Category Archives: Voorpagina-Midden
Robert Lemm Robert Lemm

Het verval van de beschaving

❦ Over standvastigheid bij algehele rampspoed  Justus Lipsius, De Constantia, 1584 ❦ De evangelisatie waaraan het Westen zijn opkomst en glorie dankt, is in de loop van de laatste driehonderd jaar stukje voor beetje gemarginaliseerd, en verdrongen. “Deze wereld die zich beschaafd noemt, kan enkel geestelijk genezen indien ze de weg terug vindt naar het ware Christendom”, aldus de Oostenrijks-joodse schrijver Franz Werfel in Zwischen Oben und Unten (1946). In het moderne christendom daarentegen, is het sinds de jaren zestig gangbaar geworden om zich te verschuilen achter wat er sociaal niet deugt, terwijl men voor het eigen geweten geneigd is te vergoelijken wat de biechtspiegel veroordeelt. Daarnaast is de morele held uit de kunst verdwenen. De term “cultuurpessimisme” is het etiket waarmee vooruitgangsadepten, succesvolle schrijvers en politici – voor die laatste categorie is optimisme verplicht –,  groten als Dostojewski, Spengler, Huizinga en andere profetische geesten, desnoods tegen beter weten in, trachten te bezweren. Chesterton sloeg de spijker op de kop met zijn uitspraak dat de christen pessimistisch is ten aanzien van de wereldse gang van zaken, en optimistisch met betrekking tot de uiteindelijke afloop. Eind goed, al goed. In een ondergaande beschaving rest de individuele uitweg. Daarbij dient men het begrip ‘individu’ goed te verstaan. Want wat tegenwoordig voor ‘individualistisch’ doorgaat  is niet meer dan een oppervlakkig, eigengereid, aanstellerig of excentriek verzet tegen het collectivisme. In de ware zin gaat het om de mens die staat voor het algemeen menselijke, of het beste in zichzelf,  waarmee bedoeld: het karakter, het type. De Nederlandse psychiater en dichter H.C. Rümke viel het op hoe in de naoorlogse periode de karaktervolle mens het veld moest ruimen voor de aangepaste, plooibare uitvoerder van zijn functie, zoals na de Eerste Wereldoorlog de staatsman het veld had geruimd voor de politicus, ofwel de man van principes voor de opportunist. De gewetensvolle individu kan mentaal vooruitgaan, meest door contact met geestverwanten, of in een vereniging, een kring, een kerk. Gewetensvol wil zeggen een besef van goed en kwaad,  ethisch verantwoord keuzes maken, erkenning van eigen tekortkomingen en eigen schuld. De christen is daarmee van oudsher vertrouwd. Maar de kerken zijn leeg, en het geloof in God en de ziel is al lang niet meer vanzelfsprekend. Dat hangt samen met de ondergang van het Avondland, waarvan de diepere oorzaken liggen in het geestelijke, zoals Christopher Dawson aantoont in Understanding Europe (1952, 1960): “The crisis of western civilization is neither political nor economic but essentially spiritual.” En hoe dat is gekomen, kunnen we terugvinden in de geschiedenis. De (moderne) massamens, die puur lichamelijk denkt, materialistisch, eventueel gehecht aan een twijfelachtig houvast in de bijgelovige sfeer van New Age, is niet uit de lucht komen vallen. Hij is het uitvloeisel van een proces waarvan de fasen teruggaan tot het modernisme, het naturalisme, het positivisme, de Verlichting, de Reformatie, het humanisme. De middeleeuwse samenleving noemt men wel theocentrisch. God stond in het middelpunt. De humanisten maakten de samenleving antropocentrisch: de mens in het middelpunt. Met de Reformatie kwam de breuk met de Moederkerk, en daarmee de scheuring in het sociale lichaam van Europa, gevolgd door de splitsing in nationale kerken, voorbode van het toekomstige nationalisme. De Verlichting opent de aanval op het christendom en de katholieke monarchie. De achttiende-eeuwse encyclopedisten verzamelden kennis op alle mogelijke gebieden zonder dat die kennis bijeengehouden werd door een overkoepelend beginsel. Het geloof in de vooruitgang van de mensheid op grond van de wetenschap en het invoeren van de juiste maatschappelijke instituties breekt baan. Met de Revolutie van 1789 wijkt na duizend jaar het koningschap voor wat in de negentiende eeuw de democratie wordt - gebaseerd op de gelijkheid en de mensenrechten. Het liberalisme brengt het vrije bewegen van  kapitaal, en het socialisme bedingt daartegen rechten voor de arbeidende klasse die na de onteigening van de kerkelijke en adellijke domeinen rechteloos was geworden. Het positivisme reduceert de wetenschap tot het proefondervindelijk vaststelbare – los van de metafysica. Het naturalisme reduceert de mens tot een bundel instincten – los van de onzichtbare ziel. En het modernisme reduceert de godsdienst tot iemands persoonlijke ervaring – los van de getuigenissen en de documenten van de afgelopen tweeduizend jaar. Na een periode van betrekkelijke vrede tijdens de laatste decennia van de negentiende eeuw komt in de twintigste eeuw, voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, de massamens naar boven, voorbode van het secularisme dat momenteel dominant is. Het posmodernisme onder de denkende elite dat  tot op heden voortduurt, beschouwt het spirituele en morele als relatief en subjectief. Waarheid en zelfs de werkelijkheid worden afhankelijk van ieders afzonderlijke beleving. De vraag is dan wat mensen delen, en wat een volk bindt. Ooit was dat de religie, wat letterlijk ‘binden’ betekent. De ideologieën die ervoor in de plaats kwamen, het liberalisme en het marxisme, bleken als vervanging te onvolledig en te aanvechtbaar. En wat we in onze tijd zien, is een obsessieve hang naar ‘identiteit’ als kapstok van ergens bij horen te midden van de multiculturele wanorde. Multi culti houdt in dat verschillende rassen, ethniciteiten, godsdiensten, restanten van ideologieën dezelfde ruimte delen waar voorheen het homogene evident was. Homogeen qua ras en verscheiden hier en daar wat betreft religieuze gezindte, zoals in Nederland ten tijde van de zuilen in de jaren vijftig. Europa heeft het geloof in haar oorspronkelijke cultuur verloren. Andere culturen ziet men als even waardevol, zoals men ook alle godsdiensten voor gelijk houdt. En alle mensen zijn gelijk. De intellectuelen die de Publieke Opinie smeden, verontschuldigen zich voor het overwegend christelijke verleden waarin het Westen de rest van de wereld regeerde middels slavernij, kolonialisme, racisme, vernieling van vreemde beschavingen, om van de eerdere kruistochten en de Inquisitie maar te zwijgen. Zelfs de moderne Kerk geeft openlijk blijk van sociale schuld voor wat eerder door de tegenstanders van de Kerk was gebrandmerkt als misdaden tegen de menselijkheid. En om daarvoor boete te doen propageert zij in het kielzog van mensenrechten activisten een ruimhartig toelatingsbeleid voor vluchtelingen, asielzoekers en armen uit de voormalige koloniën. ❦ Gevolg van die politieke openheid is een toename van interne spanningen. De autochtone bevolking, de ingezetenen, of een groeiend deel daarvan, voelt zich bedreigd. De eigen ‘identiteit’ wordt aangeroepen. En de onrust leidt tot partijen en bewegingen die protesteren tegen regeringen die de grenzen moeilijk kunnen sluiten voor een instroom van slachtoffers uit gebieden waar zij nog onlangs verantwoordelijk waren voor oorlogen en ontwrichting, nasleep van de geopolitieke ambities van een door Amerika aangevoerde Europese Unie. Maar de protesten krijgen steeds meer ingang in de opinievorming. De heersende opvattingen zijn nog ‘links’, en vanuit die richting demoniseert men degenen die protesteren met de term ‘populistisch’ – in reactie waarop wie dat doen ‘elitistisch’ mogen heten. Onder die laatste categorie vallen de mainstream media, de zogenaamde kwaliteitskranten, de culturele correctheid. Curieus is dat de ‘populisten’ voor het merendeel de onderklasse vertegenwoordigen waar van oudsher het socialisme voor opkwam. De socialisten echter, zijn in verlegenheid gebracht omdat hun solidariteitsbeginsel geen onderscheid toelaat op het punt van nationaliteit, of tussen autochtoon en wat nog ‘allochtoon’ heet, als evenmin tussen wat nog ‘christelijk’ heet en moslims. Het is desondanks niet verbazingwekkend dat het gewraakte ‘populisme’ in dezelfde vijver vist als het socialisme. Een sterk voorbeeld is de Duitse AfD partij (Alternatieve für Deutschland), die meer groeit in de voormalige marxistische DDR dan in de voormalige christen-democratische Bondsrepubliek. En net als elders in de Europese Unie, worden vergelijkbare partijen buiten het landsbestuur gehouden door de traditionele partijen. Maar het ijs begint te breken, en wat we zien, is een toenemende tweedeling in het westelijk deel van de Unie die in de richting wijst van een burgeroorlog. Het middenkader ziet de bui hangen en dringt erop aan dat de mensen met een immigratie achtergrond ‘inburgeren’ of ‘integreren’, met verwijzing naar wat ‘normen en waarden’ heet. Maar wat houden die (nog) in? Want de christelijke signatuur is reeds lang verleden tijd. En wat ervoor in de plaats kwam, is een allegaartje van verwaterd liberalisme en socialisme, aangevuld met een kleurloos christen-democratisch sausje en opgesmukt met een verregaand begrip en gelijke rechten voor feministen, homo’s en andere grensverleggende minderheden.  Abortus, euthanasie, voltooid leven, seksueel provocerende billboards, verdwijning van het verschil tussen man en vrouw, het recht om koning en koningin voor rotte vis uit te maken op grond van het gelijkheidbeginsel…., dat alles wordt als zeer vervreemdend ervaren door asielzoekers uit het Midden Oosten en Afrika. Maar ja, dat hoort allemaal bij de ‘normen en waarden’ die ze moeten aanvaarden. De meesten voelen daar niets voor, maar houden de schijn op om geen afbreuk ter doen aan hun kersverse status van Nederlander. De islam vormt voor de ingezetenen het grootste struikelblok. Scheiding van Kerk en Staat kennen de moslims niet. God blijft voor hen niet achter ieders voordeur, maar dient in het openbaar eer te worden bewezen, net zoals dat vroeger bij katholieken gebruikelijk was, en soms op sommige plaatsen nog is. Doch ook de katholieken hebben zich erbij neergelegd dat men in het openbaar met Jezus of de Maagd Maria de spot drijft. De moslims laten geen belediging van de profeet Mohammed toe. En secularisering is uit den boze. Het politieke establishment mag dan hopen dat ze na twee of drie generaties Allah met rust laten, maar die hoop is ijdel. Belediging van het heilige rechtvaardigt jihad, desnoods terrorisme. De zogeheten ‘gematigden’ zullen dat wellicht niet bijvallen, maar ze zullen het ook niet openlijk afkeuren. Sterker nog: de moslims zijn geroepen om de islam uit te dragen, te missioneren, zoals eens de christenen. Hun ideaal is de islamisering van Europa, er Eurabia van maken. Links maakt zich daar minder druk om dan Rechts. Rechts voelt de hete adem van het ‘populisme’, en tracht met maatregelen de instroom van immigranten zoveel mogelijk te beperken. Gedane zaken nemen echter geen keer. De teerling is geworpen. De moslims zijn nog vitaal, kinderrijk, terwijl de blanke ingezetenen te bloedeloos zijn geworden om nageslacht te verwekken. De materialistische massamensen komen alleen nog op voor hun betrekkelijk welvarende leven van zoveel mogelijk vakantie, en het enige wat ze zorgen baart is dat de nieuwkomers een bedreiging worden voor hun economische voorrechten, en dat ze hun banen verliezen aan goedkopere werkkrachten. Wie met argusogen de ontstane situatie bekijken, is de redelijk tot hoog opgeleide elite aan de rechter zijde van de politieke spectrum. Daar ziet men in de islam het grootste gevaar voor de westerse beschaving (of wat daar nog van rest) en wijst men met de vinger naar de rood-groene intelligentsia als hoofdschuldige aan het binnenhalen van wie men gelukzoekers noemt. Het terrorisme gaat er door voor inherent aan de islam. En om het gevaar te bezweren, ligt aansluiting bij het ‘populisme’ voor de hand. De grenzen dienen gesloten, en het aantal moskeeën beperkt te worden. Extremistische uitlatingen van ‘haat-imans’ vragen om gerechtelijke vervolging en bestraffing. Er moeten ‘oplossingen’ komen, maar die zijn er niet. Want zoals Oswald Spengler al honderd jaar geleden heeft laten zien in zijn profetische boek De ondergang van het Avondland, zijn beschavingen als planten of bloemen die opschieten, openbloeien, verwelken en sterven. Het gaat vanzelf, het is ingebakken in de natuur, zoals de een z’n dood, de ander z’n brood is, of zoals waar een hiaat is ontstaan het weer opgevuld wordt door wat van buiten komt, of zoals de grote volkverhuizingen de zittende bevolking overweldigen. Men kan er naar kijken, het zien aankomen, zoals bijvoorbeeld de Arabische historicus en filosoof Ibn Chaldoen in de veertiende eeuw de ondergang van de Iberische islam zag aankomen die zich pas honderd vijftig jaar later concreet voltrok met de verovering van Granada in 1492 door de christelijke legers. Zo sloeg een halve eeuw eerder het te voorziene laatste uur voor het christelijke Byzantijnse Rijk met de inname van Constantinopel door de Osmanen. ❦ Er zijn nog christenen. De meesten evenwel, begrijpen de diepte van hun eigen traditie niet meer. Bovendien blijken ze niet of nauwelijks bekend met de inbreng van het christendom op het gebied van bijvoorbeeld de wetenschap, de kunsten en de maatschappijvorming waaraan Europa haar beschaving dankte. Want in de jaren zestig van de vorige eeuw zette de Kerk de deuren open voor de tijdgeest, en die geest hield o.a. een kijk op de geschiedenis in vanuit liberale, marxistische en humanistische zijde. De Kerk kreeg het, onterechte, verwijt de Vooruitgang te hebben geblokkeerd. En de publicaties over de wreedheden van de kruistochten, de duisternis van de Middeleeuwen, de gruwelen van de Inquisitie en de schendingen van exotische beschavingen door de missionering waren niet van de lucht. De Kerk ging over stag, en bij de opening van het nieuwe millennium in het jaar 2000 bood de zittende paus zelfs namens de Kerk verontschuldigingen aan voor al die zogenaamde ongerechtigheden van toen. Het Vaticaan  kwam volgens vele gelovigen nu dan eindelijk tot het inzicht dat in het verleden de bedoelingen van Christus geweld waren aangedaan. Doch het zogeheten ‘bij de tijd brengen’ van het 2000 jaar oude instituut leverde niet het gewenste applaus op van de liberale publicisten, en de Publieke Opinie ging onverdroten voort met het ventileren van de oude beschuldigingen, die later nog werden aangevuld met nieuwe beschuldigingen van seksueel misbruik door geestelijken en het gebruik van de doofpot om schandaal te voorkomen. Gevolg was dat uiteindelijk kardinalen en bisschoppen nog maar weinig van zich lieten horen op het punt van de hoognodige maatschappijkritiek. Ze hadden nu voor de wereld hun geloofwaardigheid verloren, en trokken zich terug binnen de muren van de eigen burcht. Ondertussen waren de kerkgebouwen al leeggelopen, en degenen die overbleven hadden  de moderniseringen omarmd waarvoor het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) het groene licht had gegeven, en die in feite neerkwamen op een breuk met de Traditie. In het Westen van Europa restte van de Kerk alleen nog de monumenten, kathedralen, de kunst. Bij eigentijdse zondagse vieringen zag je voor het merendeel 65-plussers, kneuzen, slachtoffers, mensen die hulp of  troost zoeken, kortom wat Nietzsche al eind negentiende eeuw had getypeerd als slavenmentaliteit. Waar waren de apologeten, de strijders gebleven die het Geloof van de Kerk naar buiten toe propageerden en onderbouwden tegenover de atheïsten, de humanisten, de liberalen, de academici? Want voor die laatste was de Vooruitgang pas begonnen met de Verlichting, het Encyclopedisme, de Tolerantie, de in 1789 geproclameerde Mensenrechten, het Liberalisme,….Vanuit christelijk oogpunt daarentegen, had daarmee juist het verval ingezet dat uitliep in de Ondergang van het Avondland…. En waren de Holocaust, de concentratiekampen van Stalin en de naoorlogse genociden niet de gevolgen van de profetie van de diep christelijke Dostojewski dat wanneer je God losliet, alles, het ergste mogelijk was? ❦ Maar er is een trend onder oudere katholieken om naar de wortels van het Geloof terug te keren, en ook treft men jongeren aan, en bepaald niet de domste, die de weg naar de ‘Una Sancta’ zijn ingeslagen en wier belangstelling vooral uitgaat naar de begraven tradities. Ze zijn nog weinig in aantal, maar hun motivatie is waar het om gaat. Ze beseffen dat in Europa het katholicisme de enige reddende kracht is in onze tijd van multi culti en secularisme, van opkomende islam en ‘populisme’. De vraag is hoe ze zich verhouden tot het heersende opinieklimaat waarin de christelijke stem nauwelijks meer klinkt. Kijken ze de kant op van wie zich sterk maken voor de eigen nationale identiteit, of houden ze veeleer rekening, uit humanitaire overwegingen, met de grote hoeveelheden vluchtelingen die sinds 2015 West Europa overspoelen? Sluiten ze de gelederen van het ‘populisme’, of vinden ze op grond van hun katholieke identiteit dat ze een wereldkerk vertegenwoordigen die van landsgrenzen geen halszaak maakt? Een derde mogelijkheid is dat ze de moslims zien als bondgenoten in de strijd tegen de uitwassen van het secularisme. Hoe houdt de individu zich staande in een wereld van verwording en ontbinding, van een proces dat z’n dieptepunt bereikte met ‘de dood van God’, die Nietzsche proclameerde, en die er dus al was, en die door zijn volgelingen is verspreid om tot slot gemeengoed te worden? Want het nihilisme is alomtegenwoordig. Als God dood is, is alles geoorloofd. De generatie van 1968 had geen zaak waarvoor ze opkwam. Het waren rebels without a cause. De welvaart had de studenten van Parijs, Berlijn en Amsterdam vadsig gemaakt. Het waren verwende kinderen, marxistisch beïnvloed. Het waren de leugens van de emancipatiebewegingen die ze voortstuwden. Het was een generatie van lustbeleving en doodsdrift, frenesie en depressiviteit, van drugs en onbehagen en onverklaarbare angst. Haar nihilisme was onbewust, tegengesteld aan dat van Nietzsche. Het was de cultus van het eigen zelf, de autonomie van het ik, zoekers van zelf-transcendentie zonder geloof in het bovennatuurlijke. Want het christendom had al vóór Nietzsche z’n transcendente wortel verloren. Het zogenaamd spirituele van 1968 was de wegwerpkunst, de roes, de onvolprezen geestverruiming van de artistieke horde,  de ‘strawberriefields for ever’, ‘lucy in the sky’, ‘make love not war,`all you need is sex’. Alleen het `hier en nu’ telde, zonder je om de consequenties van je doen en laten te bekommeren. Ze wilden de wereld veranderen zonder de wereld te kennen, aldus de pacifistische en atheïstische goeroe van die tijd Bertrand Russell. Voor de generatie van 1968 hadden zulke tradities als gezin, de vaderfiguur, familie, volk, vaderland geen betekenis meer. De democratie die op grond van lang leve de vrijheid alles gedoogde, bleek in feite een ander woord voor ‘chaos’, bij elkaar gehouden door de afgoden Technologie en Economie. Het huwelijk maakte plaats voor vrije, veranderlijke samenlevingsverbanden. En de meeste kinderen die daaruit geboren worden voegden weinig tot niets toe. Nietzsches voorspelde ‘supermensen’ bleven in elk geval uit. De wetenschap, hoe vrolijk ook  - volgens Nietzsche -, heeft niet gevonden wat ze ooit pretendeerde, een alomvattende visie van de werkelijkheid. In plaats daarvan is ze aan de universiteiten verkokerd en versplinterd in een veelheid van detail gebieden die als los zand aan elkaar hangen, en die dus van niemand een wijzer mens maken. En de Kerk? Die heeft het hoofd gebogen, zich laten paaien door de moderniteit. En toch is er geen andere institutie die de uitweg biedt. Maar de situatie van het christendom zag er al niet goed uit lang vóór de jaren zestig. Huizinga constateert in zijn in 1943 verschenen Geschonden wereld dat het bovennatuurlijk besef is verdwenen, en dat het verleden niet langer levend wordt gehouden, en alleen nog als projectie fungeert voor het heden. Die constatering van de auteur van Herfsttij der Middeleeuwen mag men zich aantrekken. Met het wegvallen van God, is ook de ethische grondslag weggevallen. Huizinga voorziet dat de mensen in ‘de wereld van morgen’ niet meer zullen leven in de voorstellingen van kruisdood, opstanding, uitverkiezing en oordeel, terwijl hij het christendom ziet als absolute voorwaarde voor duurzaam herstel. De Italiaanse filosoof Julius Evola noemt de Kerk in 1961 (Ride the Tiger) links en verzwakt. De Nederlandse schrijver Gerard Reve, die in de jaren zestig katholiek werd, omschrijft de Kerk als ‘onze oude, zieke, reddende Moeder die wel bereid, maar niet in staat is precies te begrijpen waar je het over hebt’, terwijl ‘niemand meer de dogma’s begrijpt die men bij voorbaat verwerpt’ (De taal der liefde en Brieven aan Simon C., 1972). ❦ Nieuw Rechts heeft het ‘cultuurmarxisme’ uitgevonden als rode lap. De neo-atheïsten en humanisten die erbij horen, evenals de neo-liberalen in het algemeen, willen niet weten dat er geen marxisme was geweest zonder het liberalisme, en dat er dus ook een ‘cultuurliberalisme’ moet bestaan. Dat richt zich momenteel tegen de islam in Europa, zonder te willen weten dat die er niet was geweest als het christendom niet was opgegeven. Sterker nog: Voor Nieuw Rechts was het christendom net zo goed een rem op de Vooruitgang als de islam. Liberalen en marxisten delen dat voor hen de Economie het beslissende principe is. Onder ‘cultuurliberalisme’ vallen voorts de vrije markt, de vrijheid van meningsuiting, de maakbaarheid van de samenleving, openbaar onderwijs en wetenschap.  Maar neutraal onderwijs bestaat evenmin als neutrale kennisoverdracht. Wat kennisoverdracht betreft, valt op dat aan de universiteiten waar filosofie gedoceerd wordt vooral die filosofen aan de orde komen die zich voor de Vooruitgang laten opeisen, zoals bijvoorbeeld Descartes, Spinoza, Voltaire, Diderot, Rousseau, Hume, Kant, Hegel, Nietzsche, Heidegger en de postmodernen in het algemeen. Zij behoren tot de ‘canon’, en worden voortdurend herdrukt en van proefschriften voorzien. Wie nooit of zelden aan de orde komen, zijn denkers die zich tegen de Verlichting hebben gekeerd, en die dus het Verval hebben zien aankomen, zoals Joseph de Maistre, Juan Donoso Cortés, Oswald Spengler, maar ook als schrijvers gerubriceerde groten met een sterk filosofische inslag als de hier boven genoemde Dostojewski, Chesterton en Huizinga. Maar er zijn er veel meer, die onterecht buiten de afdeling ‘filosofie’ worden gehouden, gevolg van de verkokering in Academia. ❦ Tot slot nog dit: Gelovigen zijn niet geroepen om binnen zogenaamd christen-democratische partijen economische en sociale problemen op te lossen. In van oudsher katholieke landen heb je die partijen dan ook niet, met uitzondering van een korte periode in Italië. Het zijn uitvloeisels van landen die deels katholiek, deels protestants waren, zoals Duitsland en Nederland. Je kunt als christen uiteraard politiek werkzaam zijn, maar er is niet zoiets als ‘christelijke politiek’.
Wouter van Staveren Wouter van Staveren

De reactionaire kluizenaar

Wie reactionair is, is sowieso fout bezig. Of toch niet? Een paar maanden geleden las Wouter voor het eerst het werk van de reactionair Nicolás Gómez Dávila. En elke zin die hij las prikkelde hem of confronteerde hem met een ongemakkelijke waarheid – wat ons betreft hét teken van een belangrijke filosoof. Is de tijd dat we reactionairen simpelweg kunnen negeren dan voorgoed voorbij? N.B. Dit essay stond eerder in het magazine Qualia van de faculteit wijsbegeerte te Groningen. Het is na 'De authentieke reactionair' de tweede publicatie over Davila in het Nederlands. ❦ ❦ Colombia: het land is reeds modern geworden. Als we ons denkbeeldig naar Bogotá verplaatsen, dan worden wij geconfronteerd door opzichtige, nieuwe winkels, ontelbaar veel kantoorgebouwen, het gebrom van auto's, en even verderop het kabaal van de inwoners zelf, waarvan velen zich in de meest extravagante kledij hebben gedost – het is immers carnaval, dus alles is toegestaan, hoe losbandiger hoe beter, op deze dag is het vulgaire heilig, vooral (mooie) danseressen. Kijk ze eens dansen! (Houdt het dan verdomme nooit op?) Het is een vreemd gegeven dat het feestelijke, levendige Colombia het land van herkomst is van Nicolás Gómez Dávila, een man die noch bekend stond om zijn feestelijkheid, noch om zijn levendigheid. Integendeel, zijn kleine bekendheid in kleine kringen heeft hij te danken aan zijn weergaloze afkeer van de moderne wereld, en de manier waarop hij, met bijzondere helderheid, deze afkeer op papier heeft gezet: niet in dikke boeken, maar in duizenden aforismen. Alvast een voorproefje: “Man today oscillates between the sterile rigidity of the law and the vulgar disorder of instinct. He is ignorant of discipline, courtesy, good taste” en “If men were born equal, they would invent inequality to kill boredom.” Zijn biografie is, jammer genoeg, even spannend als die van Thomas van Aquino. Gómez Dávila werd geboren in 1913, te Bogotá. De familie behoorde tot de hoogste kringen der maatschappij, omdat zijn vader de eigenaar was van een tapijtfabriek. Zo kon de hele familie prachtig wonen en comfortabel leven. Op zijn zesde verliet de familie Bogotá voor Parijs, waar Gómez Dávila studeerde en tot zijn 23ste verbleef. Toen keerde hij naar Bogotá terug en trad hij in het huwelijk met Emilia Nieto Ramos. Weldaar nam hij voor een korte periode de fabriek over, maar echt werken heeft hij nooit gedaan; het schijnt dat Gómez Dávila slechts één keer per week naar de fabriek ging om de manager mede te delen dat hij “de inkomsten moet verhogen” om vervolgens weer naar huis te gaan. Kluizenaar als hij was, wou hij niets anders dan zich verbergen in zijn immense bibliotheek, die uit meer dan 30,000 boeken bestond. Daar las en schreef hij tot diep in de nacht. Bijwijlen kwamen een paar vrienden op bezoek om te filosoferen. Hij stierf in 1994, in zijn bibliotheek. Franco Volpi, een Italiaanse bewonderaar van zijn werk, vatte op geestige wijze zijn leven samen in drie woorden: “Nació, escribió, murió” (Geboren, geschreven, gestorven). Zijn uiterlijke leven mag dan wel ‘saai’ heten, zijn innerlijke leven was allesbehalve dat. Immers, zijn geschriften – die hij slechts in hele kleine oplagen voor vrienden en familie liet publiceren – getuigen van een zeer kritische geest, humor, en een bijzonder hartstochtelijk katholiek geloof. Men zou zijn stijl kunnen vergelijken met Friedrich Nietzsche, Léon Bloy en Emil Cioran. De rode draad in zijn werk is wat het betekent om in ons tijdvak een reactionair te zijn, ofschoon eigenlijk elk onderwerp wel aan de orde komt: democratie, kunst, industrialisme, vooruitgang, de staat, liefde, God, noem het maar op. Toch is er orde in zijn denken, en kunnen wij drie hoofdthema’s onderscheiden: religie, reactie en scepticisme. ❦   De totale afhankelijkheid van God Het is onmogelijk om de filosofie van Gómez Dávila te begrijpen zonder zijn godsdienstige opvattingen te begrijpen. Want zijn filosofie valt uiteindelijk terug op zijn strenge rooms-katholieke geloof, waar de mysterieuze, almachtige werking van God en de beperkte menselijke natuur centraal staan. Gómez Dávila meende, in tegenstelling tot de Verlichtingsdenkers en de moderne mens (die men wel het kind van de Verlichting kan noemen), dat we niet volledig autonoom zijn, maar dat we juist volledig afhankelijk zijn van Gods genade: “To depend solely on God’s will is our true autonomy”. Geloof is geen beperking van de vrijheid. Integendeel, het is juist een verrijking daarvan, want zonder het geloof is de wereld en daarmee het leven betekenisloos. Zonder het geloof is de mens geforceerd om te knielen voor valse goden, in de vorm van ideologieën, om het bestaan draaglijk te maken, of, beter gezegd, om niet krankzinnig te worden. Die ideologieën zijn kwaadaardig: “Where Christianity disappears, greed, envy, and lust invent a thousand ideologies to justify themselves”. Daarom zag Gómez Dávila de neiging van de moderne mens om de gehele, complexe werkelijkheid tot zichzelf te reduceren als een van haar grootste kwalen. In al haar ongeloof heeft de mens zichzelf tot heerser van de wereld gekroond, met in zijn rechterhand het bijgeloof van vooruitgang, en in zijn linkerhand de lat van de rede, waarmede hij gerechtvaardigd denkt te zijn om de wereld naar zijn hand te zetten. “Modern man has imprisoned himself in his autonomy, deaf to the mysterious sound of the surge that beats against our solitude” – en ondertussen verziekt de mens alles wat mooi is aan deze wereld, van culturen tot de schone natuur zelf. Zij bouwt voort naar haar einde, onwetend dat de afgrond nabij is. Gómez Dávila is streng katholiek, dat is wel duidelijk. Maar hij is allesbehalve een slaaf van de katholieke kerk. Immers, Gómez Dávila had genoeg kritiek op de kerk. Zo erkende hij bijvoorbeeld dat de geschiedenis van de katholieke kerk veel zwarte pagina’s bevat en betreurt hij de manier waarop de kerk, in de nasleep van Vaticanum II, allerlei hervormingen invoerde, niet omwille van het geloof, maar omwille zo veel mogelijk zieltjes te winnen. Daarnaast kan men zijn geloof ook niet dogmatisch noemen. Het heeft eerder een fideïstisch karakter. Dat wil zeggen, Gómez Dávila benadrukt in veel van zijn aforismen juist de twijfel en de bewondering die noodzakelijk verbonden zijn met het geloof. Geloven is immers iets anders dan weten: “No principle is convincing and every conviction is uncertain. Faith is not a conviction, nor a principle, but naked existence… Faith is not knowledge of the object. But communication with it.” ❦   De betekenis van het reactionair zijn De rode draad van het gehele werk van Gómez Dávila is, zoals gezegd, wat het betekent om vandaag de dag reactionair te zijn. Het gaat er hier niet alleen om wat zijn opvattingen behoren te zijn, maar tevens hoe hij tracht te leven. Om erachter te komen wat het reactionair zijn wel is, is het nuttig om eerst na te gaan wat het niet is. Wanneer de meeste mensen aan een reactionair denken, denken zij waarschijnlijk aan iemand die “de klok wil terugzetten”, en die zowel vurig religieus als vurig intolerant is ten opzichte van andersdenkenden. Zoals we nu wel begrijpen is Gómez Dávila zeker vurig religieus. Maar mensen die vanuit een soort nostalgisch verlangen de tijd terug willen zetten vond hij minstens zo belachelijk als de vooruitgangsapostelen, die denken dat de mens in staat is om de geschiedenis in de richting van een utopie te sturen (mits we daarbij maar genoeg herrie maken en zo veel mogelijk eigendom vernielen, want dat is waar het allemaal op neerkomt, zo is het toch?). Telkens weer zien we Gómez Dávila de moderne mens op de vingers tikken, door te wijzen op haar  volledige onmacht om de koers van de geschiedenis, die het bloed en de dood eigen is, te bepalen: “It is indecent, and even obscene, to speak to man of “progress,” when every path winds its way up between funerary cypresses.” De mens kan niet waarheidsgetrouw de geschiedenis ordenen; het zal altijd voor ons een willekeurig karakter hebben.‘Grote verhalen’ zijn slechts menselijke, simplificaties. Alleen God bezit kennis van het Mysterie. Wat echter wel zeker is, althans voor de katholiek Gómez Dávila, is dat alle ellende pas ophoudt in het Einde der Tijden, wanneer de Zoon des Hemels terugkeert op aarde, en Hij het Koninkrijk Gods vestigt… Maar voor die tijd zakken wij allen weg in het slijk der geschiedenis. Daarom ziet de reactionair dat het onmogelijk is om de tijd terug te zetten. Naïef is hij dus niet. Intolerant is hij evenmin, want anderen terroriseren met jouw ideeën heeft geen zin en heeft veeleer rampzalige gevolgen. Wat de reactionair wel is, is de beschermer van cultuur: een van de weinige dingen, naast de liefde en religie, wat waardevol is te midden van onze door geld en status gedreven wereld. Cultuur – hier in de brede zin: kunst, tradities, zeden, waarden – is namelijk het enige wat zich nog, tot een bepaalde hoogte, kan onttrekken aan het kapitalisme en het rationele denken. Beide zijn systemen die ofwel alles tot een geldsom maken, ofwel alle dingen zodanig ordenen dat het mooie, mysterieuze karakter ervan verdwijnt. Desalniettemin erkent Gómez Dávila dat deze ‘conservatiemissie’ zeer waarschijnlijk tevergeefs is, gezien de weg van de geschiedenis. Ook de reactionair is uiteindelijk maar een mens, met al haar beperkingen, die eenzaam in de woestijn schreeuwt. “The reactionary today is merely a traveler who suffers shipwreck with dignity… that fool, who possesses the vanity to judge history, and the immorality to come to terms with it.” Toch is zijn verzet niet nutteloos, meent hij, zolang hij op de kracht van God vertrouwt. Enkel een wonder kan ons redden van de afgrond. Moderne mensen overtuigen van het reactionaire denken via argumenten is zinloos. De reactionair kan enkel hopen dat anderen zich bekeren, of op zijn minst achterdochtig worden, zodat zij, met hem, in kalmte en duisternis, het juk der moderniteit van zich afscheuren, en bidden tot Hem die waarheid zijt. Misschien heeft hispanoloog Robert Lemm de betekenis van het reactionair zijn nog het best weten te verwoorden: “Hij kijkt niet vooruit, en niet achteruit, maar naar boven, naar de sterren en de hemel; naar de sporen die de Eeuwigheid heeft achtergelaten in de Tijd.” ❦   Zekerheid in scepticisme Gómez Dávila is een zeer ‘stellige’ schrijver. Daarmee bedoel ik dat hij dingen niet uitlegt, of heel expliciet argumenten uiteenzet. We zouden hem daarom kunnen betichten van dogmatisme. Wellicht ook van hoogmoed. Deze kritiek is begrijpelijk, dus er moet een antwoord op geformuleerd worden. Het antwoord schuilt, mijn inziens, enerzijds in de functie van het aforisme voor Gómez Dávila, en anderzijds in zijn filosofisch scepticisme. Gómez Dávila was ervan overtuigd dat men geen dikke boeken behoeft te schrijven om de waarheid te verkondigen; ook een paar scherpe zinnen kunnen diezelfde functie vervullen, op een manier die vaak directer en grootser aanvoelt. De kracht van het aforisme is dan ook dat er zo veel meer mee gezegd wordt dan in eerste instantie het geval lijkt te zijn. Want het aforisme refereert, zij het impliciet, aan andere waarheden. Samen vullen ze elkaar aan en worden ze in de juiste context geplaatst. Het aforisme is daarom te vergelijken met het licht van de opkomende zon, die ons ertoe aanzet om het verborgen landschap te verbeelden. Niettemin blijven het fragmenten, die slechts een deel van de waarheid uitdrukken. Velen zien dit als een probleem. Gómez Dávila meent echter dat dit helemaal niet het geval is. Grote filosofische problemen – zoals het bestaan van God of een objectieve morele orde – hoeven niet altijd opgelost te worden: “Metaphysical problems do not haunt man so that he will solve them, but so that he will live them”. De zoektocht naar 'ware oplossingen' is belangrijk, maar minstens even belangrijk is dat de mens in een continue dialoog staat met de wereld en de ideeën die hij heeft over de wereld, zonder tot hoogmoed te vervallen. Deze houding van Gómez Dávila expliciteert zijn scepticisme, aangezien hij van mening is dat onze vermogens met betrekking tot kennisverwerving uiteindelijk weinig voorstellen. Gómez Dávila’s aforismen moeten wij dus niet opvatten als een dogmatisch systeem. Het zijn eerder losse fragmenten die met elkaar losjes verbonden zijn. Daarom kunnen we zijn vele, vaak meedogenloze stellingen niet als dogmatische geboden beschouwen. Die zijn slechts het eindpunt van Gómez Dávila’s persoonlijke zoektocht naar de waarheid. Daarbij was originaliteit nooit een doel op zich: het ging er enkel om, datgene proberen te schrijven wat al in de hemel geschreven staat, maar wat mensen in onze tijd zijn vergeten. Aan het einde van zijn leven grapte hij: “My convictions are the same as those of an old woman praying in the corner of a church”. Het mag gezegd worden: deze vergeten filosoof kent zijn plek. ❦ Literatuur Lemm, R. (2014). De Authentieke Reactionair. Groningen: Uitgeverij De Blauwe Tijger. http://don-colacho.blogspot.nl/ (– Voor de engelse vertalingen van alle aforismen van Nicolás Gómez Dávila; daar vindt u overigens ook andere informatie over de man waaronder een biografie en essays.)
Noud Ingen-Housz Noud Ingen-Housz

Noud Ingen-Housz ~ de presidentsverkiezingen

In het kader van de verschijning van zijn boek Zo bezig met zichzelf: een politieke biografie van Frankrijk, laat Noud Ingen-Housz zijn licht schijnen op de aanstaande presidentsverkiezingen in dat land. Voor meer relevante achtergronden verwijzen we graag naar zijn zeer heldere en informatieve boek. FRANKRIJK “Waarom zijn de Franse verkiezingen belangrijk voor Nederland en de EU?”. Het onderstaande gaat schematisch op deze vraag in. 1 – DE NATIONALE CONTEXT §1 – Sinds de verkiezing van François Hollande tot president, in 2012, heeft Frankrijk ondermaats gereageerd op de moeilijkheden van het tweede stadium van de dubbele financiële crisis van 2008 (subprime) en 2010–2011 (euro). De jaren 2009–2016 werden gekenmerkt door steeds toenemende werkloosheid. Met name de symbolisch belangrijke industriële sector en de handelsbalans toonden in stijgende mate tekorten. Pas sinds eind 2016 is de werkloosheid iets onder de 10 procent gekomen als gevolg van licht oplevende bedrijvigheid, en is de concurrentiekracht van het – veelal middelmatige – Franse product in grote trekken genormaliseerd. In de afgelopen vijf jaar is de geloofwaardigheid van het democratische bestel in de ogen van talrijke Fransen steeds negatiever uitgevallen. Onmacht om de financiële crisis te boven te komen wordt in deze kringen beschouwd als het falen van een republiek die niet in staat is om, in het belang van iedereen, “de economie te beteugelen”. Onder de huidige, conjunctureel weinig veranderende, omstandigheden heeft dit verschijnsel een extra impuls gegeven aan, in Frankrijk al lang gebruikelijk, wantrouwen tegenover een “systeem” dat door velen wordt gezien als gemanipuleerd door financiële belangen. In de Franse geschiedenis is de uitdrukking “het systeem” in verschillende perioden gebruikt in geval van democratisch onbehagen. §2 – De twee elkaar opvolgende ambtstermijnen van president Mitterrand (1981–1995) eindigden met tweejaarlijkse perioden van cohabitation waarin de gaullisten het, dankzij een parlementaire meerderheid, voor het zeggen hadden. Tijdens het presidentschap Chirac (1995–2007) deed zo’n situatie zich in omgekeerde zin voor. Twee jaar na het begin van zijn eerste ambtstermijn verloor hij zijn parlementaire meerderheid en werd hij tot een vijf jaar lange cohabitation met de socialistische regering Jospin gedwongen. Chiracs tweede termijn duurde – anders dan voorheen – vijf, in plaats van de voordien gebruikelijke zeven, jaar. §3 – De hierop volgende tienjaarsperiode van de presidenten Sarkozy (“rechts”) en Hollande (“links”) heeft grotendeels in het teken van de dubbele financiële crisis gestaan. In de ogen van bijna de helft van de bevolking is “het bewijs” geleverd dat het “systeem” van periodieke afwisseling (alternance) tussen “rechts” en “links” niet in staat is tegemoet te komen aan wat, voor het welzijn van de bevolking, van “de politiek” mag en moet worden verwacht. De verkiezingen van 2017 – eerst voor het presidentschap en een maand later (in juni) voor de Assemblée Nationale (de Nederlandse Tweede Kamer) – staan onder grote druk van de krachten die genoeg hebben van het bestaande binaire schema en uitzien naar andere – radicalere – “oplossingen”. Dat betekent dat voor de eerste ronde van de presidentsverkiezing op 23 april vier aanvankelijk bijna even sterke kandidaten de strijd aangaan om de eerste en de tweede plaats te verwerven die hen zal kwalificeren voor de tweede ronde op 7 mei. De personen om wie het hier gaat, zijn (met tussen haakjes hun kansen volgens opiniepeilingen per 18 april 2017): – Emmanuel Macron (24 %) – Marine Le Pen (23 %) – François Fillon (18,5 %) – Jean-Luc Mélenchon (18%) 2 – VAN EEN BINAIR KRACHTENVELD NAAR EEN VIERDELING §1 – De campagne voor de verkiezing van een nieuwe president heeft diepgaande breuklijnen aan de dag gelegd over de hierbij gangbare politieke beginselen. Sinds de instelling in 1962 van de verkiezing van een president bij algemeen kiesrecht, is “het systeem” ingericht op een quasi-exclusieve keuze tussen een “rechtse” of een “linkse” kandidaat op basis van een meerderheid der uitgebrachte stemmen. In lijn met deze door De Gaulle bij referendum opgelegde politieke logica, heeft regelmatige afwisseling van de macht tussen de twee politieke blokken plaatsgevonden. Sedert de stichting van de Vijfde Republiek in 1958 was het presidentschap 40 jaar lang in handen van “rechts”; 19 jaar in handen van “links”. De perioden van cohabitation besloegen 9 jaar (tweemaal 2 jaar onder Mitterrand en 5 jaar onder Chirac). Dit binaire machtsmonopolie staat sinds de afgelopen 17 maanden onder de invloed van de doorbraak van de antimoslim-ideologie en het anti-Europese nationalisme van het Front National (“FN”, geleid door de familie Le Pen). In december 2015 scoorde het FN bij regionale verkiezingen met 28 procent als de grootste partij. Deze ontwikkeling heeft de traditionele, twee grote regeringspartijen verzwakt en hun geloofwaardigheid en invloed op de publieke opinie aangetast. Dit bleek al bij Sarkozy’s nederlaag tegen Hollande in 2012 en daarna in groeiende mate tijdens het bewind van Hollande zelf. Beide leiders raakten verguisd: als er vorig jaar in Frankrijk eenstemmigheid heerste dan was het wel dat 85 procent van de bevolking wenste dat van de belangrijkste partijleiders noch Sarkozy noch Hollande kandidaat zou zijn bij de presidentsverkiezing van 2017. Geen van hen beiden heeft in die onmiskenbare boodschap willen geloven en eind 2016 hebben zij vrijwel tegelijkertijd schipbreuk geleden. §2 – Ten aanzien van de eigenlijke verkiezingscampagne vallen de hierna volgende ontwikkelingen van de eerste vier maanden van 2017 op: Ideologische tweedracht binnen de PS (“Parti Socialiste”) waardoor de zittende president, François Hollande, vanwege zijn spectaculair lage populariteit, geen kandidaat voor zijn eigen opvolging heeft kunnen zijn. Als gevolg hiervan wezen de socialisten in januari 2017 bij primaries (in het Frans “primaires”) als kandidaat een dissident van de partijlijn aan (dat wil zeggen Benoît Hamon en duidelijk niet Hollandes voormalige premier en politieke medestander Manuel Valls). Na deze splijting die de PS afdreef van zijn sociaaldemocratische middenlijn, kreeg Hamon bovendien de wind van voren van de extreemlinkse kandidaat Jean-Luc Mélenchon (ex-lid van de PS die niet aan de primaries had willen meedoen en een bewonderaar was en is van de politieke filosofie van Fidel Castro en Hugo Chávez). Deze intellectueel ingestelde volkstribuun en leider van 'La France insoumise', slaagde er tussen februari en april 2017 in zijn populariteit van 10 tot 20 procent verdubbelen, terwijl Hamon tezelfdertijd van 15 procent naar minder dan 9 procent afgleed. Mélenchon kan mogelijkerwijs de eerste of de tweede plaats bij de eerste ronde van 23 april halen. Doctrinaire tweedracht binnen de partij LR (“Les Républicains”, voorheen “UMP”). Bij in november 2016 gehouden primaries besloot de LR tot aanwijzing van een kandidaat voor het presidentschap die veel rechtser bleek te liggen dan de traditionele pseudo-gaullistische opstelling. Deze selectie leidde, in de eerste ronde, tot eliminering van Nicolas Sarkozy. In de tweede ronde legde de aanvankelijke favoriet, Chiracs premier (1995–1997) Alain Juppé – een centrumgaullist – het af tegen Sarkozy’s voormalige premier, François Fillon. Deze werd de officiële LR-kandidaat met een liberaal-conservatief program dat hard wil afrekenen met de huidige, door tekorten geplaagde, overheidsfinanciën en bijbehorende welvaartsstaat. Fillons keuze tastte de doctrinaire eenheid van de partij aan, waardoor deze hem maar matig steunde, zeker toen hij, kort na te zijn aangewezen, op sociaal gebied een grote vergissing maakte. Afgelopen januari kwam Fillon in werkelijke moeilijkheden toen gerechtelijke beschuldigingen over hem en zijn vrouw op gang kwamen over verrassende praktijken van onder meer voor parlementaire activiteiten bestemd geld uit de openbare kas (Penelopegate). Terwijl Fillon afgelopen november met 28 procent populariteit de favoriet was voor de presidentsverkiezing, zelfs voordat de betreffende beschuldigingen vorm kregen, zakte hij naar de derde plaats (na Le Pen en Macron), en laatstelijk naar een ex aequo-positie als nummer 3 naast Jean-Luc Mélenchon, die aanvankelijk als de waarschijnlijke nummer 5 achter Hamon werd beschouwd. Een bijkomende reden van Fillons stagnerende populariteit is de opkomst van een zelfstandige gaullistische – uiterst eurosceptische – kandidaat, Nicolas Dupont-Aignan, die is opgeklommen tot een populariteit van rond 4 procent. Hiermee brengt hij Fillons kansen op een eerste of tweede plaats op 23 april in nog groter gevaar dan al vanwege de tegen hem hangende beschuldigingen het geval was. Als presidentskandidaat scoort de nooit gekozen Emmanuel Macron momenteel iets hoger dan Marine Le Pen. Zijn partij (En Marche!) bestaat pas twaalf maanden. Het feit dat hij in november 2016 kandidaat voor het presidentschap is geworden voordat hij kon vermoeden dat de LR geen sterke kandidaat zou leveren, wijst op een uitzonderlijk karakter. Zijn sociaalliberale opstelling die expliciet “noch van links noch van rechts” is, zou in geval van slagen voor het Elysée een diametrale doorbraak in het Franse politieke landschap betekenen, zeker in geval hij bovendien de parlementaire verkiezingen tot een succes zou weten te maken. De 2.0-moderniteit van zijn program staat buiten kijf maar staat onder spervuur én van “rechts” (Fillon) én van “links” (vooral Mélenchon) én van Marine Le Pen. Macrons handicaps zijn reëel (met name zijn leeftijd – 39 jaar – en de afwezigheid van enige gekozen functie; zijn jeugd-stimulerende program dat evenwel voor menigeen hybride of te vaag blijft; en de impliciete steun die hij van zijn vroegere baas Hollande krijgt). Daartegenover staat de belangrijke factor van vernieuwing in een land dat zich kennelijk los wil maken van het traditionele links-rechtsschema dat tot de huidige collectieve impasse heeft geleid. Sinds de regionale verkiezing van december 2015 is Marine Le Pen gedoodverfd als nummer 1 bij de eerste ronde van 23 april. Alle andere partijkandidaten hebben zich zo opgesteld dat zij konden hopen daarbij nummer 2 te worden. In de afgelopen weken is onzekerheid ontstaan over de vraag of zij op 23 april inderdaad als nummer 1 uit de bus zal komen. Om tactische redenen schijnt zij voor de tweede ronde liever Macron dan Fillon of Mélenchon tegenover zich te krijgen. 3 – DE ONZEKERHEDEN §1 – De opinieonderzoeken van 18 april blijven zeer voorzichtig over de mogelijke uitslag van de eerste ronde op 23 april: alle vier bovengenoemde belangrijke kandidaten kunnen hopen de tweede ronde te halen (Hamon kan als uitgeschakeld worden beschouwd). De stemming op 23 april is van het grootst mogelijke belang want als waar mocht zijn dat Madame Le Pen nummer 1 zou worden, is de persoon van nummer 2 van doorslaggevende invloed op de uitslag van de tweede ronde. Het moeilijkste dilemma voor de kiezers zou zijn een keuze te moeten maken tussen Le Pen en Mélenchon bij de tweede ronde. Ook in zo’n geval van strijd tussen twee extremen (iets wat voor de traditionele Franse kiezers een aardbeving zou inhouden) schijnt Madame Le Pen de strijd te zullen verliezen. Mochten Fillon of Macron bij de eerste ronde die tweede (of eerste) plaats weten te bemachtigen dan zouden zij beiden, volgens de opinieonderzoeken, de stemming zonder probleem tegen haar winnen. Maar noch Macron noch Fillon zou meer dan 62 procent van de uitgebrachte stemmen krijgen (Fillon vrij wat minder dan Macron). §2 – De voornaamste factoren van ongerustheid over de uitslag van de presidentsverkiezing – dat wil zeggen een beslissing van de kiezers om uit de EU te willen treden – liggen op de volgende gebieden: Stemonthouding in de tweede ronde, waardoor de stemmen voor Le Pen een evenredig groter gewicht ten opzichte van het geheel zouden kunnen krijgen. Deze factor krijgt minder gewicht naarmate de belangstelling voor deelneming aan de verkiezing toeneemt. Normaal gesproken bedraagt deze 80 procent. Thans is de hoogte van deelneming nog zeer onzeker: er is sprake van 67 procent, maar waarschijnlijker is dat de grens van 70 procent ruim zal worden overschreden. Een ander punt is de opkomst van de extreemlinkse Mélenchon die in die mate (hij is zojuist van 20 naar 18 procent teruggezakt) niet was voorzien. Een duel Le Pen-Mélenchon in de tweede ronde zou Mélenchon wel tot president maken, maar zou eveneens een breuk met de EU betekenen (afgezien van het feit dat Mélenchon van de nieuw te kiezen Nationale Vergadering een “constituante” wil maken die binnen zes maanden de stichting van een Zesde Republiek zou moeten voorbereiden, waarna de nieuwgekozene zou terugtreden). In die zes maanden zou Frankrijk formeel niet zomaar uit de EU kunnen treden. In het geval dat Fillon of Macron in de tweede ronde tegenover Marine Le Pen zou staan, is er weinig onzekerheid over handhaving van Frankrijk in de EU. Beide kandidaten houden het erop dat zij zich “in het begin” niet zouden kunnen houden aan een begrotingstekort van maximaal 3 procent. Het land zou zich derhalve aansluiten bij de Zuidelijke eurolanden om zo lankmoedig mogelijk door de Eurogroep te worden behandeld. Een mogelijke overwinning van Macron opent de deur naar een volgende onzekerheid (afgezien van zijn gebrek aan politieke ervaring van meer dan twee jaar als minister): zal hij in staat zijn een samenhangende en werkzame parlementaire meerderheid te verkrijgen? Zijn kandidaten voor de 577 zetels in de Nationale Vergadering zullen vaak onbekenden zijn die hard zullen moeten vechten tegen plaatselijke grootheden die bekend zijn geworden in recente tijden waarin de PS en de LR nog veel invloed hadden. Deze onzekerheid wordt echter getemperd door het feit dat de kiezers over het algemeen proberen een nieuwe president een hem steunende parlementaire meerderheid te geven. Mocht Macron op dit punt een te zwakke parlementaire basis krijgen dan zou hij met parlementariërs van “links” en/of van “rechts” een regeerakkoord kunnen sluiten, waardoor hij op voldoende steun van de Nationale Vergadering zou kunnen rekenen. De onzekerheid over de mate van parlementaire steun voor Macron weegt veel minder in het geval dat Fillon het pleit zou winnen. Dankzij het partijapparaat van de LR is er een gerede kans dat Fillon veel meer parlementaire armslag zou krijgen dan Macron. Of dat argument de kiezers ertoe zal bewegen hun aarzelingen tegenover Fillon in verband met Penelopegate opzij te zetten, is nog maar de vraag. §3 – De risico’s voor Nederland en de EU De meest in het oog vallende risico’s zijn de volgende: een aanslag in afwachting van de einduitslag op 7 mei. Zo’n gebeurtenis zou onberekenbare gevolgen hebben; op 18 april zijn in Marseille twee hoogst gevaarlijke terroristen gearresteerd die klaar stonden voor een spectaculaire aanslag bij een politieke bijeenkomst (wellicht die van Marine Le Pen in Montpellier op de 19e). de verkiezing van Le Pen of Mélenchon zou een zo frontale botsing met de EU opleveren dat de unie hier wellicht niet tegen opgewassen zal zijn; zo’n botsing zou in het geval van een presidentschap van Mélenchon minder dramatisch kunnen zijn omdat constitutionele hervorming voor hem prioriteit lijkt te hebben en hij de economie daarvoor niet onmiddellijk zou willen verstoren; Marine Le Pen zegt niet uit de euro te willen treden voordat daarover, na zes maanden onderhandeling met “Brussel”, een referendum zou zijn gehouden. Dit schijnargument kan niet verhinderen dat een Frankrijk onder Le Pen niets anders op het oog zou hebben dan uit de EU te treden. Over de uitreding van Frankrijk uit de euro in een van voornoemde gevallen valt nog wel op te merken dat hier een van de schizofrene aspecten van het Franse volk aan de dag treedt. Daar waar, naar verwachting, een kleine meerderheid van alle stemmen die in de eerste ronde op de elf kandidaten zullen worden uitgebracht tegen de EU en de euro zal zijn gericht, is een constant gegeven bij de opiniepeilingen dat niet meer dan 28 procent van de bevolking die stap werkelijk wil nemen. Hoe dan ook, geen van de twee andere presidentskandidaten (Fillon en Macron) stelt in het vooruitzicht dat Frankrijk binnen de komende vier à vijf jaar in staat zal zijn te voldoen aan het Maastrichtse criterium dat een begrotingstekort minder dan 3 procent van het bruto binnenlandse product behoort te zijn. Ook dat aspect is van belang voor Nederland en de EU.
Jan Storm Jan Storm

Verkiezingsblog 2017

In onderstaande columns betoog ik dat Nederland een twee-klassen-samenleving is. De eerste klasse (de regenten) bepaalt de agenda van het land en neemt binnen die agenda alle beslissingen. Met recht kan men zeggen dat zij stemrecht heeft. De heersende klasse telt volksvertegenwoordigers, leden van adviesraden, rechters, burgemeesters, ombudsmannen en hoge ambtenaren. Zij heeft zich georganiseerd in politieke partijen. De tweederangs-burgers (de rest) hebben geen stemrecht, maar slechts kiesrecht: déze burgers mogen alleen om de paar jaar uit het aangeboden assortiment politieke partijen er één kiezen. Een twee-klassen-maatschappij is evident niet-democratisch: Het is niet democratisch als de ene groep burgers de andere uitsluit van besluitvorming over onderwerpen die allen aangaan. En het is, vanuit democratisch oogpunt, nog erger als de heersende klasse een kleine minderheid is en de overheerste klasse de meerderheid, de zeer grote meerderheid. En het is extra ondemocratisch als de regenten bij hun besluitvorming wèl de belangen van lobby’s (en hun eigen carrièreperspectieven) in het oog houden. Onvermijdelijk leidt een twee-klassen-systeem tot besluiten (en dus tot een samenleving) die niet overeenstemt met de wensen van de gewone burgers. Helaas zal dit systeem niet uit zichzelf veranderen: het is goed dichtgetimmerd. De gewone burgers hebben geen hoger beroep tegen de beslissingen van de regenten - en geen zeggenschap over wie er tot de regentenklasse mag toetreden. Het systeem is door generaties van regenten naar eigen smaak vormgegeven. De burgers van Nederland hebben er nooit hun mening over mogen geven. Het treurigste van dit alles is nog dat ondemocratische bestuurssystemen ook ondoelmatig zijn. In Zwitsers onderzoek zijn systemen met burgerinvloed vergeleken met bestuur via volksvertegenwoordigers; en toen bleek dat vertegenwoordigende ‘democratie’ leidt tot ondoelmatigheid, hogere overheidsschulden en een slechtere belastingmoraal. Ondemocratische systemen verstikken namelijk de creativiteit, inzet en energie van de uitgesloten burgers; ze maken de burgers calculerend. Dit soort systemen is in vele zich democratisch noemende landen al eeuwenlang staande praktijk. Montesquieu noemde zo’n stelsel geen democratie maar een aristocratie. Het is hoog tijd dat we een eind maken aan de tweedeling tussen kiezers en gekozenen en een echte democratie gaan opbouwen. Een vanzelfsprekende eerste stap is om alsnog het correctief referendum (op 18/19 mei 1999 in de Eerste Kamer nipt verworpen) in te voeren. Daarmee krijgen de burgers het recht om de beslissingen van de volksvertegenwoordigers achteraf te mogen corrigeren. Maar echt democratisch wordt het pas met het volksinitiatief: het systeem waarin burgers (met zekere procedurele waarborgen) voorstellen bij de gehele kiesgerechtigde burgerij in stemming kunnen brengen en voorstellen die worden aangenomen ook echt worden ingevoerd. Als we het volksinitiatief invoeren is de tweedeling tussen kiezers en gekozenen voorbij. Dan nemen we in dit land de beslissingen samen en stemmen die beslissingen dus overeen met de opinie van de burgers. 12. De kiezers weten niets beters te doen dan telkens wegstemmen wie geregeerd heeft. James Madison (1751-1836), een van de aartsvaders van de Amerikaanse Grondwet, hield in federalist paper 63 rekening met de mogelijkheid dat vertegenwoordigers de belangen van het volk niet goed zouden behartigen. En hij vreesde (papers 10 en 51) dat de volksvertegenwoordiging overheerst zou worden door facties en heethoofden die slechts oog zouden hebben voor de korte termijn en voor lokale belangen. Om te komen tot een bezonnen wetgeving pleitte hij (op het spoor van Montesquieu) voor een volksvertegenwoordiging bestaande uit twee Kamers die via verschillende mechanismen zouden worden gekozen en de regel dat een voorstel pas wet zou worden als beide Kamers het hebben goedgekeurd. De twee Kamers zouden elkaars rivaal moeten zijn en elkaar op het rechte pad houden. Madison hoopte dat het volk de besten en meest deugdzamen tot zijn vertegenwoordigers zou kiezen, dat die zich zouden opstellen als hoeders van de rechten en vrijheden van de burgers en hen zouden beschermen tegen de overheid, zouden stemmen op grond van hun geweten en zich zouden verantwoorden tegenover hun kiezers. De kiezer zou hen wakker en integer houden door hen al of niet te herkiezen. Volksvertegenwoordigers zouden in hun wijsheid begrijpelijke wetten opstellen; dan zou de burger zich ermee identificeren en zich eraan houden. Hoe anders is het gelopen! Er verschenen politieke partijen ten tonele en die deden precies waar Madison voor gewaarschuwd had. Volksvertegenwoordigers danken hun zetel aan hun aanzien in de partij, zij ontlenen hun legitimatie aan die partij en identificeren zich veel meer met de partij dan met de kiezer. Een politicus zal doorgaans zijn leven lang bij dezelfde partij blijven en door dik en dun partijgenoten steunen tegenover politici van andere partijen. Vertegenwoordigers van een politieke partij in de ene Kamer van de volksvertegenwoordiging stemmen af met hun partijgenoten in de andere Kamer. De ‘strijd’ tussen de twee Kamers verbleekte vergeleken met die tussen de partijen. Politici maakten bestuur en wetgeving ingewikkeld. De kiezer kon de verrichtingen van de politici daarom moeilijk meer beoordelen. De partijen werden zo onkwetsbaar dat ze zich weinig van de kiezers hoefden aan te trekken. Ze doen alsof ze elkaar bestrijden maar fundamenteler is hoezeer hun belangen parallel lopen. Verkiezingen verwerden tot reclamecampagnes en wedstrijden in ontwijken en denatureren van de onderwerpen waar het over zou moeten gaan. De focus kwam meer te liggen op het goede sier maken met het uitdelen van cadeautjes dan op Madisons bewaken van de burgerlijke vrijheden. De kiezers zijn ontevreden maar weten geen tegenspel te bieden, ze weten niets beters te doen dan telkens weg te stemmen wie geregeerd heeft. Hoe is dan verstandig beleid te verwachten? 11. Competitie tussen politieke partijen is een toneelstuk Dat politieke partijen zich van elkaar willen onderscheiden, is te begrijpen; maar ik denk dat ze daarin doorslaan: ze maken de tegenstelling regering/oppositie onnodig scherp. En ze maken de kiezers gek met overtrokken beloften en met het demoniseren van elkaar, zeker in de aanloop tot verkiezingen. Na de verkiezingen blijkt niemand de meerderheid te hebben behaald en moet er een coalitie komen. De opgehitste kiezers moeten worden teleurgesteld, want de verkiezingsbeloften kunnen niet integraal worden nagekomen. De partijen beschuldigen elkaar van kiezersbedrog en het spel begint weer van voor af aan. Hoe kun je zo ooit tot een harmonieus beleid komen? In een districtenstelsel heb je meestel twee grote partijen die ombeurten sterk uit de bus komen. Die partijen bestrijden elkaar. Wie de meerderheid haalt kan zonder coalitiepartner de regering vormen. Dáár is een duidelijke tegenstelling regering/oppositie logisch, dáár is zo’n tegenstelling begrijpelijk. In Nederland hebben we echter (gelukkig) een evenredig kiesstelsel. Elke partij die hier de kiesdeler haalt krijgt een zetel. Dit levert in de Tweede Kamer een waaier van partijen op waaruit relatief makkelijk een coalitie te vormen is. Een scherpe tegenstelling regering/oppositie is hier helemaal niet nodig. Er is een prima alternatief voor dat eeuwige gekibbel tussen politieke partijen: werken met coalities waarin alle ‘constructieve’ partijen meedoen. Laat de partijen stoppen met hun toneelstuk dat ze elkaar zo haten. Laten ze stoppen districtenstelseltje te spelen. Het is een kronkel waarmee ze zich alleen maar vastdraaien. 10. Verband tussen democratie en economisch/maatschappelijk succes? De meeste grondwetten dicteren een bestuurssysteem waarin een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) mag meepraten en meebeslissen, en de rest – de grote meerderheid – niet. Iedereen begrijpt dat dit niet democratisch is, maar het is in praktisch de hele wereld staande praktijk. Je zou misschien kunnen zeggen: niet democratisch oké, dat is misschien wel zo, maar het functioneert in de westerse democratieën toch heel aardig? Laten we eens proberen een onderzoeksopzet te bedenken om dat na te gaan. Laten we landen met veel burgerzeggenschap vergelijken met landen met weinig burgerzeggenschap. Dat wordt moeilijk, want hoe corrigeer je voor de specifieke omstandigheden van de verschillende landen? Globaal ziet het er wel naar uit dat landen met ontwikkelde democratieën, met veel vrijheid, het beter doen dan dictatoriaal geregeerde landen. Maar binnen de groep democratische landen is het moeilijk harde uitspraken te doen: de verschillen in democratie zijn te klein en die in andere kenmerken te groot om een verband te kunnen leggen tussen democratie enerzijds en economisch dan wel maatschappelijk succes anderzijds. Ik wijs u op het boek Die direkte Demokratie, Modern, erfolgreich, entwicklungs- und exportfähig (1999) van Kirchgässner, Feld en Savioz. Het bevat econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over Zwitserse gemeentelijke en kantonnale financiën. In mijn boek, Welke democratie?, heb ik de hoofdzaken eruit geciteerd. Het boek van Kirchgässner et al. is in Nederland niet te koop en zelfs in Universiteitsbibliotheken niet te lenen. Het gaat over econometrische analyses, uitgevoerd op statistisch materiaal over gemeentelijke en kantonnale financiën. Omdat in Zwitserland in het openbaar bestuur allerlei lokale varianten van democratie naast elkaar bestaan – die verschillen konden ontstaan omdat de beslissingsbevoegdheid voor het inrichten van het bestuur bij de plaatselijke burgers ligt – kunnen nu stelsels met een verschillende mate van burgerinvloed met elkaar vergeleken worden. Het blijkt dat burgerinvloed leidt tot lagere kosten, lagere schulden, een betere belastingmoraal en doelmatigheidswinst. Kirchgässner et al. rapporteren geen ideologische programmapunten of wensdromen, maar boekhoudkundige feiten. Directe democratie is blijkbaar doelmatiger dan democratie via volksvertegenwoordigers. 9. Grondwetten berusten op wantrouwen Praktisch alle grondwetten op aarde zijn geschreven vanuit wantrouwen van de eigen burgers. Deze grondwetten construeren het bestuurssysteem van het betreffende land zó dat de burgers buiten spel blijven en dus geen kwaad kunnen, maar geven hen tegelijk de illusie dat alles keurig in orde is. Het zal u niet eens meevallen om zelf zo’n systeem te ontwerpen, maar de heersende klassen van de meeste westerse ‘democratieën’ is het gelukt. De enige uitzondering is Zwitserland; daar is het bestuurssysteem gebaseerd op vertrouwen van de burgers. Gelukkig dat deze ene afwijkende casus bestaat, want daardoor weten we dat een systeem gebouwd op vertrouwen kan bestaan. En elke objectieve waarnemer zal erkennen dat het in de praktijk nog best aardig werkt ook. Dat wantrouwen was in vroeger eeuwen misschien gewettigd, maar tegenwoordig zeker niet meer, nu de meeste burgers kunnen lezen en schrijven en de communicatiemiddelen enorm zijn verbeterd. Een systeem gebaseerd op wantrouwen kampt met minstens twee zwakke plekken. Eén: hoe kun je beargumenteren dat een klein groepje burgers (de politici, rechters, ambtenaren enz.) wel mag meepraten en meebeslissen en de rest, de grote meerderheid, niet. Twee: hoe kom je tot een nette methode om dat bevoorrechte groepje te selecteren. Het merkwaardige is echter dat de burgers in de westerse democratieën nu en dan best ontevreden zijn over hoe ze bestuurd worden en regelmatig de partijen en de politici wegstemmen die net geregeerd hebben, maar die twee fundamentele zwakheden niet inzien. 8. Het wezen van de partijdemocratie Kent u Zur Soziologie des Parteiwesens in der modernen Demokratie (1911, 1925) van Robert Michels (1876-1936)? Hij beschrijft, met het accent op Duitsland, de organisatorische mechanismen die in een politieke partij optreden, in een wereld waarin de overheid steeds meer taken en verantwoordelijkheden krijgt. Ik vat Michels’ betoog samen: politieke partijen bouwen een apparaat op, de sleutelposities komen in handen van beroepskrachten, deze beroepskrachten bepalen de partijlijn, zij trekken steeds meer taken naar de Staat toe en maken de wetgeving ingewikkelder. Daarmee wordt ook het politieke ambacht ingewikkelder. De leiders selecteren hun opvolgers, daarbij is trouw aan de partijlijn een belangrijk criterium. Met dat alles neemt de afstand tussen politici en kiezers toe. Michels ziet dit als wetmatigheden die in elke politieke partij zullen optreden (mogelijk vooral bij een groeiend takenpakket voor de Staat). Hij schreef dit al in 1911, toen de politieke partijen nog in de kinderschoenen stonden. In feite beschrijft Michels de politieke partij al met al als inherent contra-democratisch. Als we met Michels aannemen dat dit noodzakelijke patronen zijn in het politieke bedrijf, dan is het geen boosaardigheid van politici dat het zo gaat, maar komt dit patroon voort uit de innerlijke logica van het systeem ‘politieke partij’. Politici zijn dan eigenlijk net zo goed slachtoffer als wij allemaal. En dan er is misschien zelfs hoop. Op enkele plaatsen lijkt Michels zijn pessimistische analyse namelijk te koppelen aan het fenomeen vertegenwoordiging. Als we voor dat fenomeen nu eens alternatieven zouden kunnen ontwikkelen. Meer burgerzeggenschap dus: zelfredzame gemeenten, referenda en volksinitiatieven. Burger, emancipeer! 7. Weet u hoe de Nederlandse Grondwet het voor elkaar krijgt de kiezer buiten elke besluitvorming te houden? Door artikel 144 van de Grondwet van 1814. Dat artikel bepaalde namelijk dat de Grondwet alleen gewijzigd zou kunnen worden door de Staten-Generaal; en wel alleen als twee derde van het aantal leden vóór die wijziging was. Door dit artikel is het ten eerste volstrekt oninteressant wat de kiezers van de Grondwet mochten vinden: alleen de mening van de parlementariërs telt. En ten tweede bestendigde de Grondwet van 1814 door dit artikel zichzelf tot op de huidige dag: want als er geen twee derde meerderheid van de parlementariërs te vinden is voor een wijziging blijft de oude tekst staan. Nederland werd in 1814 een eenheidsstaat en een monarchie; de Staten-Generaal kreeg het monopolie op staatsrechtelijke beslissingen en mocht zijn gang gaan zonder ruggespraak met de kiezers. Er zijn in tweehonderd jaar best wijzigingen in de achtereenvolgende grondwetten doorgevoerd, maar de hoofdzaken uit 1814 zijn er allemaal nog steeds. Er komt immers natuurlijk nooit een twee derde meerderheid in de Staten-Generaal die dat anders wil. Onze parlementariërs vinden dat prima zo. En denkt u dat de kiezers deze opzet dan tenminste in 1814 duidelijk hebben mogen goedkeuren? Helemaal niet. Ten eerste is de Grondwet van 1814 in enkele weken in elkaar gezet; ten tweede is dat gedaan door een commissie van veertien aristocraten die door koning Willem I persoonlijk waren uitgezocht; ten derde was de tekst van de Grondwet slechts in kleine kring bekend en heeft er dus in het land praktisch geen discussie over plaatsgevonden en ten vierde was het kiesrecht in die eerste Grondwet beperkt tot zo’n 1,5 procent van de bevolking. Maar zelfs die 1,5 % van de bevolking heeft zich er niet over uit mogen spreken: de Koning selecteerde 600 notabelen – één derde moest van adel zijn – en nodigde hen uit om op 29 maart 1814 bijeen te komen in de grote kerk in Amsterdam. Die 600 – 474 waren komen opdagen – hebben over de Grondwet hun stem mogen uitbrengen, zonder discussie. Dit zijn allemaal feiten die je met enige moeite kunt nazoeken, maar die onze heersende klasse liefst stilhoudt. Beste kiezer, op 15 maart mogen meer mensen kiezen dan in 1814, wees daar maar dankbaar voor, dat heeft de heersende klasse u toch maar gegund. Maar de hoofdzaken van de opzet van ons land kunt u daarmee niet beïnvloeden. 6. De Tweede Kamer schrijft onze wetten en onze grondwet Die wetten en de Grondwet staan vol fraaie rechten; maar om die te mogen genieten, is de burger op alle kruispunten steeds weer aangewezen op politici, rechters, ombudsmannen, ambtenaren, en toezichthouders. Het meest simpele, logische en meest om­vattende recht – zelfbeschikking – dát krijgen de burgers niet. Waarom moeten de Nederlandse burgers onder voogdij staan van beroeps-volksvertegenwoordigers? Kijk om je heen als je deze zin leest in het winkelcentrum, het schoolplein of elders: overal zie je weldenkende zelfredzame burgers. De meesten van ons kunnen tegenwoordig lezen en schrijven en we heb­ben nu heel wat meer communicatiemiddelen dan paard en postduif. Waarom moet de Staat dan nog als een aristocratie georganiseerd zijn? Het belangrijkste recept voor verbetering van ons bestuurssysteem lijkt mij dat meer beslissingsbevoegdheid (en dus ook verantwoordelijkheid) komt te liggen bij de meest betrokke­nen, bij de burgers. Burgerzeggenschap is qua systeem eleganter dan de nu bestaande heerschappij via de omweg van volksvertegen­woordigers. (Bovendien, waarom zouden er twee klassen van staatsburgers moeten zijn?). Beslissen, betalen en profiteren komen met burgerzeggenschap dichter bij elkaar te liggen. Burgerzeggenschap is minder kwetsbaar voor lobby’s en het leidt dus tot betere beslissingen dan democratie via volksvertegen­woordigers (zie mijn boek Welke democratie?). Machiavelli schreef al in 1532 dat het volk gewoonlijk een verstandiger en stabieler oordeel heeft dan de vorst, maar nog steeds is het niet ingevoerd. Burgerzeggenschap komt ons misschien utopisch voor, maar dat is omdat we er geen ervaring mee hebben. Het is ons door de heersende klasse altijd ontzegd. 5. Krassen op het kartel Op 15 maart mogen we naar de kiesbus om de 150 zetels van de Tweede Kamer te verdelen. De Tweede Kamerleden nemen samen alle grote beslissingen over het landsbestuur. De politieke partijen maken daar de dienst uit (geheel onbedreigd kunnen zij zelfs beslissen hun bevoegdheden aan Brussel af te staan). Heeft de burger invloed gehad op de samenstelling van het assortiment politieke partijen? Op hun programma’s? Op hun kandidatenlijsten? Driemaal nee. Hoe durft de heersende klasse dit systeem democratie te noemen? Het volk mag om de paar jaar alleen kiezen binnen het voorgetoverde assortiment kandidaten van het voorgetoverde assortiment partijen, die slechts van elkaar verschillen in door henzelf bij elkaar gefantaseerde programma’s. De politieke partijen doen of ze elkaar bestrijden; zeker als verkiezingen naderen neemt het geluidsvolume toe. Maar op wezenlijke punten werken ze innig samen. Ten eerste: we houden de burgers eronder. Ten tweede: we scheppen leuke vervolgfuncties voor ‘oudere’ politici. Ten derde: we verdelen die baantjes zo dat we allemaal eerlijk aan bod komen. Het verdienmodel is ijzersterk: er zijn altijd 150 zetels te verdelen, de beloning voor een Kamerlid is ruim bovenmodaal en na enige jaren Kamerlidmaatschap is er een vervolgfunctie in de luwte, waar je zo mogelijk nog meer invloed hebt dan toen je Kamerlid was. Omdat de partijen het hier zo over eens zijn, hoor je er nooit iets over. Hoe iemand tot de heersende klasse toetreedt, is volmaakt schimmig, maar eenmaal binnen zijn er geen klokkenluiders of spelbrekers. Het systeem is door de Grondwet gegarandeerd en wordt door de media dagelijks opgehemeld en gezegend. Knappe kiezer die met zijn stem het kartel een krasje kan toebrengen. 4. Waarom heeft Nederland geen referendum? Jawel, sinds 1 juli 2015 hebben we het raadgevend referendum in het wetboek staan. Maar dat is een lege dop. Ten eerste kan de heersende klasse (de politiek) de uitslag van een raadgevend referendum rustig negeren, zoals we met het Oekraïne-referendum hebben gezien. Ten tweede heeft de heersende klasse in de wet het arsenaal onderwerpen enorm ingeperkt waarover een raadgevend referendum mag gaan. Het mag alleen gaan over een onderwerp waarover het parlement een besluit heeft genomen. Vervolgens wijst de wet nog allerlei categorieën onderwerpen aan waarover géén raadgevend referendum gehouden mag worden, ook al heeft het parlement er een besluit over genomen. Maar ook daarmee vond de heersende klasse nog dat ze niet genoeg barrières had opgeworpen: zelfs om deze lege dop in praktijk te brengen moeten de burgers enorm doorzetten (10.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen vier weken, vervolgens 300.000 handtekeningen van kiesgerechtigden binnen zes weken, en dan bij het referendum zelf een opkomst van minstens 30 procent). Waarschijnlijk was het de bedoeling het zo moeilijk te maken dat er nooit een referendum zou komen. Het is in 2015/16 tot ieders verbazing éénmaal toch gelukt. Nee, wat ik bedoel is: waarom heeft Nederland geen normaal (correctief) referendum? De Tweede Kamer had een wetsontwerp daartoe op 11 februari 1999 warempel goedgekeurd, maar de Eerste Kamer heeft het in de nacht van 18 op 19 mei 1999 nipt verworpen. Dat ontwerp stond ook vol drempels en barrières, maar het was tenminste correctief. Maar de Eerste Kamer wilde de kiezers dit democratische recht niet ‘geven’. Geven? Nota bene, wat een arrogantie. Volksvertegenwoordigers ontlenen hun legitimatie aan hun verkiezing door de kiezers. Alles wat zij zijn, zijn zij door de aanstelling door het volk. De kiezers zijn dus de opdrachtgever van de volksvertegen­woordigers. Het woord vertegenwoordigers zegt het al: de kiezers zijn de baas. Hoe haalt een vertegenwoordiger het in zijn hoofd zijn opdrachtgever het recht te ontzeggen hem instructies te geven? 3. Soevereiniteitsoverdracht Datum: 18 februari 2017 Het gaat om de Tweede Kamer, toch wel de belangrijkste volksvertegenwoordiging in Nederland. De Tweede Kamer vertegenwoordigt het Nederlandse volk en controleert de regering. Ons land is echter in 1957 toegetreden tot de Europese Gemeenschap (latere naam: Europese Unie). Een belangrijk punt daarvan is dat bevoegdheden van de lidstaten op Brussel overgaan. Stap voor stap werd steeds meer wetgeving in Brussel gemaakt en hoefden de ambtenaren in Den Haag die alleen maar netjes over te nemen. De nationale parlementen zoals de Tweede Kamer hadden eigenlijk steeds minder te doen. Tegenwoordig komt zelfs verreweg de meeste wetgeving uit Brussel. De media hebben dat niet goed door; ze hebben veel meer aandacht voor het nationale parlement dan voor het Europese. Ook zijn de ministers veel en vaak in Brussel om belangrijke zaken te doen, zonder dat de nationale media het merken. Vindt u het vreemd dat de Tweede Kamer en de regering zo vlotjes bevoegdheden afstaan? Ik wel. Sinds mensenheugenis streven alle machthebbers ernaar hun macht te vergroten. Waarom in EU-verband opeens niet meer? Misschien heeft een van de lezers van deze column een idee. Ik hoor het graag. Vindt u het vreemd dat de beloning van onze parlementariërs met sprongen omhoogging toen ze de verzorgingsstaat gingen opbouwen en hun werk dus belangrijker en verantwoordelijker werd? Nee, daar is wel iets voor te zeggen. Maar vreemd is wel dat de beloning niet weer daalde toen ze bevoegdheden aan Brussel gingen overdragen. 2. De kartelpolitiek Datum: 11 februari 2017  Hoe komt iemand op de kieslijst voor de Tweede Kamer, en nog wel op een verkiesbare plaats? Moet hij/zij er leuk uitzien? Kunnen presenteren? Ruime maatschappelijke ervaring hebben? Verstand hebben van het landsbestuur? Kennis van de Grondwet? Goed contact hebben met een belangrijke kiezersgroep? Is er een examen? Het is het raadsel van de parlementaire democratie. De politicologie heeft allerlei hypotheses bedacht en onderzocht. Het gaat toch om de zetels waar de agenda van het land gemaakt wordt en waar vele belangrijke beslissingen worden genomen. Een belangrijke eigenschap waarmee je je kwalificeert om op de kieslijst te komen, is dat je er de vorige keer ook op stond. Goede prestaties als fractie-assistent of als gemeenteraadslid in Amsterdam helpen ook. Je moet een beetje kneedbaar zijn – netjes volgens de partijlijn lopen. Je hoort dan tot de vriendengroep en bent geen bedreiging voor de anderen die een plaatsje op de kieslijst willen. In het verleden behaalde voorkeursstemmen vormen geen grote factor. Als je in de Kamer bent gekomen, is het verstandig meteen aan een exit-strategie te werken. En als je opnieuw verkozen bent helemaal. Want de collega’s vinden mensen met echt veel parlementaire ervaring ongewenst. Het is gezelliger allemaal even enthousiast en goedgelovig te zijn. Kijk dus actief rond naar een achterban waar een leuke vervolgbaan uit zou kunnen voortkomen. Cultiveer je contacten. Kiezer, sorry voor deze realistische uiteenzetting, u kunt hier natuurlijk weinig mee. U krijgt op 15 maart een lijst met namen voorgeschoteld zonder enige achtergrondinformatie over de mensen waaruit u mag kiezen. Er staan alleen voorletters en een woonplaats. Die achtergrondinformatie had u eerder zelf maar moeten opzoeken. Waar? Hoe? Ik weet het niet. 1. Op 15 maart mogen we naar de kiekebus Datum: 8 februari 2017 De keus is beperkt: We mogen één partij kiezen, uit het assortiment politieke partijen dat de Kiesraad heeft toegelaten. En vervolgens mogen we bij die partij één kandidaat kiezen uit de lijst die deze partij ons voortovert. Waarom loopt het landsbestuur via politieke partijen? Dat heeft de heersende klasse in de negentiende eeuw zo in elkaar gestoken. En de heersende klasse van nu timmert het systeem via de Kieswet jaar in jaar uit verder dicht. Probeer maar eens een nieuwe partij op te richten en er aandacht voor te krijgen in de media. En binnen de afzonderlijke politieke partijen: hoe gaat het daar? Heeft u wel eens geprobeerd binnen ‘uw’ partij een eigen kandidaat op de kieslijst geplaatst te krijgen: een ervaren integer persoon misschien zelfs? Vermoedelijk heeft u gemerkt dat uw partij een stevig bastion was. Vermoedelijk was er een leidend groepje van mensen dat al lang wist wat goed is voor u. Zo’n groepje houdt niet zo van eigen initiatief van de leden. De Staat heeft in ons land alles minutieus geregeld, maar regels hoe een partij hoort te functioneren zijn er nooit gekomen. De leidende groepjes van de diverse partijen zijn het namelijk over één ding steeds eens geweest: zij willen de vrije hand in hun jachtgebied, dus geen regels voor het partijwezen. Terwijl de politieke partij toch geldt als de draaischijf van de democratie. Onder invloed van die leidende groepjes zegt ook onze Grondwet niets over politieke partijen. Juridisch gesproken zijn de politieke partijen dus indringers in onze democratie. Maar in de praktijk zijn ze wel oppermachtig. Ik wens u wijsheid op 15 maart, want u heeft haast niets te kiezen.
Paul Cliteur Paul Cliteur

De harde tucht van de strafwet en het cultuurgoed dat we moeten verdedigen

Kanttekeningen door Paul Cliteur, als getuige-deskundige gemaakt tijdens het proces tegen G. Wilders op 3 november 2016, ter terechtzitting van de Arrondissementsrechtbank Schiphol te Badhoevedorp. ❦ Dames en heren, geachte leden van de Arrondissementsrechtbank en geachte leden van het Arrondissementsparket Den Haag! De juridische vraag die in het Wildersproces-II voorligt, is of in het Nederlandse recht een wet te vinden is die het strafbaar maakt dat iemand publiekelijk uitspreekt dat hij minder, minder, minder mensen van een bepaalde nationaliteit in Nederland of in Den Haag wenst. Dus stel dat iemand zegt: “Ik vraag aan jullie: willen jullie in deze stad en in Nederland meer of minder Amerikanen?” Of meer of minder Syriërs? Of meer of minder Fransen? Of meer of minder Ghanezen? Naar mijn overtuiging is in het Nederlandse recht geen wettelijke bepaling te vinden die dit verbiedt en sanctioneert. Artikelen die in dit verband vaak worden genoemd, naar mijn smaak ten onrechte, zijn de artikelen over groepsbelediging (art. 137c Sr.) en over aanzetten tot haat (art. 137d Sr.). Maar ik kan niet inzien dat dit een valide grond oplevert iemand te bestraffen die mensen van een bepaalde nationaliteit uit Nederland of Den Haag zou willen weren. De reden voor het standpunt dat ik hier inneem, is dat de genoemde artikelen een uitdrukkelijke beperking opvoeren voor hun toepasbaarheid. Ze zijn namelijk alleen toepasbaar wanneer de uitspraken iets te maken hebben met een van de volgende vijf punten: Ras Godsdienst Seksuele voorkeur Handicap Geslacht (alleen voor art. 137d Sr.) Nationaliteit wordt hierbij niet genoemd. En daaruit moeten we afleiden dat de Nederlandse wetgever ervoor gekozen heeft opmerkingen over nationaliteit niet strafbaar te maken (in tegenstelling tot de Franse wetgever bijvoorbeeld, die opmerkingen over nationaliteit wél strafbaar heeft verklaard). Extensieve interpretatie De enige reden die kan worden aangevoerd om de opmerkingen van dhr. Wilders die verwijzen naar een nationaliteit, wél onder de genoemde strafwettelijke bepalingen te laten vallen, is een van de vijf genoemde punten zodanig extensief (“breder”) te interpreteren dat daar ook nationaliteit onder wordt gebracht. En dan zal weer duidelijk zijn dat de meest gerede categorie “ras” is. Men zal dus moeten betogen dat Marokkanen een “ras” vormen. Er zijn vele argumenten die zich tegen een dergelijke extensieve interpretatie verzetten. Het meest voor de hand liggende argument is dat de aard van de werkelijkheid zich daartegen verzet: een nationaliteit is geen ras. Maar afgezien daarvan, er zijn ook meer morele en politieke argumenten tegen aan te voeren. Laat ik er vier noemen. Verstandige racismebestrijding Het eerste argument is dat het geheel tegengesteld is aan het ideaal van een verstandige bestrijding van racisme. Verstandige racismebestrijding houdt in dat alleen “echt racisme” moet worden bestreden onder die noemer. Wie zegt dat hij minder Amerikanen in Nederland wil, is wellicht anti-Amerikaans, maar geen racist. En wat voor Amerikanen geldt, geldt ook voor Marokkanen, Fransen, Polen en Syriërs. Wie de welvaart van Europa niet wil delen met Syrische vluchtelingen, is misschien hardvochtig of niet solidair, maar is geen racist. Rechtsstaat Een tweede reden om de strafwet niet naar analogie te gaan toepassen op iets dat daar strikt genomen niet onder valt, is dat de strafwet dient te functioneren onder het legaliteitsbeginsel. Burgers mogen verwachten dat zij niet worden gestraft door de overheid, tenzij die overheid duidelijk kan maken dat er een bepaling is die dat rechtvaardigt. Dit mag je ook het “beginsel van de rechtsstaat” noemen. Of het “beginsel van de rechtszekerheid”. Democratie Een derde problematisch punt is dat het hier de vervolging van een politicus betreft. En dat is een hele bijzondere situatie, want in een democratie moeten politici een grote vrijheid hebben om beleidsalternatieven af te wegen. Zij moeten nadrukkelijk ook kwesties aan de orde kunnen stellen die te maken hebben met selectiecriteria voor een beperking van de migratie. Vrijheid van expressie Als vierde en laatste punt zou ik willen wijzen op de grote betekenis van de vrijheid van expressie. Die vrijheid omvat volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens in Straatsburg niet alleen de vrijheid om opvattingen te huldigen waar iedereen het mee eens is, maar ook – en ik zou willen toevoegen: vooral – meningen die “offend, shock or disturb”, zoals het Hof aangaf in de Handyside-zaak uit 1976. In het bijzonder in een tijd, waarin die vrijheid van expressie tot voorwerp is geworden van wat ik noem “theoterroristische aanslagen” – ik verwijs naar de moord op Theo van Gogh in 2004, naar de moord op de redactie van Charlie Hebdo uit 2015, naar de dreiging jegens dhr. Wilders zelf – is die vrijheid van expressie een cultuurgoed dat we moeten koesteren. ❦ Paul Cliteur is de schrijver van Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders, dat op 14 november 2016 verscheen. Hierin vergelijkt hij de processen tegen Brigitte Bardot, Oriana Fallaci, Michel Houellebecq en Geert Wilders op basis van vreemdelingenvrees.  
Robert Lemm Robert Lemm

T.E. LAWRENCE, heraut van het kalifaat

❦ Het unieke van Lawrence is dat hij een man was van zowel de pen, als het zwaard. De oude Spanjaarden kenden het ideaal van 'armas y letras'. Het was mooi als je goed kon schrijven, maar nog mooier als je ook de wapens hanteerde. Zo kennen we onder andere: Bernal Díaz del Castillo, auteur van het als meesterwerk beschouwde Ware relaas van de verovering van Nieuw Spanje, die als soldaat had meegevochten in het leger dat Mexico veroverde; of Alonso de Ercilla, dichter van het eerste Amerikaanse epos La Araucana, die had meegedaan met de onderwerping van de Chileense indianen. Maar dat was vier eeuwen geleden. Lawrence had met The Seven Pillars of Wisdom in de twintigste eeuw op het punt van armas y letras zijn gelijke niet. Wat Lawrence voor de eenentwintigste eeuw actueel maakt, is dat hij aan de wieg stond van de huidige chaos in het Midden-Oosten. Honderd jaar geleden besloten de koloniale machten Engeland en Frankrijk dat zij na de overwinning op het Osmaanse Rijk Arabië zouden verdelen, hetgeen resulteerde in een aantal mandaatgebieden die later kunstmatige staten werden. Maar de Arabieren kennen geen 'staat'. Wat ze kennen, is een geloofsgemeenschap, ofwel een kalifaat. En een kalifaat was wat de Britten de Arabieren beloofden als ze mee zouden doen met de oorlog tegen Constantinopel en haar Duitse en Oostenrijkse bondgenoten. Dat in deze hoofdstad sinds 1908 de Jong Turken de macht van de sultan (de kalief) hadden beknot, rechtvaardigde in de ogen van hun Arabische geloofsbroeders het meedoen met de oorlog aan de zijde van de ongelovige grootmachten. ❦ Lawrence fungeerde als verbindingsofficier tussen het Britse hoofdkwartier in Caïro en de emir of sheriff van Mekka, Hoessein. Tegelijk of al eerder was er vanuit de Britse kroonkolonie India contact gemaakt met de Saudi’s in het centrum van het Arabisch schiereiland, terwijl de Saudi’s de concurrenten waren van de Hasjemieten van Mekka en de oostelijke strook van het schiereiland. En zo was er niet alleen de geheime Engels-Franse overeenkomst, het zogeheten Sykes-Picotverdrag, maar ook het dubbelspel van Londen richting de Arabieren. In die wirwar moest Lawrence laveren tussen tegenstrijdige belangen. Als kenner van het gebied, de taal en de gewoonten was hij de ideale persoon om de Arabische nomaden naar Engelse zijde over te halen, maar hij was ook een romanticus die het beloofde kalifaat serieus nam. Daartoe sloot hij vriendschap met Feisal, een van de zonen van de door Londen als koning erkende Hoessein. Feisal werd officieel de leider van de Arabische Opstand. Lawrence moest vanuit Caïro zorgen voor goud, wapens en voedsel om de onderling verdeelde stammen van het schiereiland tot een leger te maken. De twee jaren dat hij tussen 1916 en eind 1918 in de woestijn, gekleed als kameelrijdende Arabier, met het leger van bedoeïenen mee optrok naar Damascus vormen de epische inhoud van zijn geschreven meesterwerk dat in 1962 werd verfilmd door David Lean met Peter O’Toole in de rol van T.E. De inname van Damascus, hoofdstad van het beloofde kalifaat, moest in de ogen van Lawrence en Feisal het Sykes-Picotverdrag doorbreken, maar die hoop bleek ijdel. Tijdens de Vredesconferentie in Parijs die een einde maakte aan de Grote of Eerste Wereldoorlog, ontdekten ze dat ze niet meer dan nuttige pionnen waren geweest op het schaakbord van de grote mogendheden met hun geopolitieke ambities. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon, en Engeland vrijwel de hele rest van wat ooit tot het Osmaanse Rijk had behoord. Gedesillusioneerd en beschaamd keerde T.E. Lawrence zijn Arabische avontuur de rug toe. Nog één keer liet hij zich door Londen inhuren om Feisal tot koning van het mandaatgebied Irak te maken. De bedoeling was dat Feisal namens zijn Britse meesters de bloedige tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen in het gebied zou bezweren. Doch tevergeefs. Zijn onderdanen vonden hem te gehoorzaam aan zijn ongelovige meesters, en ook hij kwam gedesillusioneerd aan zijn einde in Zwitserland, doodziek of mogelijk vergiftigd. ❦ T.E. nam afstand van zijn heldenstatus en zijn rang als kolonel. Onderscheidingen weigerde hij, en tegenover koning George V noemde hij diens ministers 'a bunch of crooks'. Hij wilde bovendien geen Lawrence meer heten. Onder de naam Ross meldde hij zich als rekruut bij de Royal Air Force, maar toen men zijn ware identiteit ontdekte werd hij de laan uitgestuurd en dook hij onder bij een afdeling van het leger onder de naam Shaw. Over zijn ontgroening schreef hij een verslag getiteld The Mint, dat pas na zijn dood mocht verschijnen. Zijn Seven Pillars of Wisdom verscheen al tijdens zijn leven, maar het oorspronkelijke manuscript was bij het overstappen op een treinstation verloren gegaan, of mogelijk gestolen door de Britse Geheime Dienst – want er stonden voor de regering compromitterende passages in. In de jaren die volgden op zijn Arabische avontuur, ontwikkelde hij zich als schrijver. Hij las al sinds zijn vroegste jeugd de grote klassieken, en later vertaalde hij boeken uit het Frans. Zijn grootste prestatie was echter een nieuwe Engelse vertaling van de Odyssee van Homerus. Literaire perfectie behoorde tot zijn doelstellingen, en daartoe riep hij de hulp in van George Bernard Shaw met wie hij bevriend was geraakt en met wiens vrouw Charlotte hij geregeld correspondeerde. De Nederlandse vertaling van zijn meesterwerk kwam pas in 2009. Heet van de naald verscheen in 1927 de vertaling van The Arab Revolt (de populaire versie van het meesterwerk), die beperkt blijft tot enkel de gebeurtenissen. De Seven Pillars valt ook op door uitvoerige en aangrijpende reflectie op de gebeurtenissen. Na te zijn uitgediend bij de R.A.F. – waar hij een tweede periode doorbracht bij een ander onderdeel – trok Lawrence zich terug in zijn zelfgebouwd huisje 'Clouds Hill', in het Zuid-West-Engelse Dorset, waar de journalisten hem bleven achtervolgen. In 1935 kwam er een einde aan zijn leven. Hij was gewoon om op zijn motor, Boanerges genaamd, door Zuid-Engeland te crossen, maar op een keer moest hij uitwijken voor een paar fietsende kinderen. In de berm geslingerd overleed hij ter plaatse – vijfenveertig jaar oud. Zijn begrafenis werd een nationaal evenement met vooraanstaande sprekers onder wie Winston Churchill, die T.E. in zijn Great Contemporaries beschreef als een onbetwiste held en zijn boek een eeuwig bestaan in de herinnering toedichtte. ❦ In de jaren vijftig en zestig verschenen er binnen de mode van debunking de eerste negatieve publicaties over de held. T.E. zou niets meer zijn geweest dan een Britse agent, een knecht van twee meesters, een homoseksueel en masochist, iemand die zijn eigen rol in de Arabische Opstand schromelijk had overdreven, en wiens klassieke werk veeleer als fictie moest worden opgevat. Anderzijds kwamen er steeds meer gegevens uit zijn leven naar de oppervlakte, waaronder als meest relevante zijn studiereis als jonge student naar de kastelen van de kruisvaarders in Syrië en Palestina, en zijn archeologisch werk bij de opgravingen van overblijfselen van de Assyrische beschaving aan de bovenloop van de Eufraat bij de Turkse grens. Lawrence was, zoveel staat wel vast, een gecompliceerde persoonlijkheid. Zijn roem keurde hij zowel af, als goed. Het leven in de woestijn ervoer hij als zuiver in vergelijking met de beschaving, hoewel hij zich stoorde aan de wrede kanten daarvan. Het is de vraag wat hij zou hebben gevonden van het kalifaat van ISIS, tegen de achtergrond van de geschonden Britse belofte en zijn schaamte- en schuldgevoelens daarover. Dat hij het optreden van de Amerikanen en hun Europese bondgenoten in het Midden-Oosten zou hebben veroordeeld, lijkt vrijwel zeker. ❦
Tom Zwitser Tom Zwitser

10 jaar Wikileaks en de media: ‘De Wikileaks-documenten’

  ❦ Gisteren vierde Wikileaks haar 10-jarig bestaan. Bij het feestje van Wikileaks dat life werd gestreamd, keken alle media ter wereld toe tot het eind ervan. De NOS vroeg zich uitgebreid af wat Wikileaks hen in die tien jaar 'gebracht had'. Maar de omroep was vooral enorm teleurgesteld toen bleek dat de feestdag zonder grote onthullingen werd afgesloten. Sommige media waren zelfs boos. Eigenlijk is dit veelzeggend. Een dag eerder werd namelijk in Perscentrum Nieuwspoort in Den Haag de Nederlandse vertaling van The Wikileaks Files gepresenteerd, het enige boek dat Wikileaks zelf publiceerde en dat een belangrijke samenvatting is van Cablegate en nog een aantal grote leaks. Ze hebben er jaren aan gewerkt. Niettemin was er op de perspresentatie van de Nederlandse versie geen enkele 'echte' journalist. Niet van de NOS, geen schrijvende pers en ook geen radio en tv. Wel waren er Kamerleden en medewerkers van de PVV en SP. De zaal zat vol met belangstellenden. Aanleiding is waarschijnlijk dat die perspresentatie in het teken stond van de band tussen media en politiek, dat er voor de locatie Nieuwspoort is gekozen, en dat het evenement met een knipoog 'Occupy Nieuwspoort' is genoemd. Daarnaast werd op hetzelfde evenement de onthullende bestseller van Udo Ulfkotte, Gekochte Journalisten, gepresenteerd. Dit essay is een omwerking van mijn inleiding tijdens het evenement Occupy Nieuwspoort, waar her en der uitweidingen aan zijn toegevoegd. ❦ De Wikileaks documenten is eigenlijk een onmogelijke prestatie geweest. Achttien onderzoekers hebben jaren besteed aan het doorploegen van de Amerikaanse diplomatieke kabels die in dit boek thematisch, per land en/of per regio zijn gerangschikt. Het boek gaat vooral over de relaties van de Amerikaanse regering met die van andere landen, maar Wikileaks stipt ook regelmatig de band tussen politiek en media aan. In principe handelt De Wikileaks documenten over de laatste twee decennia, waarin de mate van beïnvloeding van de media groter is dan ooit. Maar voor we het over Wikileaks zelf gaan hebben, is het wel zo goed om een aantal lijnen te schetsen over media-beïnvloeding in het Westen waaruit blijkt dat de huidige situatie niet uit de lucht komt vallen. Mediabeïnvloeding wordt al heel lang gepraktiseerd. Udo Ulfkotte laat in zijn Gekochte Journalisten duidelijk zien dat het al gebeurt zolang hij als journalist werkzaam is, en dat dit met name plaatsvindt via de ‘Atlantische’ kanalen: de Atlantik Brücke, de German Marshall Fund enzovoort. Deze kanalen stammen uit de vroege jaren 50 en waren niet opgezet als theekransjes, maar als safe spaces waar politici en journalisten van deze kant van de oceaan gefêteerd werden door Amerikaanse bedrijven en de Amerikaanse overheid, met als doel de VS positief neer te zetten in de media, en in de politiek de Amerikaanse belangen te behartigen. Eigenlijk gebeurt daar in het groot wat in Nieuwspoort in het klein gebeurt. Stan van Houcke heeft op zijn weblog veel aandacht besteed aan een interview dat Max van Weezel bij zijn pensionering in 2014 gaf en waaruit blijkt hoezeer de politieke verslaggeving gebaseerd is op het aanschurken tegen, en socializen met de macht, en hoezeer Max van Weezel hiervan hield. De symbiose tussen media en politiek is mijns inziens niet iets van de laatste twee decennia, in tegenstelling tot Karel van Wolferen. Tijdens de perspresentatie ‘Occupy Nieuwspoort’ meende hij dat het wel iets van de laatste twee decennia is. Naar mijn idee ligt de oorzaak van zijn zienswijze in de bekentenis die hij daarna deed: in de Koude Oorlog was Van Wolferen op en top atlanticus, was de NAVO volgens hem noodzakelijk, en was de dreiging vanuit de Sovjet-Unie de alles rechtvaardigende reden voor het atlanticisme in het Westen. Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie in 1991 viel deze noodzaak weg, en veranderde volgens hem het tevoren noodzakelijke en goede atlanticisme in een soort absoluut kwaad dat zich over de hele wereld verspreidde en de journalistiek hier ook om zeep hielp. Ik ben het hier niet mee eens. In mijn nog te verschijnen boek Permafrost laat ik zien dat tijdens de Koude Oorlog het Westen minstens zo dreigend was richting Rusland – minstens vanaf 1917 – als omgekeerd en dat Rusland al zeker vanaf 1917 de gedroomde vijand was, waartegen een enorme propaganda kon plaatsvinden en dat de militarisering in het Westen rechtvaardigde. De oorlog tegen Duitsland was niets dan een tijdelijke afleidingsmanoeuvre. Bronnen laten zien dat in 1941 – nog voor de VS aan de Tweede Wereldoorlog deelnam maar wel ruim nadat de Tweede Wereldoorlog was begonnen – Rusland als ergste vijand werd beschouwd. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen duidelijk was dat Duitsland het niet zou gaan redden, was de VS reeds geheel en al bezig het oude vijandbeeld van het Rode Gevaar op te poetsen voor de publieke opinie. Het is dit vijandbeeld en niet de realiteit die een enorme propagandamachine in het Westen rechtvaardigde. De realiteit is veel complexer. Rechtse intellectuelen als George F. Kennan hadden een veel beter beeld van Rusland. Hij hield van dit land en verdedigde het tegen zowel anti-Russische sentimenten van de haviken, als tegen romantiseringen van linkse westerse intellectuelen. Hij verdedigde zelfs Brezjnev als conservatieve en milde leider tegen allerlei ophitsende taal in westerse media. Dit werd hem door niemand in dank afgenomen, maar terugkijkend had hij gewoon gelijk. De Sovjet-Unie beantwoordde de westerse propaganda met tegenpropaganda vanuit de Communistische Internationale. Het voert te ver om de strijd tussen de westerse en communistische propagandamachines hier uit de doeken te doen – ik verwijs daarvoor naar mijn boek – maar een paar voorbeelden van de westerse kant zijn belangrijk om te begrijpen dat we nu niet in een volstrekt ander idioom leven als in de jaren 80 en daarvoor. Wanneer Van Wolferen de vrijheid roemt die hij als journalist had in de Koude Oorlog, komt dat, zoals hijzelf verklaart, omdat hij onderdeel was van dat atlanticisme. Wie de juiste mening is toegedaan heeft alle vrijheid in dit land. En dat is alleen maar sterker geworden. Wie destijds om welke reden dan ook tegen het atlanticisme was, moest in het hele Westen zijn heil zoeken in de communistische zuil. En dat was voor iemand als Kennan natuurlijk geen optie. Ook toen stond de realiteit dus onder druk, al was het bestaan van die zuilen nog reden dat er een grotere dynamiek mogelijk was dan nu. We kunnen terugkijkend zeggen dat de diversere opinievorming van toen meer rust gaf dan de uniforme 'officiële' opinie van nu die zoveel echte opinie uitsluit. Dus inderdaad, aan de ene kant is de mate van mediabeïnvloeding en gelijkschakeling nu veel groter dan destijds, maar dat had niet met het Vrije Westen te maken. Er lagen immers nog enorme resten van de negentiende-eeuwse liberale erfenis in de maatschappij: de verzuiling. In de twee- tot drie decennia na WO II kon de verzuiling nog door reutelen, totdat die in de jaren 80 en 90 volledig was opgeruimd. Het valt gewoonweg samen met de opheffing van de Sovjet-Unie, en de aangebroken droom van het Einde van de Geschiedenis (wat bij nader inzien toch niet aanbrak). ❦ Dat de CIA grootscheepse manipulaties opzette in andere landen is reeds bekend. We noemen de regime changes in Iran, Guatemala en vele andere landen die vanaf de jaren 50 plaatsvonden. Een deel van die activiteiten veranderde eind jaren 80 geheel van opzet en werd zelfs afgestoten naar andere Amerikaanse organisaties. En dat betreft met name de 'softe' beïnvloeding. De Wikileaks documenten stelt: “Allen Weinstein, een van de oprichters en eerste waarnemend president van de NED, merkte in 1991 op dat, dankzij het bestaan van de NED, activiteiten uitgevoerd konden worden die 25 jaar eerder nog heimelijk door de CIA werden uitgevoerd.” Ik kom later nog uitgebreid op dit citaat terug, maar wat opvalt is de overgang van CIA-activiteiten, naar openlijke activiteiten. Wat waren dat voor activiteiten? Vooral ondermijning van de minder pro-Amerikaanse regimes overal ter wereld. Maar ook de beïnvloeding van de bevolking, zowel de eigen Amerikaanse en westerse bevolking, als die van landen waar de VS een regime change wilde plegen. Eerst de 'geheime' kant van deze beïnvloeding, de CIA-tijd: Een voorbeeld van mediabeïnvloeding in het Westen. We weten uit andere studies al dat de CIA direct na de Tweede Wereldoorlog op grote schaal de media heeft beïnvloed in de VS, in Europa en in een aantal andere landen. Het vijandbeeld van het Rode Gevaar is toen zorgvuldig opgebouwd. En dankzij dit vijandbeeld kon het Westen zichzelf als het ‘vrije Westen’ gaan beschouwen. Er zijn zeer goede boeken geschreven over wat bijvoorbeeld het Congress for Cultural Freedom deed vanaf 1950. Dit congres was een uiterst geheime CIA-dekmantel die de zelf geconstrueerde beelden van het Rode Gevaar en het Vrije Westen propageerde. Hierin speelden de media natuurlijk de belangrijkste, maar wel instrumentele rol. Dat het totaal niet correspondeerde met de werkelijkheid blijkt alleen al uit de zogenaamde ‘Stalin note’ uit 1952. Stalin stelde daarin een Duitse eenwording voor onder voorwaarde dat Duitsland volledig gedemilitariseerd zou moeten worden, en verlaten door alle bezettende mogendheden. Het land mocht van hem volledig naar democratisch en kapitalistisch (markt)model ingericht worden. In feite was dit genereus, en een voorstel van Stalin tot een status quo: 'dit is ons gebied en dat is jullie gebied. En daartussen ligt Duitsland.' Dit is door Washington afgewezen. Amerika had veel meer baat bij een antagonistische houding richting de Sovjet-Unie en bij een IJzeren Gordijn, een soort frontvorming waarmee het beeld van het Vrije Westen sterker uit te verf kwam dan wanneer Duitsland als bufferland tussen oost en west in zou liggen. We zien de laatste twee decennia dan ook vooral een doorontwikkeling van dit front richting het Oosten. Oost-Duitsland en de Oost-Europese landen zijn, tegen alle afspraken in, bij de EU en NAVO getrokken, en nog is het niet genoeg. Oekraïne is in een oorlogsgebied veranderd, juist omdat het Westen dit complexe, verdeelde en veelkleurige land geheel in de westerse invloedssfeer wilde trekken, terwijl het juist als bufferland tussen oost en west fungeerde. Ook nu is het Westen bezig met het opruimen van bufferzones en het creëren van fronten. Het is het Westen dat zich niet wil neerleggen bij status quo's. ❦ Het Congres was een belangrijke kracht achter de westerse angstmachine waarmee de Koude Oorlog gevoerd kon worden. Slechts een paar leden van dit congres wisten voor welke agenda ze gebruikt werden en wie hen betaalde. Maar veel leden wisten het niet, en sommigen deden louter mee uit idealisme. Christopher Lasch was in de jaren 60 een van de eersten die de streken van het congres op grote schaal bekendmaakte, en de financiering ervan, maar ook onlangs is daarover goed gepubliceerd, bijvoorbeeld met The Cultural Cold War van Frances Stonor Saunders. In dat opzicht sluiten zowel Gekochte Journalisten als De Wikileaks documenten naadloos aan op een lange traditie in de Amerikaanse en deels ook Engelse onderzoeksjournalistiek waarin de verregaande en zeer geheime mediabeïnvloeding door overheden en daaraan verwante organisaties aan de kaak wordt gesteld. In Amerika is er een hele stevige traditie van wantrouwen jegens staat en media. Wat Amerikanen aan hun media waarderen, is dan ook hun showelement, hun hang naar wat voor ons grotesk aandoet. Maar niet voor wat ze vertellen. Het is de show die trekt, maar wat er gezegd wordt, neemt men met een korreltje zout. Een flink deel van de journalisten is voortdurend bezig om de band tussen staat en media en andere doofpotten te ontmaskeren en maakt op deze manier ook kans op de Amerikaanse bewondering voor de lonely cowboy. Veel Amerikaanse non-fictie bestsellers zijn onthullende boeken. Het publiek waardeert dat enorm. ❦ Wat dat betreft, beste mensen, lopen wij in de protestantse, Noord-Europese landen enorm achter. Tot voor kort volgden we braaf onze media, lazen kranten, keken debatprogramma’s, en volgden braaf de berichten van onze regering die het beste met ons voorhad. Ons verlangen om in de minister-president de eerzaamste mens en tevens de vader des vaderlands te zien, was tot voor kort onaangetast. Dat is ook de reden waarom Gekochte Journalisten in Duitsland insloeg als een bom. Het markeert een omslagpunt: het vertrouwen in de media, dat voordien ook al tanende was, werd door dit boek volledig weggeslagen. Er werd een sluier afgerukt die bijna als vanzelfsprekendheid door alle betrokkenen op zijn plaats werd gehouden. Uit het interview met Max van Weezel blijkt dat men er hier ook nog trots op is. En ook bij ons zakken de oplagecijfers van kranten dramatisch, net als de kijkcijfers van debatprogramma’s. Vertrouwen in de politiek is al geruime tijd flink dalende. Hetzelfde gebeurt in Duitsland en Engeland. Diezelfde media leggen deze ontwikkelingen keurig uit aan de hand van begrippen als ‘ontlezing’ en ‘de opkomst van de sociale media’ en ‘mondige burger’, want het ligt allemaal niet aan hen. Politici spreken van het vertrouwen terugwinnen en bouwen aan het imago. Alsof de realiteit niets meer is dan een stukje verkeerde perceptie bij de burgers inwisselen voor een stukje juiste perceptie. Dit fenomeen keert terug bij alle politieke beleid dat onder burgers niet populair is: politici zijn dan alleen nog maar bezig om hun impopulaire beleid te implementeren. Bewustwording, perceptie, beeldvorming en andere pr-termen vliegen ons als burgers dan om de oren, terwijl politici natuurlijk stug volhouden aan hun ingezette beleid. Het zal de burger linksom of rechtsom toch door de strot gedouwd worden. Duidelijker kan het onbegrip voor de burger niet uitgedrukt worden. Wie zich begeeft onder dit type politici en journalisten valt direct op hoezeer deze mensen in een bubbel zijn komen te leven die los staat van de rest van Nederland. En het lijkt erop alsof deze ziekte ook overslaat naar bepaalde delen van de ambtenarij, zoals het Ministerie van Defensie. De laatste weken verschijnen er verontrustende stukken in alternatieve media, schieten klokkenluiderswebsites van militairen en ander Defensiepersoneel als paddenstoelen uit de grond, en ook wij mochten een boek uitgeven – De Doofpotgeneraal – met een ongelofelijk relaas over Defensiepersoneel dat deels undercover en in burger de meest bizarre spionagecaperiolen uithaalt op de bedrijfsvloer van een Delftse internetprovider. Wikileaks wemelt van dit soort voorbeelden: grote dossiers als genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s), werden door Amerikaanse ambtenaren ongelofelijk groot en breed ingezet in vooral Europa. Er ging een enorme lobby achter schuil met mediacampagne’s in alle grote media, wetenschappers die men voor het karretje spande en politici die enorme cadeaus werden beloofd als ze zich maar voor de ggo-agenda laten spannen. De VS koopt niet alleen journalisten, creëert niet alleen nieuws, maar koopt ook politici in het Westen en daarbuiten, zodat deze politici in eigen land hún agenda realiseren. ❦ Voorbeelden van moderne beïnvloeding: Met andere woorden: de tijd van hypergeheime beïnvloeding is voorbij. Het had ook zijn beperkingen. Als alles geheim moet blijven, kan er minder resultaat geboekt worden en ligt er voortdurend het gevaar van ontmaskering op de loer. Alles gaat nu veel openlijker. En dat is mede te wijten aan het feit dat er minder kritisch wordt omgegaan met deze vooral Amerikaanse werkwijze van bedrijven en overheden, die ook door Europese bedrijven en overheden wordt gekopieerd. Het aantal pr-medewerkers per westerse journalist is alarmerend hoog. Ook bij ons. Het Congress for Cultural Freedom was in de Koude Oorlog nog echt een dekmantel die men aan alle kanten goed probeerde af te schermen. Uiteindelijk lukte dat niet. Tegelijk was het kinderspel in vergelijking met nu. Probeerde de CIA eerst nog het beeld van het ‘vrije Westen’ op te houden, met Amerika als haar enige en noodzakelijke waakhond, onder Reagan werd duidelijk, zo schrijft Wikileaks, dat er meer nodig was. Vanaf toen ontstond het idee om via ngo’s allerlei ‘westerse waarden’ te promoten. De belangrijkste van deze platforms is de NED, de National Endowment for Democracy, opgericht door het Congres in Washington. Men doet niet meer de moeite om te verhullen dat het geheel een overheidsinstelling is die over de hele wereld actief democratie ‘promoot’. Feitelijk is het dus geen non-gouvernementele organisatie. Maar media hebben het nog steeds over de NED als een soort ngo die overal in de wereld met de beste intenties allerlei westerse waarden promoot en de levens van mensen ter plaatse wil verbeteren. Wat betekent dat ‘democratie promoten'? Volgens Wikileaks wil dat zeggen: in landen waar nog geen pro-Amerikaanse regimes zitten, studenten kopen, activisten kopen die tot geweld bereid zijn, campagnes in elkaar draaien en strategieën bedenken om een deel van de bevolking om te turnen, en op goed voorbereide momenten een revolutie laten uitvoeren, gesteund door delen van het leger, oppositie, politie en dergelijke. Als die slaagt, komt er vervolgens een pro-Amerikaanse regime, worden er vrijhandelsverdragen afgedwongen die geen vrijhandel inhouden, maar onbeperkte toegang voor Amerikaanse bedrijven tot de interne markt waarborgen, en tot de interne natuurlijke hulpbronnen. Het gaat nooit om democratie en vrijheid, maar altijd om de Amerikaanse economische en politieke belangen. Nogmaals het Wikileaks-citaat over de NED: “Allen Weinstein, een van de oprichters en eerste waarnemend president van de NED, merkte in 1991 op dat, dankzij het bestaan van de NED activiteiten uitgevoerd konden worden die 25 jaar eerder nog heimelijk door de CIA werden uitgevoerd.” Het is dus een vervanger van de CIA op bepaalde terreinen. Daarmee is ook een andere, nog meer geïntegreerde benadering van de media ontstaan. In plaats van het kopen van nieuws, zoals Ulfkotte dat noemt – die laat zien hoe dat in zijn werk gaat aan de kant van journalisten zelf – laat Wikileaks de manipulatie van nieuws door de overheid zien. Dat gebeurt onder andere door middel van enorme aantallen pr-managers die zorgvuldig bepaald nieuws selecteren dat zij aan journalisten geven. Een alarmerende indicatie zou moeten zijn dat wij deze mensen ‘persvoorlichters’ noemen. Dit zijn mensen die journalisten voorlichten. Moeten journalisten voorgelicht worden? Voorlichten is immers het voorbewerken, voorframen, voorinkleuren, voorsorteren, voorverwarmen en zelfs creëren van feiten. Hoezeer het fenomeen voorlichten geheel en al een aanvaard gegeven is in de vaderlandse journalistiek, bleek wel vorige week, toen tijdens de JIT-presentatie van het MH17-rapport geen enkele journalist van een groot medium een kritische vraag kon of wilde stellen terwijl er zo verschrikkelijk veel kanttekeningen zijn te plaatsen bij dit hele onderzoek. Blijkbaar is iedereen bang om voor een kremlintrol te worden uitgemaakt. En dat maakt het allemaal een beetje dubbel. Want aan de ene kant zien we grootscheepse nieuwsmanipulaties van de overheid, maar aan de andere kant zien we ook een journalistiek die zich steeds kritieklozer naar die overheid opstelt, persberichten overpent, op grote dossiers geen eigen onderzoek verricht – al dan niet door budgettaire tekorten – en zich in sommige gevallen ook nog eens als waakhond van die overheid opstelt richting systeemverstoorders zoals burgers die er eigen ideeën op na blijken te houden. Dit soort voorbeelden zijn er vele: waarom steunen alle grote media-outlets in de VS Clinton, terwijl ze gelijk staat met Trump in de pols? Waarom verketteren alle grote Duitse media al jarenlang een begenadigd intellectueel als Thilo Sarrazin, terwijl 70 procent van de Duitsers zijn ideeën steunt? ❦ Een mogelijk antwoord is dat we de macht en mogelijkheden van de media gewoon overschat hebben en dat de ‘vrije wereld’ een wereld is waarin overheden kunnen doen wat ze willen en waar media ofwel graag tegen aanschurken, ofwel bezit zijn van een mediatycoon die er graag tegenaan schurkt. Ofwel dat onderzoeksjournalisten murw gebeukt zijn vanwege de muur waar ze beroepsmatig tegenaan dienen te lopen. In plaats daarvan merken jonge en aanstormende journalisten dat niet het stuklopen op de muur loont, maar het meebewegen met de muur: er onderdeel van zijn. Embedded journalism in optima forma. De resten van de verzuiling konden de machteloosheid van de media ten aanzien van de staat nog lange tijd verhullen en creëerden nog een zekere dynamiek. Maar sinds wij in een volledig gelijkgeschakelde liberale democratie zijn terechtgekomen waarin ideologische verschillen zijn weggevallen, en er alleen nog een klein antagonisme is tussen de islam en de liberalen, is die dynamiek en kritische houding van journalisten volledig verdwenen en lijkt de journalistiek als waakhond er vooral een te zijn waarvan de politiek de riem in handen heeft en niet de burger. Embedded journalism is een belangrijke trend. Het is al decennialang beleid van overheden voor oorlogsverslaggevers dat die door het leger worden beschermd, bij de dagelijkse persconferentie van de persvoorlichters zijn, maar ook heel veel dingen niet mogen doen. Wie als oorlogsverslaggever zijn eigen gang wil gaan, verliest bescherming. Embedded journalisten daarentegen worden bij de hand genomen. Leuke plaatjes, leuke nieuwtjes, maar wel voorgesorteerd. Niet-leuke plaatjes en niet-leuke nieuwtjes worden op voorhand weggefilterd tenzij men er de Russen de schuld van kan of wil geven. De echte gruwelen en oorlogsmisdaden van westerse legers in bijvoorbeeld Irak – die ook massaal zijn begaan door Irakese milities die onder direct Amerikaanse bevel staan – werden zo in de doofpot gehouden. We lezen ze wel veelvuldig in De Wikileaks documenten. Wikileaks wijst er onder andere op dat de media de beslissingen van Obama rond Guantanamo Bay in 2011 hebben gedownplayd. In feite hebben ze de beslissing om de gevangenis in gebruik te houden, verdedigt tegen scherpe kritiek uit de Europese media. Ik wil hier Wikileaks even langer citeren: “De documenten laten zien dat de gevangenbewaarders wisten dat de meerderheid van de gevangenen geen banden had met Al Qaida. Ze noemden ten minste honderdvijftig mannen waarvan bekend was dat zij per ongeluk gevangen burgers waren, die vervolgens jarenlang zonder enig vorm van proces werden vastgehouden. Deze documenten zijn hoofdzakelijk door de Guantanamo-commandant ondertekend.” Al snel werd duidelijk dat honderden mensen werden vastgehouden zonder goede redenen en zo’n zeshonderd gevangenen uiteindelijk zijn vrijgelaten bij gebrek aan bewijs. De nieuwe documenten tonen volgens Worthington aan: …waarom generaal-majoor Dunlavey, de commandant van Guantanamo, zich in 2002 beklaagde over (…) het aantal ‘Mickey Mouse’-gevangenen, zoals hij ze beschreef, die hij vanuit Afghanistan kreeg opgestuurd. Hier zijn ze. Hier zijn de boeren en de koks en de taxichauffeurs en al deze mensen die nooit bijeengedreven hadden mogen worden, maar in Guantanamo belandden omdat er geen screeningsprocedure was. Afgezien van degenen die kennelijk burger waren en op willekeurige wijze door Amerikaanse strijdkrachten waren weggeplukt, worden anderen vastgehouden op basis van beschuldigingen dat ze van ‘veel waarde’ zijn. Het gaat hierbij om mensen die werden gemarteld voor informatie, om gevangenen die geestelijk instabiel waren, om anderen die goede reden hadden om beschuldigingen te verzinnen in ruil voor een voorkeursbehandeling, en om pathologische leugenaars. In feite lijkt de vs een wereldomvattend apparaat te hebben gecreëerd dat niet zo zeer ‘terroristen’ vangt om te berechten, maar honderden mensen oppakt en manieren probeert te vinden om ze als ‘terrorist’ te bestempelen. Met deze machine probeert de Amerikaanse regering op indrukwekkende wijze haar bewering te staven dat haar tegenstanders in Afghanistan en Irak in feite allemaal ‘terroristen’ waren.” ❦ Wat is het dat de Amerikaanse media en masse Obama verdedigd hebben om Guantanamo open te houden? Op heel veel andere dossiers kunnen we dezelfde reflex bij de media zien: media zijn systeemverdedigend bezig. Het is deze reflex die verwondert en verbaast, maar die ook heel gevaarlijk is. En dat brengt een kant naar voren die we in onze westerse media veel te weinig zien. Systeemkritiek bestaat niet meer, ook niet in de media met een meer ideologisch verleden zoals Elsevier, Vrij Nederland, en de christelijke dagbladen. Nieuws wordt gebracht zonder samenhang en duiding, en de bewoordingen en frames van de pr-voorlichters worden zonder kritiek overgenomen. Daarin zit vaak al een enorme lading en betekenis. Feiten staan immers nooit op zichzelf. Feiten hebben altijd een blikrichting, en met name díe wordt gemanipuleerd, samen met het weglaten van andere feiten die de gewenste blikrichting op andere feiten in de weg staat. Het is bijvoorbeeld lang geleden dat we in de media een exposé hebben gelezen waarin het begrip democratie uitgelegd werd. ‘De’ democratie bestaat immers niet. Er bestaan slechts democratische instrumenten. Noem eens een westers land waar het volk regeert? Dat bestaat niet. Sterker nog, als de media zo voor de democratie zijn, waarom klagen ze dan niet iedere dag in al haar edities dat Nederland nog steeds EU-lid is? Daar wilde de demos in 2005 immers vanaf. Waarom wordt Rutte niet iedere vrijdag gevraagd waarom hij nog geen uittredingsprocedure gestart heeft? Nog steeds niet gebeurd. En ik lees er ook niks over in de NRC. In die krant heb ik de afgelopen tijd daarentegen wel meerdere keren allerlei diskwalificerende omschrijvingen van de demos gehoord. Alles waar het volk met de NRC van mening mee verschilt, valt zo’n beetje buiten de democratie. Of mag het volk alleen haar mening geven wanneer die overeenstemt met die van de NRC? Zodat de krant zichzelf op de schouder kan kloppen hoe goed ze haar taak heeft verricht? De denigrerende bewoordingen richting het volk in meerdere grote media tijdens het afgelopen Oekraïne-referendum, maken duidelijk dat veel media blij zijn dat het volk niet nog meer invloed heeft als nu het geval is: Húp met die kiesdrempels zodat er geen nieuwe partij meer in het parlement kan komen, vóóruit met dat partijkartel, weg met die referenda! Dat lees je wel veel in de media. Zijn de media dan toch tegen de democratie? En waar zijn ze dan voor? Voor meer invloed van het koningshuis, van multinationals, van grote lobby’s, van Brussel? Van? Ja, wat willen ze? Als je ze dit vraagt komt er steeds een ding: ze willen vooral een politiek van gezond verstand. Maar wie bepaalt wat gezond is? Zij, of het volk? Het Burgercomité-EU schreef vorig jaar in haar Manifest al dat de permanente overdracht van Nederlandse staatsbevoegdheden naar Brussel vooral plaatsvond onder het argument van bestuurbaarheid. De EU moest vooral bestuurbaar zijn en daarom eiste ze voortdurend meer soevereiniteit op van de lidstaten en breidde ze haar bevoegdheden steeds verder uit. Dit is zo’n typisch voorbeeld van wat de meeste journalisten met ‘gezond verstand’ aanduiden. Meer macht naar de EU en het afbouwen van de Nederlandse natiestaat waar de burger nog invloed heeft, dat is allemaal 'heel verstandig'. Overdracht naar de EU waar burgers niets te vertellen hebben, is 'heel verstandig'. Kennelijk zijn de journalisten erachter gekomen dat een groot deel van het volk toch grossiert in meningen en belangen die de hunne niet zijn. ❦ Wie De Wikileaks documenten leest gaat patronen herkennen. Immers, we hebben het hier over het buitenlandbeleid van de VS, maar vooral landen als Nederland en Engeland fungeren al een tijdje als haar schoothondjes. We hebben te maken met kopiegedrag hier. Wat Amerika in het groot doet, gebeurt hier in het klein. Misschien minder brutaal en knulliger, maar toch. Ook uit De Wikileaks documenten blijkt dat overal waar Amerika een vinger achter de deur krijgt, het de regering aanbiedt om te helpen met de voorlichting aan de media om “misvattingen bij te sturen” en hen te helpen begrijpen waarom de VS het beste met hen voorheeft. Wikileaks beschrijft uitgebreid hoe dit gebeurde in bijvoorbeeld Ecuador, maar in feite gebeurt het overal waar een VS-kritische pers is en waar onbegrip heerst voor de Amerikaanse handelswijze. De strategie is: via voorlichtingscampagnes de perceptie proberen om te keren, maar zeker nooit je beleid bijstellen. Voor de eigentijdse westerse staatsvoering vormt de pers dus onderdeel van een integrale benadering richting de burger. Dit is een cruciaal punt. Media mediëren wat de persvoorlichters beogen. Eenrichtingsverkeer. Wikileaks laat overduidelijk zien dat, wat de Amerikanen hun “democratie-promotiecampagne-strategieën” noemen, neerkomt op waar mogelijk gewelddadige regime changes, en daarna het creëren van voor de VS gunstige politieke en economische omstandigheden in dat land. Dat gebeurt keer op keer. Men dwingt zelfs andere landen om lid te worden van het Internationaal Strafhof in Den Haag, terwijl het zijn eigen politici, militairen, agenten en diplomaten immuniteit geeft. Landen die deze immuniteit niet erkennen, krijgen sancties van de VS. In andere woorden: in al haar doen en laten beschouwt de VS zich als exceptionele wereldmacht. Het laat andere landen aan wetten en gerechtshoven onderwerpen waarvoor het immuniteit heeft. ❦  
Gabriele Krone-Schmalz Gabriele Krone-Schmalz

‘Voor goede relaties bestaat geen alternatief’

❦ Weet u nog hoe het in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog klonk? De boze Rus was overal, terwijl het goede Westen haar waarden verdedigde. “Goed” en “kwaad” waren zuiver verdeeld. Oriëntatie was geen probleem. Een kwart eeuw later worden de zaken gecompliceerder: Détente, ontwapening, Gorbatsjovs Perestroika, de Duitse eenwording, het einde van de oost-westconfrontatie. Een enorme kans om samen in plaats van tegen elkaar over de toekomst na te denken, verschillende ervaringen in de weegschaal te leggen en af te wegen hoe men internationale betrekkingen – altijd één van de zelfverklaarde doelen van de Duitse buitenlandpolitiek – in iets concreets kan omzetten. Iedereen moet zich vrij voelen, iedereen moet het beter vergaan en prangende globale vragen worden op grond van nieuw vertrouwen tussen oost en west behandeld. Wat een kans! Precies in die tijd leefde ik in Moskou. Hoe groot was de hoop, hoe sterk de begeestering en hoe stabiel de motivatie om samen aan een betere wereld te bouwen. ❦ Weer een kwart eeuw later is daar niets meer van overgebleven. Waarom? Hoe en waarom zijn die kansen verspeeld? De partner Rusland is een strategische partner geworden – met andere woorden, iemand die men in nood niet kan negeren maar waarmee men liever niets te maken heeft – en de NAVO, die aan het einde van de jaren ’80 niet langzamerhand is opgeheven of op z’n minst is omgevormd, ziet volgens haar laatste publicatie in Rusland zelfs een bedreiging. (bekijk ook eens het interview hierboven met Gabriele Krone-Schmalz  voor de ARD) Het is wat met de waarheid. De Britse filosoof John Stuart Mill vatte het dilemma aan het einde van de 19e eeuw als volgt samen: “Omdat niemand de waarheid bezit, is het goed dat men om de waarheid strijdt.” Democratische westerse samenlevingen roemen er juist op dat ze dat kunnen en ook doen. Onze grondwet garandeert pers- en meningsvrijheid (en dan nog voorzien veel arbeidscontracten in verplichte inperkingen). Pluralisme geldt als waarde. Waarom wordt dan zonder nadere toets alles wat niet in de mainstream-argumentatie past, van het etiket propaganda voorzien? Omdat men zich er dan niet meer inhoudelijk mee hoeft bezig te houden? Zo gauw iemand het westerse publiek de gebeurtenissen vanuit Russisch perspectief schildert, wordt hij ervan verdacht “in opdracht” te handelen of in het beste geval een nuttige idioot van een propagandamachine te zijn wat hij in zijn naïviteit niet doorziet. Informatieoorlog, hybride oorlogsvoering en soortgelijke krijgsbegrippen bepalen het discours in plaats van serieuze inhoudelijke aandacht. De vraag naar de waarheid drijft iedere journalist. Volgens mij komt men het dichtste bij de waarheid wanneer men eerst de uitspraak van Mill accepteert, dat niemand de waarheid bezit en wanneer men ten tweede probeert om het belangenspel grondig te onderzoeken. Wie komt wat goed uit van wat er gebeurt? Waarom wordt deze informatie juist nu verspreid? En er komt nog een punt bij kijken: jezelf en anderen bewust maken om niet met meerdere maten te meten. Of dat nu wel of niet gedachteloos gebeurt maakt voor de uitwerking niets uit. Natuurlijk bestaat er propaganda! Natuurlijk kan gestuurde informatie als wapen dienen. Natuurlijk werkt het om latente vijandbeelden onder handbereikt te hebben. Maar toch niet alleen van Russische zijde. ❦ Vandaag de dag spreekt men van ‘narratief’ en men bedoelt de structuur en interpretatie van gebeurtenissen die volgens zekere patronen verlopen. “De Russische annexatie van de Krim heeft de Europese vrede aan het wankelen gebracht.” Dat lees en hoor je altijd weer. Gewoon het westerse narratief. Afgezien van de legitieme vraag wat Joegoslavië en de bombardementen op Servië in 1999 voor het behoud of de beschadiging van de Europese vrede heeft betekend, is de kwestie met de Krim niet zo eenduidig als het lijkt. Maar de “Wederrechtelijke annexatie van de Krim” is een standaardformule geworden die in geen enkele officiële toespraak mag ontbreken. En indien toch dan dreigt een politiek en journalistiek buitenspel. Alle besluiten en ontwikkelingen die vooraf gingen aan de afscheiding van de Krim worden consequent verborgen. Wie spreekt vandaag nog over het onwaardige getouwtrek om Oekraïne in het voorproces van het EU-associatieverdrag? Wie interesseert het vandaag nog dat Rusland in dat voorproces juist op de heikele situatie op de Krim had gewezen die zich vanwege de daar gestationeerde Russische Zwarte Zeevloot onvermijdelijk aftekende? Het was dus zinvol om het over een speciale status van het schiereiland eens te worden. Maar de gedachte die zo nu en dan ook in westerse kringen werd gehoord, Brussel Kiev en Moskou daarover in gesprek te brengen, werd door de besluitvormers als absurd van tafel geveegd, met de onverschillige (of arrogante?) opmerking “Wat heeft Rusland daarmee te maken?” ❦ Een discussie daarover, hoe de gebeurtenissen op de Krim volkenrechtelijk behandeld moet worden, en uiteindelijk ook politiek te beoordelen zijn, vindt niet plaats. Wie de afscheiding van de Krim stap voor stap verklaart zonder het oorlogsbegrip annexatie te gebruiken is in het beste geval misleid door de propaganda van Moskou. Het publiek bestaat in de meerderheid niet uit volkenrechtelijk gespecialiseerde juristen, maar ze hebben er recht op dat de verbanden zo eenvoudig mogelijk verklaard worden, zodat ze politieke beslissingen op waarde kunnen schatten. Anders heeft democratie geen zin. Op deze basis kan men debateren over de vraag of het om een gewelddadig landroof ging – de definitie van annexatie – of misschien toch om een enorm gecompliceerd kwestie die overeen kwam met de wil van de overgrote meerderheid op de Krim – wat zelfs degenen toegeven die op de term annexatie staan. Daarbij kan een in het volkenrecht verankerd begrip als ‘Zelfbeschikkingsrecht” steun bieden. Veel stof tot discussie… ❦ Hoe moet het verder gaan? “Laten we de problemen aanpakken die op te lossen zijn en andere even ernstig behandelen, waarvan de oplossing misschien aan onze kinderen is.” Zo citeerde een paar dagen geleden Rüdiger Freiherr von Fritsch, Duits ambassadeur in Moskou, de Russische president Vladimir Poetin. Wat is daar verkeerd aan? Voor goede Duits-Russische betrekkingen – zo ging de ambassadeur verder – bestaat geen alternatief. Deze goede betrekkingen moeten we ons met moeite opnieuw verwerven. En daarbij hoort ook de gevoelens van de ander serieus nemen en zich intensief met de Russische zinswijze bezigheouden, voordat men dat van het etiket propaganda voorziet. Gabriele Krone-Schmalz, 24 juli 2016 ❉   ❉   ❉ © vertaling: Uitgeverij de Blauwe Tijger
Jean Raspail Jean Raspail

‘Dit is nog maar het begin.’

In het Franse tijdschrift Le Point verscheen in september 2015 een interview met de schrijver Jean Raspail over zijn boek van enkele decennia geleden en de huidige immigratiecrisis. Jonathan van Tongeren vertaalde het vraaggesprek. ❦ Le Point: Sommigen op de rechterflank beschouwen uw boek Le Camp des Saints, geschreven in 1972 als visionair, met name sinds de vluchtelingencrisis. Wat vindt u daarvan? Raspail: Deze migrantencrisis brengt een einde aan dertig jaar beledigingen en laster aan mijn adres. Ik ben een fascist genoemd, omdat dit boek als een racistisch werk beschouw werd … Ben u een racist? Nee, überhaupt niet! Je kunt niet je hele leven de wereld over reizen, lid zijn van het Genootschap van Franse Ontdekkers, ik weet niet hoeveel bedreigde stammen tegen komen, en een racist zijn. Dat lijkt me nogal moeilijk. Toen het boek in 1972 uitkwam, schokte het mensen ontzettend, met een reden. Er was een tijd, met name tijdens het zevenjarig bewind van Valéry Giscard d’Estaing, dat er een ware intellectuele terreur werd geoefend tegen rechtse schrijvers. “Intellectueel terrorisme”, werkelijk? Ja. Ik werd beledigd – door het slijk gehaald. Geleidelijk nam het weer af. Want beetje bij beetje begon men te ervaren wat ik in het boek beschreven had. Een aantal intellectuelen, ook ter linkerzijde, begonnen te onderkennen dat er enige waarheid schuilde in wat ik had aangekondigd. Bertrand Poirot-Delpech, die me in Le Monde aan de paal had genageld toen het boek uitkwam, verklaarde in een artikel in hetzelfde dagblad in 1998, dat ik uiteindelijk gelijk had. Nu is het voorbij. Alleen Laurent Joffrin [de chef van het linkse dagblad Libération, red.] blijft over. Aan hem valt niets te doen; hij blijft op me spugen – hij kan niet anders. Maar mijn vriend Denis Tillinac heeft aangeboden hem van repliek te dienen. Ik ben niet wraakzuchtig. Ik ben nu op de plaats waar ik moet zijn. ❦ Als dit boek niet racistisch is, hoe zou u het dan omschrijven? Het is een verrassend boek. Verrassend? Dit boek kwam op een vreemde manier tot stand. Eerder had ik boeken geschreven over mijn reizen en romans, met weinig succes. Op een dag in 1972 – ik was in het zuiden van Frankrijk – logeerde ik bij een tante van mijn vrouw, nabij Saint-Raphaël in Vallauris. Ik had een kantoor met uitzicht op de zee en ik zei bij mezelf: “En wat nou als ze zouden komen?” Dat “ze” was in eerste instantie niet strak omlijnd. Toen stelde ik me voor dat de Derde Wereld dit gezegende land dat Frankrijk is, zou binnenstormen. Het is een verrassend boek. Het heeft veel tijd gekost om het te schrijven, maar het kwam vanzelf tot me. Ik stopte iedere avond met schrijven en de morgen daarop begon ik weer, zonder te weten welke kant het uitging. Er is een inspiratie in dit boek die vreemd is aan mezelf. Ik wil niet zeggen dat het goddelijk is, maar vreemd. Er is één ding dat u niet voorzien heeft: de afwijzing die dit boek opriep vanaf het moment dat het verscheen … Toen mijn uitgever Robert Laffont, een apolitieke man, het manuscript las, was hij zeer enthousiast en veranderde hij geen komma. Ik hoefde zelf ook niets aan te passen. Zou zo’n boek vandaag de dag mogelijk zijn geweest? In eerste instantie verkocht Le Camp des Saints niet. Tenminste vijf of zes jaar stokte te verkoop. Zeer kleine aantallen. Toen, drie jaar later, namen de aantallen ineens toe. Het succes kwam door mond-tot-mondreclame en door de promotie door rechtse schrijvers. Tot de dag in 2001, dat een scheepslading Koerdische vluchtelingen aan land kwam in Boulouris, nabij Saint-Raphaël, niet ver van het kantoor waar ik Le Camp des Saints schreef! Deze affaire gaf een verschrikkelijke opschudding in de regio. Meteen begon men weer over mijn boek te praten en bereikte het een breed publiek. Het was het begin van de komst van mensen van elders via zee. Ik schaam me een beetje, want steeds als er een grote instroom migranten is, wordt mijn boek herdrukt. Is het een politiek boek? Misschien een beetje, ja. Het laatste bolwerk van getrouwen en vechters is samengesteld uit patriotten die gehecht zijn aan hun identiteit en hun land. Zij staan op tegen algemene broederschap en rassenvermenging (métissage) … U zegt dat u niet tot extreem-rechts behoort, maar uw boek is tot een traktaat geworden in bepaalde xenofobe groepen. Vindt u dat jammer? U heeft het over het uiterste van uiterst rechts! Het is mogelijk dat dit boek misbruikt wordt en er kan soms excessieve taal zijn. Ik kan daar niets aan doen. Hoe dan ook, ik zit niet op internet; ik ben nog niet aangekomen in de 21e eeuw, dus ik weet niet wat ze zoal zeggen. Persoonlijk ben ik rechts en het valt me niet zwaar dat te zeggen. Ik ben zelfs “rechts-rechts”. Wat wil dat zeggen? Laten we zeggen, rechtser dan Juppé [een oud-premier voor de UMP, nu burgemeester van Bordeaux en voorvechter van de islamitische bevolking, red.]. Ik ben ten eerste een vrij man; nooit gebonden aan een partij. Ik patrouilleer langs de grens. Stemt u? Niet altijd. Ik ben een royalist. Ik stem in de laatste ronde van de presidentsverkiezingen. Ik stem niet links, dat is zeker. Heeft u wel eens gedacht aan een vervolg op Le Camp des Saints? Het is zeker dat er een vervolg zal zijn, maar niet van mij. Zal het uitkomen voor de grote instorting? Ik ben er niet zeker van. ❦ In uw boek spreekt u over de “wrede” natuur van migranten. Maar we zien vandaag de dag dat de mensen die aankomen uit Syrië of van elders geen mes tussen de tanden hebben … Wat er vandaag gebeurt, is van geen belang; het is anekdotisch want we staan nog maar aan het begin. Op dit moment heeft de hele wereld het hierover – er zijn duizenden specialisten over de migrantenkwestie: het is een chaos van commentaar. Niet één van de deskundigen kijkt naar de vijfendertig jaar die voor ons liggen. De situatie die we vandaag doorleven is niets vergeleken bij wat ons in 2050 wacht. Er zullen dan negen miljard mensen op aarde zijn. Afrika is van honderd miljoen naar een miljard inwoners gegaan in een eeuw, en misschien twee in 2050. Zal de wereld leefbaar zijn? De overbevolking en de godsdienstoorlogen zullen de situatie fragiel maken. Dan zal de invasie zich voordoen; het is onafwendbaar. De migranten zullen grotendeels uit Afrika, het Midden-Oosten het Aziatische Rimland komen … Zouden we het kwaad aan de wortel aan moeten pakken en strategisch punten van IS moeten bombarderen, zoals Frankrijk onlangs begonnen is te doen? Het is hun probleem, niet het onze. Het gaat ons niet aan. Waar bemoeien we ons mee? Waarom willen we een rol spelen? Laat hen ermee omgaan! Jaren geleden hebben we ons teruggetrokken uit deze regio’s. Waarom zouden we er weer teruggaan? En wat doen we als Syrië opdracht geeft Frankrijk aan te vallen? We snijden ze de pas af. We voorkomen dat ze op Frans territorium komen. De politici hebben geen oplossing voor dit probleem. Het is als met de schuld – we geven hem door aan onze kleinkinderen. Onze kleinkinderen zullen om moeten gaan met dit probleem van massale migratie. De Katholieke Kerk zit totaal niet op deze golflengte. Ze dringt erbij de gelovigen op aan hun gulheid te laten zien … Ik heb geschreven dat de christelijke charitas een beetje te lijden zal krijgen van de instroom van migranten. Het zal zich stilletjes moeten terugtrekken en compassie van allerlei soort moeten onderdrukken. Zo niet, dan zullen onze landen overspoeld worden. Iedereen afwijzen, inclusief de Oosterse christenen? Mogelijkerwijs. Maar zij staan dichter bij het Westen door hun godsdienst. Dit is waarom veel Fransen hen wel zouden willen accepteren. Frankrijk, dit land zonder godsdienst, bewijst dat de grondslag van de westerse beschaving een christelijke is. Mensen reageren, zelfs als ze niet meer naar de kerk gaan of praktiseren, in overkomst met deze christelijke grondslag. ❉   ❉   ❉
Uitgeverij Uitgeverij

Over Blauwe Tijgers

❦ De blauwe tijger is een literaire maar ook mythische figuur waar de geur van de lente omheen hangt. De lente is een feest van de getuigen van zaad dat rust in de bodem en snakt naar ontkieming. Er zijn meerdere oorsprongen van de blauwe tijger. Ten eerste is dat de grote Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899 – 1985) In diens verhaal ‘De Tijgers van Annam’ van Borges figureert de blauwe tijger als een mythische figuur die staat voor de lente. Volgens de Annamieten worden de banen in de ruimte door tijgers of door tijgers gepersonifieerde geesten beheerst. De Rode Tijger beheerst het Zuiden (dat bovenaan ligt op de landkaarten); de zomer en het vuur horen bij hem. De Zwarte Tijger beheerst het Noorden; daarbij horen de winter en het water. De Blauwe Tijger beheerst het Oosten; daarbij horen de lente en de planten. De Witte Tijger beheerst het Westen; daarbij horen de herfst en de metalen. Boven deze Vier Tijgers staat weer een andere Tijger, de Gele Tijger die over anderen heerst en zich in het midden bevindt. Uit: Het boek van de denkbeeldige wezens (1967) Het is niet de enige verwijzing naar de blauwe tijger bij Borges, want daarna komt hij erop terug in zijn verhaal 'Blauwe Tijgers' (1983), als beeld van de ‘verschrikkelijke elegantie’ die G.K. Chesterton aan de tijger toeschrijft. In dit verhaal gaat het om denkbeeldige dieren die een heilige heuvel in India bewaken. Een Schotse professor filosofie – personificatie van de rationele verlichte mens – die vanaf zijn jeugd gefascineerd is door tijgers, ontdekt dat er ergens in India, heel ver van de Ganges, blauwe tijgers zijn en hij reist er naartoe. Hij herkent het blauw van de tijgers aan de kleur  blauw die zich in de rotsspleet bevindt van een heuvel. Hij ziet daar een heleboel ronde, zeer gladde stenen met een doorsnede van een paar centimeter. Hun gelijke vorm heeft iets kunstmatigs, alsof het fiches zijn. In de palm van zijn hand veranderen die blauwe schijven van aantal, van vorm en ook van andere eigenschappen. Een lokale goeroe noemt ze ‘teelstenen’ en houdt zich er verre van: Ze hebben de vorm van de maan wanneer zij vol is, en ze hebben zo'n blauwe kleur die je alleen in je dromen mag zien. Ondanks een jarenlang onderzoek naar de werking van de stenen ontdekt de professor geen verband, geen logica, geen regelmaat of ordening in de mutaties – “Zinloos was het zoeken naar enige orde, naar een verborgen patroon in hun draaiende bewegingen. Het grootste aantal stenen dat ik bij elkaar kreeg was 419; het kleinste 3.” – In zijn pogingen het geheim van de stenen te ontsluieren dreigt hij waanzinnig te worden. Uiteindelijk komt de verlossing in de persoon van een bedelaar die hem van zijn onbegrijpelijke schat ontdoet. Eerst geeft hij hem één steen, maar dan zegt de bedelaar: “Wie niet alles geeft, geeft niets.” En daarop geeft de professor hem alle stenen. Vervolgens haalt hij opgelucht adem, want eigenlijk heeft de bedelaar hém een aalmoes gegeven door hem te verlossen van zijn stenen. De professor zegt: “Ik wil dat u begrijpt dat mijn aalmoes verschrikkelijk kan zijn”, waarop de bedelaar antwoordt: “Misschien is die aalmoes de enige die ik mag aannemen. Ik heb gezondigd.” En de gever laat alle stenen vallen in de holte van diens hand. Ze vallen als in de diepte van de zee, zonder het geringste geluid. Tot slot zegt de bedelaar: “Ik weet nog niet wat uw aalmoes is, maar de mijne is verschrikkelijk. U blijft achter met de dagen en de nachten, met uw gezond verstand, met de sleur, met de wereld.” ❦ Dat is het einde, maar in het begin van het verhaal betreedt de Schot het armoedige dorp met haar arme bewoners bij de heuvel van de tijgers. Hij prijst hen met de woorden dat de faam van de streek was doorgedrongen tot Lahore en dat hij daarom is gekomen. De bewoners reageren echter niet trots, maar juist bang. Ze willen geen faam: “Ik voelde dat zij de hoeders waren van een geheim dat zij niet met een vreemde zouden delen. Misschien verheerlijkten zij de Blauwe Tijger en hielden zij zich aan een eredienst die ik met mijn roekeloze woorden had ontwijd.” In zijn speurtocht naar de blauwe tijger leiden ze hem op allerlei dwaalsporen in de hoop dat hij moedeloos naar huis terug zou keren. De heuvel zelf is verboden terrein. De dorpsoudste vertelt hem dat iedereen die naar boven klimt de kans loopt om God te zien en gek of blind te worden. Op een late middag besluit hij toch stiekem (zelf) de heuvel op te gaan, maar tijgers of sporen van tijgers zijn nergens te bekennen. Wat hij vindt, zijn de mysterieuze stenen. De blauwe tijger blijkt spoorloos, en de vraag is of hij überhaupt (wel) bestaat. Maar wat dan nog? Van belang is dat de stenen met hun verschrikkelijke karakter wèl bestaan. Wie het kunnen weten, weten van hun ouders en voorouders dat ze de stenen moeten mijden om niet gek te worden. En zo moeten ze ook anderen ervan weerhouden ernaar op zoek te gaan. Wie er niet van weten, of het als onzinnig bijgeloof beschouwen, moeten leven met de verschrikkelijke aalmoes van de bedelaar. De ‘verschrikkelijke elegantie’ kleeft wellicht ook aan het menselijk pogen tot herscheppen, het najagen van het schone dat we in de kunst willen bereiken, maar nooit ten volle kunnen realiseren. Ze is ook vervat in het dogma – een van de minst begrepen woorden van onze tijd – dat in zeker zin, als negatieve theologie nooit God zelf kan verwoorden, maar veeleer als een piketpaaltje fungeert om de grens tussen het ware wezen en de verschijningsvorm te markeren. Wie verder graaft, vervalt in ketterij, in blindheid, in waanzin. Ook de seculiere religies van de moderne tijd berusten op dogmatische systemen.[1] Wat het dogma formuleert is de begrenzing, niet de Waarheid zelf. Ook hier lijkt Borges Chesterton goed te hebben gelezen. Chesterton stelt in zijn Orthodoxie(1908) immers dat de gek niet iemand is die zijn verstand verloren heeft, maar iemand die alles is verloren behalve zijn verstand. Gekte en blindheid grenzen aan elkaar.[2] En ten slotte komt de verschrikkelijke elegantie terug in de menselijke natuur zelf, dat als beeld en gelijkenis van God tevens correspondeert met het goede en het ware. ❦ Uitgeverij de Blauwe Tijger richt zich op het Goede, het Ware en het Schone, de klassieke eigenschappen van het goddelijke. Wie zonder of voorbij de uitersten van onze Europese cultuur wil, wacht blindheid of gekte. Alleen wie op zoek gaat naar de Blauwe Tijger zal de uitersten te zien krijgen, en zich houden aan de orde die zij begrenzen, levend met het onderscheid van goed en kwaad, en aldus beschermd tegen onzin. D Ö B L I N Illustratief is hoe de Duitse schrijver Alfred Döblin (Stettin, 10 augustus 1878 — Emmendingen, 26 juni 1957), vooral bekend om zijn roman Berlin Alexanderplatz, de blauwe tijger benadert. In zijn Amazone-trilogie vernoemt hij niet zomaar het tweede deel naar dit dier. In dit deel komt onder meer de legendarische Jezuïetenrepubliek Paracuaria ter sprake die de volgelingen van Ignatius van Loyola in de zeventiende eeuw stichtten in het gebied van en rond het huidige Paraguay. Te midden van vrijbuiters, hebzuchtige kolonisten en de jungle organiseerden de Jezuïeten een utopische indianenstaat waarin bezit veelal gemeenschappelijk was. In de zeventiende en achttiende eeuw overvielen legers van slavenhandelaren de staat, maar onder leiding van de priesters wisten de indianen de aanvallen af te slaan. Het verhaal is te zien in de wereldberoemde film The Mission uit 1986. De Nederlandse schrijver Robert Lemm situeert deze staatkundige idylle voor de indianen van toen tegen de achtergrond van de eeuwige zoektocht van de mens naar fabelachtige rijken en aardse paradijzen. In die traditie verliepen de expedities naar El Dorado, de vermeende, diep in het oerwoud gelegen gouden stad. Vele goudzoekers moesten het avontuur met hun leven bekopen; anderen verloren tijdens de tocht hun verstand. Maar het ware rijk was het geestelijke goud, zoals Robert Lemm laat zien in zijn boek Eldorado (Amsterdam,1996). De Jezuïeten benaderden dat met hun Paracuaria van solidariteit, vrijheid, weerbaarheid, maatschappelijke en culturele orde en religieuze harmonie. El Dorado is een zone die beheerd wordt door de blauwe tijger. Het staat symbool voor de rijke Europese cultuur waardoor diep in de Zuid-Amerikaanse jungle een rechtvaardige samenleving floreerde gebaseerd op de christelijke beginselen. ❦ Het onverwoestbare van de Europese cultuur dreef sommige geesten voort in het spoor van de blauwe tijger: Borges, Chesterton en ook Döblin. Het verhaal rond deze voor de nazi’s naar de VS gevluchte joodse schrijver is in feite het verhaal van de blauwe tijger.[3] Samen met andere Duitse joden had hij in de jaren dertig zijn land verlaten. Zijn leven nam een nieuwe wending toen hij bij het zien van een kruis besloot christen te worden. Meteen volgde sociale uitsluiting door zijn voormalige marxistische lotgenoten. Een uitsluiting die zijn hele leven zou duren. Direct na de oorlog keerde Döblin echter terug naar Duitsland om daar tussen de puinhopen van een kapot land iets van de glans van het onverwoestbare terug te vinden, iets van de diepste lagen van de Europese beschaving. Waar Duitsers hun hoop en bestaansgrond waren kwijtgeraakt, moest een bekeerde en gevluchte jood hun laten zien dat niet alles was verloren en dat de brul van de blauwe tijger nog niet was verstomd. Blijkbaar kunnen alleen kreupele, blinde, gevluchte en uitgestoten zoekers de blauwe tijger zien zonder gek te worden. Getekend als ze zijn door het leven, aangeraakt door de dood. Hun neergeschreven bevindingen vormen de leidraad voor ons project. U bent beland bij Uitgeverij de Blauwe Tijger, maar ook in een klein dorp verscholen in de jungle. Tegenover het cynisme van de filosofie van de deconstructie, de moderne cultuur, en ‘de woestijnfilosofie’ (zoals Chesterton de islam in The Flying Inn typeerde) staat de blauwe tijger voor het geloof in de lente. Een lente die het begin inluidt van een reis die filosofische, literaire en culturele inzichten oplevert[4] waarmee het Europese rijk van goud kan worden bewaard. ❉   ❉   ❉ N O T E N [1] Zie: Alexander Rüstow, Das Versagen des Wirtschaftsliberalismus, 1945. Alexander Rüstow, Die Religion der Marktwirtschaft (1948) [2] Wie de afbeeldingen van de auteurs op deze pagina ziet, weet dat met blindheid en gekte hetzelfde wordt bedoeld. Zowel Borges als Döblin waren visueel gehandicapt. [3] Zie: Walther Muschg, De ontwrichting van de Duitse literatuur, Amsterdam (1974). [4] Miguel de Unamuno, Nicolás Gómez Dávila, Davila, Wilhelm Röpke, enz.