Posted on

Tegen rechts is alles geoorloofd

In hun zeer herkenbare en bemoedigende boek ‘Mit Linken leben’ wijzen Caroline Sommerfeld en Martin Lichtmesz op de debatdooddoener die links voortdurend inzet. “Nazi”, “fascist”, plus het gevreesde H-woord (Adolf). “Zonder het grote verhaal van Adolf Hitler en het nationaalsocialisme als de pseudo-Gouden Standaard van het absolute Kwaad stelt links niets voor,” schrijven Sommerfeld en Lichtmesz. “Zijn terugkeer moet absoluut voorkomen worden.” Het bewijs van hun constatering is dagelijks in de media (kranten, rtv, sociale media) te vinden. Zoals afgelopen zaterdag in Trouw. Marijn Kruk bespreekt ‘Fascisme, een waarschuwing’ van Madeleine Albright en ‘Het verraad van de intellectuelen’ van Julien Benda. Onder de kop “Fascisme is terug (maar dan anders)” trekt de recensent een aantal zeer wonderlijke conclusies.

Madeleine Albright was minister van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten in de jaren negentig van de vorige eeuw. Op de Balkan kunnen ze haar bloed wel drinken en de dood van duizenden dode kinderen ten gevolge van de oorlog in Irak in 2003 en daarna bagatelliseerde ze. Tegenwoordig doceert de 80-jarige internationale betrekkingen in Washington. Vanuit haar huidige en vorige functie meent ze te moeten waarschuwen voor het ‘fascisme’ dat in Europa, maar zelfs in de Verenigde Staten, aan een comeback bezig zou zijn. De vrouw die tijdens de verkiezingsstrijd in 2016 zei dat “er een speciale plek in de hel is ingericht voor vrouwen die niet op Hillary Clinton stemmen”, schrijft nu in haar boek: “Als we fascisme beschouwen als een wond uit het verleden die bijna was geheeld, is Trump in het Witte Huis zoiets als het verband losrukken en aan de korst krabben”. De typering die Albright geeft voor het herkennen van een fascistische leider luidt: “iemand die zich sterk identificeert met een hele natie of groep, zich niet bekommert om de rechten van anderen, en bereid is elk middel aan te wenden om het gewenste doel te bereiken, inclusief geweld”. Uiteraard doelt Albright hier op Orbán, Erdogan en Trump. Ironisch genoeg gaat haar definitie net zo zeer of beter op voor de beide Clintons. Die gebruikten geweld om hun doel te bereiken (critici van hun politiek, Irak, voormalig Joegoslavië, Libië), voerden een machtspolitiek op basis van identity politics en verachten die groepen die in hun ogen niet tot de gewenste minderheden behoren – de “deplorables” – en ontzegden rechten aan de ‘restjesmensen’ (Jan Antonissen) en bijvoorbeeld christelijke ondernemers. Maar het begrip ‘fascsime’ wordt voor progressieve en linkse politici, intellectuelen en activisten niet toegepast. Het is voorbehouden aan alles en iedereen die zich tegenwoordig nog rechts durft te noemen. Het mechanisme waar Sommerfeld en Lichtmesz op wijzen.

Vandaar dat Trouwrecensent Kruk de Nederlandse actualiteit erbij meent te moet betrekken en in één adem een verband legt tussen de mensen die de politiek van Orbán steunen en de ‘blokkeerfriezen’ die vorige week in Leeuwarden voor de rechter verschenen. Kruk noemt het niet letterlijk, maar de hele teneur van zijn artikel wijst erop: het zijn mensen die handelen in de geest van het fascisme. “Bedenkelijke groepsdenkers”, die “hun identiteit bóven de rechtsstaat” stellen. Dezelfde eenzijdige blik, het H-woord, de debatdooddoener, volgt hij in zijn bespreking van het boek van Julien Benda. Volgens Kruk verweet de Franse filosoof begin vorige eeuw dat de intellectuelen van die tijd tijdens de Dreyfusaffaire zich niet boven de politieke passies hadden gesteld, maar deze juist hadden aangewakkerd. Volgens Kruk doelt Benda op Maurice Barrès en Charles Maurras, “extreemrechtse schrijvers”, ergo, fascisten. Kruk noemt Benda “een uitstekende gids in deze verwarrende en verontrustende tijden. Zelfs als wij te maken hebben met blokkeerfriezen in plaats van de Dreyfusaffaire”.  Een gotspe! Voor het gemak vergeet Kruk maar even het echtpaar Webb (Sovjetunie), Sartre (China), Foucault (Iran) en Mulisch (Cuba). Intellectuelen die volledig opgingen in hun politieke passies en zo’n beetje ieder links-totalitair regime steunden. En gaat het niet om Dreyfus en blokkeerfriezen, maar om Stalin en antifa-terreur.

Want zij passen nu eenmaal niet in het betoog van Kruk, die alles ter rechterzijde weg zet met het gevreesde H-woord. “Ben je rechts, dan ben je een ‘nazi’; een ‘nazi’ is een onmens en daarmee ben je eigenlijk een ‘untermensch’, een duivel, die als een gevaarlijk virus van de rest van de samenleving geïsoleerd moet worden,” schrijven Sommerfeld en Lichtmesz. “Wie het label ‘nazi’ krijgt is vogelvrij. Als het om ‘tegen rechts’ gaat, is voor veel mensen alles geoorloofd.”

Posted on

Hoe zou een soeverein buitenlandbeleid eruitzien? (video)

In kwesties van buitenlands beleid is Europa niet leidend maar volgend. De diverse Europese landen kijken in de eerste plaats naar Amerika. De meeste Europese landen zijn dan ook aan Amerika gebonden via de NAVO of daaraan gerelateerde partnerschapsprogramma’s. Alleen al daarom kan er geen sprake zijn van een soeverein Europees buitenlandbeleid gemeenschappelijk of individueel. Als Europa een keer afwijkt van de Amerikaanse lijn, bekritiseert ze die echter slechts voorzichtig en gaat ze uiteindelijk vaak alsnog door de pomp. Hoe dan ook is het doorgaans Europa dat het meest geconfronteerd wordt met de gevolgen van het Amerikaanse beleid in het Midden-Oosten en Afrika. Zo wordt duidelijk dat de belangen van Amerika en Europa lang niet altijd samenvallen.

De vraag dringt zich dan ook op hoe een soeverein buitenlandbeleid eruit zou kunnen zien. Manuel Ochsenreiter, hoofdredacteur van het Duitse geopolitieke magazine Zuerst, formuleerde in zijn toespraak tot het Institut für Staatspolitik  getiteld ‘Rußland, USA, Europa. Von Souveränität und Hegemonie’ een antwoord op deze pertinente vraag. Bekijk de video hieronder:

Lees ook:

Posted on

“Laat je niks wijsmaken”

Psycholoog Dr. Jaap van Ginneken is een vreemde eend in de bijt van de communicatiewetenschap. Waar de meesten van zijn generatiegenoten hun ‘systeemkritiek’ op de nieuwsmedia afzwoeren, bleef Van Ginneken een luis in de pels van de journalistiek. Zijn in 1996 verschenen boek, De schepping van de wereld in het nieuws, waarin hij ‘101 vertekeningen van het nieuws’ uiteenzette, werd tot leerboek aan scholen voor journalistiek in tal van landen, waaronder laatst zelfs nog in China.

Deze maand verscheen van Van Ginneken een biografie over het bewogen leven van de joodse Duitser Kurt Baschwitz, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als correspondent naar het neutrale Nederland kwam, terug in de Weimarrepubliek opklom tot hoofdredacteur van het gezaghebbende weekblad voor krantenuitgevers, in 1933 terugkeerde naar Nederland op de vlucht voor de nazi’s, tijdens de Duitse bezetting zat ondergedoken, korte tijd in kamp Westerbork zat opgesloten, na de bevrijding als eerste in Nederland een journalistiekopleiding begon en aan de wieg stond van de communicatiewetenschap in ons land.
De 74-jarige Van Ginneken gaat nu met pensioen. De Baschwitz-biografie is zijn laatste boek. Eerder, in 2004, stopte hij al met het doceren aan de vakgroep communicatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Een gesprek over het commerciële en propagandistische karakter van de nieuwsmedia.

In de jaren zeventig was er vanuit de Nederlandse communicatiewetenschap veel kritiek op het ‘kapitalistische’ karakter van de pers. Sindsdien is de invloed van adverteerders alleen maar toegenomen en is de Nederlandse krantenmarkt een semi-monopolie geworden. Maar de kritiek daarop vanuit de communicatiewetenschap lijkt verstomd. Hoe zie jij dat?

Die is inderdaad afgestorven, maar daar zitten twee kanten aan. De systeemkritiek van de jaren zeventig was te primair en te simpel. Die had in die zin geen bestaansrecht meer. Mijn boek De schepping van de wereld in het nieuws is een poging geweest om te laten zien de commerciële invloeden op de nieuwsmedia complexer zijn dan tot dan toe werd gedacht.

Zijn het inmiddels de adverteerders die bepalen of een publicatie kan overleven? Zo ja, welke gevolgen heeft dit gehad voor de manier waarop ons het nieuws wordt gepresenteerd?

Adverteerders oefenen zelden rechtstreeks invloed uit. Als je een lelijk stuk schrijft over bodymilk van Dove is het niet zo dat meneer Unilever op hoge poten met de hoofdredactie belt. Het belangrijkste hier is wat ik heb genoemd het ‘Umfeld’. Er zijn bepaalde redactionele omgevingen waarin een adverteerder graag verschijnt. Glossy-magazines bijvoorbeeld. Die krijgen maar een fractie van hun inkomsten uit de verkoop van losse nummers. Het grootste deel komt uit dure advertenties. Die bladen staan vol redactioneel materiaal waar adverteerders graag tussen willen staan. Stukje over mode, een nieuwe bodycrème, leuke reisjes. De glossy’s venten comfortabele illusies uit die zich helemaal hebben losgezongen van de werkelijkheid.
Het omgekeerde zie je bij een blad als de Groene Amsterdammer, met alsmaar intellectuele stukken, en vroeger: kritisch gezeur over dit is niet goed en dat is niet goed, en de wereld gaat naar de kloten. Dat is voor adverteerders niet erg aantrekkelijk. De Groene heeft een geniaal ding gedaan in de meer dan honderd jaar dat ze bestaan: ze hebben nooit met geld gesmeten, en hebben de verleiding weerstaan geld te lenen om te kunnen expanderen. HP/De Tijd en Vrij Nederland hebben meer financieel risico genomen. Die zijn daardoor van weekbladen tot maandbladen gedegradeerd. Ook het afnemende aantal drank- en tabaksreclames in de opinietijdschriften heeft daar waarschijnlijk aan bijgedragen. Daar bestonden die bladen vroeger goeddeels van.

Je hebt gezegd: “Op zichzelf is er met commercie en reclame niks mis, als de pluriformiteit verder goed gewaarborgd blijft.” Vind jij dat we in Nederland een pluriforme pers hebben?

Op het eerste gezicht als je de kiosk binnenloopt en je ziet al die wanden met bladen, dan denk je: pluriform. Maar dat wordt anders als je ziet dat het bijna allemaal glossy’s en modebladen zijn, dat er nog twee opinieweekbladen over zijn en dat de weekendbijlagen van de kranten zijn verworden tot een soort advertentiefuiken met human interest en rubriekjes over ditjes en datjes. De algemene trend is dat de consumptiepropaganda in de media moeiteloos de echt kritische analyses overstemt.

Wat betreft pluriformiteit: Zien we alle visies die er leven in de maatschappij voldoende weerspiegeld in de Nederlandse pers?

Het is niet zo dat wat het publiek denkt gereflecteerd zou moeten worden in de media. Het is juist de pers die het voortouw zou moeten nemen in het vormen van een visie op wat er in Den Haag gebeurt, hoe onze economie reilt en zeilt, enzovoort. Journalisten worden ervoor betaald kritisch te zijn en met een eigen visie te komen, en dat geldt trouwens ook voor wetenschappers.

We hebben voorbeelden gezien van breed gedragen visies in de maatschappij waar de pers volledig aan voorbij ging. Zoals over de problemen met de multiculturele samenleving, of, meer actueel, over de demonisering van Rusland in de media, waarover in lezersrubrieken veel geklaagd wordt.

Het is waar dat er te weinig en op de verkeerde manier is bericht over problemen die gepaard gingen met de multiculturele samenleving.

Maar je zegt dus eigenlijk: pluriformiteit moet niet komen van een pers die alle geluiden in de samenleving een stem geeft? Pluriformiteit moet komen van journalisten die van bovenaf het publiek vertellen waar de problemen liggen?

Populisme, zoals het genoemd wordt, heeft zeker bijgedragen aan het op de agenda plaatsen van onderwerpen die ten onrechte onbelicht of onderbelicht zijn gebleven. Maar waar het mij om gaat: veel kritiek blijft aan de oppervlakte hangen, graaft niet erg diep, is niet in staat de achterkant van het gelijk inzichtelijk te maken. Er is in de pers te weinig radicale systeemkritiek. Er staan wel kritische artikelen in de krant, maar dat gaat vooral over de ene columnist tegen de andere. Youp van ’t Hek die flink tekeer gaat is natuurlijk wel geestig, maar het is niet wat een kritische pers inhoudt. Het gaat er om dat je redacties uitrust met voldoende middelen om de onderste steen boven te krijgen. Er zou veel meer onderzoeksjournalistiek moeten zijn. Het ideaal van de pers als vierde macht wordt maar in zeer beperkte mate waar gemaakt.

Hoe zie jij de concentratie van de pers? De monopolievorming op de dagbladenmarkt?

Het feit dat er nu twee bedrijven zijn die meer dan negentig procent van kranten in handen hebben hoeft niet per se te leiden tot een slechte journalistiek. Het betekent wel dat winstbejag een grotere rol is gaan spelen. Een onrendabele krantenonderneming kan niet bestaan anno nu. In het verleden waren er veel onrendabele ondernemingen. Die werden gesubsidieerd door de zuil waar ze toe behoorden. Het nadeel daarvan was dat ze de zuil naar de mond praatten. Daar stond tegenover dat ze zich weinig aan de adverteerders gelegen hoefden te laten liggen. Maar in elk geval hadden we in de tijd van de verzuiling wel vijf verschillende ideologieën die met elkaar streden over onderwerpen. Nu is alles onderhorig gemaakt aan de commerciële ideologie, het Umfeld-effect wat ik noemde.

De nieuwsmedia zijn al een halve eeuw een studieobject voor jou geweest. Kun jij nog een krant openslaan of naar een tv-journaal kijken met het doel kennis te nemen van wat er in de wereld gebeurt?

Nee. Ik kan alleen nog naar het nieuws kijken met de vraag: Wat gaat er achter schuil? Waarom is dit opeens in het nieuws? Waarom wordt iets opeens heel groot, terwijl andere zaken nog geen seconde aandacht krijgen? Wie heeft daar belang bij? Was die of die persoon of instelling in de positie om dat nieuws een handje te helpen? Past het binnen een cultuurverschuiving waardoor er opeens iets zichtbaar wordt?

Journaals zijn niet jouw favoriete nieuwsvoorziening?

Zoals de meeste mensen van mijn generatie kijk ik nog trouw naar het journaal, zowel op de Nederlandse als de Franse televisie. Ik zie het televisienieuws als een soort collectieve psychotherapie. Mogelijke bedreigingen van ons wereldbeeld worden opgeroepen, geïdentificeerd, geëtiketteerd, gecategoriseerd, ‘behandeld’ en vervolgens weer opgeborgen. Voor dit doel voert de presentator iedere dag een hele stoet autoriteiten en experts ten tonele. Zij stellen gerust, zodat we onbezorgd kunnen gaan slapen.

Jij hebt vaak gesteld dat objectiviteit niet bestaat, en dus ook niet voor journalisten. Wat is dan volgens jou de juiste grondhouding?

Je moet als journalist kritisch zijn. Geloof nooit meteen wat je verteld wordt. Laat je niks wijsmaken. Je moet je altijd afvragen: ‘Wie heeft er belang bij dat dit verhaal op dit moment bij mij terecht komt?’ Behalve als je te maken krijgt met zoiets als vulkaanuitbarsting in een ver land, dan zal het niet snel gebeuren dat iemand er een speciaal belang bij heeft dat in de krant te krijgen.

Als je als journalist niet objectief kunt zijn, mag je wel geëngageerd zijn?

Het kan legitiem zijn om als journalist begaan te zijn met een bepaalde zaak, en dat je daar alsmaar aandacht voor vraagt. Maar je moet dan uitkijken dat je niet in een bubble belandt, waarin kritische geluiden en relevante tegenspraak je niet meer bereiken.

Wat zijn sinds de jaren zestig de belangrijkste veranderingen die je hebt gezien in de nieuwsmedia?

Over misschien de belangrijkste grote verandering hebben we het al gehad. De media zijn vrijwel allemaal commercieel geworden. De publieke omroepen een beetje minder dan de rest. Maar de strijd om de kijkcijfers werkt deels in het verlengde daarvan.

Een andere grote verandering is de audiovisualisering. Beeld en geluid zijn leidend geworden. Als er geen beeld van is dan zullen de journaals er niet snel mee openen, en dan zullen vervolgens de kranten er minder snel aandacht aan besteden. Het audiovisuele is de belangrijkste bron geworden van informatie en educatie.
De elektronisering heeft er bovendien toe geleid dat elke nieuwtje dat ergens op de wereld bekend wordt een paar seconden later bij ons op internet verschijnt of op de journaals. Met alle hijgerigheid en pseudo-actualiteit van dien.
Dan is er de BN’erisering. Op tv zie je de hele dag Bekende Nederlanders die van het ene naar het andere spelletje rennen en van quiz naar talkshow doorschuiven. Ook in de kranten en bladen is het een komen en gaan van BN’ers.

Je schrijft dat weinig beroepsgroepen zo zelfgenoegzaam en lichtgeraakt zijn als journalisten. Kritische boeken of studies van buiten de beroepsgroep worden vaak unaniem neergesabeld.

Ik leerde al snel dat als je je polemieken op Nederlandse personages en media richtte je dat snel kreeg terugbetaald. Als je je polemieken op het buitenland richtte, bijvoorbeeld op wat er in de VS gebeurde, dan was dat veel veiliger.

Niettemin schreef De Journalist, het toenmalige huisorgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, over jouw boek De schepping van de wereld in het nieuws: “Men kan Van Ginnekens boek afdoen als oude, linkse koek. Maar wie het leest, komt net iets te veel voorbeelden tegen die tot nadenken stemmen.”

Ja, dat was fair. Maar verder heeft het boek weinig veranderd. Behalve misschien dat het de grond rijp heeft gemaakt voor de prachtige boeken die Luyendijk later schreef, over deels dezelfde onderwerpen.

Je hebt een boek geschreven over de joods-Duitse Kurt Baschwitz, die je als een van de grondleggers beschouwt van de communicatiewetenschap in Nederland, en die als eerste een journalistenopleiding begon. Wat is het belangrijkste dat je van hem hebt geleerd? 

Het belang van ruimte voor systematische tegenspraak. Die is er vaak niet. Baschwitz heeft dat gemerkt tijdens de opkomst van het nazisme en antisemitisme in Duitsland. Ik heb dat bijvoorbeeld gemerkt aan de vooravond van de Tweede Golfoorlog. Ik heb toen vergeefs lopen leuren met een Nederlands artikel waarin ik uitvoerig beargumenteerde dat die atoomwapens van Saddam Hoessein waarschijnlijk helemaal niet bestonden. Niemand wilde het hebben. Het verscheen uiteindelijk pro forma in een klein wetenschappelijk blad.

Noam Chomsky cum suis hebben vastgesteld dat er in de mainstream media impliciete ‘limits of acceptable discourse’ worden gehanteerd, dat de ruimte voor tegenspraak vaak maar zeer beperkt is. Dat geldt bij uitstek bij hoog-emotionele kwesties in het internationale nieuws, en aan de vooravond van interventies en oorlogen. Het blijkt vaak pas decennia later, dat de werkelijkheid daarbij geweld werd aangedaan. 

Opvallend aan Baschwitz is dat hij een vrije pers en de vrijheid van meningsuiting als voldoende voorwaarden lijkt te zien voor een goed geïnformeerd publiek. Hoe zie jij dat? Is dat niet een beetje naïef?

Baschwitz leefde in een tijd van totalitarisme, crisis en oorlogen. De vrije pers en de vrijheid van meningsuiting stonden toen heel erg onder druk. Later is het allemaal een stuk ingewikkelder geworden. Co-optatie is volgens mij een van de meest effectieve maar goeddeels onzichtbare controlemechanismen in onze maatschappij geworden. Fabrikanten co-opteren wetenschappers en onderzoek die laten zien dat hun producten gezond en geenszins schadelijk zijn. De rijksten in de VS co-opteren een beleid en instellingen die hun visie onderbouwen en veel breder verspreiden dan logisch is. Toppolitici co-opteren staf en lagere echelons die inschikkelijk zijn. In al die gevallen wordt er formeel nergens dwang gebruikt, en blijft de fameuze keuzevrijheid schijnbaar onaangetast.

Bijzonder aan Baschwitz is dat hij tegen de tijdsgeest inging van het Interbellum, toen de democratie onder druk stond, vooral in Duitsland, met de zegen van veel intellectuelen. Die laatsten zagen ‘het volk’ als een bedreiging, als een blinde, kolkende massa die met propaganda in de goede richting moest worden gestuurd.

Baschwitz zag het inderdaad precies andersom. De gewone mensen waren volgens hem begiftigd met gezond verstand en medemenselijkheid. De massa is niet dom, maar wordt steeds door de terreur van een kleine minderheid op één hoop gedreven. Het kwaad kwam vooral van de elites, de intellectuelen inbegrepen. Als het volk al moest worden aangestuurd dan vond Baschwitz dat het moest gebeuren door een beroep te doen op hun goedheid, niet door misbruik te maken van hun zwaktes.

Je beschrijft dat Baschwitz ten tijde van de Weimarrepubliek zag hoe in Duitsland banken, ondernemers en overheden telkens opnieuw probeerden om een vinger in de pap te krijgen bij de pers, op zoek naar politieke steun. Hoe ver reikt volgens jou de invloed van de elites?

Uit het Amerikaanse Project Censored komt naar voren dat kwesties die zowel het bedrijfsleven als de overheid heel erg onwelgevallig zijn niet snel het nieuws halen. Terwijl er continu vaste contacten zijn tussen journalisten en ‘establishment’, zijn er veel minder contacten tussen journalisten en alternatieve nieuwsbronnen. Het grootste deel van het nieuws wordt bepaald door persberichten, persconferenties, officiële gebeurtenissen en uitingen van westerse overheidsinstellingen en bedrijven.

In hoeverre zijn wij allen gehersenspoeld, propaganda-slachtoffers? In hoeverre worden wij in ons denken beïnvloed door The Powers That Be?

In de communicatiewetenschap wordt vaak gewezen op het proces van agendasetting: het establishment en de media bepalen niet zozeer wat we denken, maar waarover we denken, de onderwerpen die ons bezighouden.

Frank Zappa zei: ‘Politics are the entertainment branch of industry.’ Staart de pers zich blind op de poppetjes in de politiek?

Ja. Een steeds groter deel van het nieuws bestaat niet uit serieuze informatie maar uit ‘celebrity theater’. Neem de voormalige premier van Italië, Silvio Berlusconi. Media en publiek waren nauwelijks geïnteresseerd in diens vermeende banden met de maffia en het geheime P2-genootschap, maar des te meer in zijn orgies met minderjarige meisjes. Of neem de voormalige president Bill Clinton. Zijn affaire met een stagiaire overschaduwde lange tijd alles wat zich in de Amerikaanse politiek afspeelde. Zelfs de kat en de hond van de Amerikaanse president krijgen meer aandacht in de internationale media dan sommige grote landen elders bij elkaar.

Terug naar Baschwitz. Die verbleef een deel van de Eerste Wereldoorlog als correspondent in Nederland. Je beschrijft hoe hij zich verbaasde over het gemak waarmee geallieerde propaganda in de Nederlandse kranten verscheen. Zoals het verhaal dat de Duitsers hun gesneuvelde soldaten tot veevoer verwerkten. En ook over de cartoons zoals in de Telegraaf over Duitsers afgebeeld als Neanderthalers die vrouwen verkrachtten en hun slachtoffers kruisigden. Er lijkt weinig te zijn veranderd sindsdien? 

In mijn boek Verborgen Verleiders heb ik een apart hoofdstuk gewijd aan oorlogspropaganda. Ik beschrijf daarin hoe de VS steeds weer met succes de media gebruiken door met hele en halve leugens ‘nieuwe bedreigingen voor het Westen’ en hun oorlogen te verkopen. Het proces van agendasetting speelt daar een belangrijke rol in. De regering van de Verenigde Staten bepaalt meer dan enige andere instelling in de wereld wat mensen bezig houdt. Om een voorbeeld te noemen: iedere paar maanden maakt de Amerikaanse regering bekend dat uit haar satellietwaarnemingen blijkt dat deze of gene vijandige mogendheid ‘gevoelige’ technologie importeert, militaire installaties bouwt of legerdivisies in grensgebieden plaatst en daarmee een bedreiging voor anderen vormt. Vaak nemen de media dergelijke beschuldigingen klakkeloos over. Diezelfde bronnen en media vestigen haast nooit de aandacht erop dat de VS en hun bondgenoten ook voortdurend bezig zijn met de ontwikkeling van niet-conventionele wapensystemen en met de verplaatsing van militaire eenheden op een manier die door anderen als een bedreiging kan worden waargenomen.

Vergis ik mij of wordt er in de communicatiewetenschap nauwelijks nog studie gemaakt van oorlogspropaganda?

Er wordt vrijwel niets aan gedaan. Daarom trappen de regering en het parlement ook steeds opnieuw in leugencampagnes om bepaalde militaire interventies te rechtvaardigen. Keer op keer op keer, zonder dat er iets geleerd wordt. Na een paar jaar zijn die politici weer weg. Vaak worden ze pas kritisch als ze geen verantwoordelijkheid meer dragen.

Je schrijft: “Het principe van hoor- en wederhoor dat voor binnenlands nieuws hoog in het vaandel staat, wordt bij internationale conflicten waarbij het Westen partij is slechts hoogst zelden op een evenwichtige manier toegepast. Zodra een bron als ‘vreemd’ of ‘vijandig’ wordt aangemerkt, krijgt die vaak niet langer een serieuze behandeling.” Misschien heeft dat er mee te maken dat de Amerikanen communicatief sterker zijn dan andere volkeren?

De Amerikaanse pers zit in het hart van het wereldwijde communicatiesysteem, en laat zich in hoge mate aansturen door de autoriteiten. Op een conferentie over de Golfoorlog stelde Ed Cody van The Washington Post dat als er een conflict is waar de VS bij betrokken zijn de Amerikaanse regering met zoveel informatie komt dat het vrijwel automatisch de definitie wordt van wat er aan de hand is. Als er een reporter in Saoedi-Arabië, Koeweit of Bagdad zit die zegt: “Ho, wacht eens even, ik zit hier, ik praat juist met een betrokkene, en die zegt dat het helemaal anders zit”; dan wordt het geluid van die persoon wel doorgegeven, maar het legt geen gewicht in de schaal omdat het overstemd wordt door de lawine aan informatie die de Amerikaanse regering dagelijks over de media uitstort.

Hoe zie jij de strijd van overheden tegen wat ‘nepnieuws’ is gaan heten? Is dat een legitieme strijd? Volgens Cees Hamelink zijn overheden de grootste producenten van nepnieuws en zijn journalisten de belangrijkste distributeurs hiervan.

Hij heeft helemaal gelijk.

Zou Baschwitz zich thuis voelen op de Universiteit van Amsterdam anno 2018? Jouw jongere collega, communicatiewetenschapper Tabe Bergman schrijft: “Ik vermoed dat Baschwitz, (..) wiens boeken (..) over propaganda de nadruk legden op de schuld van de elites voor twee wereldoorlogen en andere ellende, zich nauwelijks thuis zou voelen tussen de wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam, die zich, ondanks al hun deugden, hebben toegelegd op kwantitatieve onderzoeken, die moeilijk leesbaar en te doorgronden zijn, zelfs voor de hogeropgeleide leek.”

Tijdens de presentatie van mijn boek in Spui25 in Amsterdam werd de vraag opgeworpen of Baschwitz zou worden aangenomen aan de UvA als hij nu zou solliciteren. De meningen liepen daarover uiteen. Er waren er die weerspraken dat Baschwitz aan de basis heeft gestaan van de communicatiewetenschap. Zij zien Baschwitz eerder als iemand die deel uitmaakte van de voorgeschiedenis, en ook als studeerkamergeleerde. Ik zeg in antwoord daarop: “Erudiet aan de huidige universiteit is eerder een vloek dan een zegen. De huidige universiteit is overgespecialiseerd en overmethodologisch.”

Posted on

Waarom Kim Jong-un zijn kernwapenprogramma nooit op zal geven

In de ochtendschemer van woensdag lanceerde Kim Jong-un een intercontinentale raket die een hoogte van bijna 2800 mijl (4500 km) bereikte, voor hij in de Japanse Zee viel. Noord-Korea heeft nu bewezen dat het in staat is Washington D.C. te halen met een raket. Nog altijd onbewezen is of Kim een kernkop kan maken die klein genoeg is om door die raket afgeleverd te worden en of die raket met de nodige precisie zijn doel kan bereiken ook na de trillingen van de dampkring. Er zijn meer proeven en tijd nodig om daar duidelijkheid over te krijgen.

Amerikaanse markten trokken zich dan ook niets aan van Kims Hwasong-15-raket en stegen naar record-hoogtes op woensdag en donderdag.

President Donald Trump nam het minder goed op. “Little Rocket Man” is een “sick puppy”, zo stelde hij tegenover een publiek in Missouri. Amerikaans ambassadeur bij de VN Nikki Haley stelde in de Veiligheidsraad, dat “als er oorlog komt [..] het Noord-Koreaanse regime totaal uitgevaagd zal worden.” Vervolgens waarschuwde ze de Chinese president Xi Jinping, dat “als China de olieleveringen (aan Noord-Korea, red.) niet stopt, wij (de VS, red.) de oliesituatie zelf ter hand kunnen nemen.” Doelt Haley hier op het bombarderen van pijpleidingen in Noord-Korea – of China?

De woede van de president en het snoeven van Haley weerspiegelen een pijnlijke realiteit: Hoe inhumaan en rücksichtslos de 33-jarige dictator van Noord-Korea ook is, hij speelt het pokerspel met de hoogste inzet op deze aardkloot, tegen de mondiale supermacht, en hij speelt het opmerkelijk goed. Reden: Kim begrijpt ons mogelijk beter dan wij hem, en het lijkt erop dat hij daarom minder aarzelt om het risico te lopen van een oorlog die hij niet kan winnen.

Want hoewel een tweede Koreaanse Oorlog zeer wel zou kunnen eindigen met de vernietiging van het leger van het Noorden en van Kims bewind, zou het vrijwel zeker ook resulteren in ongeziene duizendtallen dode Zuid-Koreanen en Amerikanen. En Kim weet dat hoe meer Amerikaanse levens hij op het spel kan zetten door raketten met kernkoppen, hoe onwaarschijnlijker het wordt dat de Amerikanen ten oorlog zullen trekken tegen hem.

Zijn calculatie lijkt tot nu toe op te gaan. Zolang hij zijn hand niet overspeelt en Trump dwingt om te kiezen voor oorlog in plaats van het tolereren van een Noord-Korea dat kernraketten op de VS zou kunnen doen neerkomen, kan Kim deze confrontatie winnen. Waarom? Omdat de concessies die Kim verlangt niet volstrekt onacceptabel zijn.

Wat wil Kim?

In eerste instantie wil hij een einde aan de gezamenlijke militaire oefeningen van de VS en Zuid-Korea, die hij ziet als een potentiële aanloop naar een verrassingsaanval. Hij wil een einde aan de sancties, Amerikaanse erkenning van zijn bewind en acceptatie van zijn status als een kernwapenstaat. Vervolgens wil hij terugtrekking van alle Amerikaanse troepen uit Zuid-Korea en internationale hulp.

Eerdere regeringen – Clinton, Bush II, Obama – zagen veel van deze eisen als onderhandelbaar. En het accepteren van sommige van deze voorwaarden of zelfs alle, zou geen groot gevaar voor de Amerikaanse nationale veiligheid of vitale belangen inhouden. Ze zouden echter wel een ernstig gezichtsverlies inhouden.

Aanvaarding van dergelijke eisen door de VS zou een triomf voor Kim zijn en zijn riskante nucleaire strategie valideren, het zou een diplomatieke nederlaag voor de  VS zijn. Little Rocket Man zou The Donald overtroefd hebben.

Bovendien zou de geloofwaardigheid van de Amerikaanse afschrikking ter discussie komen te staan. Je zou mogen verwachten dat Zuid-Korea en Japan over hun eigen afschrikkingsmiddelen na zouden gaan denken, uit vrees dat de VS nooit werkelijk zijn eigen land op het spel zou zetten, maar een deal zou sluiten ten koste van hen. We zouden opnieuw het gehuil over ‘München’ op horen gaan en de schim van Neville Chamberlain zou opgeroepen worden voor rituele denunciatie.

Tijd voor de waarheid

Maar de tijd is gekomen voor de waarheid: Onze eis van “denuclearisatie van het Koreaanse schiereiland” zal niet ingewilligd worden, tenzij door een Amerikaanse oorlog en bezetting van Noord-Korea.

Kim heeft gezien hoe Bush II, toen het Amerikaanse belangen diende, zich terugtrok uit een 30-jaar oud ABM-verdrag met Moskou. Hij heeft gezien hoe, nadat hij al zijn massavernietigingswapens opgaf om een vergelijk te vinden met het Westen, Muammar Khadaffi aangevallen werd door de NAVO en uiteindelijk gelyncht werd.

Hij kan zien welke waarde Amerikanen hechten aan de nucleaire verdragen die ze tekenen door te kijken naar de brede roep uit de Republikeinse partij om de Iraanse Kerndeal de nek om te draaien en ‘regime change’ teweeg te brengen in Teheran, ofschoon Iran VN-inspecteurs toelaat om door het land te trekken en aan te tonen dat ze geen kernwapenprogramma hebben.

Voor Amerika’s post-Koude Oorlog-vijanden is de les duidelijk: Als je je massavernietigingswapens opgeeft, eindig je als Khadaffi en Saddam Hoessein. Als je kernwapens bouwt die de Amerikanen kunnen bedreigen, dan krijg je respect. Kim Jong-un zou wel gek zijn om zijn raketten en kernkoppen op te geven. En hoewel de man veel is, is hij geen gek.

We naderen een punt waarop de keuze  is tussen een oorlog met Noord-Korea waarin duizenden om zouden komen, of bevestigen dat de VS niet bereid zijn het eigen land op het spel te zetten om Kim af te houden van wat hij al heeft – kernwapens en raketten om ze af te leveren.

Posted on

Toenemende invloed Saoedi-Arabië en Turkije in Kosovo

Vanwege werving voor de jihad in Syrië en Irak, aanstichting tot haat, het propageren van religieuze intolerantie en tenslotte belastingontduiking, is in de Kosovaarse hoofdstad Pristina de hoofdprediker van de centrale moskee Shefet Krasniqi (51) gearresteerd.

De opperimam van Kosovo hoorde in de jaren ’90 tot de eerste Kosovo-Albanezen die hun studie in Saoedi-Arabië deden. Krasniqi is geen uitzondering. Volgens een bericht van Le Figaro zou in de omgeving van Pristina in 22 moskeeën zijn opgeroepen tot de heilige oorlog. En dat bij wijze van spreken onder het toeziend oog van EU-soldaten en -ambtenaren, die daar gestationeerd zijn.

Het Balkanlandje is tot Europa’s jihadcentrale geworden. In Kosovo heeft de radicale Saoedi-Arabische staatsislam van de Wahhabieten zich gevestigd. Net als de Salafisten staan de Wahhabieten voor een primitieve islam, die zich strikt op Mohammeds 7e eeuw oriënteert.

Van de momenteel meer dan 800 moskeeën in Kosovo stammen er 240 van financiers uit Saoedi-Arabië, die via stichtingen en ngo’s sinds de afscheiding in 1999 geld naar Kosovo overmaken. Vooral de nieuwe moskeeën worden verantwoordelijk gehouden voor de Wahhabitische indoctrinatie van de Kosovaren.

Terwijl het westen onder aanvoering van de Amerikanen in 1999, onder het mom van democratie en mensenrechten, militair intervenieerde om de afscheiding van Kosovo van (romp-)Joegoslavië mogelijk te maken, gebruikten de Saoedi’s de ontstane situatie om hun versie van de islam ingang te doen vinden.

Maar de geldschieters uit Saoedi-Arabië, Qatar, Koeweit en Bahrein maakten niet alleen de bouw van moskeeën mogelijk, ze betaalden ook de opleiding van honderden imams op het Arabisch schiereiland. Volgens het Franse dagblad betaalden religieuze stichtingen ook premies variërend van 100 à 300 euro aan mannen die een salafistenbaard lieten staan en vrouwen die zich sluierden.

Terwijl er voor 2000 nauwelijks gesluierde vrouwen te zien waren in Kosovo, wordt hun aantal inmiddels steeds groter. De Ramadan, vroeger een privézaak, wordt nu publiek doorgevoerd en door de staat bewaakt. Het Albanese nationalisme, dat eens tot de opstand tegen Slobodan Milosevic leidde, heeft met het Wahhabisme een belangrijke wereldbeschouwelijke concurrent gekregen.

Van de Europese Unie heeft Kosovo sinds 1999 zo’n vijf miljard euro aan hulpgelden ontvangen, veel meer per hoofd van de bevolking dan bijvoorbeeld de 16 miljard dollar Marshall-hulp aan 16 Europese landen na de Tweede Wereldoorlog. Desondanks is Kosovo nog altijd het armste land van Europa. De werkloosheid ligt bij 30 en de jeugdwerkloosheid bij 70 procent.

Terwijl toetreding tot de EU voor het straatarme land veraf is, toont Recep Tayyip Erdogan in het kader van zijn nieuwe Turkse grootmachtpolitiek belangstelling voor Kosovo. De opvolger van het Ottomaanse rijk investeert in luchthavens, wegen en banken en stuurt imams naar Kosovo. Een van de wederdiensten die Ankara verlangt, is dat Kosovo zijn schoolboeken zo corrigeert dat de Ottomaanse geschiedenis mooier voorkomt.

Posted on

Ex-guerrillero’s winnen verkiezingen Kosovo

De coalitie onder leiding van de PDK, ook wel de ‘oorlogsvleugel’ genoemd, heeft zondag de parlementsverkiezingen in Kosovo gewonnen maar moet wel inboeten. De ultra-nationalistische Zelfbeschikkingspartij boekte winst.

De door de PDK aangevoerde coalitie werd met 34 procent van de stemmen het grootste blok in het parlement. De coalitie brengt de nationaal-liberale PDK van president Hashim Thaci, de nationaal-liberale AAK van premierskandidaat Ramush Haradinaj en de nationalistische en sociaaldemocratische NISMA bij elkaar. De coalitie wordt ook wel de oorlogsvleugel genoemd, omdat zowel Thaci als Haradinaj belangrijke aanvoerders waren van het ‘Kosovo Bevrijdingsleger’ (UÇK), dat eind jaren negentig strijd leverde met het Servische leger en uiteindelijk door westerse bombardementen slaagde in eenzijdige afscheiding van Servië.

Oorlogsmisdaden

Tot nu toe regeerde de PDK samen met de centrumrechtse LDK en een partij die de Servische minderheid in Kosovo vertegenwoordigt. Verschillende oud-UÇK-strijders, waaronder Thaci en Haradinaj, hebben elkaar nu gevonden in een poging samen aan de regering te komen. Op die wijze hopen de oud-strijders het beter te zien aankomen wanneer ze door een nieuwe speciale rechtbank in Den Haag aangeklaagd worden voor misdaden die ze na de oorlog van 1998-1999 begaan zouden hebben tegen Serviërs en politieke rivalen. Volgens een rapport van de Duitse inlichtingendienst BND uit 2008 hebben zowel Thaci als Haradinaj veel contacten in de criminele onderwereld.

In 2014 kregen de drie partijen die nu als een blok deelnamen aan de verkiezingen bij elkaar nog zo’n 45 procent van de stemmen. Verlies was er echter ook voor de, ooit door toenmalig president van Kosovo Ibrahim Rugova opgerichte, centrumrechtse en op vreedzame middelen georiënteerde LDK, die samen met de liberale AKR aan de verkiezingen deelnam en een kleine 26 procent van de stemmen behaalde, tegen een kleine 30 procent in 2014.

Ultranationalisten kunnen met niemand

Grote winnaar van de verkiezingen was de ultranationalistische Zelfbeschikkingspartij. Die profileerde zich in de verkiezingscampagne succesvol als enige partij die de corruptie in regeringskringen aan kan pakken. De Zelfbeschikkingspartij verdubbelde zodoende haar steun en werd met 27 procent van de stemmen de op een na grootste.

De Servische Lijst, die goede banden onderhoudt met de regering in Belgrado, wist alle tien voor de Servische bevolkingsgroep ingeruimde zetels te bemachtigen, in plaats van 9 in 2014.

De precieze zetelverdeling is nog niet bekend, maar het vormen van een regering zal lastig worden. De PDK-coalitie heeft waarschijnlijk niet genoeg zetels om alleen te regeren. De vorige regering, onder leiding van Isa Mustafa (LDK), viel nadat er onenigheid was tussen LDK en PDK over een akkoord over de vaststelling van de grens met Montenegro. Gezien de animositeit in de afgelopen periode tussen de regeringspartners is het allerminst vanzelfsprekend dat zij opnieuw met elkaar gaan regeren. En de ultranationalisten van de Zelfbeschikkingspartij mogen dan de grote winnaar van de verkiezingen zijn, zij kunnen echter met niemand zonder meer regeren. De ultranationalisten vinden de PDK namelijk te corrupt, de LDK te soft en de Servische Lijst te Servisch.

Posted on 1 Comment

“Overheid is grootste producent nepnieuws”

Cees Hamelink

Cees Hamelink, emeritus hoogleraar internationale communicatie, vindt dat overheden en journalisten de hand in eigen boezem moeten steken, in plaats van anderen te beschuldigen van nepnieuws. En mediaconsumenten moeten zich kritischer opstellen.

U adviseert geen NOS Journaal meer te kijken. Waarom niet?

“Als je het NOS Journaal kijkt om te weten wat er in de wereld gebeurt, dan is het zonde van je tijd. Er zijn tegenwoordig zoveel alternatieve bronnen, die veel informatiever zijn. Zoals de website Other News van Roberto Savio, de voormalige baas van Inter Press Service (IPS). Hij attendeert op interessante artikelen uit de wereldpers, en schrijft ook zelf prachtige analyses. Dan kun je beter dagelijks één zo’n artikel lezen, dan naar het NOS Journaal kijken. Het biedt je meer greep op de werkelijkheid en het blijft ook beter hangen. We deden vroeger wel onderzoek naar wat mensen opsteken van het NOS Journaal. We vroegen dan: “Wat herinnert u zich te hebben gezien?” Het enige wat  mensen zich dan vaak bleken te herinneren was het weerbericht.

Jaren gelden had je de Slow Food beweging. Ik ben zelf betrokken geweest bij de Slow Science beweging. Die bewegingen zijn allemaal voortgekomen uit de gedachte dat wij allemaal zo hard rennen, dat we niet meer zien wat we doen. De druk op de snelheid van het nieuws is enorm toegenomen, en daarmee het aantal fouten dat gemaakt wordt. De vraag ‘klopt het wel?’ schiet er bij in.”

Naast u op de bank ligt een exemplaar van de Volkskrant. U ontraadt de mensen niet de krant te lezen?

“Je kunt beter de krant lezen dan naar het NOS Journaal kijken. Journaals selecteren het nieuws op de beschikbaarheid van bewegende beelden. Dat beperkt de manier waarop je met de werkelijkheid omgaat. Kranten hebben dat probleem niet. En daarnaast bieden ze meer context en diepgang. Van de andere kant: kranten, en met name de Volkskrant, zijn erg opiniërend geworden. De mening van journalisten interesseert mij niet wezenlijk. Ik zie liever dat ze nauwkeurig beschrijven wat er gaande is.

Later op de dag worden ook nog het NRC en Het Parool bij mij bezorgd. En één maal wekelijks komt er een aantal buitenlandse kranten binnen, en veel tijdschriften. Je kunt je rijk rekenen met het idee dat je goed op de hoogte bent als je maar genoeg kranten in huis haalt. Maar dat is misschien wel een illusie. De kranten die in de middag komen zijn niet zo heel veel anders dan de Volkskrant. Ze behandelen dezelfde thema’s en hanteren dezelfde invalshoeken. Vaak weinig kritisch en afstandelijk.”

Van uw hand verscheen in 2006 het boek Regeert de leugen? Die titel was gebaseerd op een uitspraak van de toenmalige koningin Beatrix, die daarmee haar ongenoegen kenbaar maakte over het functioneren van de pers in Nederland. Is het voor u een vraag of een weet, dat de leugen regeert?

“Ik had het boek willen noemen De leugen regeert. Maar dat mocht niet van de VARA. Deze ooit socialistische omroep bleek de woordencombinatie ‘De leugen regeert’ als merk te hebben gedeponeerd bij het Benelux-merkenbureau en zich deze dus eigenlijk particulier te hebben toegeëigend.

Maar bij nader inzien bleek de vragende vorm van de formulering toch een betere titel voor het boek. De uitspraak van de koningin veronderstelt dat de media de grote leugenaars zijn. Dat is niet helemaal waar. Zelf liegen doen ze meestal niet. Wat journalisten vooral doen is het verspreiden van de leugens van anderen, met name van overheden. Dat zijn altijd de grootste leugenaars geweest, de grootste producenten van wat we nu nepnieuws noemen. Op zijn minst kun je dus zeggen dat de media medeplichtig zijn aan het verspreiden van nepnieuws. Zie de oorlogen uit het recente verleden, in Srebrenica, Kosovo, Irak, Libië, en nu ook in Syrië en Oekraïne. De journalisten waren of zijn daar zelf niet de grote leugenaars. Dat zijn de spin doctors en pr-professionals van overheden, inlichtingendiensten en andere instanties. Zij creëren ware, maar ook veel onware verhalen over genocide, systematische verkrachtingen en andere gruwelijkheden. Journalisten verspreiden die verhalen, vaak zonder die op feitelijkheid te toetsen.

De media gaan veel te gemakkelijk mee met de vijandbeelden die de politiek hanteert. Er is altijd wel een ‘monster’ in de aanbieding. Naarmate de vijand gevaarlijker wordt afgeschilderd, neemt de bereidheid toe onder de bevolking om ten strijde te trekken.

De gebruikelijke procedure is dat journalisten politici napraten en vervolgens elkaar weer napraten. We horen politieke journalistiek vaak meer over wat een politicus vindt, meent en ervaart, dan over politieke feiten en hun achtergronden.

Het probleem is: de grote leugenaars zijn nieuws, ook al hebben zij niks nieuws te vertellen. Zij krijgen steeds weer een ruim podium. Zij hebben een oneindig groter bereik dan hun critici. Alles wat Donald Trump roept is nieuws. Ongeacht of het waar is wat hij zegt. Het gaat de hele wereld over. Vergelijk dat met het bereik van een intellectueel als Noam Chomsky of een kritische journaliste als Amy Goodman van Democray Now. Hun analyses kunnen nog zo goed zijn, de aandacht die zij krijgen valt in het niets bij die van de Amerikaanse president.”

In plaats van de schuld te zoeken bij zichzelf hebben de politiek en media de aanval geopend op alternatieve websites die nepnieuws zouden verspreiden. Schuilt daarin een gevaar?

“Het bestrijden van nepnieuws door overheden zie ik als een groter kwaad dan het bestaan van nepnieuws. Overheden hebben altijd geprobeerd elke vorm van nieuws te manipuleren, te beïnvloeden. Ze kunnen dus het argument van nepnieuws gebruiken om nieuws te bestrijden dat helemaal niet nep is.

Het sluiten van kranten of platleggen van websites zal niet snel gebeuren bij ons in het Westen. In een land als de VS bijvoorbeeld is dat heel lastig met het Eerste Amendement. Maar toch beschikken overheden over veel manieren om journalisten onder druk te zetten. Ik herinner mij dat in de jaren zeventig journalisten die lastige vragen stelden op persconferenties in het Witte Huis hiervoor ‘gestraft’ werden door de Belastingdienst op ze af te sturen. Er waren journalisten die hierdoor in de problemen kwamen. Want als je heel strikt naar de belastingaangifte van mensen gaat kijken, dan vind je altijd wel wat.

Het wordt een linke aangelegenheid als overheden een zekere steun krijgen voor het ingrijpen in de publieke nieuwsvoorziening, want dat loopt geheid uit op censuur. En dat is een groot kwaad.”

Het zijn vooral de Russen die ervan beschuldigd worden nepnieuws te verspreiden. De EU, en landen als de VS en Nederland financieren organisaties die Russische propaganda moeten ontzenuwen, en die Russischtaligen moeten voorzien van degelijke informatie. Wat vindt u daarvan?

“Het doet erg denken aan de Koude Oorlog. De Sovjets hadden een departement van Desinformatie. De Amerikanen hebben nooit willen toegeven dat ze ook zoiets hadden. Die spraken liever van ‘democratische informatie’ en ‘vrije informatie’. Maar die radiostations van de Amerikanen, Voice of America en Radio Liberty, die trouwens nooit opgehouden zijn te bestaan, waren geen haar beter. Dus de Russische vertekening van het nieuws werd dan tegengegaan door vormen van informatie die evenzeer onevenwichtig waren.

Belastinggeld naar ‘fact checking’ organisaties en zogenaamde onafhankelijke media is weggegooid geld. Er wordt vanuit gegaan dat die fact checkers buitengewoon betrouwbare journalisten zijn, en die onafhankelijke journalisten onafhankelijk. Maar wie bepaalt dat? De overheden door wie ze betaald worden?

Ik ben daar niet voor. Als het heel duidelijk is dat nieuws nep is, dan is het goed om het aan de kaak te stellen. Dus bijvoorbeeld in het geval er gemeld wordt dat er twee miljoen mensen hebben gedemonstreerd, terwijl uit foto’s blijkt dat het er niet meer dan 50.000 geweest kunnen zijn. Dan is het goed dat te laten zien. Maar als het ingewikkelder zit, zoals in het geval van het conflict in Oekraïne. Hoe moet je dan de contraire visies van Rusland en de VS op feiten controleren? Dat is toch bijna onmogelijk?

Je kunt je sowieso afvragen of het zin heeft, dat factchecking. Als je bijvoorbeeld kijkt naar Wilders of Le Pen. Die spreken een deel van de bevolking aan dat zich een bepaald beeld heeft gevormd van de werkelijkheid. Dan kun je praten tot je blauw in je gezicht ziet, maar je bereikt er niks mee. De Poolse socioloog Zygmunt Bauman zei: ‘Mensen zoeken naar comfortzones. Sociale media zijn geen communicatiemiddelen, het zijn middelen om voor jezelf een plekje te vinden dat goed voelt, een club waar je bij wilt horen.’ Als ik dus die Wilders wel een aardige man vind en mij goed voel bij zijn aanhangers, dan kun jij als fact checker nog zo goed aantonen dat het van geen kant deugt, maar dat maakt dan niks uit. Dan ben en blijf ik een fan van Wilders en zijn club.”

Hoe zou het nepnieuws dan moeten worden tegengegaan?

“Het publiek speelt een belangrijke rol in de bedrieglijkheid van de media. Als mensen de waarheid liever niet willen horen of zien, maakt een leugen meer of minder niet zoveel uit. De mediaconsument die vooral hapklare brokken informatie en vermaak wil hebben, die tevreden is met brood en spelen en die niet wil weten hoe de wereld werkelijk in elkaar steekt, roept de leugens over zich af. Het begint met mensen die ’s ochtends de krant op de mat krijgen, en gemakshalve aannemen: Het zal wel waar wezen. Dan kun je die krant net zo goed niet lezen.

We hadden ooit een prachtig project in Nederland, Krant in de klas, dat kinderen leerde de krant kritisch te lezen. Ik pleit er voor dat project nieuw leven in te blazen, en in een nieuw jasje te steken, want in deze tijd uiteraard ook met alle aandacht voor internet. Het zou een vak moeten zijn op elke basisschool. Want als je kiest voor een open, democratische samenleving, waarin mensen deelnemen aan het maatschappelijk debat, dan moeten ze goed geïnformeerd zijn, weten hoe de media werken en leren om een opinie te vormen. Zodat je bijvoorbeeld, als je vandaag in de Volkskrant een artikel leest met de kop ”Zo raakt Poetin zijn tegenstanders kwijt’, zelfstandig tot de conclusie komt ‘Nou, dat verhaal over Poetin, ik weet niet of ik dat moet geloven’.”

Journalisten nemen iedereen de maat, inclusief websites die nepnieuws zouden verspreiden. Maar wie controleert de journalisten? U zou geen voorstander zou zijn van een factchecker die de mainstream media controleert?

“De aloude vraag is: Wie bewaakt de bewakers? Dat factchecking kan zo’n enorme industrie worden, dat je vervolgens weer een controlemechanisme nodig hebt op de factchekers. Je vertrekt ook vanuit een geweldige aanmatiging. Jij publiceert een verhaal, en ik denk: ‘Het deugt niet.’ En dan ga ik na of het deugt. Daar kan ik dan een heel ander verhaal tegenoverstellen. Maar is het dan zeker dat de gegevens waar ik mijn verhaal op baseer wel kloppen?

Alles staat of valt uiteindelijk bij de instelling van de afnemers van het nieuws. Zonder kritische burgers, geen kwaliteitsjournalistiek.”

Een kritische burger, Max van der Werff, heeft in Oekraïne het artikel nagetrokken van AD en Correct!v over de BUK-installatie die MH17 zou hebben neergehaald. Het bleek dat tenminste één van de door de krant opgevoerde getuigen nooit geïnterviewd is. Van der Werff heeft dit aangekaart bij het AD, maar heeft geen enkele respons gekregen. Laat staan een rectificatie.

“Je bent verplicht zoiets te melden aan je lezers. Een krant die dit nalaat is dus een slecht journalistiek product.”

U bent zelf ook nog het slachtoffer geworden van nepnieuws. U zou een brief hebben medeondertekend aan Vladimir Poetin.

“Dat was een brief waarin een groep goedwillende Nederlanders excuses aanbood aan Poetin voor de manier waarop de Nederlandse media de berichtgeving hebben vertekend over MH17. Onder die brief stond een voetnoot naar een college dat ik had gegeven met de titel Waarom moet je niet geloven wat in de krant staat? Andere organisaties en websites die de brief overnamen, maakten uit die voetnoot op dat ik de brief had medeondertekend. En dus namen ze dat in de brief op. En zo werd de brief ook steeds leuker, want in steeds meer talen vertaald, en ook amicaler. In de laatste versie die ik zag, spreek ik Poetin aan met ‘Dear Vladimir… Best wishes Cees.’

Het was het NOS Journaal dat mij op de hoogte bracht van het bestaan van de brief, toen ze mij opbelden met de mededeling: “We willen graag vanavond om acht uur het nieuws met u openen”. De brief heeft mij wereldberoemd gemaakt, want ik werd gebeld door Associated Press, Izvestia, Russia Today en tal van andere buitenlandse media. Ik kreeg ook honderden reacties van mensen die het heerlijk vonden dat de media eindelijk eens op hun vestje waren gespuugd. Daar zaten de meest wonderlijke reacties tussen: “All of Croatia stands behind you”. En: “U bent een held in Hongarije”. De brief ging zozeer een eigen leven leiden dat toen ik ontkende de afzender te zijn geweest, er bloggers waren die schreven: “Nou weten we het zeker, want omdat hij het ontkent heeft hij het dus gedaan”. En uiteindelijk zit ik in mijn favoriete jazz-café, en de eigenaar brengt mij zijn beste fles wijn, en hij zegt: “Deze fles schenk ik je vanwege die moedige brief van je aan de Russische president.”

U lobbyt bij de Verenigde Naties (VN) voor een ‘Media Alert System‘, dat de VN in actie moet brengen als media oproepen tot genocide. Zouden we ook niet zoiets moeten hebben voor media die het publiek opwarmen voor een oorlog, door de leider van een land te demoniseren?

“Oproepen tot haat zijn ingewikkelder om aan te pakken dan het oproepen tot geweld of discriminatie. Want haat is op zichzelf geen strafbaar feit. Ik mag mij volledig vrij voelen mijn buurman te haten. Het is niet fatsoenlijk, maar het is meer een moreel dan een juridisch probleem.

Om te bewijzen dat die haat leidt tot geweld is een ingewikkelde route, en het lukt ook bijna nooit bij rechtbanken. Dus heb ik gezegd: Laten we ons concentreren op iets waar we niet over van mening kunnen verschillen. Al sinds 1947 is, naar aanleiding van het proces van Neurenberg, in het internationale recht vastgelegd dat iedereen die aanzet tot genocide strafbaar is. En eigenlijk is dat vaak al ingewikkeld genoeg om te bewijzen. In Rwanda waren de uitspraken heel duidelijk: “Er zitten nog een paar Tutsi’s in een kerk buiten Kigali, laten we ze de hersens inslaan.” Maar na verloop van tijd begonnen ze door te krijgen dat ze het beter voorzichtiger konden aanpakken. Dan werd op radio Mille Collines gezegd: “Laten we vandaag aan het werk gaan.”

In de aanloop naar genocide kun je vier fasen onderscheiden. Het begint met onrust en agressie, die al dan niet bewust gecreëerd wordt. Vervolgens wijs je een groep aan die hiervoor verantwoordelijk zou zijn. Vervolgens ga je die groep dehumaniseren; je toont aan dat ze tot een ander moreel universum behoren. Ten slotte roep je op tot afslachten, vaak met de rechtvaardiging dat het uit zelfverdediging is, omdat als jij het niet doet, zij het zullen doen bij jou.

Eind vorig jaar gaf ik hierover een college op de Universiteit van Amsterdam. Ik vroeg de studenten in welke fase zij dachten dat we inmiddels in Nederland zijn aangekomen. De meerderheid van de studenten zei: We zitten in fase 3. Dat denk ik ook. En wereldwijd is dat ook wel heel duidelijk.”

En dan hebben we het nog niet eens gehad over de spanningen met Rusland.

“Het zou het een zegen zijn als Trump het goed kan vinden met Poetin. De toekomst van de wereld hangt op korte termijn heel erg af van de verstandhouding tussen de Amerikaanse en Russische president. Obama heeft er alles aan gedaan Poetin zover mogelijk te isoleren en te beledigen. Terwijl je natuurlijk voorzichtig moet omgaan met een klein mannetje met nucleaire wapens. Daarom had ik ook mijn bedenkingen bij Hillary Clinton, want zij is een militaire interventionist. Ik denk niet dat zij goed met Poetin overweg had gekund. Trump is net zo’n straatvechter als Poetin. Ik denk dat ze dat in elkaar herkennen.”

Volgens uw jongere vakgenoot Tabe Bergman, die heeft aangetoond dat het propagandamodel van Noam Chomsky ook op de Nederlandse pers van toepassing is, bent u de enige van uw generatie communicatiewetenschappers die zich nog op een kritische manier met de media bezighoudt.

“Van kritisch wetenschappelijk onderzoek naar de rol van de media in de samenleving is bijna niks meer over. De generatie die zich daarmee heeft beziggehouden, begint langzaam uit te sterven, en ik zie geen jongere generatie die dit overneemt. Dat komt doordat de academische vrijheid de afgelopen decennia enorm is ingeperkt. Als je in deze tijd tot een vakgroep behoort en de hoogleraar geeft aan dat hij graag wil dat bepaalde thema’s onderzocht worden, dan is het onverstandig om te zeggen dat je liever iets anders onderzoekt. Tenzij je een buitenpromovendus bent, maar dan moet je alles uit eigen zak betalen.

De enigen die nog hardop kunnen praten over wat er mis is met de media in de samenleving zijn de mensen van mijn generatie voor zover ze er nog zijn, want voor ons maakt het niks meer uit. We kunnen niet worden ontslagen, we hebben geen mooie promoties meer nodig, of mooie prijzen, die staan allemaal al in de kast. Maar het is waar. Ik zie helaas weinig leeftijdsgenoten die zich nog kritisch uitspreken.”

Posted on

Journalisten geweigerd bij Srebrenica-presentatie

Den Haag – Vanmiddag presenteert het NIOD een rapport over de afspraak tussen Amerika, Frankrijk en Engeland om Dutchbat in 1995 in Srebrenica geen luchtsteun te geven. Het rapport wordt echter in aparte besloten bijeenkomsten aan respectievelijk journalisten en overlevenden gepresenteerd.

 Om 15.00 uur wordt het rapport gepresenteerd aan de pers in Nieuwspoort. Terwijl twee uur later om 17 uur hetzelfde rapport wordt gepresenteerd op het ministerie van Defensie aan andere betrokkenen, waaronder de overlevenden van Srebrenica en voormalige Dutchbatters.

Volgens Sacha Oudorf van Buitenlandse Zaken is er inhoudelijk weinig verschil tussen de bijeenkomsten. Het is daarom opmerkelijk dat journalisten worden geweigerd voor de besloten bijeenkomst van 17.00 uur. Kennelijk mogen kritische journalisten de eerste reacties op het rapport híer niet komen optekenen. Tegelijkertijd zijn in Nieuwspoort alléén journalisten welkom. 

“Er worden dus twee gescheiden en besloten bijeenkomsten georganiseerd. Dat is vreemd”, aldus Edwin Giltay en Jehanne van Woerkom van het politiek comité Stari Most.

“Het is namelijk voor de media van groot belang om kennis te nemen van de reacties op het rapport van de betrokkenen bij Srebrenica, zoals de overlevenden, Dutchbatters en anderen. De indruk wordt nu gewekt dat Defensie kritische geluiden afschermt voor de pers.”

Het onderzoek van het NIOD dat vanmiddag gepresenteerd wordt, werd in december ingesteld naar aanleiding van uitlatingen van oud-minister van Defensie Joris Voorhoeve in juni 2015 in het televisieprogramma Argos.

Posted on

Hoe de Democratische partij de blanke arbeider aan Trump verloor

De duiding van Trump als een ultra-rechtse klootzak laat zien hoezeer opiniemakers niets hebben begrepen over hoe de Democratische partij deze verkiezingen heeft kunnen verliezen. De les van Bill Clinton (It’s the economy, stupid!) lijkt niet ter harte te zijn genomen en de Democraten hebben de verkiezingen verloren op hun eigen terrein, letterlijk en figuurlijk.

De Amerikaanse presidentsverkiezingen lopen altijd via hetzelfde stramien. De Democraten winnen de oostkust en de (noord)westkust en de staten rond de grote meren in het noorden. Republikeinen winnen alles daartussen. Als er iets wel opmerkelijk is aan deze presidentsverkiezing is het dat de Democraten werden verslagen in de staten rond de grote meren, de zogenoemde rust-belt: een groep van staten waar van oudsher de auto- en metaal-industrie was gevestigd en die nu slechte tijden doormaakt.

Opmerkelijk genoeg slaagde Obama er in 2012 nog in om de gunst van deze staten te winnen door de bail-out van de noodlijdende auto-industrie. De Democraten zijn van oudsher opgekomen voor de overwegend blanke arbeiders uit deze staten door immigratie-tempering en protectionistische maatregelen. Arbeidsmigratie en vrijhandel waren immers de standpunten van de Republikeinen.

Deze lessen lijken volledig te zijn vergeten door de Hillary-campagne, die zich heeft laten verleiden tot een cultuur-strijd: vrouwenrechten, anti-racisme en pro-abortus. Het probleem is echter dat dit niet aanslaat bij de traditionele Democratische arbeidersachterban in de rust-belt – zij willen banen. Trump heeft een slimme campagne gevoerd door te pleiten voor immigratie-beperking en protectionisme. Hij beloofde ook ‘a better deal’ in handelsrelaties met China en Zuid-Amerika.  Clinton wilde daarentegen open grenzen voor handel en migratie. industrie

Het is een hardnekkige mythe dat Trump de verkiezingen zou hebben gewonnen door een gemene zaak te maken met radicaal-rechts, de zogeheten Alt-right. Zo tonen de senaatsverkiezingen in Louisiana, die gelijktijdig met de presidentsverkiezingen werden gehouden, aan dat de rechts-radicale kandidaat David Duke niet kon profiteren van een vermeend Trump-effect – hij greep naast de senaatszetel – ondanks het feit dat Trump deze staat met ruime cijfers won.

Clinton heeft daarentegen veel blanke Amerikaanse arbeiders van zich vervreemd door achter gesloten deuren over hen te spreken als ‘irredeemable deplorables’: mensen die niet mee kunnen komen in een globaliserende wereld en voor hun kritiek op arbeidsmigratie als racisten moreel in de hoek moeten worden gezet. Hierdoor wekte zij de indruk dat zij hen niet serieus nam, en zich boven hen verheven voelde. Zij sprak hiermee hoogopgeleide jongeren uit hogere klassen aan, maar niet de traditionele Democratische arbeidersachterban.

Trump is niet een ultra-rechtse redneck, maar een New Yorkse zakenman die op sociaal-economisch vlak meer gemeen had met Bernie Sanders dan met zijn mede-Republikeinen. Met de linkse Bernie Sanders  hadden de Democraten de Republikeinen kunnen verslaan, maar in plaats van de sociaal-economische strijd heeft de Democratische conventie gekozen voor establishment-kandidaat Clinton, een huisvriendin van Wallstreet. Het heeft hen het presidentschap gekost.

Posted on

Doorgestoken kaart – Worden de Amerikaanse verkiezingen vervalst?

In de Amerikaanse verkiezingscampagne zijn de beschuldigingen over manipulaties niet van de lucht. Aan deze zijde van de Atlantische Oceaan bereikten ze ons vooral in de vorm van het nieuws dat ‘Trump de verkiezingsuitslag niet wil erkennen’.

Dit nieuws was gebaseerd op een vraag die Trump in een televisiedebat kreeg naar aanleiding van de beschuldigingen van manipulaties. De moderator in het derde debat tussen de presidentskandidaten wilde van Trump de verzekering dat hij de uitslag van de verkiezingen in ieder geval zou erkennen. De Verenigde Staten kennen immers een lange democratische traditie van vreedzame machtswisseling enz. enz., en daarom zou Trump ook een vervalste verkiezingsuitslag moeten erkennen. Hij weigerde echter een dergelijke blanco cheque te geven. Dat is alles.

‘Rigged’

De vraag naar manipulatie van de verkiezingen is daarmee evenwel nog niet beantwoord. We moeten wel bedenken dat het woord ‘to rig’, dat in verband met deze beschuldigingen veel gebruikt wordt, niet zo eenduidig naar het Nederlands te vertalen is. De breedte van dit begrip vat echter goed de vigerende houding van de westerse democratie, waarin het grijze gebied tussen legaal en illegaal schaamteloos benut wordt.

Rigging is niet per se manipuleren of vervalsen in juridische zin. Vooral wanneer men in lijdende vorm zegt dat iets rigged is, kan ook de meer of minder structurele benadeling van een kant bedoeld worden. De uitdrukking ‘This game is rigged’, kan zowel op doorgestoken kaart doelen als op regels die een kant bevoordelen, als ook alle grijstinten daartussen.

Dit brede scala aan betekenissen van het woord rigged moet men goed in het achterhoofd houden om de diverse beschuldigingen, die door Trump en zijn aanhangers tegen het Amerikaanse politieke systeem in het algemeen en Hillary Clinton in het bijzonder gedaan zijn, uit elkaar te houden.

De meest fundamentele beschuldiging betreft het hele systeem. Daarmee wordt gedoeld op de kartelstructuren van de macht, die in andere westerse landen even goed onder kritiek staan. Het politieke proces functioneert op een manier waarbij de democratische totstandkoming van een volkswil slechts voorgespiegeld wordt, terwijl in werkelijkheid de vastgelegde koers van het establishment onaanvechtbaar is en slechts de creaturen van dit establishment reële kansen hebben op het verkrijgen van politieke ambten.

De tweede beschuldiging betreft de Democratische voorverkiezingen waaruit Clinton als kandidaat naar voren kwam: “The system was rigged against Bernie Sanders.” Ook hier gaat het nog niet om iets illegaals. De ongekozen, uit de partijclan stammende super delegates, die voor Clinton stemden, zijn immers een reglementair onderdeel van de procedure voor de voorverkiezingen in de Democratische partij. Ook de talrijke publicaties van interne memo’s van de Democraten door Wikileaks leidden weliswaar tot het aftreden van Clinton-vertrouweling Debbie Wasserman Schultz, die in 2008 mede leiding gaf aan Clintons voorverkiezingscampagne tegen Obama om later de voorzitter van het bestuur van de Democratische partij te worden. Maar deze onthullingen laten alleen de kartelwerking van het establishment in de Democratische partij zien. Het is onsmakelijk en rigged overduidelijk de voorverkiezingen, maar verboden is het niet. Anderzijds versterkt het ook niet bepaald de legitimiteit van Hillary Clintons kandidatuur. Het mag dan ook niet verbazen dat haar tegenstander niet moe wordt hierop te wijzen.

Daadwerkelijke vervalsing

De beide hierboven beschreven beschuldigingen worden al langer geuit en zijn een vast onderdeel van Donald Trumps verkiezingscampagne. Recenter is daarentegen de beschuldiging van echte, strafbare vervalsing van de verkiezingen. Project Veritas Action, een organisatie van de onderzoeksjournalist James O’ Keef, slaagde er in de afgelopen maanden in, te infiltreren in diverse met Hillary Clinton samenwerkende campagne-organisaties en een hele serie uiterst compromitterende uitspraken van leidinggevenden op te nemen. Tot de organisaties in kwestie horen ‘People for the American Way (dat onder andere door George Soros gefinancierd wordt), ‘Americans United for Change’ en ‘Democracy Partners’.

Op 18 oktober, een dag voor het derde en laatste debat tussen de presidentskandidaten, publiceerde Project Veritas Action een filmpje (zie hieronder), waarop een dergelijke medewerker over de organisatie en uitvoering van massief bedrog spreken. Sindsdien is er ook sprake van serieuze beschuldigingen van daadwerkelijke vervalsing van de verkiezingen.

‘We doen het al vijftig jaar’

Het lukte de journalisten zelfs om Scott Foval, destijds deputy political director bij People for the American Way te filmen terwijl hij de volgende uitspraak deed: “Al vijftig jaar rijden we illegaal mensen naar de stembussen. Daar zullen we nu niet mee ophouden.” Anders dan in Nederland komen burgers in Amerika niet automatisch, via de gemeentelijke basisadministratie, op de lijst van kiezers in hun woonplaats te staan. In de Verenigde Staten moet men zich eerst – actief – laten registreren om aan verkiezingen deel te kunnen nemen.

Maar hoe bewijst men nu dat men in een bepaalde plaats woont en dus stemgerechtigd is zonder GBA-uittreksel? Er zijn diverse mogelijkheden, één daarvan laat zich goed voor bedrog gebruiken. Men moet een legitimatie hebben en een bewijs dat men in dienst is bij een lokale werkgever. Daarop berust het bedrog dat de undercover-journalisten van Project Veritas Action met Foval en Robert Creamer, de oprichter van Democracy Partners, uitbroedden.

Een van de journalisten gaf zich uit voor een potentiële donateur, die bereid zou zijn in zijn firma Hispanics voor enige tijd een betrekking te geven, om daarmee nodige bewijzen van dienstverband te kunnen leveren. Daarop voortbouwend moesten mensen in diverse staten geregistreerd en naar de stembus gereden worden. Aangezien in Amerikaanse presidentsverkiezingen per staat gestemd wordt en alle kiesmannen van een staat aan de winnaar toevallen, is dit een efficiënte manier om de verkiezingen te vervalsen. Met enkele duizenden valse stemmen in staten waar de kandidaten nek aan nek gaan laat zich de verkiezingsuitslag beslissend beïnvloeden.

De door Project Veritas Action gefilmde bespreking van dit plan werd weliswaar door Robert Creamer, die de zaak boven het hoofd groeide en die al eens (toen wegens belastingontduiking en bankbedrog) in de gevangenis zat, afgebroken. Het door O’ Keef en zijn medewerkers bij elkaar gebrachten materiaal was echter genoeg om hem te laten aftreden, Foval werd ontslagen.

De vanzelfsprekendheid waarmee belangrijke organisatoren van de Democratische verkiezingscampagne over dergelijke trucs spreken en de verwijzingen naar bestaande praktijken, laten echter twijfel opkomen over de zuiverheid van het Amerikaanse verkiezingsproces. Twijfel waarbij de omstreden eerste verkiezing van George W. Bush tot president in het niet valt.