Posted on

TTIP – Wat Europa kan leren van NAFTA

Het publieke debat over het Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP) lijdt eronder dat politici uit de betrokken Europese landen de documenten slechts kort in kunnen zien onder door de VS bedongen strikte voorwaarden. Een vergelijking met de Noord-Amerikaanse Vrijhandelsovereenkomst (NAFTA) kan behulpzaam zijn.

We zien bij NAFTA precies hetzelfde patroon als bij TTIP of vergelijkbare vrijhandelsakkoorden die de Verenigde Staten inmiddels met zo’n 20 landen afgesloten hebben. Met NAFTA werden Mexico, de VS en Canada tot een groot vrijhandelsgebied aaneengesloten. Dat gebeurde zo’n 22 jaar geleden, zodat er genoeg tijd gepasseerd is om conclusies te trekken over de gevolgen, ook al wil de politiek het niet zien.

Zowel bij NAFTA als bij TTIP, maar ook bij het vrijhandelsakkoord CETA tussen de EU en Canada, is de arbitrage de strategische spits van het hele idee. Het inmiddels beroemd geworden voorbeeld van de Ambassador Bridge in Detroit maakt het probleem ook duidelijk voor mensen zonder juridische expertise.

Detroit ligt aan de noordgrens van de VS aan de gelijknamige rivier. Aan de andere kant ligt de Canadese stad Windsor. In 1929 werd de ‘Detroit Windsor Ambassador Bridge’ gebouwd. In 1979 gaf het bedrijf dat de brug onderhoudt aandelen uit op de beurs. De investeerder Matty Maroun kocht de firma op en strijkt sindsdien ieder jaar USD 60 miljoen op aan tol.

De Ambassador Bridge is evenwel goed voor een kwart van de handel tussen Canada en de VS. Ondanks de goede zaken is de brug in slechte staat, omdat de eigenaar er niets aan doet. Hij is om die reden zelfs al in hechtenis geweest. De eigenaar weigerde eveneens om een met Detroit overeengekomen snelwegaansluiting te bouwen. Toen besloten de Amerikaanse en Canadese overheid om een paar kilometer ten zuiden van de brug een nieuwe tolvrije brug te bouwen. Maar toen ging Maroun op oorlogspad. Hij klaagde vijf jaar geleden Canada aan voor een schadeloosstelling van 3,5 miljard dollar. Juristen streden met elkaar, incasseerden ieder jaar minstens 16 miljoen dollar voor hun werk, en werden het er uiteindelijk over eens dat het arbitragerecht zichzelf voor niet bevoegd zou moeten verklaren. De rechtsgrond voor deze hele affaire, die daarmee nog niet afgehandeld is, is te vinden in het NAFTA-akkoord, dat als een blauwdruk voor TTIP gezien kan worden.

Een ander zeer actueel voorbeeld stamt uit januari 2016, toen de Amerikaanse president Barack Obama toegaf aan burgerprotesten en de voortzetting van een Canadese pijpleiding op Amerikaans grondgebied tegenhield. Het Canadese bedrijf TransCanada klaagt nu de Amerikaanse staat aan voor USD 15 miljard aan schadeloosstelling.

De lopende rechtszaken op basis van NAFTA en vergelijkbare akkoorden belopen inmiddels ettelijke miljarden dollars. Zo werd Peru bijvoorbeeld voor 800 miljoen dollar aangeklaagd door het bedrijf Doe Run Perù, dat in de Andes bij Oraya een mijn runt, omdat de regering door een wet de erbarmelijke arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers verbeterde. De eigenaar van de mijn is een Amerikaans consortium. De lijst van dit soort zaken is schier eindeloos. Nog nooit is een privatisering zo lucratief voor enkele geweest als de privatisering van de arbitrage.

Maar Canada en de grote concerns zijn een kant van NAFTA, aan de andere kant staat Mexico en zijn landbouw. Het akkoord verbiedt het om de boeren te subsidiëren, maar dit is alleen de Mexicaanse overheid verboden. Boeren in de VS worden als voorheen door de staat ondersteund. Hector Carlos Salazar van de koepel van Mexicaanse maisproducenten zegt: “Een Mexicaanse boer ontvangt 700 dollar per jaar aan subsidie, een boer in de VS 21.000.”

De heilige plant van de Azteken is sinds jaar en dag het basisvoedsel in Mexico. Tot NAFTA kon Mexico voorzien in de eigen behoefte aan mais en ander basisvoedsel. Vandaag de dag moet het land zo’n 40% van zijn behoefte uit de VS importeren. Daarbij gaat het om genetisch gemodificeerde mais, terwijl in Mexico de verbouw van dergelijke gewassen verboden is. De boeren vrezen om hun zaadgoed. Geen wonder dat de agrarisch moloch tot de grootste voorstanders van vrijhandelsakkoorden als NAFTA en TTIP hoort.

Daar komt nog bij dat de Amerikanen 75% van hun maisexport naar Mexico onder de productieprijs verkopen, dat is alleen mogelijk door de subsidies. Amerikaans vlees wordt op de Mexicaanse markt 20% onder de productiekosten aangeboden. Tegelijkertijd moest Mexico zijn invoerrechten afbouwen, terwijl de VS nog altijd invoerrechten hanteren. Wat de boeren voor NAFTA voor 3 pesos konden verkopen, daarvoor krijgen ze nu nog maar 50 centavos. Geen wonder dat 3 miljoen Mexicaanse boeren geruïneerd zijn en hun land niet meer bewerken. In 2007 beleefde Mexico de eerste hongeropstand in zijn geschiedenis, toen de prijs voor tortilla’s van de ene op de andere dag verdubbelde. Levensmiddelgiganten hadden de waren opgepot om ermee te speculeren.

Op het nu gaat om miljardenrechtszaken tegen de staat in Canada of hongerende boeren in Mexico, de ervaringen met NAFTA en de andere reeds bestaande vrijhandelsverdragen van Amerika en Canada met derden moeten in Europa alarmbellen doen afgaan.