Posted on

Secularisatie en biopolitiek

De burger verkeert in tweestrijd. Hij gelooft nog in zijn verworven vrijheden. De secularisatie heeft hem immers bevrijd van de last van geloof, gezag en gezin. Maar steeds sterker dringt het besef zich op dat de moderne democratisch gelegitimeerde staat ook niet bepaald vrijblijvend is. Die rukt op in steeds meer domeinen van zijn persoonlijke en sociale leven: de gezonde levensstijl, de opvoeding en het gewenste ecologische bewustzijn.

In de traditie van de politieke theologie, met name bij de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben, wordt de secularisatie als een dubbelzinnig proces geschetst. Daarin staat de gedachte centraal dat alle eigenschappen die in het verleden door theologen aan God werden toegeschreven, in de moderniteit worden toegepast op de staat. De moderne mens beroemt zich erop God van de troon te hebben gestoten, maar is daarmee ook beroofd van een instantie die de aardse macht onder kritiek kan stellen. Zo is de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring een correctie op het vrijheidsbegrip van de Franse revolutie: onze rechten worden niet door de staat verleend, maar door God.

Agamben maakt duidelijk dat de secularisatie veel ingrijpender is dan sociologen met hun statistieken over kerkverlating ons willen doen geloven. De secularisatie introduceert vanaf de middeleeuwen ook een sacralisatie van de macht in de figuur van de soevereine vorst. De ware vorst is niet meer degene die de wet toepast, maar de soeverein die boven de wet staat en de wet ook buiten werking kan stellen: een sterfelijke god.

Moderne democratieën legitimeren zichzelf nu juist door te beweren dat zij afscheid hebben genomen van dergelijke aspiraties. Toch is volgens Agamben ook de westerse democratie erfgenaam van dit absolutisme. Ook moderne democratieën nemen beslissingen waarin een ‘uitzonderingstoestand’ wordt afgekondigd. Zij doen dit zelfs in toenemende mate. In onze tijd ziet Agamben in de voortdurend uitgesproken crisis, een indicatie van deze grensoverschrijding. In een staat van crisis kan het recht immers worden opgeschort, zeker als iedereen er heilig van overtuigd is dat het maar goed is mensen geen schepsels zijn die door God begiftigd zijn met onvervreemdbare rechten. Juist in onze tijd, waarin crises per definitie globale crises zijn en betrekking kunnen hebben op zaken als terrorisme, de economie en het klimaat, dienen zich ruim voldoende momenten aan waarop het geldende recht ter disucssie gesteld kan worden.

Waar secularisatie traditioneel een progressieve beweging suggereert, van een feodale en religieuze cultuur naar een seculiere democratie van toenemende vrijheid en emancipatie, constateert Agamben slechts de opmerkelijke continuïteit van macht. We leven niet meer in een tijd van bisschoppen en absolute heersers, maar meer dan ooit gaat het in de moderne samenleving om beheersing. Deze macht manifesteert zich alleen op andere terreinen, zoals de politiek, de economie en, steeds vaker, het klimaat.

Secularisatie gaat dus niet alleen over godsdienstig geloof. In het christendom, maar ook in de klassieke cultuur, had de politiek betrekking op de ordening van de staat en het publieke leven. In de moderne tijd, waarin God en de natuur geen normatieve functie meer hebben, ziet Agamben een ontwikkeling naar een politiek die zich vooral richt op het fysieke leven van haar burgers. Agamben noemt dit biopolitiek. Politiek is in moderne democratieën grenzeloos geworden en strekt zich uit tot de meest fysieke aspecten van ons bestaan; van arbeid en gezondheid, milieu en klimaat tot geslachtelijkheid, voortplanting en het levenseinde. Hiermee komt Agambens cultuurtheorie in een onheilspellend licht te staan. De staat streeft onverminderd naar beheersing. En in een cultuur waarin de mens zich niet meer tot religieuze of transcendente betekenissen verhoudt, wordt het mens-zijn zelf een politieke kwestie. Elk gevoel voor de beperkte betekenis van de politiek verdwijnt. En zonder een oriëntatie op transcendente waarden, zijn alleen immanente doelmatigheid en efficiëntie normatief. Zo werd, volgens Agamben, de 20e eeuw de eeuw van de staat waarin zowel linkse als rechtse hun biopolitieke ambities konden waarmaken.

In de hoogtijdagen van de secularisatietheologie klonk er een onbegrensd vertrouwen in de post-christelijke wereld. In de secularisatie zou de kern van het geloof behouden blijven; misschien niet het verhaal, maar wel de moraal. En we zouden allemaal vrijer worden. Agambens analyse ontmaskert dit beeld als een illusie. Het is niet eens de marginalisering van de kerk of de teloorgang van de christelijke politiek, die ons zouden moeten verontrusten, maar het ontstaan van het seculiere beheersingsideaal, waarvan Agamben de contouren schetst. Het vraagt een bijzondere alertheid om een secularisatie te doorgronden die zich sinds de jaren 60 presenteert als een bevrijding, maar die inmiddels vrijwel alle gebieden van ons (samen)leven doordringt en dat op steeds minder vrijblijvende wijze.

Posted on

Verwondende taal en langzaam gif

In het nieuwste nummer van Filosofie Magazine mag de Amerikaanse filosofe Judith Butler haar zegje doen over taal. En dan specifiek over hoe taal pijn kan doen. “Taal kan mensen net zo verwonden als een kogel,” zegt Butler.

Aan haar eigen taalgebruik zal het niet liggen. Haar boeken zijn zo onleesbaar, dat de meeste mensen er niet eens aanstoot aan kunnen nemen. Hoe kan iets onleesbaars je verwonden? Aan de andere kant getuigt haar postmodernistisch jargon van zo’n minachting van het publiek, dat het gewoon pijn doet. Het is een totalitair taalgebruik, dat lezers kleineert en vernietigt. Zo wordt het begrip ‘Marokkaanse straatterreur’ – in het geweld tegen homo’s – door Butler scherp afgekeurd, want de media spelen zo de ene minderheid tegen de andere uit. Ergo: de gutmenschen moeten beide minderheidsgroepen in bescherming nemen tegen de grote boze – lees rechtse – wereld.

Butler staat in de traditie van de net zo onleesbare Franse filosofen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Lacan, Althusser, Foucault. Zij betoverden het vooral jonge lezerspubliek en vergiftigden hun geest met onnavolgbare opinies. Die jaren waren ook de tijd waarin progressief Europa – en iets later de Verenigde Staten – bakken vol met bagger uitstortten over iedere vermeende tegenstander of andersdenkende. Auteur W.F. Hermans, die zijn meesterlijke pen ook in gif kon dopen, en wetenschapper W. Buikhuizen konden hierover meespreken. Dodelijk waren de geschreven aanvallen op mensen die er een andere visie op nahielden. In die tijd moest taal verwonden.

Butler spreekt zich ook uit over het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Vanzelfsprekend moet de joodse staat het daarin zwaar ontgelden. Over de giftige taal die de Palestijnse media en Autoriteit dag in dag uit richting Jeruzalem slingeren, horen we de filosofe niet. Want het maakt natuurlijk nogal uit wie het woord voert en schrijft. Zijn dat rechtse opinies, dan volgt snel een felle (giftige) reactie en is er sprake van ‘haatzaaien’. Dat doet au. Is dat de linkse intelligentsia, dan moeten wij aannemen dat er een uiterst genuanceerde mening wordt uitgesproken, die zo onnavolgbaar is dat het pijn doet aan ogen en oren.

Wat is erger? Gedwongen naar de meningen van Judith Butler luisteren, onder het motto ‘geestelijke marteling’? Of het dagelijkse infuus gevuld met postmodern gebrabbel dat de geesten van mensen langzaam vergiftigt?