Category Archives: Commentaren
Uitgeverij Uitgeverij

Hoe een pater gelijk kreeg . . . (En Timmermans wist ervan)

Je hebt weten en weten, dat blijkt maar weer. Zogenaamd 'bleek' gisteren dat Nederland hulp aan jihadisten in Syrië verleende. Jarenlang. Maar dat bleek pas nadat de regering de hulp aan deze rebellen stopte omdat ze nederlaag op nederlaag leden. Zoals zo vaak gebeurd is tijdens het conflict in Syrië, is het beëindigen van zulke steun een poging om het eigen gezicht te redden wanneer ook de laatste opslagplaatsen en trainingskampen van deze jihadisten worden ingenomen door de legers van Syrië en Rusland. Wat daar vervolgens wordt aangetroffen laat zich raden: Duitse, Israëlisch en Amerikaanse wapens. Samen met onze uitrustingen en trucks. Maar er zijn ook al diverse keren 'adviseurs' van westerse regeringen opgepakt in jihadistenkampen. Waarom stopt de Nederlandse regering nu ineens haar hulp? Waren ze bijvoorbeeld doorgegaan met de hulp wanneer de jihadisten geen nederlagen te verduren kregen? Was het doel 'Assad must go' heiliger dan welk instrument dat zich daartoe leende? Op deze vragen zouden de volksvertegenwoordigers moeten blijven hameren. Te meer omdat dit hele verhaal al jaren bekend was. Bij media en politiek. Zo heeft de oorlogsooggetuige Daniel Maes al met volksvertegenwoordigers en met de voormalige minister Timmermans gesproken in Den Haag. Er is de minister verteld dat hij oorlogsmisdadigers steunt. Maes hield al vanaf 2010 een weekjournaal bij, dat het thuisfront in België en Nederland las - dus van voordat de oorlog in Syrië begon. Daaronder bevonden zich vele journalisten. Hij is diverse malen uitgenodigd om met journalisten en politici te praten, maar nooit legde de media het vuur aan de schenen van de regering en nooit veranderde het beleid. Integendeel. Doorgaans verdedigde de media het regeringsbeleid tegenover hem. Tot nu. Pater Daniel Maes, die jarenlang in het Syrische oorlogsgebied woonde, is in en door de pers al te vaak weggezet als een "ongeloofwaardige pro-Assad figuur", of als een aluhoedje, een samenzweringstheoreticus. Zijn oorlogsdagboeken kregen in de NRC één ster. En de oorlogsstemmen die de jihadisten steunden, kregen er vier of vijf. Een raport van Amnesty International over een 'martelgevangenis' haalde alle westerse media, ook al bleek dat gebaseerd te zijn op een extrapolatie van een handvol ooggetuigen en bevatte het o.a. logistieke onmogelijkheden. Maar wie je als 'pro-Assad' kunt labelen is immers tegen het doel ('Assad must go'), dus per definitie ongeloofwaardig. Ondanks dat Maes genuanceerd en realistisch is ten aanzien van de Assad-regering. Welnu, deze pater krijgt al jarenlang keer op keer gelijk. Meer dan dat zelfs. Hij zet onze volksvertegenwoordiging in haar hemd. Ze wisten het al die tijd, maar ze weten het pas sinds gisteren. De oorlog in Syrië is een proxy-oorlog. En al die jihadisten vechten voor 'onze' belangen. Maar wat is 'ons belang' nu precies? Misschien kan die vraag alsnog aan de regering gesteld worden. En dan zullen ze zeggen: democratie en veiligheid. Maar wie de dagboeken van Daniel Maes gelezen heeft weet beter. Die kent het antwoord en heeft het al die tijd al geweten. En wie een beetje rondstruint op internet kan wagonladingen aan bewijzen vinden voor Maes' observaties. Aan de boekhandels doen wij een oproep: ruim plaats in voor de oorlogsdagboeken van Daniel Maes, een van de zeer weinige vredesstemmen in de afgelopen acht jaar. Naast al die pleidooien voor ingrijpen en oorlog in Syrië, die met stapels in alle winkels lagen, is het nu tijd voor de pater die gelijk kreeg!   Indrukwekkend werk. — Pieter Omtzigt   Oorlogsdagboek in twee delen: paperbacks met flappen | 134 x 210 mm | ±400 pagina's|prijs: 35,00 | isbn deel i 9789492161420 isbn deel ii 9789492161536 ❦
Noud Ingen-Housz Noud Ingen-Housz

Noud Ingen-Housz ~ de presidentsverkiezingen

In het kader van de verschijning van zijn boek Zo bezig met zichzelf: een politieke biografie van Frankrijk, laat Noud Ingen-Housz zijn licht schijnen op de aanstaande presidentsverkiezingen in dat land. Voor meer relevante achtergronden verwijzen we graag naar zijn zeer heldere en informatieve boek. FRANKRIJK “Waarom zijn de Franse verkiezingen belangrijk voor Nederland en de EU?”. Het onderstaande gaat schematisch op deze vraag in. 1 – DE NATIONALE CONTEXT §1 – Sinds de verkiezing van François Hollande tot president, in 2012, heeft Frankrijk ondermaats gereageerd op de moeilijkheden van het tweede stadium van de dubbele financiële crisis van 2008 (subprime) en 2010–2011 (euro). De jaren 2009–2016 werden gekenmerkt door steeds toenemende werkloosheid. Met name de symbolisch belangrijke industriële sector en de handelsbalans toonden in stijgende mate tekorten. Pas sinds eind 2016 is de werkloosheid iets onder de 10 procent gekomen als gevolg van licht oplevende bedrijvigheid, en is de concurrentiekracht van het – veelal middelmatige – Franse product in grote trekken genormaliseerd. In de afgelopen vijf jaar is de geloofwaardigheid van het democratische bestel in de ogen van talrijke Fransen steeds negatiever uitgevallen. Onmacht om de financiële crisis te boven te komen wordt in deze kringen beschouwd als het falen van een republiek die niet in staat is om, in het belang van iedereen, “de economie te beteugelen”. Onder de huidige, conjunctureel weinig veranderende, omstandigheden heeft dit verschijnsel een extra impuls gegeven aan, in Frankrijk al lang gebruikelijk, wantrouwen tegenover een “systeem” dat door velen wordt gezien als gemanipuleerd door financiële belangen. In de Franse geschiedenis is de uitdrukking “het systeem” in verschillende perioden gebruikt in geval van democratisch onbehagen. §2 – De twee elkaar opvolgende ambtstermijnen van president Mitterrand (1981–1995) eindigden met tweejaarlijkse perioden van cohabitation waarin de gaullisten het, dankzij een parlementaire meerderheid, voor het zeggen hadden. Tijdens het presidentschap Chirac (1995–2007) deed zo’n situatie zich in omgekeerde zin voor. Twee jaar na het begin van zijn eerste ambtstermijn verloor hij zijn parlementaire meerderheid en werd hij tot een vijf jaar lange cohabitation met de socialistische regering Jospin gedwongen. Chiracs tweede termijn duurde – anders dan voorheen – vijf, in plaats van de voordien gebruikelijke zeven, jaar. §3 – De hierop volgende tienjaarsperiode van de presidenten Sarkozy (“rechts”) en Hollande (“links”) heeft grotendeels in het teken van de dubbele financiële crisis gestaan. In de ogen van bijna de helft van de bevolking is “het bewijs” geleverd dat het “systeem” van periodieke afwisseling (alternance) tussen “rechts” en “links” niet in staat is tegemoet te komen aan wat, voor het welzijn van de bevolking, van “de politiek” mag en moet worden verwacht. De verkiezingen van 2017 – eerst voor het presidentschap en een maand later (in juni) voor de Assemblée Nationale (de Nederlandse Tweede Kamer) – staan onder grote druk van de krachten die genoeg hebben van het bestaande binaire schema en uitzien naar andere – radicalere – “oplossingen”. Dat betekent dat voor de eerste ronde van de presidentsverkiezing op 23 april vier aanvankelijk bijna even sterke kandidaten de strijd aangaan om de eerste en de tweede plaats te verwerven die hen zal kwalificeren voor de tweede ronde op 7 mei. De personen om wie het hier gaat, zijn (met tussen haakjes hun kansen volgens opiniepeilingen per 18 april 2017): – Emmanuel Macron (24 %) – Marine Le Pen (23 %) – François Fillon (18,5 %) – Jean-Luc Mélenchon (18%) 2 – VAN EEN BINAIR KRACHTENVELD NAAR EEN VIERDELING §1 – De campagne voor de verkiezing van een nieuwe president heeft diepgaande breuklijnen aan de dag gelegd over de hierbij gangbare politieke beginselen. Sinds de instelling in 1962 van de verkiezing van een president bij algemeen kiesrecht, is “het systeem” ingericht op een quasi-exclusieve keuze tussen een “rechtse” of een “linkse” kandidaat op basis van een meerderheid der uitgebrachte stemmen. In lijn met deze door De Gaulle bij referendum opgelegde politieke logica, heeft regelmatige afwisseling van de macht tussen de twee politieke blokken plaatsgevonden. Sedert de stichting van de Vijfde Republiek in 1958 was het presidentschap 40 jaar lang in handen van “rechts”; 19 jaar in handen van “links”. De perioden van cohabitation besloegen 9 jaar (tweemaal 2 jaar onder Mitterrand en 5 jaar onder Chirac). Dit binaire machtsmonopolie staat sinds de afgelopen 17 maanden onder de invloed van de doorbraak van de antimoslim-ideologie en het anti-Europese nationalisme van het Front National (“FN”, geleid door de familie Le Pen). In december 2015 scoorde het FN bij regionale verkiezingen met 28 procent als de grootste partij. Deze ontwikkeling heeft de traditionele, twee grote regeringspartijen verzwakt en hun geloofwaardigheid en invloed op de publieke opinie aangetast. Dit bleek al bij Sarkozy’s nederlaag tegen Hollande in 2012 en daarna in groeiende mate tijdens het bewind van Hollande zelf. Beide leiders raakten verguisd: als er vorig jaar in Frankrijk eenstemmigheid heerste dan was het wel dat 85 procent van de bevolking wenste dat van de belangrijkste partijleiders noch Sarkozy noch Hollande kandidaat zou zijn bij de presidentsverkiezing van 2017. Geen van hen beiden heeft in die onmiskenbare boodschap willen geloven en eind 2016 hebben zij vrijwel tegelijkertijd schipbreuk geleden. §2 – Ten aanzien van de eigenlijke verkiezingscampagne vallen de hierna volgende ontwikkelingen van de eerste vier maanden van 2017 op: Ideologische tweedracht binnen de PS (“Parti Socialiste”) waardoor de zittende president, François Hollande, vanwege zijn spectaculair lage populariteit, geen kandidaat voor zijn eigen opvolging heeft kunnen zijn. Als gevolg hiervan wezen de socialisten in januari 2017 bij primaries (in het Frans “primaires”) als kandidaat een dissident van de partijlijn aan (dat wil zeggen Benoît Hamon en duidelijk niet Hollandes voormalige premier en politieke medestander Manuel Valls). Na deze splijting die de PS afdreef van zijn sociaaldemocratische middenlijn, kreeg Hamon bovendien de wind van voren van de extreemlinkse kandidaat Jean-Luc Mélenchon (ex-lid van de PS die niet aan de primaries had willen meedoen en een bewonderaar was en is van de politieke filosofie van Fidel Castro en Hugo Chávez). Deze intellectueel ingestelde volkstribuun en leider van 'La France insoumise', slaagde er tussen februari en april 2017 in zijn populariteit van 10 tot 20 procent verdubbelen, terwijl Hamon tezelfdertijd van 15 procent naar minder dan 9 procent afgleed. Mélenchon kan mogelijkerwijs de eerste of de tweede plaats bij de eerste ronde van 23 april halen. Doctrinaire tweedracht binnen de partij LR (“Les Républicains”, voorheen “UMP”). Bij in november 2016 gehouden primaries besloot de LR tot aanwijzing van een kandidaat voor het presidentschap die veel rechtser bleek te liggen dan de traditionele pseudo-gaullistische opstelling. Deze selectie leidde, in de eerste ronde, tot eliminering van Nicolas Sarkozy. In de tweede ronde legde de aanvankelijke favoriet, Chiracs premier (1995–1997) Alain Juppé – een centrumgaullist – het af tegen Sarkozy’s voormalige premier, François Fillon. Deze werd de officiële LR-kandidaat met een liberaal-conservatief program dat hard wil afrekenen met de huidige, door tekorten geplaagde, overheidsfinanciën en bijbehorende welvaartsstaat. Fillons keuze tastte de doctrinaire eenheid van de partij aan, waardoor deze hem maar matig steunde, zeker toen hij, kort na te zijn aangewezen, op sociaal gebied een grote vergissing maakte. Afgelopen januari kwam Fillon in werkelijke moeilijkheden toen gerechtelijke beschuldigingen over hem en zijn vrouw op gang kwamen over verrassende praktijken van onder meer voor parlementaire activiteiten bestemd geld uit de openbare kas (Penelopegate). Terwijl Fillon afgelopen november met 28 procent populariteit de favoriet was voor de presidentsverkiezing, zelfs voordat de betreffende beschuldigingen vorm kregen, zakte hij naar de derde plaats (na Le Pen en Macron), en laatstelijk naar een ex aequo-positie als nummer 3 naast Jean-Luc Mélenchon, die aanvankelijk als de waarschijnlijke nummer 5 achter Hamon werd beschouwd. Een bijkomende reden van Fillons stagnerende populariteit is de opkomst van een zelfstandige gaullistische – uiterst eurosceptische – kandidaat, Nicolas Dupont-Aignan, die is opgeklommen tot een populariteit van rond 4 procent. Hiermee brengt hij Fillons kansen op een eerste of tweede plaats op 23 april in nog groter gevaar dan al vanwege de tegen hem hangende beschuldigingen het geval was. Als presidentskandidaat scoort de nooit gekozen Emmanuel Macron momenteel iets hoger dan Marine Le Pen. Zijn partij (En Marche!) bestaat pas twaalf maanden. Het feit dat hij in november 2016 kandidaat voor het presidentschap is geworden voordat hij kon vermoeden dat de LR geen sterke kandidaat zou leveren, wijst op een uitzonderlijk karakter. Zijn sociaalliberale opstelling die expliciet “noch van links noch van rechts” is, zou in geval van slagen voor het Elysée een diametrale doorbraak in het Franse politieke landschap betekenen, zeker in geval hij bovendien de parlementaire verkiezingen tot een succes zou weten te maken. De 2.0-moderniteit van zijn program staat buiten kijf maar staat onder spervuur én van “rechts” (Fillon) én van “links” (vooral Mélenchon) én van Marine Le Pen. Macrons handicaps zijn reëel (met name zijn leeftijd – 39 jaar – en de afwezigheid van enige gekozen functie; zijn jeugd-stimulerende program dat evenwel voor menigeen hybride of te vaag blijft; en de impliciete steun die hij van zijn vroegere baas Hollande krijgt). Daartegenover staat de belangrijke factor van vernieuwing in een land dat zich kennelijk los wil maken van het traditionele links-rechtsschema dat tot de huidige collectieve impasse heeft geleid. Sinds de regionale verkiezing van december 2015 is Marine Le Pen gedoodverfd als nummer 1 bij de eerste ronde van 23 april. Alle andere partijkandidaten hebben zich zo opgesteld dat zij konden hopen daarbij nummer 2 te worden. In de afgelopen weken is onzekerheid ontstaan over de vraag of zij op 23 april inderdaad als nummer 1 uit de bus zal komen. Om tactische redenen schijnt zij voor de tweede ronde liever Macron dan Fillon of Mélenchon tegenover zich te krijgen. 3 – DE ONZEKERHEDEN §1 – De opinieonderzoeken van 18 april blijven zeer voorzichtig over de mogelijke uitslag van de eerste ronde op 23 april: alle vier bovengenoemde belangrijke kandidaten kunnen hopen de tweede ronde te halen (Hamon kan als uitgeschakeld worden beschouwd). De stemming op 23 april is van het grootst mogelijke belang want als waar mocht zijn dat Madame Le Pen nummer 1 zou worden, is de persoon van nummer 2 van doorslaggevende invloed op de uitslag van de tweede ronde. Het moeilijkste dilemma voor de kiezers zou zijn een keuze te moeten maken tussen Le Pen en Mélenchon bij de tweede ronde. Ook in zo’n geval van strijd tussen twee extremen (iets wat voor de traditionele Franse kiezers een aardbeving zou inhouden) schijnt Madame Le Pen de strijd te zullen verliezen. Mochten Fillon of Macron bij de eerste ronde die tweede (of eerste) plaats weten te bemachtigen dan zouden zij beiden, volgens de opinieonderzoeken, de stemming zonder probleem tegen haar winnen. Maar noch Macron noch Fillon zou meer dan 62 procent van de uitgebrachte stemmen krijgen (Fillon vrij wat minder dan Macron). §2 – De voornaamste factoren van ongerustheid over de uitslag van de presidentsverkiezing – dat wil zeggen een beslissing van de kiezers om uit de EU te willen treden – liggen op de volgende gebieden: Stemonthouding in de tweede ronde, waardoor de stemmen voor Le Pen een evenredig groter gewicht ten opzichte van het geheel zouden kunnen krijgen. Deze factor krijgt minder gewicht naarmate de belangstelling voor deelneming aan de verkiezing toeneemt. Normaal gesproken bedraagt deze 80 procent. Thans is de hoogte van deelneming nog zeer onzeker: er is sprake van 67 procent, maar waarschijnlijker is dat de grens van 70 procent ruim zal worden overschreden. Een ander punt is de opkomst van de extreemlinkse Mélenchon die in die mate (hij is zojuist van 20 naar 18 procent teruggezakt) niet was voorzien. Een duel Le Pen-Mélenchon in de tweede ronde zou Mélenchon wel tot president maken, maar zou eveneens een breuk met de EU betekenen (afgezien van het feit dat Mélenchon van de nieuw te kiezen Nationale Vergadering een “constituante” wil maken die binnen zes maanden de stichting van een Zesde Republiek zou moeten voorbereiden, waarna de nieuwgekozene zou terugtreden). In die zes maanden zou Frankrijk formeel niet zomaar uit de EU kunnen treden. In het geval dat Fillon of Macron in de tweede ronde tegenover Marine Le Pen zou staan, is er weinig onzekerheid over handhaving van Frankrijk in de EU. Beide kandidaten houden het erop dat zij zich “in het begin” niet zouden kunnen houden aan een begrotingstekort van maximaal 3 procent. Het land zou zich derhalve aansluiten bij de Zuidelijke eurolanden om zo lankmoedig mogelijk door de Eurogroep te worden behandeld. Een mogelijke overwinning van Macron opent de deur naar een volgende onzekerheid (afgezien van zijn gebrek aan politieke ervaring van meer dan twee jaar als minister): zal hij in staat zijn een samenhangende en werkzame parlementaire meerderheid te verkrijgen? Zijn kandidaten voor de 577 zetels in de Nationale Vergadering zullen vaak onbekenden zijn die hard zullen moeten vechten tegen plaatselijke grootheden die bekend zijn geworden in recente tijden waarin de PS en de LR nog veel invloed hadden. Deze onzekerheid wordt echter getemperd door het feit dat de kiezers over het algemeen proberen een nieuwe president een hem steunende parlementaire meerderheid te geven. Mocht Macron op dit punt een te zwakke parlementaire basis krijgen dan zou hij met parlementariërs van “links” en/of van “rechts” een regeerakkoord kunnen sluiten, waardoor hij op voldoende steun van de Nationale Vergadering zou kunnen rekenen. De onzekerheid over de mate van parlementaire steun voor Macron weegt veel minder in het geval dat Fillon het pleit zou winnen. Dankzij het partijapparaat van de LR is er een gerede kans dat Fillon veel meer parlementaire armslag zou krijgen dan Macron. Of dat argument de kiezers ertoe zal bewegen hun aarzelingen tegenover Fillon in verband met Penelopegate opzij te zetten, is nog maar de vraag. §3 – De risico’s voor Nederland en de EU De meest in het oog vallende risico’s zijn de volgende: een aanslag in afwachting van de einduitslag op 7 mei. Zo’n gebeurtenis zou onberekenbare gevolgen hebben; op 18 april zijn in Marseille twee hoogst gevaarlijke terroristen gearresteerd die klaar stonden voor een spectaculaire aanslag bij een politieke bijeenkomst (wellicht die van Marine Le Pen in Montpellier op de 19e). de verkiezing van Le Pen of Mélenchon zou een zo frontale botsing met de EU opleveren dat de unie hier wellicht niet tegen opgewassen zal zijn; zo’n botsing zou in het geval van een presidentschap van Mélenchon minder dramatisch kunnen zijn omdat constitutionele hervorming voor hem prioriteit lijkt te hebben en hij de economie daarvoor niet onmiddellijk zou willen verstoren; Marine Le Pen zegt niet uit de euro te willen treden voordat daarover, na zes maanden onderhandeling met “Brussel”, een referendum zou zijn gehouden. Dit schijnargument kan niet verhinderen dat een Frankrijk onder Le Pen niets anders op het oog zou hebben dan uit de EU te treden. Over de uitreding van Frankrijk uit de euro in een van voornoemde gevallen valt nog wel op te merken dat hier een van de schizofrene aspecten van het Franse volk aan de dag treedt. Daar waar, naar verwachting, een kleine meerderheid van alle stemmen die in de eerste ronde op de elf kandidaten zullen worden uitgebracht tegen de EU en de euro zal zijn gericht, is een constant gegeven bij de opiniepeilingen dat niet meer dan 28 procent van de bevolking die stap werkelijk wil nemen. Hoe dan ook, geen van de twee andere presidentskandidaten (Fillon en Macron) stelt in het vooruitzicht dat Frankrijk binnen de komende vier à vijf jaar in staat zal zijn te voldoen aan het Maastrichtse criterium dat een begrotingstekort minder dan 3 procent van het bruto binnenlandse product behoort te zijn. Ook dat aspect is van belang voor Nederland en de EU.
Jan Storm Jan Storm

Verkiezingsblog 2017

In onderstaande columns betoog ik dat Nederland een twee-klassen-samenleving is. De eerste klasse (de regenten) bepaalt de agenda van het land en neemt binnen die agenda alle beslissingen. Met recht kan men zeggen dat zij stemrecht heeft. De heersende klasse telt volksvertegenwoordigers, leden van adviesraden, rechters, burgemeesters, ombudsmannen en hoge ambtenaren. Zij heeft zich georganiseerd in politieke partijen. De tweederangs-burgers (de rest) hebben geen stemrecht, maar slechts kiesrecht: déze burgers mogen alleen om de paar jaar uit het aangeboden assortiment politieke partijen er één kiezen. Een twee-klassen-maatschappij is evident niet-democratisch: Het is niet democratisch als de ene groep burgers de andere uitsluit van besluitvorming over onderwerpen die allen aangaan. En het is, vanuit democratisch oogpunt, nog erger als de heersende klasse een kleine minderheid is en de overheerste klasse de meerderheid, de zeer grote meerderheid. En het is extra ondemocratisch als de regenten bij hun besluitvorming wèl de belangen van lobby’s (en hun eigen carrièreperspectieven) in het oog houden. Onvermijdelijk leidt een twee-klassen-systeem tot besluiten (en dus tot een samenleving) die niet overeenstemt met de wensen van de gewone burgers. Helaas zal dit systeem niet uit zichzelf veranderen: het is goed dichtgetimmerd. De gewone burgers hebben geen hoger beroep tegen de beslissingen van de regenten - en geen zeggenschap over wie er tot de regentenklasse mag toetreden. Het systeem is door generaties van regenten naar eigen smaak vormgegeven. De burgers van Nederland hebben er nooit hun mening over mogen geven. Het treurigste van dit alles is nog dat ondemocratische bestuurssystemen ook ondoelmatig zijn. In Zwitsers onderzoek zijn systemen met burgerinvloed vergeleken met bestuur via volksvertegenwoordigers; en toen bleek dat vertegenwoordigende ‘democratie’ leidt tot ondoelmatigheid, hogere overheidsschulden en een slechtere belastingmoraal. Ondemocratische systemen verstikken namelijk de creativiteit, inzet en energie van de uitgesloten burgers; ze maken de burgers calculerend. Dit soort systemen is in vele zich democratisch noemende landen al eeuwenlang staande praktijk. Montesquieu noemde zo’n stelsel geen democratie maar een aristocratie. Het is hoog tijd dat we een eind maken aan de tweedeling tussen kiezers en gekozenen en een echte democratie gaan opbouwen. Een vanzelfsprekende eerste stap is om alsnog het correctief referendum (op 18/19 mei 1999 in de Eerste Kamer nipt verworpen) in te voeren. Daarmee krijgen de burgers het recht om de beslissingen van de volksvertegenwoordigers achteraf te mogen corrigeren. Maar echt democratisch wordt het pas met het volksinitiatief: het systeem waarin burgers (met zekere procedurele waarborgen) voorstellen bij de gehele kiesgerechtigde burgerij in stemming kunnen brengen en voorstellen die worden aangenomen ook echt worden ingevoerd. Als we het volksinitiatief invoeren is de tweedeling tussen kiezers en gekozenen voorbij. Dan nemen we in dit land de beslissingen samen en stemmen die beslissingen dus overeen met de opinie van de burgers. 12. De kiezers weten niets beters te doen dan telkens wegstemmen wie geregeerd heeft. James Madison (1751-1836), een van de aartsvaders van de Amerikaanse Grondwet, hield in federalist paper 63 rekening met de mogelijkheid dat vertegenwoordigers de belangen van het volk niet goed zouden behartigen. En hij vreesde (papers 10 en 51) dat de volksvertegenwoordiging overheerst zou worden door facties en heethoofden die slechts oog zouden hebben voor de korte termijn en voor lokale belangen. Om te komen tot een bezonnen wetgeving pleitte hij (op het spoor van Montesquieu) voor een volksvertegenwoordiging bestaande uit twee Kamers die via verschillende mechanismen zouden worden gekozen en de regel dat een voorstel pas wet zou worden als beide Kamers het hebben goedgekeurd. De twee Kamers zouden elkaars rivaal moeten zijn en elkaar op het rechte pad houden. Madison hoopte dat het volk de besten en meest deugdzamen tot zijn vertegenwoordigers zou kiezen, dat die zich zouden opstellen als hoeders van de rechten en vrijheden van de burgers en hen zouden beschermen tegen de overheid, zouden stemmen op grond van hun geweten en zich zouden verantwoorden tegenover hun kiezers. De kiezer zou hen wakker en integer houden door hen al of niet te herkiezen. Volksvertegenwoordigers zouden in hun wijsheid begrijpelijke wetten opstellen; dan zou de burger zich ermee identificeren en zich eraan houden. Hoe anders is het gelopen! Er verschenen politieke partijen ten tonele en die deden precies waar Madison voor gewaarschuwd had. Volksvertegenwoordigers danken hun zetel aan hun aanzien in de partij, zij ontlenen hun legitimatie aan die partij en identificeren zich veel meer met de partij dan met de kiezer. Een politicus zal doorgaans zijn leven lang bij dezelfde partij blijven en door dik en dun partijgenoten steunen tegenover politici van andere partijen. Vertegenwoordigers van een politieke partij in de ene Kamer van de volksvertegenwoordiging stemmen af met hun partijgenoten in de andere Kamer. De ‘strijd’ tussen de twee Kamers verbleekte vergeleken met die tussen de partijen. Politici maakten bestuur en wetgeving ingewikkeld. De kiezer kon de verrichtingen van de politici daarom moeilijk meer beoordelen. De partijen werden zo onkwetsbaar dat ze zich weinig van de kiezers hoefden aan te trekken. Ze doen alsof ze elkaar bestrijden maar fundamenteler is hoezeer hun belangen parallel lopen. Verkiezingen verwerden tot reclamecampagnes en wedstrijden in ontwijken en denatureren van de onderwerpen waar het over zou moeten gaan. De focus kwam meer te liggen op het goede sier maken met het uitdelen van cadeautjes dan op Madisons bewaken van de burgerlijke vrijheden. De kiezers zijn ontevreden maar weten geen tegenspel te bieden, ze weten niets beters te doen dan telkens weg te stemmen wie geregeerd heeft. Hoe is dan verstandig beleid te verwachten? 11. Competitie tussen politieke partijen is een toneelstuk Dat politieke partijen zich van elkaar willen onderscheiden, is te begrijpen; maar ik denk dat ze daarin doorslaan: ze maken de tegenstelling regering/oppositie onnodig scherp. En ze maken de kiezers gek met overtrokken beloften en met het demoniseren van elkaar, zeker in de aanloop tot verkiezingen. Na de verkiezingen blijkt niemand de meerderheid te hebben behaald en moet er een coalitie komen. De opgehitste kiezers moeten worden teleurgesteld, want de verkiezingsbeloften kunnen niet integraal worden nagekomen. De partijen beschuldigen elkaar van kiezersbedrog en het spel begint weer van voor af aan. Hoe kun je zo ooit tot een harmonieus beleid komen? In een districtenstelsel heb je meestel twee grote partijen die ombeurten sterk uit de bus komen. Die partijen bestrijden elkaar. Wie de meerderheid haalt kan zonder coalitiepartner de regering vormen. Dáár is een duidelijke tegenstelling regering/oppositie logisch, dáár is zo’n tegenstelling begrijpelijk. In Nederland hebben we echter (gelukkig) een evenredig kiesstelsel. Elke partij die hier de kiesdeler haalt krijgt een zetel. Dit levert in de Tweede Kamer een waaier van partijen op waaruit relatief makkelijk een coalitie te vormen is. Een scherpe tegenstelling regering/oppositie is hier helemaal niet nodig. Er is een prima alternatief voor dat eeuwige gekibbel tussen politieke partijen: werken met coalities waarin alle ‘constructieve’ partijen meedoen. Laat de partijen stoppen met hun toneelstuk dat ze elkaar zo haten. Laten ze stoppen districtenstelseltje te spelen. Het is een kronkel waarmee ze zich alleen maar vastdraaien. 10. Verband tussen democratie en economisch/maatschappelijk succes? De meeste grondwetten dicteren een bestuurssysteem waarin een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) mag meepraten en meebeslissen, en de rest – de grote meerderheid – niet. Iedereen begrijpt dat dit niet democratisch is, maar het is in praktisch de hele wereld staande praktijk. Je zou misschien kunnen zeggen: niet democratisch oké, dat is misschien wel zo, maar het functioneert in de westerse democratieën toch heel aardig? Laten we eens proberen een onderzoeksopzet te bedenken om dat na te gaan. Laten we landen met veel burgerzeggenschap vergelijken met landen met weinig burgerzeggenschap. Dat wordt moeilijk, want hoe corrigeer je voor de specifieke omstandigheden van de verschillende landen? Globaal ziet het er wel naar uit dat landen met ontwikkelde democratieën, met veel vrijheid, het beter doen dan dictatoriaal geregeerde landen. Maar binnen de groep democratische landen is het moeilijk harde uitspraken te doen: de verschillen in democratie zijn te klein en die in andere kenmerken te groot om een verband te kunnen leggen tussen democratie enerzijds en economisch dan wel maatschappelijk succes anderzijds. Ik wijs u op het boek Die direkte Demokratie, Modern, erfolgreich, entwicklungs- und exportfähig (1999) van Kirchgässner, Feld en Savioz. Het bevat econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over Zwitserse gemeentelijke en kantonnale financiën. In mijn boek, Welke democratie?, heb ik de hoofdzaken eruit geciteerd. Het boek van Kirchgässner et al. is in Nederland niet te koop en zelfs in Universiteitsbibliotheken niet te lenen. Het gaat over econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over gemeentelijke en kantonnale financiën. Omdat in Zwitserland in het openbaar bestuur allerlei lokale varianten van democratie naast elkaar bestaan – die verschillen konden ontstaan omdat de beslissingsbevoegdheid voor het inrichten van het bestuur bij de plaatselijke burgers ligt – kunnen nu stelsels met een verschillende mate van burgerinvloed met elkaar vergeleken worden. Het blijkt dat burgerinvloed leidt tot lagere kosten, lagere schulden, een betere belastingmoraal en doelmatigheidswinst. Kirchgässner et al. rapporteren geen ideologische programmapunten of wensdromen, maar boekhoudkundige feiten. Directe democratie is blijkbaar doelmatiger dan democratie via volksvertegenwoordigers. 9. Grondwetten berusten op wantrouwen Praktisch alle grondwetten op aarde zijn geschreven vanuit wantrouwen van de eigen burgers. Deze grondwetten construeren het bestuurssysteem van het betreffende land zó dat de burgers buiten spel blijven en dus geen kwaad kunnen, maar geven hen tegelijk de illusie dat alles keurig in orde is. Het zal u niet eens meevallen om zelf zo’n systeem te ontwerpen, maar de heersende klassen van de meeste westerse ‘democratieën’ is het gelukt. De enige uitzondering is Zwitserland; daar is het bestuurssysteem gebaseerd op vertrouwen van de burgers. Gelukkig dat deze ene afwijkende casus bestaat, want daardoor weten we dat een systeem gebouwd op vertrouwen kan bestaan. En elke objectieve waarnemer zal erkennen dat het in de praktijk nog best aardig werkt ook. Dat wantrouwen was in vroeger eeuwen misschien gewettigd, maar tegenwoordig zeker niet meer, nu de meeste burgers kunnen lezen en schrijven en de communicatiemiddelen enorm zijn verbeterd. Een systeem gebaseerd op wantrouwen kampt met minstens twee zwakke plekken. Eén: hoe kun je beargumenteren dat een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) wel mag meepraten en meebeslissen en de rest, de grote meerderheid, niet. Twee: hoe kom je tot een nette methode om dat bevoorrechte groepje te selecteren. Het merkwaardige is echter dat de burgers in de westerse democratieën nu en dan best ontevreden zijn over hoe ze bestuurd worden en regelmatig de partijen en de politici wegstemmen die net geregeerd hebben, maar die twee fundamentele zwakheden niet inzien. 8. Het wezen van de partijdemocratie Kent u Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie (1911, 1925) van Robert Michels (1876-1936)? Hij beschrijft, met het accent op Duitsland, de organisatorische mechanismen die in een politieke partij optreden, in een wereld waarin de overheid steeds meer taken en verantwoordelijkheden krijgt. Ik vat Michels’ betoog samen: politieke partijen bouwen een apparaat op, de sleutelposities komen in handen van beroepskrachten, deze beroepskrachten bepalen de partijlijn, zij trekken steeds meer taken naar de Staat toe en maken de wetgeving ingewikkelder. Daarmee wordt ook het politieke ambacht ingewikkelder. De leiders selecteren hun opvolgers, daarbij is trouw aan de partijlijn een belangrijk criterium. Met dat alles neemt de afstand tussen politici en kiezers toe. Michels ziet dit als wetmatigheden die in elke politieke partij zullen optreden (mogelijk vooral bij een groeiend takenpakket voor de Staat). Hij schreef dit al in 1911, toen de politieke partijen nog in de kinderschoenen stonden. In feite beschrijft Michels de politieke partij al met al als inherent contra-democratisch. Als we met Michels aannemen dat dit noodzakelijke patronen zijn in het politieke bedrijf, dan is het geen boosaardigheid van politici dat het zo gaat, maar komt dit patroon voort uit de innerlijke logica van het systeem ‘politieke partij’. Politici zijn dan eigenlijk net zo goed slachtoffer als wij allemaal. En dan er is misschien zelfs hoop. Op enkele plaatsen lijkt Michels zijn pessimistische analyse namelijk te koppelen aan het fenomeen vertegenwoordiging. Als we voor dat fenomeen nu eens alternatieven zouden kunnen ontwikkelen. Meer burgerzeggenschap dus: zelfredzame gemeenten, referenda en volksinitiatieven. Burger, emancipeer! 7. Weet u hoe de Nederlandse Grondwet het voor elkaar krijgt de kiezer buiten elke besluitvorming te houden? Door artikel 144 van de Grondwet van 1814. Dat artikel bepaalde namelijk dat de Grondwet alleen gewijzigd zou kunnen worden door de Staten-Generaal; en wel alleen als twee derde van het aantal leden vóór die wijziging was. Door dit artikel is het ten eerste volstrekt oninteressant wat de kiezers van de Grondwet mochten vinden: alleen de mening van de parlementariërs telt. En ten tweede bestendigde de Grondwet van 1814 door dit artikel zichzelf tot op de huidige dag: want als er geen twee derde meerderheid van de parlementariërs te vinden is voor een wijziging blijft de oude tekst staan. Nederland werd in 1814 een eenheidsstaat en een monarchie; de Staten-Generaal kreeg het monopolie op staatsrechtelijke beslissingen en mocht zijn gang gaan zonder ruggespraak met de kiezers. Er zijn in tweehonderd jaar best wijzigingen in de achtereenvolgende grondwetten doorgevoerd, maar de hoofdzaken uit 1814 zijn er allemaal nog steeds. Er komt immers natuurlijk nooit een twee derde meerderheid in de Staten-Generaal die dat anders wil. Onze parlementariërs vinden dat prima zo. En denkt u dat de kiezers deze opzet dan tenminste in 1814 duidelijk hebben mogen goedkeuren? Helemaal niet. Ten eerste is de Grondwet van 1814 in enkele weken in elkaar gezet; ten tweede is dat gedaan door een commissie van veertien aristocraten die door koning Willem I persoonlijk waren uitgezocht; ten derde was de tekst van de Grondwet slechts in kleine kring bekend en heeft er dus in het land praktisch geen discussie over plaatsgevonden en ten vierde was het kiesrecht in die eerste Grondwet beperkt tot zo’n 1,5 procent van de bevolking. Maar zelfs die 1,5 % van de bevolking heeft zich er niet over uit mogen spreken: de Koning selecteerde 600 notabelen – één derde moest van adel zijn – en nodigde hen uit om op 29 maart 1814 bijeen te komen in de grote kerk in Amsterdam. Die 600 – 474 waren komen opdagen – hebben over de Grondwet hun stem mogen uitbrengen, zonder discussie. Dit zijn allemaal feiten die je met enige moeite kunt nazoeken, maar die onze heersende klasse liefst stilhoudt. Beste kiezer, op 15 maart mogen meer mensen kiezen dan in 1814, wees daar maar dankbaar voor, dat heeft de heersende klasse u toch maar gegund. Maar de hoofdzaken van de opzet van ons land kunt u daarmee niet beïnvloeden. 6. De Tweede Kamer schrijft onze wetten en onze grondwet Die wetten en de Grondwet staan vol fraaie rechten; maar om die te mogen genieten, is de burger op alle kruispunten steeds weer aangewezen op politici, rechters, ombudsmannen, ambtenaren, en toezichthouders. Het meest simpele, logische en meest om­vattende recht – zelfbeschikking – dát krijgen de burgers niet. Waarom moeten de Nederlandse burgers onder voogdij staan van beroeps-volksvertegenwoordigers? Kijk om je heen als je deze zin leest in het winkelcentrum, het schoolplein of elders: overal zie je weldenkende zelfredzame burgers. De meesten van ons kunnen tegenwoordig lezen en schrijven en we heb­ben nu heel wat meer communicatiemiddelen dan paard en postduif. Waarom moet de Staat dan nog als een aristocratie georganiseerd zijn? Het belangrijkste recept voor verbetering van ons bestuurssysteem lijkt mij dat meer beslissingsbevoegdheid (en dus ook verantwoordelijkheid) komt te liggen bij de meest betrokke­nen, bij de burgers. Burgerzeggenschap is qua systeem eleganter dan de nu bestaande heerschappij via de omweg van volksvertegen­woordigers. (Bovendien, waarom zouden er twee klassen van staatsburgers moeten zijn?). Beslissen, betalen en profiteren komen met burgerzeggenschap dichter bij elkaar te liggen. Burgerzeggenschap is minder kwetsbaar voor lobby’s en het leidt dus tot betere beslissingen dan democratie via volksvertegen­woordigers (zie mijn boek Welke democratie?). Machiavelli schreef al in 1532 dat het volk gewoonlijk een verstandiger en stabieler oordeel heeft dan de vorst, maar nog steeds is het niet ingevoerd. Burgerzeggenschap komt ons misschien utopisch voor, maar dat is omdat we er geen ervaring mee hebben. Het is ons door de heersende klasse altijd ontzegd. 5. Krassen op het kartel Op 15 maart mogen we naar de kiesbus om de 150 zetels van de Tweede Kamer te verdelen. De Tweede Kamerleden nemen samen alle grote beslissingen over het landsbestuur. De politieke partijen maken daar de dienst uit (geheel onbedreigd kunnen zij zelfs beslissen hun bevoegdheden aan Brussel af te staan). Heeft de burger invloed gehad op de samenstelling van het assortiment politieke partijen? Op hun programma’s? Op hun kandidatenlijsten? Driemaal nee. Hoe durft de heersende klasse dit systeem democratie te noemen? Het volk mag om de paar jaar alleen kiezen binnen het voorgetoverde assortiment kandidaten van het voorgetoverde assortiment partijen, die slechts van elkaar verschillen in door henzelf bij elkaar gefantaseerde programma’s. De politieke partijen doen of ze elkaar bestrijden; zeker als verkiezingen naderen neemt het geluidsvolume toe. Maar op wezenlijke punten werken ze innig samen. Ten eerste: we houden de burgers eronder. Ten tweede: we scheppen leuke vervolgfuncties voor ‘oudere’ politici. Ten derde: we verdelen die baantjes zo dat we allemaal eerlijk aan bod komen. Het verdienmodel is ijzersterk: er zijn altijd 150 zetels te verdelen, de beloning voor een Kamerlid is ruim bovenmodaal en na enige jaren Kamerlidmaatschap is er een vervolgfunctie in de luwte, waar je zo mogelijk nog meer invloed hebt dan toen je Kamerlid was. Omdat de partijen het hier zo over eens zijn, hoor je er nooit iets over. Hoe iemand tot de heersende klasse toetreedt, is volmaakt schimmig, maar eenmaal binnen zijn er geen klokkenluiders of spelbrekers. Het systeem is door de Grondwet gegarandeerd en wordt door de media dagelijks opgehemeld en gezegend. Knappe kiezer die met zijn stem het kartel een krasje kan toebrengen. 4. Waarom heeft Nederland geen referendum? Jawel, sinds 1 juli 2015 hebben we het raadgevend referendum in het wetboek staan. Maar dat is een lege dop. Ten eerste kan de heersende klasse (de politiek) de uitslag van een raadgevend referendum rustig negeren, zoals we met het Oekraïne-referendum hebben gezien. Ten tweede heeft de heersende klasse in de wet het arsenaal onderwerpen enorm ingeperkt waarover een raadgevend referendum mag gaan. Het mag alleen gaan over een onderwerp waarover het parlement een besluit heeft genomen. Vervolgens wijst de wet nog allerlei categorieën onderwerpen aan waarover géén raadgevend referendum gehouden mag worden, ook al heeft het parlement er een besluit over genomen. Maar ook daarmee vond de heersende klasse nog dat ze niet genoeg barrières had opgeworpen: zelfs om deze lege dop in praktijk te brengen moeten de burgers enorm doorzetten (10.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen vier weken, vervolgens 300.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen zes weken, en dan bij het referendum zelf een opkomst van minstens 30 procent). Waarschijnlijk was het de bedoeling het zo moeilijk te maken dat er nooit een referendum zou komen. Het is in 2015/16 tot ieders verbazing éénmaal toch gelukt. Nee, wat ik bedoel is: waarom heeft Nederland geen normaal (correctief) referendum? De Tweede Kamer had een wetsontwerp daartoe op 11 februari 1999 warempel goedgekeurd, maar de Eerste Kamer heeft het in de nacht van 18 op 19 mei 1999 nipt verworpen. Dat ontwerp stond ook vol drempels en barrières, maar het was tenminste correctief. Maar de Eerste Kamer wilde de kiezers dit democratische recht niet ‘geven’. Geven? Nota bene, wat een arrogantie. Volksvertegenwoordigers ontlenen hun legitimatie aan hun verkiezing door de kiezers. Alles wat zij zijn, zijn zij door de aanstelling door het volk. De kiezers zijn dus de opdrachtgever van de volksvertegen­woordigers. Het woord vertegenwoordigers zegt het al: de kiezers zijn de baas. Hoe haalt een vertegenwoordiger het in zijn hoofd zijn opdrachtgever het recht te ontzeggen hem instructies te geven? 3. Soevereiniteitsoverdracht Datum: 18 februari 2017 Het gaat om de Tweede Kamer, toch wel de belangrijkste volksvertegenwoordiging in Nederland. De Tweede Kamer vertegenwoordigt het Nederlandse volk en controleert de regering. Ons land is echter in 1957 toegetreden tot de Europese Gemeenschap (latere naam: Europese Unie). Een belangrijk punt daarvan is dat bevoegdheden van de lidstaten op Brussel overgaan. Stap voor stap werd steeds meer wetgeving in Brussel gemaakt en hoefden de ambtenaren in Den Haag die alleen maar netjes over te nemen. De nationale parlementen zoals de Tweede Kamer hadden eigenlijk steeds minder te doen. Tegenwoordig komt zelfs verreweg de meeste wetgeving uit Brussel. De media hebben dat niet goed door; ze hebben veel meer aandacht voor het nationale parlement dan voor het Europese. Ook zijn de ministers veel en vaak in Brussel om belangrijke zaken te doen, zonder dat de nationale media het merken. Vindt u het vreemd dat de Tweede Kamer en de regering zo vlotjes bevoegdheden afstaan? Ik wel. Sinds mensenheugenis streven alle machthebbers ernaar hun macht te vergroten. Waarom in EU-verband opeens niet meer? Misschien heeft een van de lezers van deze column een idee. Ik hoor het graag. Vindt u het vreemd dat de beloning van onze parlementariërs met sprongen omhoogging toen ze de verzorgingsstaat gingen opbouwen en hun werk dus belangrijker en verantwoordelijker werd? Nee, daar is wel iets voor te zeggen. Maar vreemd is wel dat de beloning niet weer daalde toen ze bevoegdheden aan Brussel gingen overdragen. 2. De kartelpolitiek Datum: 11 februari 2017  Hoe komt iemand op de kieslijst voor de Tweede Kamer, en nog wel op een verkiesbare plaats? Moet hij/zij er leuk uitzien? Kunnen presenteren? Ruime maatschappelijke ervaring hebben? Verstand hebben van het landsbestuur? Kennis van de Grondwet? Goed contact hebben met een belangrijke kiezersgroep? Is er een examen? Het is het raadsel van de parlementaire democratie. De politicologie heeft allerlei hypotheses bedacht en onderzocht. Het gaat toch om de zetels waar de agenda van het land gemaakt wordt en waar vele belangrijke beslissingen worden genomen. Een belangrijke eigenschap waarmee je je kwalificeert om op de kieslijst te komen, is dat je er de vorige keer ook op stond. Goede prestaties als fractie-assistent of als gemeenteraadslid in Amsterdam helpen ook. Je moet een beetje kneedbaar zijn – netjes volgens de partijlijn lopen. Je hoort dan tot de vriendengroep en bent geen bedreiging voor de anderen die een plaatsje op de kieslijst willen. In het verleden behaalde voorkeursstemmen vormen geen grote factor. Als je in de Kamer bent gekomen, is het verstandig meteen aan een exit-strategie te werken. En als je opnieuw verkozen bent helemaal. Want de collega’s vinden mensen met echt veel parlementaire ervaring ongewenst. Het is gezelliger allemaal even enthousiast en goedgelovig te zijn. Kijk dus actief rond naar een achterban waar een leuke vervolgbaan uit zou kunnen voortkomen. Cultiveer je contacten. Kiezer, sorry voor deze realistische uiteenzetting, u kunt hier natuurlijk weinig mee. U krijgt op 15 maart een lijst met namen voorgeschoteld zonder enige achtergrondinformatie over de mensen waaruit u mag kiezen. Er staan alleen voorletters en een woonplaats. Die achtergrondinformatie had u eerder zelf maar moeten opzoeken. Waar? Hoe? Ik weet het niet. 1. Op 15 maart mogen we naar de kiekebus Datum: 8 februari 2017 De keus is beperkt: We mogen één partij kiezen, uit het assortiment politieke partijen dat de Kiesraad heeft toegelaten. En vervolgens mogen we bij die partij één kandidaat kiezen uit de lijst die deze partij ons voortovert. Waarom loopt het landsbestuur via politieke partijen? Dat heeft de heersende klasse in de negentiende eeuw zo in elkaar gestoken. En de heersende klasse van nu timmert het systeem via de Kieswet jaar in jaar uit verder dicht. Probeer maar eens een nieuwe partij op te richten en er aandacht voor te krijgen in de media. En binnen de afzonderlijke politieke partijen: hoe gaat het daar? Heeft u wel eens geprobeerd binnen ‘uw’ partij een eigen kandidaat op de kieslijst geplaatst te krijgen: een ervaren integer persoon misschien zelfs? Vermoedelijk heeft u gemerkt dat uw partij een stevig bastion was. Vermoedelijk was er een leidend groepje van mensen dat al lang wist wat goed is voor u. Zo’n groepje houdt niet zo van eigen initiatief van de leden. De Staat heeft in ons land alles minutieus geregeld, maar regels hoe een partij hoort te functioneren zijn er nooit gekomen. De leidende groepjes van de diverse partijen zijn het namelijk over één ding steeds eens geweest: zij willen de vrije hand in hun jachtgebied, dus geen regels voor het partijwezen. Terwijl de politieke partij toch geldt als de draaischijf van de democratie. Onder invloed van die leidende groepjes zegt ook onze Grondwet niets over politieke partijen. Juridisch gesproken zijn de politieke partijen dus indringers in onze democratie. Maar in de praktijk zijn ze wel oppermachtig. Ik wens u wijsheid op 15 maart, want u heeft haast niets te kiezen.
Paul Cliteur Paul Cliteur

De harde tucht van de strafwet en het cultuurgoed dat we moeten verdedigen

Kanttekeningen door Paul Cliteur, als getuige-deskundige gemaakt tijdens het proces tegen G. Wilders op 3 november 2016, ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank Schiphol te Badhoevedorp. ❦ Dames en heren, geachte leden van de Arrondissementsrechtbank en geachte leden van het Arrondissementsparket Den Haag! De juridische vraag die in het Wildersproces-II voorligt, is of in het Nederlandse recht een wet te vinden is die het strafbaar maakt dat iemand publiekelijk uitspreekt dat hij minder, minder, minder mensen van een bepaalde nationaliteit in Nederland of in Den Haag wenst. Dus stel dat iemand zegt: “Ik vraag aan jullie: willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Amerikanen?” Of meer of minder Syriërs? Of meer of minder Fransen? Of meer of minder Ghanezen? Naar mijn overtuiging is in het Nederlandse recht geen wettelijke bepaling te vinden die dit verbiedt en sanctioneert. Artikelen die in dit verband vaak worden genoemd, naar mijn smaak ten onrechte, zijn de artikelen over groepsbelediging (art. 137c Sr.) en over aanzetten tot haat (art. 137d Sr.). Maar ik kan niet inzien dat dit een valide grond oplevert iemand te bestraffen die mensen van een bepaalde nationaliteit uit Nederland of Den Haag zou willen weren. De reden voor het standpunt dat ik hier inneem, is dat de genoemde artikelen een uitdrukkelijke beperking opvoeren voor hun toepasbaarheid. Ze zijn namelijk alleen toepasbaar wanneer de uitspraken iets te maken hebben met een van de volgende vijf punten: Ras Godsdienst Seksuele voorkeur Handicap Geslacht (alleen voor art. 137d Sr.) Nationaliteit wordt hierbij niet genoemd. En daaruit moeten we afleiden dat de Nederlandse wetgever ervoor gekozen heeft opmerkingen over nationaliteit niet strafbaar te maken (in tegenstelling tot de Franse wetgever bijvoorbeeld, die opmerkingen over nationaliteit wél strafbaar heeft verklaard). Extensieve interpretatie De enige reden die kan worden aangevoerd om de opmerkingen van dhr. Wilders die verwijzen naar een nationaliteit, wél onder de genoemde strafwettelijke bepalingen te laten vallen, is een van de vijf genoemde punten zodanig extensief (“breder”) te interpreteren dat daar ook nationaliteit onder wordt gebracht. En dan zal weer duidelijk zijn dat de meest gerede categorie “ras” is. Men zal dus moeten betogen dat Marokkanen een “ras” vormen. Er zijn vele argumenten die zich tegen een dergelijke extensieve interpretatie verzetten. Het meest voor de hand liggende argument is dat de aard van de werkelijkheid zich daartegen verzet: een nationaliteit is geen ras. Maar afgezien daarvan, er zijn ook meer morele en politieke argumenten tegen aan te voeren. Laat ik er vier noemen. Verstandige racismebestrijding Het eerste argument is dat het geheel tegengesteld is aan het ideaal van een verstandige bestrijding van racisme. Verstandige racismebestrijding houdt in dat alleen “echt racisme” moet worden bestreden onder die noemer. Wie zegt dat hij minder Amerikanen in Nederland wil, is wellicht anti-Amerikaans, maar geen racist. En wat voor Amerikanen geldt, geldt ook voor Marokkanen, Fransen, Polen en Syriërs. Wie de welvaart van Europa niet wil delen met Syrische vluchtelingen, is misschien hardvochtig of niet solidair, maar is geen racist. Rechtsstaat Een tweede reden om de strafwet niet naar analogie te gaan toepassen op iets dat daar strikt genomen niet onder valt, is dat de strafwet dient te functioneren onder het legaliteitsbeginsel. Burgers mogen verwachten dat zij niet worden gestraft door de overheid, tenzij die overheid duidelijk kan maken dat er een bepaling is die dat rechtvaardigt. Dit mag je ook het “beginsel van de rechtsstaat” noemen. Of het “beginsel van de rechtszekerheid”. Democratie Een derde problematisch punt is dat het hier de vervolging van een politicus betreft. En dat is een hele bijzondere situatie, want in een democratie moeten politici een grote vrijheid hebben om beleidsalternatieven af te wegen. Zij moeten nadrukkelijk ook kwesties aan de orde kunnen stellen die te maken hebben met selectiecriteria voor een beperking van de migratie. Vrijheid van expressie Als vierde en laatste punt zou ik willen wijzen op de grote betekenis van de vrijheid van expressie. Die vrijheid omvat volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg niet alleen de vrijheid om opvattingen te huldigen waar iedereen het mee eens is, maar ook – en ik zou willen toevoegen: vooral – meningen die “offend, shock or disturb”, zoals het Hof aangaf in de Handyside-zaak uit 1976. In het bijzonder in een tijd, waarin die vrijheid van expressie tot voorwerp is geworden van wat ik noem “theoterroristische aanslagen” – ik verwijs naar de moord op Theo van Gogh in 2004, naar de moord op de redactie van Charlie Hebdo uit 2015, naar de dreiging jegens dhr. Wilders zelf – is die vrijheid van expressie een cultuurgoed dat we moeten koesteren. ❦ Paul Cliteur is de schrijver van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, dat op 14 november 2016 verscheen. Hierin vergelijkt hij de processen tegen Brigitte Bardot, Oriana Fallaci, Michel Houellebecq en Geert Wilders op basis van vreemdelingenvrees.  
Gabriele Krone-Schmalz Gabriele Krone-Schmalz

‘Voor goede relaties bestaat geen alternatief’

❦ Weet u nog hoe het in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog klonk? De boze Rus was overal, terwijl het goede Westen haar waarden verdedigde. “Goed” en “kwaad” waren zuiver verdeeld. Oriëntatie was geen probleem. Een kwart eeuw later worden de zaken gecompliceerder: Détente, ontwapening, Gorbatsjovs Perestroika, de Duitse eenwording, het einde van de oost-westconfrontatie. Een enorme kans om samen in plaats van tegen elkaar over de toekomst na te denken, verschillende ervaringen in de weegschaal te leggen en af te wegen hoe men internationale betrekkingen – altijd één van de zelfverklaarde doelen van de Duitse buitenlandpolitiek – in iets concreets kan omzetten. Iedereen moet zich vrij voelen, iedereen moet het beter vergaan en prangende globale vragen worden op grond van nieuw vertrouwen tussen oost en west behandeld. Wat een kans! Precies in die tijd leefde ik in Moskou. Hoe groot was de hoop, hoe sterk de begeestering en hoe stabiel de motivatie om samen aan een betere wereld te bouwen. ❦ Weer een kwart eeuw later is daar niets meer van overgebleven. Waarom? Hoe en waarom zijn die kansen verspeeld? De partner Rusland is een strategische partner geworden – met andere woorden, iemand die men in nood niet kan negeren maar waarmee men liever niets te maken heeft – en de NAVO, die aan het einde van de jaren ’80 niet langzamerhand is opgeheven of op z’n minst is omgevormd, ziet volgens haar laatste publicatie in Rusland zelfs een bedreiging. (bekijk ook eens het interview hierboven met Gabriele Krone-Schmalz  voor de ARD) Het is wat met de waarheid. De Britse filosoof John Stuart Mill vatte het dilemma aan het einde van de 19e eeuw als volgt samen: “Omdat niemand de waarheid bezit, is het goed dat men om de waarheid strijdt.” Democratische westerse samenlevingen roemen er juist op dat ze dat kunnen en ook doen. Onze grondwet garandeert pers- en meningsvrijheid (en dan nog voorzien veel arbeidscontracten in verplichte inperkingen). Pluralisme geldt als waarde. Waarom wordt dan zonder nadere toets alles wat niet in de mainstream-argumentatie past, van het etiket propaganda voorzien? Omdat men zich er dan niet meer inhoudelijk mee hoeft bezig te houden? Zo gauw iemand het westerse publiek de gebeurtenissen vanuit Russisch perspectief schildert, wordt hij ervan verdacht “in opdracht” te handelen of in het beste geval een nuttige idioot van een propagandamachine te zijn wat hij in zijn naïviteit niet doorziet. Informatieoorlog, hybride oorlogsvoering en soortgelijke krijgsbegrippen bepalen het discours in plaats van serieuze inhoudelijke aandacht. De vraag naar de waarheid drijft iedere journalist. Volgens mij komt men het dichtste bij de waarheid wanneer men eerst de uitspraak van Mill accepteert, dat niemand de waarheid bezit en wanneer men ten tweede probeert om het belangenspel grondig te onderzoeken. Wie komt wat goed uit van wat er gebeurt? Waarom wordt deze informatie juist nu verspreid? En er komt nog een punt bij kijken: jezelf en anderen bewust maken om niet met meerdere maten te meten. Of dat nu wel of niet gedachteloos gebeurt maakt voor de uitwerking niets uit. Natuurlijk bestaat er propaganda! Natuurlijk kan gestuurde informatie als wapen dienen. Natuurlijk werkt het om latente vijandbeelden onder handbereikt te hebben. Maar toch niet alleen van Russische zijde. ❦ Vandaag de dag spreekt men van ‘narratief’ en men bedoelt de structuur en interpretatie van gebeurtenissen die volgens zekere patronen verlopen. “De Russische annexatie van de Krim heeft de Europese vrede aan het wankelen gebracht.” Dat lees en hoor je altijd weer. Gewoon het westerse narratief. Afgezien van de legitieme vraag wat Joegoslavië en de bombardementen op Servië in 1999 voor het behoud of de beschadiging van de Europese vrede heeft betekend, is de kwestie met de Krim niet zo eenduidig als het lijkt. Maar de “Wederrechtelijke annexatie van de Krim” is een standaardformule geworden die in geen enkele officiële toespraak mag ontbreken. En indien toch dan dreigt een politiek en journalistiek buitenspel. Alle besluiten en ontwikkelingen die vooraf gingen aan de afscheiding van de Krim worden consequent verborgen. Wie spreekt vandaag nog over het onwaardige getouwtrek om Oekraïne in het voorproces van het EU-associatieverdrag? Wie interesseert het vandaag nog dat Rusland in dat voorproces juist op de heikele situatie op de Krim had gewezen die zich vanwege de daar gestationeerde Russische Zwarte Zeevloot onvermijdelijk aftekende? Het was dus zinvol om het over een speciale status van het schiereiland eens te worden. Maar de gedachte die zo nu en dan ook in westerse kringen werd gehoord, Brussel Kiev en Moskou daarover in gesprek te brengen, werd door de besluitvormers als absurd van tafel geveegd, met de onverschillige (of arrogante?) opmerking “Wat heeft Rusland daarmee te maken?” ❦ Een discussie daarover, hoe de gebeurtenissen op de Krim volkenrechtelijk behandeld moet worden, en uiteindelijk ook politiek te beoordelen zijn, vindt niet plaats. Wie de afscheiding van de Krim stap voor stap verklaart zonder het oorlogsbegrip annexatie te gebruiken is in het beste geval misleid door de propaganda van Moskou. Het publiek bestaat in de meerderheid niet uit volkenrechtelijk gespecialiseerde juristen, maar ze hebben er recht op dat de verbanden zo eenvoudig mogelijk verklaard worden, zodat ze politieke beslissingen op waarde kunnen schatten. Anders heeft democratie geen zin. Op deze basis kan men debateren over de vraag of het om een gewelddadig landroof ging – de definitie van annexatie – of misschien toch om een enorm gecompliceerd kwestie die overeen kwam met de wil van de overgrote meerderheid op de Krim – wat zelfs degenen toegeven die op de term annexatie staan. Daarbij kan een in het volkenrecht verankerd begrip als ‘Zelfbeschikkingsrecht” steun bieden. Veel stof tot discussie… ❦ Hoe moet het verder gaan? “Laten we de problemen aanpakken die op te lossen zijn en andere even ernstig behandelen, waarvan de oplossing misschien aan onze kinderen is.” Zo citeerde een paar dagen geleden Rüdiger Freiherr von Fritsch, Duits ambassadeur in Moskou, de Russische president Vladimir Poetin. Wat is daar verkeerd aan? Voor goede Duits-Russische betrekkingen – zo ging de ambassadeur verder – bestaat geen alternatief. Deze goede betrekkingen moeten we ons met moeite opnieuw verwerven. En daarbij hoort ook de gevoelens van de ander serieus nemen en zich intensief met de Russische zinswijze bezigheouden, voordat men dat van het etiket propaganda voorziet. Gabriele Krone-Schmalz, 24 juli 2016 ❉   ❉   ❉ © vertaling: Uitgeverij de Blauwe Tijger
Wim Van Rooy Wim Van Rooy

Ons Nederlands

❦ Het tijdschrift Onze Taal heeft zowat 33.000 abonnees, van wie een behoorlijk deel in België/Vlaanderen. Dat is erg veel voor een taalkundig tijdschrift dat zich o.m. ten doel stelt het verantwoorde gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. De scholingsgraad van de Vlaamse bevolking ligt hoog en ook kranten besteden regelmatig aandacht aan het Nederlands, aan het nut van de Taalunie, aan de ondertiteling van Vlaamse films, aan de bastaardisering van onze taal, aan het feit dat we tot een middelgroot taalgebied behoren. In sommige kranten beschikte men tot een paar jaar geleden zelfs nog over een soort taaltuinier, maar dat werd postmoderngewijs algauw als oubollig gekwalificeerd. Het jaarlijks terugkerende taaldictee, zowel regionaal als binationaal, zowel kleinschalig als grootschalig, heeft een immens succes: degenen die anders alleen maar naar voze spelprogramma’s kijken, halen balpen en papier te voorschijn en beginnen frenetiek te noteren, alsof een correcte spelling het hoogste is wat men in een mensenleven kan bereiken. En dan is er de immer geestige weblog van de Taalprof, een anonymus die van taalkundige wanten weet en die door al zijn artikelen een soortement plezier jaagt dat aanstekelijk werkt. Er zijn verschillende taaltelefoons, en die worden gretig geconsulteerd. Er zijn de vele taalwebsites. Woestijnvisacteur Bruno Vanden Broecke stelt zich in een interview de vraag wat écht belangrijk is. Naast gezin en vrienden, noemt hij taal, en terecht – maar ondertussen spreekt hij wel over ‘ingangsexamen’ en ‘theatermiddens’. Die alomtegenwoordige belangstelling voor taal heeft er intussen meestal niet toe geleid dat de zogenaamde aandacht die de Vlaming heeft voor taal, van een dusdanige oprechtheid en kwaliteit is dat hij die ook zou verzorgen. Taaltuiniers: dat is immers iets van vroeger, dat was modern, uit de stal van de volksverheffing. Nu zijn we postmodern bezig en dan mag alles, ook in taal. Er was een tijd dat de onverwoestbare politiek columnist van de NRC, Jerôme Heldring, elke week opmerkte hoeveel taalfouten er in de krant hadden gestaan. Die tijd is voorbij: nu maalt men niet meer om een taalfoutje meer of minder. De correctoren had men al gedefenestreerd, de taaltuiniers werden als frikkerige schoolmeesters gelabeld. ❦ Men kan dus niet beweren dat taal onverschillig laat, al denkt de modale Vlaming nogal snel dat hij correct spreekt “als hij maar een juiste uitspraak hanteert”. Onze Vlaamse minister-president is daarvan een heus exemplaartje, met een uitspraak die soms wat Hollands aandoet, maar die de ene taalfout na de andere opstapelt. Het paradoxale is echter dat vooral journalisten en academici vandaag een veel beter Nederlands schrijven (niet spreken!) dan vroeger maar dat ze toch veel traditionele taalfouten blijven maken. Hun taal is er qua stilistiek, vergeleken met veertig of vijftig jaar geleden, enorm op vooruitgegaan, maar hun Nederlands blijft doortrokken van incorrect taalgebruik. Een taalboek als dat van Penninckx en Buyse is aan hen niet besteed. Ze blijven dus ‘wetten stemmen’ en ‘ze doen veel inkt vloeien’, ze blijven ‘gevoelig aan’ en gebouwen blijven ‘ingehuldigd’, hun ‘objectief’ blijft het aanleggen van ‘een rond punt’. Enfin, wie elke dag kranten leest of naar de radio luistert, heeft er een hele dagtaak aan. Ik wil in dit essay niet aan ‘naming en shaming’ doen, maar het zou wel al te makkelijk en gratuit zijn taalmolest aan te klagen en nooit eens te verwijzen naar een cultuurbobo. Wie in dit stukje figureert, moet niet boos worden: hij of zij staat immers heel even model voor de doorsneejournalist, de doorgestudeerde academicus, de wauwelende politicus of de postmoderne cultuurpaus. De luttele voorbeeldjes die ik citeer zijn de vrucht van wat hapsnap, oppervlakkig mediascannen, want indien men dat ‘scrutineus’ zou willen doen en over een langere periode, zou één nummer van Gierik/NVT bijvoorbeeld niet toereikend zijn. Wie zijn linguïstenhart wil tarten, jennen of stangen, moet ’s morgens op de VRT beslist naar De Ochtend luisteren, ofschoon je de hele dag je hartje kunt ophalen. Ik heb dus bewust niet op alle mediataalslakken zout gelegd. Dat niemand zich dus geviseerd voele. Voor elke cultuurmens die ik noem, staan er onmiddellijk tien klaar om het estafettestokje gretig aan te nemen. ❦ De merkwaardige situatie doet zich echter voor dat tweehonderd jaar taalemancipatie (laten we voor het gemak even bij de 18de-eeuwse advocaat Jan Baptist Verlooy beginnen) en latente bekommernis om het Nederlands, er uiteindelijk toe hebben geleid dat niet alleen de modale Vlaming nieuw-koeterwaals spreekt in de vorm van het al vaak gesignaleerde Verkavelingsvlaams, maar dat ook doorgestudeerden, journalisten, nieuwslezers, professoren, cultuurvertegenwoordigers, kunstenaars, bedrijfsleiders, communicatiespecialisten, schrijvers, politici, onderwijsmensen, kortom het culturele puikje, of wat in een andere era het establishment werd genoemd, een taaltje spreken dat niet alleen idiosyncratisch is en postmodern (ieder zijn eigen taal!), maar dat vooral euforisch, gemakzuchtig, leuk, zelfvoldaan, modieus, kakkineus en nonchalant is, waardoor d’onacht waarover de Brabander Verlooy sprak, een nieuwe dimensie krijgt. Het is alsof diens eerlijke woorden in een tijd die vol is van narcistische zelfemancipatie geen enkele draagkracht meer bezitten. In de 19de eeuw kon men nog trots zijn op het Nederlands. De dichter Frans de Cort kon stellig beweren ‘O, mijn Neerlandsch, ja mijn Neerlandsch, dat houd ik steeds in eere’. De man meende het en het maakt van hem vandaag bijna een prehistorisch wezen, iemand die in het grote verhaal van bevrijding geloofde. De een was, zoals bekend, meer op Nederland geaxeerd, op het ‘gemyn goed’ van beide taalgemeenschappen, het Vlaamse en het ‘Hollandse’, de ander meer op het Vlaams, maar al deze lieden geloofden dat een verzorgde en correcte taal een pure conditio sine qua non was. Kom daar vandaag eens om! ❦ Tot de jaren zestig van de 20ste eeuw sleepte het grote moderne taalverhaal zich voort, met een schrijver als Jeroen Brouwers, die zowat de helft van alle Vlaamse romans herschreef, met iconen als de pijnlijk articulerende Fons Fraeters, de wat nuffige Annie van Avermaet en de stijfdeftige Marc Galle, in de jaren zeventig tachtig afgelost door de blauwe brieven van taalbeul Eugène Berode. Die sleepte zijn taaltrots nog mee naar het eind van de eeuw, mompelde nog wat over tussentaal, maar dan was het gedaan. Vanaf dan gingen de taalremmen, die vanaf de jaren zestig al waren afgesleten, volledig los: anything goes werd het devies van een pomogeneratie, de kinderen en kleinkinderen van de taal- en andere bevrijders van de jaren zestig. De generatie ’68 wilde immrs niet alleen het kapitalisme verslaan, ze introduceerde ook een al bij voorbaat obsolete, neomarxistische woordenschat die, naar later zou blijken, Orwell in de schaduw stelde en Gramsci navolgde. Spraken Fraeters en Van Avermaet als ‘volksverheffenaars’ nog traag en plechtstatig omdat ze verstaan en begrepen wilden worden, dan slikt men nu letters in, spreekt iedereen zowat zijn eigen ADHD-taal, is joligheid een pluspunt en gaat het staccato. Wie ’s morgens naar de klassieke zender Radio 4 luistert en Maartje van Weegen hoort kakelen, weet niet wat hij meemaakt: Maartje spreekt nauwelijks één woord helemaal uit, slikt woorden in, is de achteloosheid en de slordigheid zelve, en is soms nauwelijks verstaanbaar. Dus ook Nederland wordt geïnfecteerd door het postmoderne virus: het komt er immers allemaal niet zo op aan! Vroeger wilde de Vlaming ook via zijn taal aan volksverheffing doen, terwijl hij/zij vandaag zo individualistisch is geworden dat hij ervan uitgaat dat iedereen zowat zijn eigen taal mag spreken. Het vreemde daarbij is, dat niemand zich nog bewust is van enige taalfout: de Vlaming is de taalfout ver voorbij. Hij is op een rare manier geëmancipeerd, gede-emancipeerd als het ware. In een ‘Brief van de Dag’ in de Standaard van 31 maart 2011 merkt filosoof en ethicus Etienne Vermeersch nagenoeg hetzelfde op: “Ik ben eveneens diep beschaamd dat het Algemeen Nederlands, waarvoor wij sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in ABN-kernen gestreden hebben, het in allerlei contexten, zelfs in het theater, moet afleggen tegen een (veelal onzuiver) dialect aan de ene kant en een ‘wete-gij’-Vlaams aan de andere kant’; voorts spreidt hij een soort heimwee tentoon naar de tijd dat Vlaamse ambtenaren behoorlijk Nederlands praatten, toen het taalgebruik in de Vlaamse media nog onder druk stond van de modernistische idee van een ‘Algemeen Nederlands’. Vanaf de jaren tachtig echter begon de ADHD-verslonzing, de verkleutering en de ‘opleuking’ van het taalgebruik, een evolutie die parallel liep aan de intrede van het postmodernisme in de samenleving. Dat had een broertje dood aan hiërarchieën, was gecharmeerd van het gezagsloze, de wanorde en het relativisme, een ontwikkeling die al lang in gang gezet was door de soixante-huitards, en die nu haar apogeum bereikte bij hun kinderen en kleinkinderen. ❦ Vlaanderen, zo dachten velen, was geëmancipeerd, bezat culturele autonomie en véél meer; vanaf dan echter begon ook het grote taalbashen, de wilde individualisering van de taal, de afbraak van de idee dat er regels zijn, het diaboliseren van het normatieve, spijts alle zogenaamde interesse voor het Nederlands. Het was en is een deel van het postmodernisme, het weren van elk groot verhaal, dat als onderdrukkend wordt gepercipieerd. In het vervolg had ieder zijn of haar eigen verhaal, modieus- deconstructivistisch ‘narratief’ genoemd, zijn of haar eigen opinietje. Ook het normatieve in het Nederlands werd gedegradeerd, zoals alles naar de filistijnen werd geholpen, want ook op andere gebieden sloeg de grote Kladdaradatsch toe: het gerecht functioneert niet, de wegen liggen er slecht bij, de treinen rijden niet op tijd, het onderwijs werd in goede sovjettraditie een pensée unique/pravda opgedrongen, waardoor onder elke school een veenbrand sluimert, de immigratie is bandeloos, nieuwe vormen van criminaliteit krijgen alle kans, de wetgevende macht is permanent onderhorig aan de uitvoerende macht, het juridisme houdt het fatsoen in een houdgreep terwijl het zelf aanvoert de rechtsstaat te beschermen, de bonussencultuur tart elke ethica, enzovoort, enzoverder. Het postmoderne levensgevoel leidt op die manier tot een bananenrepubliek. Ook de taal dus werd postmodern, anomisch, antinormatief, slordig, idiolectisch. Was en is dat erg? Taalkundig beschouwd kan men stellen dat taal leeft, en dus voortdurend verandert, dat regels vaak archaïsch en willekeurig zijn, dat een taalgemeenschap voortdurend evolueert, dat bepaalde taalfenomenen die vroeger als fout werden aangemerkt vandaag als correct worden beschouwd, dat klachten over taalverval en taalverloedering van alle tijden zijn, dat taalpausen hun status natuurlijk zelf dik in de verf zetten en con gusto als hogepriesters voor het taalaltaar fungeren. Maar is er toch niet meer aan de hand? ❦ Dat een bedrijfsleider (namen zat) het Nederlands door de hakselaar draait: het is bekend, het verwondert ons al lang niet meer en men kan het nagenoeg elke dag op de treurbuis meemaken. Dat politici een eigen sloom idioom hebben ontwikkeld, geen volzin kunnen brouwen, Vlaams of Brabants spreken: geen hond kijkt er van op. Een modale Vlaming hoort het niet eens en zal in het beste geval eens glimlachen wanneer het koeterwaals of het ‘decroïsme’ hem/haar bekend voorkomt. De meeste ministers of parlementsleden slagen er immers niet in een zin met twee voegwoorden correct te laten eindigen, doorspekken hun lingo met rare eigen vondsten en larderen ze met wat treurige gallicismen, maken zelden een zin af of spreken het eigen dialect in veredelde vorm – en dat na tweehonderd jaar taalstrijd (cf. ut supra J.B.Verlooy). Sommige tv-presentatoren van wie de joligheid van het scherm spat, hebben zelfs een eigen kakelend en schaamteloos idiolectje gecreëerd dat tenenkrommend vals is: het Ben Crabbés, of het Bart de Pauws, of het Peter van Asbroecks, bijvoorbeeld. Iemand als de fotografe Lieven Blancqaert spreekt gewoon wat gekuist Gents, het Blancqaerts. Niemand die zich nog realiseert dat in ‘idiolect’ het Griekse woord ‘idiootès’ zit…. Dat een bekende kunstschilder een eigensoortig, dialectisch gekleurd, agressief brabbeltaaltje hanteert, kan men hem misschien nog vergeven: tenslotte is de Vlaming een plastisch kunstenaar, een verteller met beelden, niet met woorden, en dialect is, zoals de dichter Koos Geerds ooit zei ‘een taal zonder grootspraak’. Laten we dus mild zijn voor deze species. Als in een parlementaire onderzoekscommissie zowat de hele fauna en flora van het menselijk ras aan bod komt, wordt men bevestigd in zijn treurigheid: niemand, maar dan ook niemand slaagt erin fatsoenlijk Nederlands te brouwen. Wat taal betreft komen al deze citoyens au-dessus de tout soupçon uit het buitengewoon onderwijs. Maar laten we clement zijn: deze anti-Demosthenessen leven niet van taal alleen, al blijft het verwondering wekken waarom Nederlanders wél kunnen wat de modale Vlaam niet kan: fatsoenlijk praten, i.e. zonder al te veel fouten. Oké, ze zeggen dan misschien wel ‘fessoenlijk’ en ze jammen door hun taal behoorlijk wat Engelse modetermen, maar ze kunnen in volzinnen spreken. De eerste de beste ‘Hollandse’ coureur – en hij hoeft niet eens Maarten Ducrot te heten – steekt elke Vlaamse politicus in zijn zak, de achterzak van zijn maillot (een woord overigens dat de timide Vlaming doet huiveren, want Franse inslag). ❦ Dat schrijvers, journalisten en academici, mensen die van en met hun pen leven, hun eigen taal zo schabouwelijk uitbraken: dat is pas merkwaardig. Hun taal immers is hun gereedschap, ze hebben er vaak voor doorgestudeerd, maar slagen er toch niet in een zin foutloos uit te spreken of neer te schrijven. Is wat ik hier beweer niet wat overdreven? Gebruiken zij hun prima materia dan niet feilloos, zoals men zou verwachten? Ik heb het gedurende een jaar elke dag geturfd: radio, tv, kranten, en hun bedienaars, het maakt niet uit, ze zijn allemaal in hetzelfde bedje ziek. Geen journalist die eraan ontsnapt. En het kan alleen maar erger worden. Was de oudere generatie nog min of meer geporteerd om zo correct mogelijk te praten en te schrijven, vanaf de jaren zestig werd in het onderwijs de grote communicatiemantra van kracht en was het voldoende dat we elkaar begrepen, of dat we ‘het’ konden lezen. Het normatieve werd bij de vuilnisbelt gezet, net zoals dat in de maatschappij gebeurde. Anomie werd de regel. Nieuwe generaties werden met die neurotische dwanggedachte opgevoed door leerkrachten en docenten die zelf geen taalkundige sense of urgency meer bezaten, waardoor jongere leerkrachten met een raar soort virtuositeit een roedel fouten aanbrengen in een simpele tekst en het bestaan een zin met drie voegwoorden onleesbaar te vinden. In de jaren negentig werd de onderwijsmalaise nog vergroot door de introductie van een nieuw toverwoord: competentieonderwijs, een gedachteloze zet waarvan men in Nederland nu toegeeft dat het niets heeft opgeleverd, tenzij misère. Ooit vroeg een collega-docent aan de Lerarenopleiding me om een goed boek. Ik gaf hem Hans Achterhuis’ ‘Het rijk van de schaarste’. Na een half jaar gaf hij het me bedremmeld terug: het was te moeilijk… Met zulke docenten bouw je de achterlijkheid in je onderwijs in, maar in het kader van een verkeerd begrepen democratisering en van een dom gelijkekansenbeleid moest ook een hond met een hoge hoed een diploma kunnen verwerven. Politici en onderwijsadministratie verrichten met dit beleid eigenlijk een sovjetexperiment op de bevolking. Dit soort processen komt inderdaad neer op een maakbaarheidsproeve die men loslaat op kinderen: vanuit de onderwijsgremia, aangestuurd door de politiek en door modieuze strijdkreten, legt men wereldvreemde oekazes op die ingaan tegen elk gezond verstand. “To rub their noses in diversity”, zoals een van de spindoctors van Blair het formuleerde. Tijdens dit experiment wordt heel veel van de leerkrachten gevraagd (ze moeten bijvoorbeeld mini-antropoloog zijn), maar leren en hard studeren is daar niet bij. Alleen competenties immers tellen. De brave leerkrachten – ik noem ze de nieuwe heiligen – ondergaan gelaten deze gevaarlijke onzin waarvan niemand beter wordt en trachten er het beste van te maken, maar ook zij zijn het slachtoffer van een voortdurende en gevaarlijke experimenteerdrift en van een niet als dusdanig erkende criminele attitude. Ook het Nederlands wordt daar slachtoffer van. De Tocqueville, aan wie iedere politicus vandaag refereert, terwijl niemand hem heeft gelezen, had ons al gewaarschuwd voor de kinetiek van het egalitarisme, maar het onderwijs heeft niet geluisterd. Het wentelt zich in de roes van egalitaristische en multiculturalistische idealen, maar heeft een broertje dood aan het realiteitsprincipe. ❦ Elke taalkundefaculteit die naam waardig, klaagt erover dat de nieuwe studenten geen zin op papier krijgen, zodat heel wat professoren en docenten hun tijd moeten invullen met het bijspijkeren van hun studenten met elementaire linguïstische vaardigheden, met grammatica, met spelling. Navrant is ook dat geïnteresseerde leken, zakenmensen of leerkrachten altijd maar weer hun verbolgenheid richten op spelfouten, terwijl dit taalonderdeel au fond het minst interessante facet van de taal is; ondertussen herkennen ze zelfs de grofste taalfouten niet eens en spreken en schrijven ze zelf tussentaal, vertaald Frans, idiolect of koeternederlands. Over spelling trouwens had Mark Twain zijn banbliksems al gestort in een scabreus-brutaal werkje, en welke spellingdiscussie ook die later volgde, in welk land ook, is slechts een variante op wat Twain al zo gevat had uiteengezet in verband met wat hij ‘foolish English’ had genoemd. Als men al ‘aan taal doet’ richt men zijn pijlen op bijvoorbeeld de toenemende vloed van Engelse termen, alsof woorden en begrippen uit die nieuwe lingua franca, ondanks hun snobappeal en een gebrek aan taalcreativiteit, het Nederlands niet zouden kunnen verrijken/upgraden! ❦ Op het moment dat ik dit schrijf, krijg ik van een bekende uitgeverij een uitnodiging voor het zoveelste nieuwe handboek Nederlands “met een volledig nieuwe methode”, waarbij opgemerkt moet worden dat er op den duur meer methoden zijn dan leerkrachten om ze toe te passen. De eerste zin luidt: “Vorig jaar gingen de nieuwe leerplannen eerste graad in voege”. In die eerste zin staat – in een nieuw handboek voor het Nederlands! – al een gallicisme. Moet men daar zwaar aan tillen, aan deze nieuwe vorm van ‘anything goes’? De toevoeging “met een volledig nieuwe methode” zou al een omineus teken geweest moeten zijn, want om het jaar worden in onderwijs nieuwe methodes ‘uitgevonden’, maar nooit is het Nederlands, ondanks een hoge scholingsgraad, zo erbarmelijk geweest. Door uitgeverij Plantyn word ik uitgenodigd voor ‘onze Taaldagen Nederlands 2011’, en hop: in de derde zin van de brief staat al het soort taalfout waarvan elke eerstejaarsneerlandicus wéét: dit zit niet goed! ‘In voege’ is een klassieker: zelfs De Standaardjournalist Guy Tegenbos, die toch een zindelijke manier van schrijven en denken heeft, spreekt over ‘in voege komen’, kun je nagaan! Maar misschien doet men aan de universiteit al lang niet meer aan taalzuivering. Dat is ook zo’n ouderwets begrip. Ten overvloede: moet men daar zwaar aan tillen, aan dit soort taalfouten? Ik til er bijzonder zwaar aan, en wel om een heel andere reden. ❦ Ik schreef al dat vanaf de jaren zestig het normatieve werd losgelaten. Die volgens ons negatieve ontwikkeling betekent echter niet dat we tegenstander zouden zijn van het feit dat in de standaardtaal evenwaardige varianten bestaan, woorden en uitdrukkingen die tot stand zijn gekomen binnen een bepaalde cultuur; heel wat ‘Vlaamse’ woorden en uitdrukkingen kunnen als standaardtalig worden aangemerkt. Daarover gaat het dus heus niet. Als een Vlaamse leerkracht spreekt van ‘brugklassen’, dan is dat niet minder correct dan het Nederlandse ‘schakelklassen’. Hoe ver men daarin te ver kan gaan, is à la limite geen taalkundig besluit. De ene taalpurist zal gruwen van het woord ‘pennenzak’, de andere taaltuinier zal het typische onderwijsbegrip ‘deliberatie’ een niet te versmaden en dus verrijkend franciserend woordje vinden. Fluovestjes of veiligheidshesjes: het zal me een zorg wezen, al begrijp ik dat sommige taalfrikken van oordeel zijn dat hier de poort wagenwijd wordt opengezet voor ‘d’onacht der moederlijke tael’. Wie ook dàt soort typisch Vlaamse woorden wil weren, moet zich niet beroepen op het normatieve: woordenschat verschilt overal en zolang het grootste deel ervan gemeenschappelijk is, is er niks aan het handje. De woordenschat van de vroegere DDR en die van de Bondsrepubliek was vaak ook niet dezelfde, die van Canada of Australië verschilt soms van die van de VS, en vaak kan men dat als een verrijking beschouwen. ❦ Ik herinner me dat de redactie van De Gids een jaar of twintig geleden het woord ‘godendeemstering’ in mijn essay schrapte, niet omdat het te ‘germanistisch’ zou zijn of ouderwets, maar wel te Vlaams, terwijl het precies aangaf wat ik wilde zeggen. Het is niet alleen een mooi woord, een beetje Duits angehaucht, maar het is zeer zeker ook een verrijking vanuit de archaïsche nevelen van de taaltijd. Het gebruik van dit soort woorden splijt de ‘eenheidstaal’ niet in twee talen. Ze vullen elkaar op die manier juist aan en maken het Nederlands krachtig. Vandaag echter ondergaat die eenheidstaal een verspintering in tientallen luie subtalen, idiolecten en taalongerechtigheden. Dit hele proces van postmoderne en nonchalante taalanarchie komt voort uit een taalonverschillige houding die ontstaat vanuit een zelfgenoegzame luiheid; nog erger is het als die indolentie toeslaat bij mensen die met taal werken: journalisten, cultuurmensen, politici, communicatiespecialisten. Bij hen moet het normatieve zo veel mogelijk usance zijn, bij hen moet het Nederlands feilloos zijn, maar juist zij verkwanselen hun taal, drijven op modieuze wauwelgolven, de taalkundige idiotieën waarmee hun spreken doordrenkt is, zijn legio en soms gebruiken ze zelfs onbewust de taal uit satirische programma’s om een gewone mededeling te doen. Als la Tanghe, de ankervrouw van de VRT die door de Taalunie middels prijzen wordt opgevrijd, uitdrukking wil geven aan haar gevoel van monkelende verontwaardiging, zegt ze met een zekere ironie: ‘Kijk es an’, een clausje dat direct refereert aan en overgenomen wordt uit het onovertroffen programma In de Gloria, waarin een opdringerige en op sensatiebeluste ‘veldreporter’ wordt gepersifleerd. Men bekijkt dus een of ander zwakzinnig infotainmentachtig televisieprogramma. Dat wordt terecht belachelijk gemaakt door de rasacteurs van In de Gloria, en dat wordt dan weer krachteloos en een beetje bête overgenomen in een ernstig gesprek tijdens het journaal. Als diezelfde ankervrouw even haar tekst niet opleest, maar gedurende twee seconden moet improviseren, gaat ze onmiddellijk in de fout. Bij het zien van ons Palestijnse Kuifje te velde, Rudi Vranck op het Tahrirplein, zegt onze VRT-passionaria en moeder van alle nieuwsankers bezorgd: “Dag Rudi, ik ben blij van je te zien”. Negen spontane woorden en het loopt al mis, en ook spreekt deze vriendelijke tante, wier gelaat haar af- of goedkeuring van het ter sprake gebrachte onmiddellijk verraadt, van ‘aan verminderd RSZ-tarief’. Ouwe VRT-rot Dirk Tieleman gaat voor VT4 werken en wordt door De Standaard geïnterviewd. Zoals elke rechtgeaarde Vlaming spreekt hij van ‘zo’n interessante mensen’ – geen hond die het opmerkt, en al zeker niet de journalist die het interview moet uittikken. Maar ook Tom Naegels weet niet dat het meervoud van zo’n ‘zulke’ is. Reken maar dat de modale journalist van De Morgen of De Standaard zulke fouten niet eens ziet, of het nu de buitenlandcommentator is of de literatuurrecensent, want zelfs die laatste ‘galliciseert’ zich rot (Mark Cloostermans in De Standaard: toegangsexamen). Jeroen Brouwers moest jaren geleden de manuscripten van vele bekende Vlaamse auteurs op taalfouten nakijken. Hij schrijft daarover op een openhartige, vileine, brisante en pittige manier in zijn Brievenboeken , maar je voelde het al aan: dit komt nooit goed, en inderdaad, wat Brouwers toen aanklaagde, duikt vandaag nog steeds op. Is het dan nu niet een ietsepietsie beter? Vast wel, zeker journalisten schrijven beter, al blijven zij en vele Vlaamse romanschrijvers toch vaak dezelfde taalfouten maken. Ze blijven in hetzelfde taalbedje ziek. Dat is wat vreemd, want stel dat zo’n Vlaams auteur of journalist een brief in het Frans moet schrijven, dan zal hij met de tong uit de bek zijn uiterste best doen om dat foutloos te doen, ook al moest hij/zij door de hele Robert of Grevisse fietsen. Voor de eigen taal geldt dat blijkbaar niet. De intuïtie is: het is mijn moedertaal, dus dat zit wel goed. Maar het blijft aanmodderen met dat Nederlands: iedereen legt klacht neer, spreekt van ‘de’ moment (Lisbeth Imbo op VRT-radio, journalist en fascismebestrijder Tom Cochez in de krant, politicoloog Rik Coolsaet op VRT-televisie), zowat heel het journalistengilde heeft het over de Obama-administratie , over de frontpagina en ‘van zodra’ (Reynebeau), nagenoeg iedereen denkt dat het voltooid deelwoord van aanzien ‘aanzien’ is (aangezien dus), zelfs Lieven van den Haute, die ook ‘op het eerste zicht’ zegt en voorts wat dialectgekleurd en populistisch stamelt over ‘ne still op een foto’; voor velen zijn de media enkelvoud (opnieuw Lisbeth Imbo), Bart Sturtewagen spreekt van ‘ons nieuwe thuishaven’, Peter Vandermeersch en minister Crivit spreken van ‘aan ons vrienden ter beschikking te stellen’ en ‘in ons maatschappij’, het is voorts altijd ‘de bedoeling van iets te doen’ en ‘ bereid zijn van iets te doen’, en elke minister spreekt van betoelaging i.p.v. subsidie; vaak hoort men taalwerkers die beter zouden moeten weten ‘hij wilt’ zeggen, bijvoorbeeld Rik van Cauwelaert (wie inzicht wilt verwerven, en: wie wilt meeregeren moet zwaar inboeten op zijn of haar partijprogamma), maar zelfs in de ondertiteling van Mat Bijt Hond is het van dattem: het groteske daarbij is, dat men ondertitelt omdat de opgevoerde persoon een dialectgekleurd taaltje spreekt en dus niet goed verstaanbaar is! ‘Van zodra’ i.p.v zodra is dus ook een voltreffer, zeker bij onze correspondent uit Peking, Tom van de Weghe; schrijver Joost Vandecasteele hanteert zijn taal als een soort pidgin en vraagt ‘hoe noemt dat?’ , Wouter Vandenhaute spreekt zoals de mensen die hij laat opvoeren in Man Bijt Hond over ‘sterker dan ons’, voor velen is het ‘had geweest’ i.p.v. ‘was geweest’, Bart Brinckman weet niet dat je niet ‘aan een snelheid’ maar ‘met of tegen een snelheid’ rijdt, hij denkt als niet-agrariër dat een vork ‘aan de steel zit’ en schrijft steevast ‘van zodra’, Lieven Verstraeten meet zoals elke geretardeerde Vlaming ‘met twee maten en twee gewichten’ en radiojournaliste Veerle de Vos kakelt unverfroren ‘net als ons’. Boontje mocht in zijn meesterlijke proza over ‘wolfijzers en schietgeweren’ schrijven, en de fijnzinnige Richard Minne mocht het als titel van een mooie dichtbundel gebruiken, maar laten we overeenkomen dat voetangels en klemmen voor de gewone journalist of academicus volstaan. Men spreekt ongegeneerd zinnen uit met ‘voor’ i.p.v. ‘om’ (Wéér Lisbeth Imbo, het spijt me enorm, maar ze orakelt het soort zin ‘ik ga naar huis voor te eten’), Rondas heeft het unverfroren over ‘een wet stemmen’ (maar ook onze Lisbeth Imbo stemt allerlei wetten) en ‘onder de vorm van’, elke journalist heeft het over ‘hoe dat wij omgaan met’ of ‘hoe dat wij begrippen manipuleren’ of ‘hoe dat we kunnen komen tot’, of ‘aangezien dat wij moederziel alleen staan’, of nog, over ‘de kost van levensonderhoud’, of over vervoegen als het gaat over zich voegen bij. Talloos veel tientallen die elke dag met taal werken ‘vervoegen de troepen’, bijvoorbeeld. Hoe zou je dat zoal doen, de troepen vervoegen? Ik troep, jij troept, hij troept? Zelfs een literatuurcriticus als Mark Cloostermans schrijft ‘waar hij de wachters vervoegt’. ‘Wachters vervoegen’, het is kras, maar bij deze literatuurcriticus ‘stellen zich ook problemen’! Geert Sels van De Standaard denkt dat cliënteel een ‘het-woord’ is, dat ‘betoelaging’ en ‘zo’n fraaie uitdossingen’ correct Nederlands zijn; hij schrijft vertaald Frans als hij ‘in voege zijn’ gebruikt, maar dat doet zijn baas, Guy Tegenbos, zoals reeds gezegd, ook. Nog volgens Sels is een ‘product te bekomen’. Tom Heremans ‘spant rechtszaken in’, Maarten Goethals ‘voorziet opvang’ en ‘doet beroep op’, en Wouter Hillaert heeft het over ‘begoede’ personen. Bart de Wevers lieftallige assistente, Liesbeth Homans, heeft het over een faling (faillissement) en over ‘positiever als’. Wie het nog erger wil: ‘positiever als mij’, je hoort en ziet het vaak. Journalist Tom Ysebaert heeft het vlotjes over een ‘toegangsexamen’, sportcommentator Michel Wuyts spreekt van ‘doorwinterd’ i.p.v. ‘doorgewinterd’ en van ‘de gewoonte van commando’s te geven’, zijn co-commentator Karl Vannieuwkerke ‘verwacht zich aan’ en rijdt ‘aan een razende vaart’, Wim de Vilder denkt dat een ziekenfonds ‘ziekenkas’ heet en schrijver Dimitri Verhulst schrijft ‘telkens’ als hij ‘telkens als’ bedoelt en heeft het over een rond punt. Marc Platel heeft het nog altijd over de frontpagina, en hij staat daarin niet alleen. Het is trouwens tekenend dat politici die trots zijn op hun Vlaamsgezindheid zo onbekommerd vertaald Frans spreken: ‘gordeler’ Eric van Rompuy zegt met aisance dat ‘hij hoopt van’, maar au fond zijn ze allen in hetzelfde taalbedje ziek. ❦ Ook in literaire en semi-literaire bladen vindt men hetzelfde on-Nederlands: de voorbeelden zijn legio. Het onzijdig zelfstandig naamwoord krijgt meer en meer ‘die’ als betrekkelijk voornaamwoord (het huis die, het contract die): men kan het elke dag op radio en televisie horen. Zo heeft Inge Vrancken het in het VRT-journaal over Duitsland die… De verwarring tussen ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ (in DS door Luckas Vander Taelen, maar zowat elke journalist treedt dat onderscheid met voeten) is hallucinant, elk probleem ‘stelt zich’ en het verschil tussen ‘te danken aan’ en ‘te wijten’ aan, kent blijkbaar niemand meer. Er wordt ook nogal wat met de voeten getreden en voor velen is het vaste prik te spreken van iets dat ‘had geweest’. Het ligt in de mond van elke Vlaming bestorven. In de reclamewereld blijft ‘aan een aantrekkelijke prijs’ een evergreen en het meervoud van zo’n blijft, zoals gezegd, raar genoeg zo’n i.p.v. zulke: ‘zo’n’ fouten, jongens toch! Men kan uit dit soort slordigheden makkelijk afleiden dat de desbetreffende schrijvers, journalisten e.t.q. meestal dialect praten. Twijfel er niet aan: bij de dokter doen ze zeker hun best. Ze spreken dan een veredeld dialect, een soort doktersnederlands. Enfin, het lijkt er soms op of al die taalwerkers nooit Nederlands geleerd hebben of - hoe dan ook - geen moeite doen om het fatsoenlijk te hanteren, uit onkunde of slordigheid, of een mix van beide. Allebei zijn ze even erg, niet alleen omdat taal de prima materia is van die scribifaxen, maar misschien nog meer omdat men zo gestreden heeft voor dat Nederlands en het nu zo molesteert. Als leerkracht Nederlands zou ik er nu al mijn conclusie uit trekken: het maakt allemaal niet uit. In Antwerpen passen ze dat adagium al toe want daar afficheert men op grote borden dat ’t Scheld van elke Antwerpenaar is’, en over het taalgebruik van de modale Antwerpse politicus zwijg ik zedig. ❦ Een ander, merkwaardig facet van het actuele taalgebruik, is het aanwenden van superlatieven, leuke kreetjes en - als het ware - gezongen taal. Het superlativisme uit zich bijvoorbeeld in het jolig toespreken van de kijker. Die wordt nu ‘heel welkom’ geheten, of hem wordt een ‘héél goede morgen’ gewenst, geen gewone goede morgen, maar een speciaal voor hem gebrouwen ‘héél goede morgen’. De vriendelijke toeschietelijkheid wordt dermate in de verf gezet dat ze uiteindelijk niets meer inhoudt. Het postmoderne taalgebruik creëert nu eenmaal zijn eigen entertainment- maniërismen. De leuke kreetjes komen uit zo verschillende monden als die van Martine Tanghe en Kurt van Eeghem, twee toffe peren die er alles aan zouden doen het de kijker of luisteraar zo fijn naar zijn zin te maken, zodanig dat hij/zij, langzaam onderuitgezakt in zijn/haar fauteuil of bankstel, zelfs het treurigste nieuws als een fait divers verwelkomt. De nieuwe song lines, niet die van de Australische aboriginals maar het bijna gezongen Nederlands, vernemen we van Lisbeth Imbo: die neemt nagenoeg elke dag ’s morgens afscheid van weerman De Boosere op een manier die op een zekere montere verliefdheid wijst. Ook de uitspraak is soms een kleine taalramp. Het is niet erg dat men lichtjes hoort uit welke streek iemand afkomstig is. Iedereen mag het algemeen Nederlands op zijn manier effleureren. Maar sommigen bakken het wel heel bruin. Lisbeth Imbo spreekt van ‘parlemantairen’, op zijn Frans dus; Kurt van Eeghem, de man met de geaffecteerde uitspraak en de vele taalfouten, spreekt met een rare emfase, hij roept en tiert, legt rare klemtonen, is daarbij soms licht hysterisch en heeft het in een bui van jovialiteit over ‘nen aap’ en ‘ne zotten aap’; Martine Tanghe doet het weer anders: zij spreekt van ‘foor fanafond in Flaanderen, maar een paar woorden later is het vette vis, met vette ‘v’. Minister-president Peeters, maar ook Johan Vande Lanotte, betracht een mooie uitspraak, lichtjes nijgend naar het Hollands, maar ze maken ondertussen de ‘meest Vlaamse’ (de ‘Vlaamste’) taalfouten. Renaat Landuyt, naast Herman de Croo superkampioen in carnavalesk taalgebruik, spreekt soms ongegeneerd Brugs (met makanders). De baas (bazin) van het Vlaamse onderwijs, Mieke van Hecke, spreekt dan weer een vreemd soort Nederlands, doorspekt met alle denkbare taalfouten, en dat is toch merkwaardig als men bedenkt dat elke dag brave leerkrachten zo aandoenlijk hun best doen om fatsoenlijk Nederlands aan te leren. Maar klopt dit laatste nog wel? Mijn 30-jarige ervaring in het onderwijs heeft me geleerd dat zelfs vele leerkrachten Nederlands een raar amalgaamtaaltje spreken. Hoe kan het ook anders? Een tycoon (sit venia verbo) als Tony Mary zegt ergens in een interview dat we vandaag keurig Nederlands spreken, maakt ondertussen taalfout na taalfout en beweert en passant ‘een Vlaams sprekende Brusselaar te zijn’. Vlaams? Of Nederlands misschien? Net kreeg ik een scriptie, ingediend bij de faculteit Letteren en Wijsbegeerte, onder ogen: alleen al in de titel prijkte een domme taalfout. Ook onder professoren merkte men dat dus niet op. Mijn collega-docenten in de Lerarenopleiding spraken een veredeld soort Antwerps en realiseerden zich nooit dat ze geen Nederlands kenden. Ze waren dan ook hevig verontwaardigd toen ik hun dat vertelde en hun een lijst meegaf met veelvoorkomende taalfouten die ze elke dag weer maakten. Ze konden het niet geloven, zo’n lange lijst!, en stotterden beteuterd dat ze dan wel nooit Nederlands hadden gesproken, q.e.d. ❦ Als deze Vlaamse voormannen, deze circulaire elite van Vlaamse koppen, bestaande uit journalisten, bobo’s allerhande, cultuurfreaks, politici, hoogleraren en communicatieboys het al niet kunnen, wie dan wel? Ik vraag het opnieuw: is dat erg? Sub specie aeternitatis natuurlijk niet, maar in het licht van de inspanningen die vele leerkrachten zich ondanks alles elke dag getroosten om toch op zijn minst wat fatsoenlijk Nederlands te praten (ook al slagen ze daar steeds minder en minder in: één op de zes leerlingen blijkt wat de eindtermen betreft de eisen inzake Nederlands niet te halen) en zeker in het licht van het postmoderne relativisme, is een en ander zeer noodlottig. Waarom immers zou men in de school nog aan kennisoverdracht moeten doen en regeltjes, grammatica en spelling van het Nederlands aanleren, als het er later toch allemaal niet toe doet? Als zelfs docenten, de nieuwe managerial class in onderwijs, professoren, journalisten and the like het Nederlands schandelijk mishandelen, wat zou het er dan verder toe doen! Als die taalmensen ons willen doen geloven dat het toch niet zo erg is dat men de eigen taal niet kent, als ze niet eens weten dat men ze radbraakt, hoe zou men dan willen dat men er trots op zou zijn, dat men ze foutloos kan spreken! Er zijn bij ons nauwelijks voorbeelden die dienst kunnen doen als model. Bij de eerste spontaneïteit gaat het al fout – niet als men zijn dialect mag spreken, maar als men verondersteld wordt Nederlands te praten. De moedertaal van de modale taalmens is dan ook nog steeds zijn dialect, uitzonderingen niet te na gesproken: Johan de Boose of Johan van Cauwenberghe, of Frans Boenders bijvoorbeeld, de vroegere woordproducer van Radio 3, een zender van de BRT (nog geen VRT!) die nog vrij was van het kinderlijke, postmoderne gebazel en geneuzel van de Bart Stoutens van vandaag en die daarbij ook nog ‘formatvrij’ was - want ook vandaag moet op Klara alles leuk en fijn zijn, opgeleukt en opgepimpt met wat adolescentengegiechel en kekke prijsvraagjes. ❦ In de postmoderniteit degradeert alles, things fall apart, the centre cannot hold: eerst moest het waarheidsbegrip eraan geloven, later degradeerde zowat alles wat los en vast hing. Justitie werkt niet, de stiptheid van de treinen is een hel voor de forens, de wegen liggen er als in een failed state belabberd bij, het multiculturele onderwijs, dat vertrekt vanuit een nieuwe en gevaarlijke staatsideologie, is failliet maar de minister weet het nog niet, de migratiepolitiek leidt alleen maar tot miserie voor alle betrokken partijen, de criminaliteit wordt driester, de social engineering van de maatschappij leidt tot een nieuwe vorm van gelijkheidstirannie en de zorgsector kreunt onder de wachtlijsten. Het zou dus verwondering wekken mocht de taal er niet ook onder lijden. Niet alleen is ze Orwelliaans geworden en politiek correct, vol van maatschappelijke waanzin, gemunt door wat men in het Duits zo mooi ‘Tugendwächter’ noemt. Flaubert wist het al: met de toenemende eis tot democratisering wordt ook de idiotie gedemocratiseerd, en aristocraat Alexis de Tocqueville had in de negentiende eeuw al een voorgevoel van wat, gaande de democratische weg, ‘Gesinnungstyrannei’ zou kunnen worden, en dit met behulp van taalmanipulatie. De idee achter de taalpolitieke correctheid bestaat in de veronderstelling dat een taal die veranderd en gemanipuleerd wordt ten voordele van minderheden ook de status van die groepen zal veranderen. Dat gaat ver: de neger in Mark Twain’s Huckleberry Finn wordt in een nieuwe vertaling/hertaling slaaf genoemd. De negers werden eerst gemuteerd tot ‘colored people’, dan werden ze terug black people genoemd, dan weer Afro-Americans. Zo heeft de dwaze politieke correctheid een griezelige lingua franca geschapen, net zoals dat gebeurde onder het Derde Rijk met de LII, de Lingua Tertii Imperii, uitmuntend en exhaustief beschreven door de Duitse romanist Victor Klemperer. Samen met de verslonzing van de taal, met op de achtergrond het anything goes en het eclecticisme van het postmodernisme, is de taalpolitieke correctheid een omineus teken van een tijd in verval, waarin ‘mere anarchy is loosed upon the world, en waarin ‘the best lack all conviction, while the worst are full of passionate intensity’, zoals Wiliam Butler Yeats het profetisch uitdrukte. Of is het niet significatief dat Agatha Christie’s ‘Tien kleine negertjes’ in sommige vertalingen zo niet meer mogen heten? Met de titel ‘En dan bleef er geen meer over’ werd m.i. het summum aan ijverige dolheid en hallucinant surrealisme bereikt. Dit in wezen malicieuze denken van de gutmensch zet de toon: vanuit de taal tracht men de maatschappij te veranderen en op die perverse manier wordt een dakloze ‘residentieel flexibel’. De hele perversiteit doet soms eerder aan Anthony Burgess’ roman 1985 denken dan aan Orwell, een strakke aanklacht tegen elke staatsideologie en tegen de maatschappelijke anarchie en weerloosheid die een ver-psychologiseerde samenleving opwekt. Een eeuw van psychologie heeft het Westen in het nauw gedreven, zo schreef Cioran. Daaraan heeft de taal een grote steen bijgedragen door niet meer durven te benoemen wat benoemd moest worden. En zo kwam taal vanaf de jaren zeventig terecht in een geparfumeerde wolk van feministische, daarna van multiculturalistische verdwazing. Eco schreef erover in zijn Guerre calde e populismo mediatico uit 2006. Taal werd modieus gedeconstrueerd tot ze in het Procrustesbed van een lichtzinnige postmoderniteit paste. De moderniteit zelf werd, zoals de Poolse socioloog Zygmunt Bauman het beschreef, vloeiend, ongrijpbaar, visceus zou Sartre hebben gezegd. Samen met het gebrek aan kennis van het Nederlands en de groeiende nonchalance ten opzichte van de eigen taal, levert het een nivellerend taaltje op dat om de haverklap en om zijn leeghoofdigheid te maskeren ‘ik bedoel’, ‘en zo’, ‘hoe noemt dat’, ‘allez’ en ‘leuk’ uitbraakt. Er is het opgepimpte taaltje van de Marcel van Tilts van deze wereld die het uitschreeuwen van de opgepompte pret, dat alles doorschoten met dialecttaal die ouwejongenskrentenbrood moet suggereren, of Koen Crucke die heel familiair tot ons spreekt: ‘Ge kent den blik’. Als het maar leuk is! ❦ Degenen die zouden menen dat boven genoemde taalperipetieën iets taalfrikkerigs hebben, moet ik resoluut tegenspreken. Waarom immers zou men niet trachten zo correct mogelijk te spreken en te schrijven? Waarom zou een schrijnwerker (de oude timmerman, Joris Notes versie ervan in de roman ‘Timmerwerk’) niet proberen zo’n stevig en mooi mogelijk meubel te maken, een artefact waarop hij trots kan zijn? Misschien heeft het postmodernisme de geesten zo geïnfecteerd met het anything goes dat het à peu près al goed genoeg is. In de tijd van het modernisme en de daarbij horende volksverheffingsgedachte ging men ervan uit dat aandacht en nauwgezetheid van belang waren; misschien sprak men toen archaïscherwijs wel van een ‘edel goed’ of van ambacht. In het Duits betekent ‘die Andacht’ het gebed, een houding die aandacht en ‘attentio’ vergt. Daar moeten we nu helaas een beetje om lachen, maar de schoolmeesters uit die tijd wilden ook in de taal een soort fatsoen en craftsmanship hooghouden, net zoals ze daarmee, zoals de arts and crafts-beweging, de hele samenleving wilden doordringen. Maar fatsoen is een verouderd begrip geworden in een anomische wereld, zowel in de echte als in de taalwereld. Fatsoen is een deugd, een soort oude aristotelische houding die vandaag op menig obstakel botst. En de leerkracht Nederlands of de journalist is allang geen ambachtsman meer. De leraar is een coach, zoals men dat nu noemt – alsof de school een bedrijf is, en de journalist holt amechtig achter de feiten aan, zijn taak is ingebed in infotainment en commercialisering, en zijn historisch bewustzijn spoort met het onachtzaam hanteren van de taal, zijn eerste werktuig. In een interessant werk spreekt de Amerikaanse socioloog Richard Sennett over de craftsman. Hij ziet zijn werk als ‘an enduring, basic human impulse, the desire to do a job well for its own sake’. Originaliteit en ‘zijn eigen ding doen’ hebben de hang naar perfectie vervangen in een maatschappij die ook taalkundig ‘deskilled’ is. Dat resoneert ook in het impliciete motto ‘ieder zijn eigen taal’, als wat ik zeg (stotter, stamel, uitroep) maar verstaan en begrepen wordt. De kakofonie die daaruit voortspruit, weerspiegelt de domme luidruchtigheid van de postmoderne tijd met zijn bagger aan ignorante opinietjes. Ambacht is sociaal kapitaal, maar zo ziet de postmoderne taalgebruiker het niet. Hij kakelt erop los, zijn enige kapitaal berust op het pecuniaire en vertaalt zich in een vermoeiende hyperkinetiek. ❦ Als journalisten en schrijvers, taalgebruikers par excellence, zich niet langer de moeite getroosten correct te schrijven, hoe zou men het dan van de modale taalgebruiker kunnen verwachten? Ondertussen is er een generatie taalanalfabeten les beginnen te geven. Ze zijn gepokt en gemazeld in het schrille toontje van permanente zelfemancipatie, maar tijdens die amechtige zelfontplooiing is men even de taal vergeten. Het is de MMN- en MTV-generatie. Zij hebben van roepen, dialect, reclametaal, leuk en gemeenzaam taalgebruik hun handelsmerk gemaakt. Hoe noemde gij trouwens? Van die dingen, ja, zouden Koot en Bie gezegd hebben. Maar zelfs taalmaniak Elsschot, geïnspireerd door het ‘Hollands’, schreef toentertijd ‘hoe de vork aan de steel zit’, en dat staat opgetekend in een geredigeerde versie van 1995. Bart Brinckman moet dus niet ongerust zijn. ❦ Ik heb in dit essay een aantal namen genoemd van taalboosdoeners. Ze zijn exemplarisch maar even zo goed willekeurig. Wie radio of televisie aanzet, wie kranten en tijdschriften leest, wie Vlaamse auteurs of acteurs bezig hoort, kan het bij ieder van deze cultuurmensen vaststellen. De beklijvende vraag luidt dan ook: zullen de Vlamen, een term ooit gemunt door Jeroen Brouwers, het dan nooit leren? Want de slotsom van dit alles is, dat welke Vlaming ook, geschoold of ongeschoold, doorgestudeerd of niet, academicus of journalist, een soort eigengemaakt en eigengereid Vlaams blijft praten, ook al verkeert hij in de waan keurig Nederlands te spreken. Ze zullen het dus nooit leren, vrees ik. Elke cultuurmens heeft de bedoeling ‘van’ iets te doen in plaats van ‘om iets te doen’ en Paul Goossens blijft emmeren over een ‘resolutie stemmen’. Het is er met een scherp mes ingeslepen, het gaat er nooit meer uit en zelf zullen ze het als tevreden lieden nooit merken. Hun slijpsteen van de geest is een bot, niet ambachtelijk gemaakt mes. Het excuus dat onze elite ooit naar Amsterdam toog om daar de Gouden Eeuw mee gestalte te geven en het dus hier in Vlaanderen een plattelandsboeltje bleef, het eeuwige mekkeren over de voortdurende overheersing door andere mogendheden die ons de kans ontnam een eigen taal deftig te formeren, die drogredeneringen zijn ondertussen erg lachwekkend en een gotspe. Men kan niet blijven ‘kapitaliseren’ op zijn ongeluk. Als voorts de aimabelste onder de aimabelen, Guy van Hengel, samen met Eric van Rompuy, eigenlijk een wandelend gallicisme is, als Sarah Vankersschaever in De Standaard het blijft hebben over ‘aan 100 km/uur in de bochten’, als Bart Brinckman ‘niet het minst’ en ‘niet in het minst’ door elkaar husselt en daardoor het tegenovergestelde zegt van wat hij eigenlijk bedoelt, als Geert Joris, de patron van boek.be het in een Franse bui over ‘de hoge kost’ heeft, als de altijd olijke semi-macho Tom Heremans ‘doorheen’ als voorzetsel gebruikt, als Mark Platel dezelfde taalfout maakt en het onbekommerd over ‘frontpaginanieuws’ heeft, en als de Cerberussen van Radio 1, het olijke duo Peeters en Pichal, unverfroren spreken van ‘zijn eigen’, van ‘lavabo’ en ‘sacochen’, dan, tsja, dan wat? Maakt niet uit: als we het maar verstaan, dan kunnen we het ook begrijpen. ❦ De Vlaming is taalkundig gesproken een raar wezen: hij blijft ervan uitgaan dat taal in de eerste plaats spelling is, terwijl dit onderdeel eigenlijk het minst met echte taalkunde te maken heeft; daarom ook scoort hij/zij zo goed bij taalspelletjes waarin spelling de hoofdmoot vormt en denkt de Nederlander dat de Vlaming daardoor zijn leuke taal zo goed beheerst. Zijn fixatie op dt-fouten is aandoenlijk. Niet dat dit deel van de spelling niet belangrijk zou zijn, maar haast elke geschoolde Vlaming gaat er impliciet vanuit dat wie zonder dt-fouten kan schrijven, zijn taal kent, quod non, want ondertussen worden de afgrijselijkste taalmisbaksels onbekommerd neergepend. Ik heb het bedrijfsleiders vaak horen zeggen: wéér een sollicitatiebrief vol dt-fouten ontvangen. Toen ik die epistels onder ogen kreeg, stelde ik altijd weer vast dat men andere, veel ergere ‘enormiteiten’ niet eens had opgemerkt! Een ander merkwaardig gegeven is de gedrevenheid waarmee de modale taalzuiverende mens Vlaamse woorden of archaïsmen uit de taal wil bannen. Ik heb het dan niet over woorden als het reeds bovengenoemde ‘sacoche’: die worden uit een dom soort luiheid geboren. Ik heb het dan eerder over woorden als ‘begeestering’ (een oud germanisme), ‘euveldaad’, ‘koninginnenhapje’ (typisch Vlaams), ‘goesting’, ‘als de wiedeweerga’ of ‘houtekster’ (gewestelijk woord voor ‘Vlaamse gaai’). Met die woorden is niets mis: ze wikkelen de taal in de aura van het oude of het typische. Een ander heikel punt zijn Engelse of Franse woorden die in het Nederlands worden opgenomen. De Vlaming vindt nu eenmaal dat zulke woorden al te vaak uit snobisme ontstaan, om te epateren, of om te tonen dat men geen intellectueel van de koude grond is. Het is het typische minderwaardigheidsgevoel dat hier spreekt en dat zijn absolute tegenhanger vindt in Nederland waar allerlei exotische leenwoorden door de radical chic van de Grachtengordel met veel aisance, con gusto en met sprezzatura in de mond genomen worden. In die zin is de woordenschat van de Nederlander automatisch rijker dan die van de timide Vlaming die al bloost als hij een moeilijk woord boven tafel brengt (en dus niet onder de pet houdt…). Ook al is de Nederlander (de Hollander) vaak een psittacist, zijn taal is die van een calvinist, van een ouderling uit de romans van Jan Siebelink. Heel wat uitdrukkingen, gezegden en archaïsmen uit de bijbel zijn immers het Hollands binnengeslopen en worden zowel door rekkelijken als preciezen zonder air d’importance gebruikt. Katholieken kennen hun bijbel niet, helaas, en dat heeft zijn uitwerking op de taal niet gemist. In die zin alleen al zijn Nederlanders en Vlamingen niet ‘cor unum et anima una’ en zal er nog veel water in de zee moeten vloeien, willen de twee talen één worden; niet één via een koude uniformiteit, maar één in de betekenis van ‘eenheid in verscheidenheid’. Maar die mag dan weer niet uit oblomovisme ontstaan, uit gemakzucht, maar uit een verstandige ‘weldoordachtheid’. De Vlaming moet creatiever met zijn taal om durven te springen. Wat de Nederlander allicht aan taalarrogantie te veel heeft, heeft de Vlaam helaas te weinig. Wie een doorsnee Nederlander of Vlaming op radio of televisie hoort spreken, zal weten wat ik bedoel. De Vlaming stapelt taalfout na taalfout op, stottert, is onverstaanbaar, maakt geen enkele zin af, is een clichémannetje van haver tot gort, beëindigt elke half-afgemaakte zin met ‘en zo’, ‘allez’ of de dooddoener par excellence ‘meer moet dat niet zijn’, terwijl de Nederlander zijn volzinnen met radde tong produceert (ook de Gooise vrouwen met hun Gooise ‘r’) en die hier en daar lardeert met een bon mot of een andere taaltrouvaille. Wie de gasten bij Pauw en Witteman ‘beluistert’, hoort zelden taalfouten en merkt mooie en vaak kekke woorden en uitdrukkingen op die nooit in het hoofd van de Vlaming zouden opkomen. Die vindt dan ook dat ze daar bij die twee snelle jongens te vlug en vaak raar spreken, en met dat laatste bedoelen ze dan dat ze niet begrijpen wat ‘ten detrimente van’ betekent. Neen, het wordt nooit wat met die Taalunie. ❦ Nogmaals en uitentreuren: ik heb er begrip voor dat sommigen menen dat de bovengenoemde taalfouten onbelangrijk zijn en dat het schoolmeesterachtig is ze telkens weer op te merken, ook al zijn het de 19de- en 20ste-eeuwse schoolmeesters geweest die onze taal mooi geboetseerd hebben en aan de basis liggen van het voortbestaan van het Nederlands in Vlaanderen. Maar laten we dat vooral gaan vertellen aan de leerkrachten Nederlands, dan hoeven die zich niet meer uit te sloven om bijvoorbeeld het gebruik van ‘moest’ aan te leren/af te leren. Het blijft een merkwaardig gegeven dat mensen het materiaal waarmee ze ambachtelijk werken, niet beheersen. De Vlaming is een mens van à peu près, als het er maar wat op lijkt: daarin, zegt men, ligt zijn charme. Het is dezelfde charme die ingezet wordt door belgicisten om op een bijna triomfalistische manier het surrealisme van de Belgische levenswijze en politiek te duiden, alsof dat een pre zou zijn! Een zwaktebod, als je het mij vraagt, een geval van zelfingenomen narcisme. Laten we dat niet op onze taal overdragen. ❦ Soms beweert iemand als Ludo Permentier in een misplaatste bui weleens dat de laatste decennia een Belgisch-Nederlandse standaardtaal gegroeid is die haar plaats inneemt onder en tussen andere ‘subtalen’. De algemene democratisering van de maatschappij zou daartoe geleid hebben. In die visie passen we onze taal aan de situatie aan, een fenomeen dat in de socio-linguïstiek heftig bestudeerd wordt. Was het maar waar! Was het maar waar dat de Vlaming volautomatisch zou kunnen overschakelen van taalregister naar taalregister. Ik vrees echter dat de zaak anders in elkaar steekt: de Vlaming spreekt ofwel dialect ofwel een zelfgebrouwen tussentaal omdat hij de standaardtaal niet beheerst. Als zelfs in een krant als De Standaard, de krant van de goede Vlaam, zoveel taalfouten staan…. Als zelfs op de VRT zoveel ‘taalkrakkemikkigheden’ opgelepeld worden…. Als zelfs de teksten van de meeste Vlaamse schrijvers doorspekt zijn met taalslordigheden… Tja, dan ik toch niet anders dan vast te stellen dat er dan misschien wel beter geschreven wordt maar wel met oneindig veel taalfouten. In Nederland hoort men dat graag, percipieert men het als mooie folklore. Stellig als de Hollanders zijn, maken ze er onmiddellijk een pluspunt van en spreken ze over dat mooie Vlaamse taalgebruik. Het is nog straffer: vaak nemen de Nederlanders de taalfouten over van de doorgestudeerde Vlaming. Ze merken het niet eens meer! Een nieuwe paradox, een nieuw surrealisme, zeker een nieuw geluid, maar zeker geen nieuwe lente. ❉   ❉   ❉