoor nodig hebben, en eigen personeel inzetten. Er gaat in die doorstroomvennootschappen ongeveer 10.000 miljard euro per jaar om. Daar wordt weinig belasting over afgedragen, maar toch evengoed nog een paar miljard per jaar. Want er zijn heel veel advocaten, belastingadviseurs, accountants en notarissen en trustkantoormedewerkers die daar een hele goede boterham aan verdienen, en daar belasting over betalen. De doorstroomvennootschappen mogen zo’n 99 procent van de winst aftrekken op de doorstroming. Maar ze moeten dus ook een percentage achterlaten in Nederland.

Wat de postbusfirma’s bijdragen aan de Nederlandse economie en aan belastinginkomsten opleveren is uitgerekend door een vereniging van trustkantoren, dus je kunt je afvragen wat ervan klopt, maar mijn punt is: Ook al zou de Nederlandse overheid er helemaal niks aan overhouden, dan moeten we het nog steeds toejuichen. Want de private sector heeft er wel baat bij, en niet alleen in Nederland, juist ook in het buitenland. Er zijn heel veel landen waar bedrijven meer overhouden, en dat betekent dat er minder geld wordt uitgegeven aan schadelijke zaken door politici en ambtenaren zoals het bombarderen van onschuldige mensen, het maken van steeds meer hinderlijke wet- en regelgeving en het ondernemen van vrijheidsondermijnende activiteiten. In plaats daarvan wordt het geld geïnvesteerd in innovatie, waardoor de levensstandaard stijgt, de levensverwachting stijgt en de economie groeit.

Omdat uw naam genoemd werd in de Panama Papers bent u afgelopen jaar verhoord door de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Hoe heeft u dat ervaren? 

Het was voor mij leerzaam te kijken naar de belastingambtenaren die door de commissie werden geïnterviewd. De frustratie droop er van af toen ze het hadden over de rechtsbescherming van de belastingbetaler. Hun frustratie was dat ze vaak niet wisten om te gaan met mensen die ze ervan verdachten gebruik te maken van mooie belastingconstructies. Dan stelden ze een vragenbrief op en in plaats van dat de belastingplichtige netjes antwoordde, huurde hij een slimme adviseur in die een antwoordbrief schreef, waarin hij nauwelijks antwoord gaf en tegenvragen stelde, zoals: “Op welke wetgeving baseert u zich? Op grond waarvan bent u van mening dat mijn cliënt deze vragen moet beantwoorden?” Kortom, ze zijn zwaar gefrustreerd over de rechtsbescherming van de belastingbetaler, en dat ze dus niet alles weten.

De fiscus wil daarom een uitholling van de rechtsbescherming van belastingbetalers. Ze willen een meldingsplicht, die inmiddels al is ingevoerd op het niveau van de EU. Belastingadviseurs moeten voortaan constructies aanmelden, een soort NSB’ers worden. Ze moeten hun eigen klanten gaan aanmelden bij de overheid. Ze moeten de fiscus vertellen: “Wij hebben een belastingadvies uitgebracht en daardoor gaat mijn cliënt een bepaald belastingvoordeel genieten.” Zodat de fiscus je cliënt kan gaan lastig vallen om te kijken of ze er toch niet wat meer uit kunnen persen. Doe je dat niet, dan ben je strafbaar.

U noemde net de EU die gezorgd heeft voor een meldingsplicht. U sprak eerder over een EU-kartel van belastingheffende politici. Hoe is dat buiten de EU?

Ook op mondiaal niveau gaan we in de richting van een kartel. Er zijn inmiddels honderd landen, die een verdrag hebben getekend met elkaar om automatisch informatie uit te wisselen, dus niet op verzoek of op verdenking van belastingontduiking of een ander strafbaar feit. Tot die landen behoren ook China en Venezuela. De mensen die daar wonen wordt dus de mogelijkheid ontnomen hun vermogen verborgen te houden voor door en door corrupte overheden. Het is een herhaling van de jaren ’30. Sommige Duitse joden hadden toen hun vermogen in Zwitserland geparkeerd uit angst dat het hun afgenomen zou worden. Dat het Zwitserse bankgeheim werd ingevoerd in 1934 is geen toeval. Dat kwam doordat een aantal Zwitserse bankmedewerkers hun Duitse-joodse cliënten hadden verraden, die gegevens hadden verkocht aan de Duitse overheid. Met die joden is het slecht afgelopen. In Duitsland stond de doodstraf op belastingontduiking. De verraden cliënten van die Zwitserse bank werden dan ook ter dood veroordeeld. Dat was voor de Zwitserse overheid in 1934 reden om te zeggen: “Dit nooit meer. We gaan een bankgeheim invoeren.” Het werd toen strafbaar voor Zwitserse bankmedewerkers gegevens van cliënten te delen met derden. Dat is dus het inmiddels verguisde Zwitserse bankgeheim.

Privacy is in een kwaad daglicht gesteld. Zo van: “Als je niks te verbergen hebt, dan heb je niks te vrezen.” Maar dat is volledig onterecht. Wij hebben in West-Europa toevallig de laatste zeventig jaar een stukje beschaving opgebouwd, dat overheden niet zo maar kunnen doen wat ze willen. Daardoor zijn we een beetje naïef geworden. De overheid is onze beste vriend. Maar er zijn nog steeds heel veel mensen in de wereld voor wie geldt dat de overheid helemaal niet hun beste vriend is. Maar juist de grootste vijand.

De overheid moet je zien als de parasitaire klasse, die ons leegzuigt, een bal aan ons been is. Ze zorgt ervoor dat we korter leven. Als je kijkt naar de levensverwachting in de veertig landen met de meeste economische vrijheid, daar worden mensen gemiddeld tachtig jaar. In de veertig landen waar mensen de minste economische vrijheid hebben, worden ze gemiddeld zestig jaar. De overheden stelen in die landen dus gewoon 20 jaar van een mensenleven. Lees het boek Death By Government van Rudolph Rummel. In de twintigste eeuw zijn er naar schatting zo’n kwart miljard mensen vermoord door hun eigen overheden. Dan heb ik het nog niet eens over de mensen die zijn gesneuveld in oorlogen als gevolg van overheden die met elkaar strijd voeren. Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot zijn bij elkaar opgeteld alleen al goed voor zo’n 150 miljoen moorden op eigen burgers.

Het is dus niet zo gek dat er zoveel mensen zijn die hun eigen overheid niet vertrouwen en verborgen proberen te houden dat ze iets hebben gespaard of opgebouwd, omdat je jezelf anders tot doelwit maakt. In landen met corrupte regimes waar de economie aan de grond zit, zijn het meestal succesvolle minderheden die als eersten worden gepakt. In Duitsland waren dat de joden en in Indonesië de Chinezen.

Posted on

Geen voorbede meer in de kerk: hoe de privacywet de samenleving verzwakt

Hij zat er al jaren aan te komen, maar geldt sinds 25 mei echt: de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Deze Europese regelgeving dient de burger te beschermen tegen inbreuken op zijn privacy.

Bij privacy-inbreuk denken we allemaal aan Facebook dat al je stappen op internet volgt of Albert Heijn die je bonuskaartgegevens doorverkoopt aan zorgverzekeraars. Daar is meer restrictie gepast. Hoe groter de bedrijven en hoe geavanceerder de digitale technologie, des te meer controle en beperkingen moeten er zijn.

Maar de AVG geldt niet alleen voor grote bedrijven. Ook voor de voetbalclub waar uw zoontje voetbalt met F7. Als de jochies dit seizoen de beker winnen, dan zou het toch leuk zijn om op de website van de voetbalclub een foto te hebben van de kleine kampioenen.

Mag niet. Behalve als de voetbalclub schriftelijk toestemming verkrijgt van de ouders van de afgebeelde kinderen. Ook van de ouders die er niet zijn. Geen clubbestuurder of coach die midden in het feestgedruis de moeite wil nemen. Dus komt er geen foto.

Je kunt nog betogen dat publicatie van de foto’s onnodig is. De fotograaf kan het toch rondmailen. En er zijn gegronde redenen om geen foto’s van jouw kind op het internet te hebben.

Anders ligt het bij kerken. Daar zijn niet zozeer foto’s maar wel het noemen van namen wezenlijk voor de werking. Zo is er de voorbede, waar de zieken bij name genoemd worden. Het is christelijke naastenliefde de zieken te noemen en voor hen te bidden. Maar strikt gezien mag het niet van de AVG. Tenzij de doodzieke mevrouw Jansen een krabbeltje zet, iets waartoe ze fysiek niet in staat is.

Het noemen van namen gebeurt in kerken ook bij de aankondiging van sacramentstoediening: wie er gedoopt wordt, wie er trouwen. Zulke sacramenten zijn rites de passage van de gemeenschap. Ze markeren wie nog buiten staat, wie (verder) toegetreden is. Voor de identiteitsbeleving van een gemeenschap van essentieel belang. Volgens de AVG ook verboden, tenzij er schriftelijke toestemming is.

Er kunnen gegronde redenen zijn om niet genoemd te worden in de kerk. Bijvoorbeeld als je moslim bent en gedoopt wordt, maar represailles van je omgeving vreest. In dat geval vraag je de priester of dominee om je naam uit het kerkblad te houden. Probleem voorkomen.

De AVG vertrouwt de priester en dominee niet om dit soort problemen te voorkomen. De AVG vertrouwt eigenlijk geen enkele burger. De regelgeving is opgesteld vanuit een fundamenteel wantrouwen jegens burgers. Zij moeten preventief tegen elkaar beschermd worden. Uiteraard door de staat. Die moet tot in de kleinste details reguleren hoe burgers met elkaar omgaan.

Het effect van de AVG is een verdere verzwakking van het sociale weefsel. Verenigingen, kerken en sportclubs mogen niet immers meer met namen en foto’s de successen en mijlpalen van hun gemeenschap vieren. Leden worden minder betrokken, drijven zelfs weg.

Het effect is ironisch. Wie wegblijft, blijft tegenwoordig thuis. Lekker op Facebook, Instagram, Whatsapp. Sociale media die door hun slimme techneuten en sluwe juristen altijd wel gaten in de AVG-omheining vinden, om jou zoveel mogelijk uren vermaak te schenken. De kerk of vereniging verliest, Facebook wint.

De Europese Unie wil zich met de AVG wederom doen gelden als beschermer van de burger, tegen de techgiganten. Toch kwam Mark Zuckerberg in mei om verantwoording af te leggen voor de werkwijze van zijn firma Facebook. De retorisch zwakke en allerminst charismatische Zuckerberg beantwoordde amper de vragen, maar vertrok met opgeheven hoofd uit Brussel. Misschien dat hij allang wist dat de AVG voor sociale media een klinkende overwinning is?

Posted on

Is het slopen van de sociale media het ware doel van de AVG/GDPR?

Het zal u niet ontgaan zijn dat de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AGV, GDPR in het Engels) in de Europese Unie in werking is getreden. Mijn email-postvak zat vanochtend vol met e-mails van bedrijven die nodig hun privacy-voorwaarden moesten bijwerken en het nodig vonden mij hierover te informeren. Nu is dat niet zo erg. Daarvoor hebben alle e-mail-postvakken immers een massa-verwijderknop.

Wat wel een probleem is, en wat waarschijnlijk op termijn duidelijk gaat worden, is dat de GDPR volgens mij zo geformuleerd is dat het voor hele specifieke toepassingen, zoals de sociale media-platformen van Google, Facebook, Microsoft, Apple en andere technologie-reuzen best een kostbare zaak gaat worden.

De GDPR, voor zover die nog introductie behoeft, is nieuwe regelgeving vanuit de Europese Unie om bedrijven te verplichten anders om te gaan met gegevens van gebruikers van online-diensten. U krijgt bijvoorbeeld het recht om vergeten te worden. U krijgt het recht om al de gegevens te zien die een website over u verzameld heeft. Het klinkt allemaal prima. Op zich is met de intentie ook niets mis. Er zijn volgens mij 2 kanten aan deze zaak. Enerzijds de sociale media-platformen die inderdaad soms hun boekje te buiten gaan. Maar anderzijds is er nu ook de EU die met een bazooka op een mug schiet.

Ik wil op geen enkele manier het gedrag van Facebook of Google bij daadwerkelijke privacy-schendingen goedpraten. Sterker nog, er zijn goede redenen om deze bedrijven een beetje te wantrouwen. Zo zijn er aanwijzingen dat In-Q-Tel, een investeringsfonds van de Amerikaanse veiligheidsdiensten, op zijn minst een gepaste donatie gedaan heeft in het begin van het bestaan van zowel Google als Facebook. Het gebruik maken van deze diensten kan gezien worden als je gegevens direct opsturen naar de NSA, de Amerikaanse veiligheidsdienst belast met deze zaken.

Het doel van In-Q-Tel? Amerika moet vooraan in de strijd blijven als het gaat om technologische vooruitstrevendheid. Er is dus een strategisch belang gemoeid met het investeren in Google en dergelijke.

Toch is ondanks dit bezwaar het gebruik van Facebook, Twitter, Google, Microsoft en Apple-producten ieders goed recht. En in verreweg de meeste gevallen registreren deze bedrijven alleen de gegevens die mensen zelf naar die bedrijven toebrengen. Mag Facebook weten dat u graag champignon-pizza eet? Natuurlijk wel. Zeker Facebook en Twitter zijn bijzonder goede manieren om buiten het bestaande media-discours om informatie te verspreiden.

Technisch gezien hebben Facebook, Twitter en Google best een groot probleem. Ze beheren gigantische hoeveelheden complexe data over al hun gebruikers en alle mensen die anoniem gebruik hebben gemaakt van hun diensten en dus niet meer traceerbaar zijn. Het “recht om al je gegevens te kunnen opvragen” faciliteren kan daarom worden opgevat als een poging van de Europese Unie om een juridische stok te hebben om deze bedrijven mee te slaan. Als hier niet aan voldaan wordt is de boete voor Facebook bijvoorbeeld 1,3 miljard euro en voor Google 4,3 miljard euro. Het is dus van tweeën één. Ofwel ze moeten kostbare investeringen doen om te voldoen aan de wetgeving. Ofwel ze krijgen een torenhoge boete.

Genoeg om zowel Facebook en Google pijn te doen dus. Tel daarbij op dat Facebook al eerder kwalijk werd genomen dat het “nepnieuws” verspreidde. Deze wetgeving heeft hiermee de kwade reuk dat het andere doelen dient dan direct zichtbaar aan de oppervlakte.

Als het slopen van de sociale media niet het doel is van de GDPR is dan is dat voor de ongekozen voorhoede van de EU en hun marionetten op zijn minst een gunstig neveneffect. Voor de rest van ons ongunstig.

Posted on

Nog eenmaal een ‘grote coalitie’

Net nu uit een peiling blijkt dat CDU/CSU en SPD bij nieuwe verkiezingen geen meerderheid meer zouden halen, hebben de partijen een akkoord bereikt over een regering op basis van een zogenaamde ‘grote coalitie’, waarvan de naam verwijst naar de voorbije vanzelfsprekendheid dat christendemocraten en sociaaldemocraten gezamenlijk altijd een meerderheid hebben.

Voor de Duitsers is het hele gebeuren een leerrijke ervaring. De Duitsers zijn immers een volgzaam volk, dat het zijn heersende klasse over het algemeen niet moeilijk maakt. Omdat de Duitser niets zo zeer vreest als chaos, heeft hij iedere regering, zelfs de meest miserabele, liever dan het vooruitzicht van chaos zonder leiderschap. Deze houding verleent Duitsland een door andere landen vaak bewonderde stabiliteit.

Deze volgzaamheid van de Duitsers nodigt echter ook tot misbruik uit. Met de vrees voor chaos laat het volk zich immers in het gareel brengen. Deze natuurlijke houding van de Duitser is dan ook alles behalve behulpzaam bij de ontwikkeling van democratisch zelfbewustzijn tegenover de machthebbers.

Zo bezien hebben de Duitsers in de afgelopen tijd een paar waardevolle ervaringen opgedaan: Hoewel de politieke klasse er een half jaar over deed om een regering tot stand te brengen – elders niet ongebruikelijk, maar ongewoon lang voor Duitse begrippen, is het land daardoor niet in chaos verzonken. Van de andere kant konden ze in 2015 beleven hoe regeringen geenszins altijd voor orde en veiligheid garant staan, maar ook wanorde kunnen stichten. Zonder missionaire regering hadden de bevoegde diensten die zomer automatisch de geldende wetten en verdragen toegepast, wat miljoenen illegale binnenkomsten had voorkomen. De regering Merkel moest er aan te pas komen om dit terzijde te stellen, met alle gevolgen van dien.

Wind of change

Dezer dagen kunnen de Duitsers gadeslaan hoe een zootje versleten politici aan de macht blijft hangen. Een weinig verheffende aanblik, maar mogelijk toch een leerrijke. Het zou de Deutscher Michel aanleiding kunnen geven om zijn trouwhartige, dikwijls blinde vertrouwen in zijn politieke elites over boord te zetten.

Dat in de meest recente peiling van INSA SPD en AfD met respectievelijk 17 en 15 procent nog slechts twee procentpunten uit elkaar lagen, toont aan hoeveel dit – maar al te vaak ongefundeerde – vertrouwen al te lijden heeft gehad. Ook aan de basis van de gevestigde partijen kalft het vertrouwen af, de hang aan de ‘eigen’ partij waarop men altijd gestemd heeft, wordt steeds losser.

Deze (niet meer zo) grote coalitie is een oudbakken verbond voor de laatste meters van een afgeleefde politieke klasse. Merkel en Schulz hebben hiermee de voltrekking van hun politieke lot weer een poos voor zich uit weten te schuiven. Maar als hun tijd straks alsnog gekomen is, zal het meer betekenen dan alleen het einde van een bepaalde coalitie.

Er hangt in Duitsland een meer fundamentele verandering van het politieke landschap en het politieke denken in de lucht. Vooral voor de Duitsers in de voormalige DDR is de aansluiting van hun deelstaten bij Bondsrepubliek als markant politiek  moment in herinnering gebleven, voor de oude Bondsrepubliek was het simpelweg ‘verder zo’. Het tijdperk van ‘simpelweg verder zo’ lijkt echter ten einde te lopen.

Posted on 1 Comment

Persvrijheid in Rusland – Vermoordt Poetin journalisten?

In het Westen wordt algemeen aangenomen dat de Russische pers ‘niet vrij’ is. Klopt dat beeld? Vermoordt het Kremlin journalisten? Staatsuniversiteit Moskou: “Buitenlandpolitiek Westen bepaalt visie op onze media.”

The World Press Freedom Index. Jaarlijks worden leden van de pers overal ter wereld getrakteerd op een rangschikking van landen naar de mate van persvrijheid. Villamedia, het huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), deelde begin dit jaar een poster uit van de index aan haar abonnees. Op de poster een afbeelding van de wereldkaart, met elk land aangegeven in een aparte kleur. In het oog springt vooral Rusland, dat gemarkeerd staat in alarmerend rood, en dat vanwege zijn enorme landmassa, ook meteen het meeste rood op de poster in beslag neemt.
‘Rood’ betekent ‘slecht’, zo leert de begeleidende legenda. Er is slechts een handjevol landen waar het nog slechter is gesteld met de vrijheid van de pers, waaronder China, Saoedi-Arabië en Libië. Deze landen staan in het zwart aangegeven.
Ieder jaar publiceert het in Parijs gevestigde Reporters Sans Frontières haar World Press Freedom Index, die de mate van persvrijheid aangeeft per land in het daaraan voorafgaande jaar. In de laatste editie staat Rusland op de 148ste plaats, ver beneden andere westerse landen, en zelfs nog onder Arabische Golfstaten als Koeweit (104), de Verenigde Arabische Emiraten (119) en Qatar (123).

Is het werkelijk zo slecht gesteld met de Russische media? Ondanks alle gruwelverhalen over arrestaties, censuur, propaganda en moorden lijkt het toch nog niet geheel gedaan met de persvrijheid. Kennelijk is het mogelijk voor kranten de president af te beelden als hond; het Russische leger ervan te beschuldigen MH17 neer te hebben gehaald; de president in verband te brengen met witwaspraktijken; Russen uit te maken voor ‘rode fascist’; de Russische minderheid in Oost-Oekraïne uit te maken voor ‘genetisch afval’; zich hardop te verkneukelen over gesneuvelde Russische soldaten in Syrië – en het geweld van het Oekraïense leger in Donbass te rechtvaardigen. Zonder nadelige consequenties. De betrokken journalisten en opinieleiders maken het goed. Ze zijn niet vermoord of gearresteerd. Ze worden niet geweerd van televisie – en de media waar ze hun uitingen deden, hebben geen verschijningsverbod opgelegd gekregen.

De lage positie van Rusland in de World Press Freedom Index van Reporters Sans Frontières staat echter niet op zichzelf. Het land staat ook zeer laag genoteerd in het jaarlijkse Freedom In The World Report van de ‘independent watchdog organization’ Freedom House. Die laatste organisatie houdt kantoor in New York en Washington, en werkt voor haar jaarlijkse persvrijheidsrapport nauw samen met de Nederlandse organisatie Free Press Unlimited.
Volgens Freedom House is de pers in Rusland ‘niet vrij’. Op een schaal van 0 (minst vrij) tot 100 (meest vrij) scoort Rusland niet meer dan 20; dus ver beneden andere westerse landen, op hetzelfde niveau als de Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam en Gambia en zelfs slechter dan Turkije waar in 2016 81 journalisten achter slot en grendel zaten.

De doornsee krantenlezer of tv-kijker zal onmiddellijk aannemen dat het met Rusland werkelijk zo slecht gesteld is als de twee persvrijheidsindexen aangeven. Immers: berichten in de Westerse pers over de benarde positie van journalisten elders in de wereld gaan in pakweg 9 op de 10 gevallen over Rusland. Tel daarbij op het, ook in Nederland, wijdverbreide geloof dat Vladimir Poetin journalisten vermoordt.

Klopt dit beeld over de Russische pers? Ruimt Poetin kritische journalisten uit de weg? Zijn de media ‘niet vrij’, zoals Freedom House beweert?

Vermoorde journalisten

Zelfs Ruslands meest uitgesproken oppositiekrant Novaya Gazeta*, waarvan zes reporters zijn vermoord, denkt niet dat Poetin of het Kremlin iets te maken heeft met moorden op journalisten. Het enige waar zij hun overheid van beschuldigen is dat deze onvoldoende maatregelen treft ter bescherming van hun veiligheid.

In elk geval klopt er niets van de bewering dat Poetins greep naar de macht in 1999 het begin inluidde van een golf aanslagen op journalisten. Het omgekeerde is waar; het aantal moorden op journalisten is sindsdien scherp gedaald. De cijfers van het in New York gevestigde Committee To Protect Journalists geven duidelijk aan dat onder Poetins voorganger, Boris Jeltsin, de zaken er veel slechter voor stonden. In Ruslands roerige jaren negentig werden er ruim twee keer meer journalisten vermoord dan in de jaren dat Poetin het land regeerde als premier en president.
Vreemd genoeg werd er tijdens Jeltsins presidentschap weinig ophef gemaakt over de vele dodelijke aanslagen op het perskorps. Niemand die toen beweerde dat Jeltsin journalisten vermoordde.

Het afgelopen jaar (2016) zijn er geen Russische journalisten geliquideerd. Hoewel niet gerapporteerd door Committee To Protect Journalists ** werden er in 2016 wel twee Nederlandse journalisten vermoord: Jeroen Oerlemans in Libië en Martin Kok in eigen land. Niettemin eindigde Nederland op de 2e en 5e plaats van de ranglijsten.

Dus, als het aantal vermoorde journalisten niet heel erg bepalend is voor de weging van persvrijheid in een land, waarom staat Rusland dan zo laag?

Zwarte doos

Beide ranking-organisaties, Reporters Sans Frontières en Freedom House, stellen hun ranglijsten samen aan de hand van enquêtes (hier en hier). Deze worden ingevuld door ‘media experts, advocaten en sociologen’ (Reporters Sans Frontières) of ‘analisten, vooral externe adviseurs’ (Freedom House).
De vragen in de enquêtes gaan over factoren die bepalend zijn voor de vrijheid van journalisten, zoals (zelf-)censuur, concentratie van eigendom van mediabedrijven, pluriformiteit, redactionele onafhankelijkheid en het gemak waarmee straffen worden opgelegd vanwege smaad en laster. Hoewel de ranking-organisaties dus enige transparantie bieden over hun methodiek, doemt toch vooral het beeld op van een zwarte doos, waarin ruwe data onttrokken worden aan het oog van buitenstaanders. Zo verstrekken beide organisaties geen informatie over hoe de respondenten hebben geantwoord op de vragen. Aan het verzoek van de auteur van dit artikel de antwoorden geanonimiseerd vrij te geven (de gemiddelde score op elke vraag) werd geen gehoor gegeven.
Op verzoek was Reporters Sans Frontières nog wel bereid enige data te delen uit hun ‘kwantitatieve analyse’. Zo telde de organisatie vorig jaar 65 gevallen van agressie tegen journalisten, 67 arrestaties en vier journalisten die gevangen zaten. Freedom House meldt in haar rapport alleen het aantal ‘aanvallen op journalisten en bloggers’: 54. Dit cijfer baseert Freedom House op een telling van The Glasnost Defense Foundation.

Geweld, arrestaties en gevangenschap

Volgens Freedom House is geweld tegen journalisten in Rusland ‘heel gewoon’. En op het eerste gezicht, kijkend naar bovengenoemde cijfers (54 ‘aanvallen’ of 65 ‘gevallen van agressie’) lijkt daar weinig tegenin te brengen. Zeker in vergelijking met kampioen persvrijheid Nederland. In ons land telde Reporters Sans Frontières in 2016 slechts 5 gevallen waarbij geweld gebruikt was tegen journalisten. Nu is het echter wel zo dat er in Rusland dertien keer meer journalisten werkzaam zijn dan in Nederland. In Rusland: (200.000). In Nederland: (15.000). Het ligt dus in de lijn der verwachting dat Rusland te kampen heeft met meer geweld dan een klein land als Nederland.
Dit weerlegt nog niet de stelling van Freedom House dat geweld tegen journalisten ‘heel gewoon’ is in Rusland. Maar daar staat tegenover dat zij in hun rapport geen enkele moeite doen hun claim te onderbouwen. Cijfers opvoeren is één ding; daar conclusies aan verbinden is iets anders. ***
Het aantal arrestaties van journalisten in Rusland (67) lijkt echter wel aan de hoge kant. In Nederland zijn in 2016 slechts twee journalisten gearresteerd, de ene een Française, de andere een Nederlandse Turk.

De Française, Florence Hartmann, is vier dagen vastgehouden. Reporters Sans Frontières telde in hetzelfde jaar vier journalisten die in Rusland achter de tralies zaten: RBC-journalist Alexander Sokolov, vanwege de organisatie van een terroristische groep; de Tsjetsjeense journalist Zhalaudi Geriyev vanwege drugsbezit; de Oekraïense journalist Roman Sushchenko vanwege spionage; voormalig hoofdredacteur Aleksandr Tolmachev van Pro Rosto vanwege afpersing.

Censuur, restricties en propaganda

Afgaand op de ‘juryrapporten’ van Freedom House en Reporters Sans Frontières moet het wel heel ernstig gesteld zijn met de staat van de Russische journalistiek. Alsof het al niet erg genoeg is dat er zoveel journalisten geteisterd worden door geweld, arrestaties en celstraffen, ‘impregneert’ de Russische staat haar burgers ook nog eens met “propaganda via de door haar gecontroleerde tv-stations (…) Toonaangevende, onafhankelijke nieuwsorganisaties zijn onder controle gebracht of de nek omgedraaid (…) Websites zijn op zwart gezet en meer en meer bloggers krijgen gevangenisstraffen opgelegd (…) Toonaangevende mensenrechtenorganisaties hebben het stempel van ‘buitenlandse agent’ gekregen (…) De wetgeving biedt de overheid brede bevoegdheid de media op inhoud te sturen.” Enzovoort, enzovoort.

Maar evengoed opnieuw de vraag: Is het werkelijk zo belabberd gesteld met de staat van de Russische journalistiek?

One size fits all?

“Ik heb de indruk dat de situatie veel beter is dan zoals gepresenteerd in de indexen”, zegt professor Andrei Vyrkovsky van de Lomonosov Moscow State University. “De overgrote meerderheid van de Russen heeft door de relatief hoge internetpenetratie vrij toegang tot nieuws en andere informatie uit alle mogelijke bronnen. Verschillende standpunten worden besproken op diverse openbare online platforms. Rusland is in dat opzicht geheel anders dan bijvoorbeeld China, ondanks de wetten en wetten die recentelijk zijn aangenomen om sommige online activiteiten te beperken.”
Vyrkovsky onthoudt zich van commentaar op de methodologie van de ranking-organisaties “omdat dat een grondige analyse vereist”. Toch zou hij niet verbaasd zijn als de hele opzet ervan steevast uitpakt in het voordeel van westerse landen.
Vyrkovsky benadrukt dat persvrijheid niet overgewaardeerd moet worden. Het is belangrijk, maar niet belangrijker dan “het vermogen van lobbygroepen om de media naar hun hand te zetten en zo het publiek te bespelen.” De grip van lobbygroepen op de media werd pijnlijk zichtbaar tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen. “In de democratische campagne tegen Trump werden soms alle journalistieke principes aan de kant gezet”, zegt Vyrkovsky. “Vanwege hun goede toegang tot de massamedia was het standpunt van de Democraten absoluut dominant in het publieke discours. Wil je dus de media in diverse landen met elkaar vergelijken dan zal je daarin ook moeten meenemen het gemak waarmee lobbygroepen de media naar hun hand zetten.”

Professor Elena Vartanova, decaan van de faculteit journalistiek van de Lomonosov Moscow State University, erkent dat de Russische media zo haar problemen kent, zoals “de verschillende manieren waarop informele druk wordt uitgeoefend op de journalistiek en het geweld dat soms zelfs wordt gebruikt.” Maar deze problemen moet wel in de juiste context worden geplaatst. “Rusland is een multiculturele en multi-etnische samenleving”, legt ze uit. “Dit vereist enige regulering van de media.”

“Rusland is erg jong als een democratie”, voegt Vartanova toe. “In 1991 zijn we begonnen met een ‘zero media policy’. Rusland had zo’n beetje de vrijste pers ter wereld. Dit leidde tot allerlei problemen. We leerden al snel dat er beperkingen nodig zijn. Die zijn er overal. In sommige landen hebben journalisten zichzelf regels opgelegd, soms in samenwerking met het publiek en de nieuwsindustrie. In Rusland zijn we nooit zover gekomen. We zijn er nog niet klaar voor. Het maatschappelijk middenveld staat bij ons nog in de kinderschoenen. We zijn op dit unieke moment in de geschiedenis waar wetgevers het werk doen dat gedaan had moeten worden door de samenleving als geheel. Velen in Rusland  houden vast aan de filosofie van de Sovjettijd: ‘Wij nemen geen verantwoordelijkheid, we tonen geen inzet, maar we willen graag iets als Europa hebben, dus laat de staat dat maar even voor ons regelen’.
Er is dus niet alleen onderdrukking van de staat; er is ook de afwezigheid van initiatieven vanuit de beroepsgroep, de media-industrie en het publiek.”

Niettemin denkt Vartanova dat in Rusland de media er meer op vooruit zijn gegaan dan achteruit. “Het zou oneerlijk zijn te ontkennen dat er de afgelopen decennia zoveel ten goede is veranderd. Zeker in vergelijking met de Sovjetperiode, toen er helemaal geen vrijheid van pers was.”

Er bestaat sowieso niet zoiets als een ‘one size fits all’ media systeem, aldus Vartanova. In tegenstelling tot het Westen dat de media wereldwijd naar zijn evenbeeld lijkt te willen herscheppen. “Westerse, Angelsaksische indicatoren worden gebruikt om de Russische media te evalueren.”

Sturing van de publieke opinie

Vartanova vindt dat je geen enkele ranking bij voorbaat kunt vertrouwen. Er kan een verborgen agenda achter schuilgaan. “Sprekend vanuit mijn ervaringen in de wereld van universiteiten en wetenschap stel ik vast dat grote universiteiten rankings inzetten als marketinginstrument om geld uit het buitenland aan te trekken. Hoe hoger je op de ranglijst komt, des te meer studenten zich aanmelden.”
Wat zou de verborgen agenda kunnen zijn achter de persvrijheids-ranglijsten?
Vartanova: “Je zou die ranglijsten kunnen gebruiken als instrument om de publieke opinie te sturen. Ik heb de indruk dat de manier waarop het Westen onze media beoordeelt sterk meebeweegt met veranderingen in het buitenlandbeleid van westerse landen. In de Sovjet-tijd werden we gezien als de vijand, en het Westen bekritiseerde ons mediasysteem. In de jaren negentig werden we dikke vrienden en werd onze ‘zero media policy’ toegejuicht. Sinds het Westen ons weer als de vijand ziet, zien we dit terug in de lage rangschikking.”

Het imago van de Russische media lijkt sterk beïnvloed te worden door verhalen in de westerse pers over de moorden op journalisten. Hoe ziet Vartanova dit?
“Veel van de journalisten die werden vermoord waren misdaadverslaggevers”, zegt ze. “Er is dus mogelijk een sterkere relatie tussen die moorden en de mate van criminaliteit in het land dan met het niveau van persvrijheid. Vooral in de jaren negentig leek dit het geval te zijn. In die tijd was de invloed van de staat veel zwakker.
Je zou de moorden ook juist kunnen zien als een bewijs dat Rusland een zekere mate van persvrijheid kent. De journalisten werden vermoord omdat ze iets hadden gepubliceerd wat iemand niet aanstond, en niet om dat te voorkomen. De moorden hebben journalisten er in elk geval niet van weerhouden explosief materiaal te publiceren.”

Hoe is het mogelijk dat, in weerwil van de feiten, er zo’n sterke overtuiging is dat de moord op journalisten een aanvang nam met het aantreden van Vladimir Poetin? Hij is zelfs beschuldigd van moorden gepleegd tijdens het presidentschap van Jeltsin.
Vartanova: “Het idee dat Poetin journalisten uit de weg ruimt nam een grote vlucht na de moord op Anna Politikovskaja in 2006. Het gebeurde op Poetins verjaardag. En dit was misschien geen toeval. Het werd tot een sinister verjaardagscadeau. Elk jaar als Poetin zijn verjaardag viert, wordt wereldwijd de moord herdacht op Politikovskaja.”


* Novaya Gazeta reageerde niet op interviewverzoeken. En het Nederlandse Free Press Unlimited, dat contact onderhoudt met reporter Pavel Kanygin Novaya Gazeta, was niet bereid de auteur van dit artikel in contact te brengen met hem. Free Press Unlimited wilde niet zeggen waarom.

** Committee To Protect Journalists was niet bereikbaar voor commentaar, en heeft tot op heden de door de auteur van dit artikel gemelde moorden niet in de cijfers over Nederland opgenomen.

*** Freedom House was desgevraagd niet bereid haar stelling te onderbouwen dat in Rusland geweld tegen jouralisten ‘heel gewoon’ is.

Verder lezen:

Russische media en Nederlandse Ruslandverslaggeving

Dit interview is onderdeel van een reeks interviews en artikelen van Eric van de Beek over de Russische media en de verslaggeving van Nederlandse media over Rusland. Eveneens verschenen in deze reeks:

Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

De rechter als onderdeel van een tijdsgewricht

Het is een fenomeen dat al langer opvalt, maar bij de moord op Anne Faber weer duidelijk naar voren is gekomen. De rechter kijkt een dader in de ogen en dient over hem/haar te oordelen. De rechter kijkt een slachtoffer niet in de ogen, maar dient hem/haar wel te beschermen. De rechter is ook maar een mens en dit leidt er toe dat de rechter in dit tijdsegment meer aandacht heeft voor daders dan voor slachtoffers.

De rechter door de tijd heen

Een rechter heet onafhankelijk te zijn, maar dat is niet zo. De rechter is een product van zijn tijd en/of sociale omgeving. De rechters in de 17e eeuw waren niet slecht, maar deden niets tegen slavernij, terwijl dit nu niet meer denkbaar is. De rechters in de Verenigde Staten zijn niet slecht, maar ze zijn voorstander van de doodstraf, terwijl dit in West-Europa geen optie meer is.

Zo zijn ook onze rechters niet slecht, maar ze kijken de dader in de ogen en niet het slachtoffer. Dit leidt er toe dat in de rechtspraak van deze tijd veel aandacht is voor de dader, diens overwegingen en diens toekomstige leven. Tegenover al deze aandacht staat een volstrekt gebrek aan aandacht voor het (potentiële) slachtoffer, de familie van het slachtoffer of de effecten van het gedrag van de dader op burgers in het algemeen.

Kan een mens neutraal zijn?

De beeltenis van Vrouwe Justitia suggereert dat er sprake is van een soort onafhankelijke wijsheid en dat de rechter zich bij zijn uitspraken hierop beroept. Het is echter niet de kwaliteit van een rechter, die maakt dat hij in het verleden of in andere landen tot keuzes komt waar wij in Nederland anno 2017 zeker niet op uit zouden komen. De rechters zijn hun naam en beroep waard, maar het zijn mensen.

Er is niet zoiets als een ideaal rechtsbeeld. De wet wordt gemaakt door de politici, die gekozen zijn; de rechter past zijn uitspraken aan binnen dit kader. Tegelijkertijd is de rechter ook één van de kiezers. Mocht een rechter vol overtuiging tegen het homohuwelijk zijn en de wetgever dwingt haar ambtenaren om deze huwelijken te sluiten (om maar een simpel voorbeeld te nemen) dan zal het voor de rechter net zo moeilijk zijn om de weigerambtenaar te veroordelen als het voor de weigerambtenaar moeilijk zal zijn om het homohuwelijk te sluiten.

Waar de mens haar rol verliest

De plek waar een mens zich het moeilijkste kan verstoppen is in de confrontatie met andere mensen. Dat doet zich momenteel in alle hevigheid voor in de rechtszaal. Voor de rechter zit een dader, maar ook een mens. Ik heb er alle begrip voor dat een rechter de mens in de dader zoekt en weegt. Waar ik moeite mee heb is dat er geen ruimte is voor die andere mens: het slachtoffer.

Tegenwoordig is er enige ruimte voor het slachtoffer, maar het is afgedwongen en beperkt. Het is een eerste stap in een proces dat veel meer ruimte verdient; een proces dat leidend zou moeten zijn. De rechter is er immers om (toekomstige) slachtoffers in bescherming te nemen. Feitelijk is iedere dader (ik schrijf bewust niet ‘verdachte’) een burger die eigen rechter speelt en een ander confronteert met een zelfbedachte straf op een niet-relevante overtreding. Anne was op een plek waar ze niet had mogen zijn (van de dader) en de dader veroordeelde haar tot de doodstraf én voerde het uit. De trias politica in één persoon.

Dat is waar de rechter zich op moet focussen. Is de verdachte ook daadwerkelijk de dader? En hoe beleeft de samenleving deze daad en hoe kan ze beschermd worden tegen een dergelijke daad? Van deze dader of een ander. In plaats van onderzoeken naar de dader is het belangrijk voor de rechter om onderzoek te doen naar de gevolgen van de daad voor de samenleving, die hier niet om gevraagd heeft.

Van toen naar straks

Vroeger hadden we goede rechters en kwamen ze niet op tegen slavernij en vonden lijfstraffen of doodstraffen acceptabel. Tegenwoordig hebben we goede rechters en laten ze het slachtoffer links liggen. Laten we als samenleving doorgaan om te zorgen dat onze goede rechters het (potentiële) slachtoffer centraal stellen en daar hun vonnis op baseren. De rechter is ook maar een product van zijn tijd en deze tijd vraagt om een andere benadering van de verhouding dader-slachtoffer.

Posted on

Britse geheime dienst kan internet op grote schaal manipuleren

De Britse geheime dienst GCHQ is volgens de onderzoeksjournalist Glenn Greenwald in staat om het internet op grote schaal te manipuleren. Dat blijkt volgens Greenwald uit documenten van de voormalige NSA-medewerker Edward Snowden.

Het zou gaan om programma’s die online stemmingen kunnen manipuleren, websites plat kunnen leggen en informatie aan sociale netwerken en veilingsites kunnen onttrekken. De onderzoeksjournalist spreekt van “enkele van de meest verbazende propaganda- en misleidingsmethodes van het internet”. Uit de documenten van de Amerikaanse geheime dienst NSA van juli 2012 blijkt verder dat de programma’s “volledig functionerend, getest en betrouwbaar” gebleken zijn.

[note color=”#F4FDFF”] Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden met een internationale focus: Volg Novini!

[/note]

De onthullingen komen ongelegen voor de Britse regering. Vandaag debatteert juist het Lagerhuis over een wetsontwerp dat de bevoegdheden van de geheime dienst uit moet breiden. De regering van Conservatieven en Liberaal-Democraten acht deze uitbreiding van bevoegdheden noodzakelijk vanwege de aanhoudende dreiging van terroristische aanslagen.

Posted on

De politiek als huismeester: Psychologisch geweld en wetgeving

Vijf uur ’s ochtends, Europa wordt wakker. Een administratief medewerker met een nerveuze glimlach belt bij u aan :

  • Meneer, ik sommeer u om uw woning te verlaten.
  • Wablief ? Wie bent u ?
  • Ik ben medewerker van de Hoogste Autoriteit voor de Uitroeiïng van de Gender-Onderdrukking, de HAUGO.
  • …welke onderdrukking ???
  • Gender-onderdrukking, meneer. Komt u met mij mee ?
  • Maar u kunt toch niet zomaar…
  • Ik heb alle bevoegdheden, meneer, maakt u zich geen zorgen.
  • En als ik weiger ?
  • De politie staat een eindje verderop en wachten op mijn teken om in te ingrijpen als u niet meewerkt. U heeft tien minuten om uw spullen te pakken.
  • Maar… waar word ik dan van beschuldigd ?
  • U bent aangeklaagd als waarschijnlijke dader van psychologisch geweld tegen uw vrouw.
  • Wat voor geweld ? Ik heb mijn vrouw, of wie dan ook, nooit geslagen !
  • U wordt beschuldigd van psychologisch geweld, meneer.
  • Door wie ?
  • Dat kan ik u niet zeggen.
  • Maar wat is het dan waarvan ik word beschuldigd ?
  • Psychologisch geweld, meneer, zoals ik u zojuist zei. U heeft nog slechts enkele minuten voordat ik de politie laat ingrijpen.
  • Mag ik op zijn minst een antwoord geven op deze beschuldiging ?
  • Later, meneer.
  • Luister eens, ik heb ook rechten ! Laat mij ten minste mijn advokaat bellen !
  • Nee meneer. U staat niet onder arrest. Wij nemen slechts unilateraal een civiele voorzorgsmaatsregel. U kunt, uiteraard, al uw rechten laten gelden wanneer dit nodig is. Nu moet u echter uw woning verlaten.

U neemt in alle haast enkele spullen bij elkaar en volgt de HAUGO-medewerker. Terwijl u de deur achter u sluit vraagt u de medewerker :

  • Wanneer mag ik weer naar huis ?
  • Wij houden u daarvan op de hoogte.
  • Met een brief ? (op licht ironische toon)
  • Daar waar u besluit te verblijven gedurende het onderzoek.
  • Hoe lang zal dit onderzoek duren ?
  • Tussen één en vier maanden.
  • U kunt aangegeven zijn door een kantoormedewerker, de psycholoog van uw vrouw – het beroepsgeheim wordt in geval van psychologisch geweld opgeheven – uw vrouw zelf, haar moeder of haar minnaar ; het maakt niet uit : waarschijnlijk zult u het nooit te weten komen. U ben aangegeven en dat is voldoende.

 

Dit toekomstbeeld is, zonder overdrijving en in alle details, strikt conform aan het Verdrag van de Raad van Europa tegen het Gender-geweld dat in 2011 in Istanbul getekend werd: http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/HTML/210.htm

De Waalse jurist en filosoof Drieu Godefridi levert met zijn essay « De la violence de genre à la négation du droit » een magistraal betoog over de invloed van de gender-ideologie en de opkomst van de arbitraire rechtspraak in Europa.

Psychologisch geweld

In het kader van de bestrijding van het huiselijk geweld nam Spanje in 1999 een wet aan die psychologisch geweld strafbaar stelt. Frankrijk volgde met een vergelijkbare wet in 2010 en de Raad van Europa in 2011. De woordkeus die door gender-ideologie is ontwikkeld, (“man en vrouw” worden geen biologische grond toegekend, maar slechts als conventionele begrippen beschouwd) is in deze wetten overgenomen.
In Spanje gaat de invloed van de gender-ideologie nog verder dan de woordkeus : het begrip van “man en vrouw” zou slechts een middel zijn van de patriarchale en fallocratische cultuur om de overheersing van de man in stand te houden. De wet die Spanje in 2004 promulgeerde, « Ley organica de medidas de proteccion integral contra la violencia de genero » is slechts van toepassing wanneer de auteur van het delict een man is en het slachtoffer vrouw (art. 37 vv.).
http://www.tribunalconstitucional.es/fr/jurisprudencia/Pages/Sentencia.aspx?cod=15755

Bij de totstandkoming van de Franse wet in 2010 (artikel 222-33-2-1 wetboek van strafrecht) dienden de feministische psychologe M-F Hirigoyen en de advocaat Y. Mellul als experts.
Als geëngageerde dames kan men deze experts een zekere overdrijving niet kwalijk nemen (« psychologisch geweld op psychologisch vlak komt overeen met moord », verklaarde Y. Mellul).
De onzorgvuldige definities (psychologisch geweld wordt beschreven als « herhaaldelijk handelen dat de levensomstandigheden van de partner verslechtert. ») en de juridische consequenties hiervan zijn echter problematisch.

De hulp van dezelfde experts werd ingeroepen ter voorbereiding van het Verdrag van Istanbul van 2011 dat zich tot doel stelt alle vormen van geweld tegen vrouwen tegen te gaan. Artikel 3 beschrijft het geweld als de schade of het lijden op lichamelijk, seksueel, psychologisch of economisch vlak, ofwel het bedreigen hiermee.

Politieke middelen en argumenten

De Italiaan Antonio Gramsci schreef terecht dat geen politieke strijd gestreden kan worden wanneer men niet eerst de harten heeft veroverd. Met een kwestie als het huiselijk geweld is dit eenvoudig : iedereen is het erover eens dat huiselijk geweld voorkomen moet worden. Aan de hand van selectieve statistieken met cijfers die aangeven dat huiselijk geweld tegen vrouwen voorkomt (die men, afhankelijk van de vraagstelling met resultaten kan voorzien die men wil) en ideeën die mee gaan met de tijdsgeest (vrouwen vormen een kwetsbare minderheid), kan men zonder moeite wetten laten uitvaardigen die een ideologie ondersteunen.

De Spaanse wet van 2004 vraagt in Artikel 12 vraagt aan de ondertekenaars de uitroeiing (erradicacion) van de vooroordelen, gewoontes, tradities en iedere rolbevestigende praktijk die er ten opzichte van vrouwen en mannen bestaan.

Het rapport « psychologisch geweld » van de EP-commissie voor de rechten van de vrouw en gelijke kansen van 9 november 2011 meldt dat een wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat onevenredig veel vrouwen slachtoffer zijn van psychologisch geweld. Als bron geven zij een telefonische enquête in de VS (« The National center of victims of crime » www.ncvc.org) waarin de vragen uitsluitend over mannelijk geweld tegen vrouwen gingen ; en een studie van de Canadese regering « La violence psychologique – un document de travail » uit 2008, dat echter zwart op wit de bovenstaande bewering tegenspreekt : « Het psychologisch geweld is bijna gelijk onder mannen (17%) en vrouwen (18%). »

Daarenboven is M-F Hirigoyen zeer inconsequent in haar benadering van het probleem huiselijk geweld. Zij schrijft weliswaar in haar boek « Femmes sous emprise » dat « geweld niet eigen is aan één of andere sekse » en dat mannen slachtoffer kunnen worden van specifiek vrouwelijk psychologisch geweld (valse zwangerschapsverklaring, zelfmoord-chantage, valse verklaringen van ongewenste intimiteiten bij de kinderen, scheldwoorden tegen mannelijkheid…). Ook schrijft zij dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat mannen uit schaamte minder geneigd zijn om zich als slachtoffer te bekennen. De auteur beweert echter meermalen in haar boek dat 97% van de slachtoffers vrouw zijn. De enige bron die zij daarvoor geeft is een telefonische enquête dat in 2000 gehouden werd onder 6970 vrouwen van 20 tot 59 jaar : Enquete nationale sur les violences envers les femmes en France (Enveff).

De Enveff-enquete beschreef de volgende gevallen als voorbeelden van psychologisch huiselijk geweld :

  • verhinderen om met vrienden of familieleden te praten of te ontmoeten
  • zwijgen, weigeren van discussie
  • verhinderen om met anderen te praten, uit jaloezie
  • verhinderen om aan het huishoudgeld te komen
  • bekritiseren, weigeren naar waarde te schatten
  • onaangename opmerkingen maken over het lichaam
  • uit de auto zetten
  • geen rekening houden met haar mening

Drieu Godefridi vergelijkt deze lijst met een andere lijst uit 2012:

  • weigeren om mee te helpen met het huishouden
  • de credit card in beslag nemen
  • « d’r uit ! » schreeuwen en uit de auto zetten
  • aftuigen ten overstaan van vrienden
  • in het openbaar uitschelden, uit jaloezie
  • de draagbare telefoon in het water gooien
  • gedurende een half uur meer dan 30 keer bellen
  • het scheuren van zijn kleren
  • gedurende 8 dagen niets zeggen
  • zijn spullen door het raam de straat op gooien
  • de auto vandaliseren

De laatste lijst is afkomstig uit het vrouwenblad Cosmopolitan van augustus 2012 waarin de lezeressen zich onder de rubriek « psycho » konden uitlaten over wat zij hun partner aandeden wanneer zij het zat waren. De vergelijking mag doen glimlachen. Niettemin is het nauwelijks overdreven om te zeggen dat wanneer de vrouw slachtoffer is, het als een delict geldt, terwijl wanneer de man slachtoffer is, het geldt als een overtreding.

Arbitraire rechtspraak

De erkenning van psychologisch geweld in het wetboek van strafrecht is om verschillende reden arbitrair: De definitie van psychologisch geweld zoals deze in de wetten is opgenomen biedt veel ruimte tot interpretatie.

Bij een wettekst die op meerdere manieren te interpreteren is, wordt van de rechter een zekere coherentie ten opzichte van het delict en de gelden schade verwacht. Wanneer de concrete definitie van het delict zelf echter ontbreekt, wordt de rechtspraak arbitrair. De wetgever zadelt de strafrechter op met de taak om uitspraak te doen over een delict dat zonder juridische termen geformuleerd is. Zo kan het delict pas helder geformuleerd worden op het moment dat de rechter uitspraak doet.

Voor een uitspraak van de rechter zijn twee elementen nodig: intentie (vrijwillig of niet) en de geleden schade. Het delict van psychologisch geweld bestaat uit drie, uitsluitend psychologische, elementen: de intentie, het geweld en de schade. Terwijl lichamelijke schade objectief is, is de psychologische schade afhankelijk van de interpretatie van het slachtoffer en de waarnemer (politie, psychiater). Bovendien hangt het getuigenis af van de aanvankelijke psychologische gesteldheid van het slachtoffer : een kwetsbaar persoon vat psychologisch geweld anders op dan een sterk iemand. Bij lichamelijk geweld zijn oorzaak en gevolg objectief, in tegenstelling tot psychologisch geweld.
Daarnaast is ook het getuigenis van een dokter of psychiater een moeilijk punt in de rechtspraak. Het is bekend dat men in Brussel voor het luttele bedrag van 5 euro een medische verklaring van een dokter kan krijgen, getuige dit artikel van de publieke omroep RTBF: http://www.rtbf.be/info/regions/detail_bruxelles-un-certificat-medical-a-5-euros-qui-dit-mieux?id=7618643

Hirigoyen beschrijft de psychologische barbaarsheid van mannen als volgt : « zwijgen, met opzet heel zachtjes praten, regelmatig een kus weigeren, gedurende meerdere dagen mokken ». (Femmes sous emprise 43-45 en 77)

Betekenis en nut van een wet tegen psychologisch geweld

Sinds 2004 wordt het onderscheid tussen lichamelijk en psychologisch geweld niet meer gemaakt, waardoor het onmogelijk is de enquêtes van het ene tijdperk en land te vergelijken met het andere. De 141.222 delicten in Spanje in 2011 omvatten zowel de lichamelijke als psychologische geweldplegingen, zonder onderscheid.

« Het huiselijk geweld tegen vrouwen tussen de 16 en 44 jaar zou tegenwoordig de belangrijkste slachtoffer- en doodsoorzaak zijn, meer nog dan verkeersongelukken en kanker. » (Ignacio Ramonet, Le monde diplomatique, juli 2004)

Deze uitspraak is afkomstig van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa, recommandation 1582, een tekst die 27 sept 2002 werd aangenomen. Geen enkele wetenschappelijke studie werd in de bron genoemd. (opmerkelijk is de voorwaardelijke wijs die hier gebruikt wordt bij een statistisch gegeven)

De officiële statistieken geven in Frankrijk voor 2004 de volgende cijfers : dood door huiselijk geweld : 162 vrouwen ; 25 mannen op een totaal van 509.408 (waaronder 246.338 vrouwen). Slachtoffers van verkeersongelukken: 24.231, waaronder 1354 vrouwen.

texquisVage en onheldere beschuldigingen vormen de instrumenten van Machtsuitoefening, zoals Bertrand de Jouvenel deze definieerde, om de opstandigen te doen buigen. Rusland veroordeelde Pussy Riot aan de hand van een vage formulering artikel 216 van het wetboek van strafrecht van de Russische Federatie, die stipuleert dat « opzettelijke aantasting van de openbare orde die een expliciet respect jegens de samenleving ontbreekt ». Voor de westerse media waren deze arbitraire beschuldigingen slechts een voorwendsel om deze politieke tegenstanders als voorbeeld te laten fungeren voor een staat die niet met zich laat spotten.
Men mag bedenkingen hebben over deze gang van zaken in Rusland. Maar het feit dat de ideologie van een handjevol radicale gender-filosofen (een filosofie die pas in de jaren 90 is ontstaan!) verregaande invloed heeft op de uitvoerende macht en de rechtspraak in Europa, is minstens zo bedenkelijk.

N.a.v. Drieu Godefridi, De la violence de genre à la négation du droit (Texquis, Brussel, 2013).

Posted on Leave a comment

6500 betogers voor Franse staatstelevisie tijdens interview Hollande

Gisteravond hebben 6500 mensen deelgenomen aan het protest tegen president Hollande voor de gebouwen van de Franse staatstelevisie. Ditmaal hebben de organisatoren met meerdere ploegen de manifestanten geteld bij hun aankomst voor de televisiestudio’s. Het aantal deelnemers wordt systematisch door de officiële media gereduceerd tot in het belachelijke. Als men weet dat er gisteren meer dan 500 ordehandhavers gemobiliseerd zijn, dan gaat het niet over een betoginkje van een paar honderd mensen zoals vele nieuwssites (zie onder andere het filmpje onderaan dit bericht) beweren.

2380785_manifestation-contre-le-mariage-homosexuel-a-paris-le-28-mars-2013

De manifestanten eisen de intrekking van het wetsvoorstel voor het homohuwelijk, dat na de goedkeuring in de Assemblée vanaf volgende week in de Senaat wordt besproken. Om zijn populariteit op te krikken liet Hollande zich interviewen door David Pujadas van de overheidszender France 2. Het homohuwelijk kwam pas aan het einde van het interview aan bod. Eerst ging het over de slechte economische situatie, de hoge belastingdruk, de militaire interventie in Mali, … In het algemeen maakte de president een onzekere en zwakke indruk. Zelfs de regeringsvriendelijke krant Le Monde schrijft vandaag dat de populariteit van Hollande niet zal stijgen en dat hij te weinig voluntarisme in zijn pleidooi stak. Zowel links als rechts zijn het er over eens dat het sop de kool niet waard is.

Demonstranten schenken bloemen aan de ordetroepen, die hen verleden zondag hardhandig met traangas en wapenstok van de Champs Elysées verdreven.
Demonstranten schenken bloemen aan de ordetroepen, die hen afgelopen zondag hardhandig met traangas en wapenstok van de Champs Elysées verdreven.

Hollande verklaarde niet te willen terugkomen op het homohuwelijk. Hij accepteert het gegeven dat er protest is, maar vind dit niet de moeite waard om bij stil te staan. Hij is vooraf met het Parlement overeengekomen om de adoptie door homokoppels onder bepaalde omstandigheden toe te staan; de kunstmatige voortplanting (PMA: procréation médicalement assistée) door te verwijzen naar een ethische commissie, die aan het einde van het jaar een beslissing zal nemen; en het draagmoederschap (GPA: gestation pour autrui) zal tijdens zijn ambstermijn niet gelegaliseerd worden. Zo verzekerde hij.

Gedurende de 17 jaar dat Chirac en Sarkozy president waren, kwam er geen homohuwelijk, euthanasie, migrantenstemrecht, … Nu links weer de meerderheid heeft in het parlement en ook het presidentschap, raast het laïcisme als een dolgedraaide stier door de Franse samenleving, om zo snel mogelijk de ethische achterstand in te halen op landen als Belgë, Spanje, Nederland, …

De manifestanten zijn echter vastberaden om niet op te geven en hun acties te radicaliseren om het voorstel in de Senaat te laten blokkeren. Overal in Frankrijk zijn actiecomités tegen het homohuwelijk werkzaam, om ministers en regeringsleden luidruchtig te verwelkomen tijdens hun werkbezoeken. Via sms-berichten zijn in een mum van tijd honderden mensen gemobiliseerd in steden zoals Lyon.