Posted on

Multimiljonair Trump begrijpt arbeiders beter dan links

Links kan en wil het economisch nationalisme van Trump en de Brexit niet begrijpen, want ze heeft geen enkele binding meer met arbeiders die hun werk en leefomgeving bedreigd zien door migranten en kosmopolieten.

De Duitse journalist Hans Magnus Enzensberger muntte in de vorige eeuw de treffende beeldspraak van de samenleving als een treincoupé. In de tijd dat treinen nog afzonderlijke coupes kenden, was dit een herkenbaar beeld: je zit met z’n tweeën in de trein en na een stop meldt zich een nieuwe reiziger in de coupé. Er ontstaat onrust en wrevel. De derde persoon neemt plaats, maar van beide kanten is er onmin. Dat blijft totdat een nieuwe reiziger ook plaats wil nemen in de coupé. Zodra deze aanstalten maakt om te gaan zitten, vormen de twee oorspronkelijke reizigers samen met nieuwkomer nummer drie een onzichtbaar verbond tegen nummer vier, de nieuwste reiziger. Enzensberger wilde met dit beeld duidelijk maken hoe migratie werkt in de samenleving. Vraag eerste of tweede generatie gastarbeiders wat ze vinden van nieuwe landgenoten en het antwoord zal, overal ter wereld, luiden: “Er moeten niet teveel komen, want ze verpesten het voor ons.”

Succesvolle migranten

In de geschiedenis van migratie naar westerse landen is dat een constante. Paul Scheffer in de discussie naar aanleiding van zijn spraakmakend essay ‘Het multiculturele drama’: “De vraag blijft in welke mate de succesvolle migranten zichzelf nog willen zien als zaakwaarnemers van hun eigen gemeenschap. Mijn indruk is dat velen in deze nieuwe middenklasse zich los hebben gemaakt van de problemen in hun gemeenschap.” De constante dat succesvolle migranten zich voegen bij de al bestaande middenklasse en tot grote verwondering van linkse journalisten en wetenschappers gaan stemmen op rechtse partijen die kritisch zijn over migratie en de multiculturele samenleving.

In de Verenigde Staten stemt zo’n 30 procent van de Latino’s op Trump, ondanks het beleid dat illegale immigratie wil stoppen. Zoals bijvoorbeeld Sylvia Menchaca Abril, eigenaar van een Mexicaans restaurant in Phoenix (AZ), die over Trump in een BBC-reportage zegt: “Ik ken hem en ik geloof dat hij begrijpt dat we met z’n allen er aan werken om Amerika weer groot te maken. Ik denk niet dat hij tegen Latino’s is, maar hij is tegen de problemen die over de grens binnen komen.”

Klootjesvolk

Ooit stond links voor de verheffing en emancipatie van de arbeidersklasse. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw kon die arbeider voor het eerst een eigen huis kopen en wilde hij niet meer dan met de caravan op vakantie en kijken naar TROS-programma’s. Halverwege de jaren zestig bestempelden de Provo’s de arbeiders daarom al denigrerend als ‘klootjesvolk’. Niets ergers dan burgerlijke idealen.

De arbeiderspartij bij uitstek, de Partij van de Arbeid, werd overgenomen door identitaire belangengroepen: feministes, homoseksuelen en allochtonen. Ze kwam niet meer op voor de arbeider, maar verkocht haar ziel aan politieke en maatschappelijke minderheden. De berendans van André van der Louw op het vernieuwingscongres van de PvdA in 1969, was een dans op het graf van de klassieke arbeidersbeweging. Daarna was het einde verhaal voor de sociaaldemocratie. De arbeiders werden uit hun stadswijken naar Lelystad en Purmerend verdreven. Hun plaatsen werden ingenomen door of yuppies (Jordaan) of allochtonen (Schilderswijk). De partij deed nog een paar zielige pogingen om de arbeidersstem terug te winnen – Joop den Uyl in de ‘André van Duin Show’ (1981). Maar met Jan Schaefer stierf in 1994 – symbolisch het eerste jaar van het Paarse kabinet Kok – de laatste arbeider in de PvdA.

Eerste kabinet Kok

Het eerste kabinet Kok, de vakbondsman die ooit op de schouders van scheepwerfarbeiders in Schiedam werd rondgedragen, was niet het begin van het einde van de sociaaldemocratie, maar eerder het sluitstuk. Het verloochenen van de socialistische principes en het op zolder opbergen van het ‘roode vaandel’ was al enkele decennia eerder begonnen, toen links zich overleverde aan protest- en identiteitspolitiek. Zelfs de communisten moesten er aan geloven; de gestaalde kaders werden verdreven door getuinbroekte feministes en biodynamische milieufreaks. Legendarisch is de boosheid van een lokale communist, ergens in de Groningse ommelanden: “Ze hebben de strokarton-industrie uitgekleed en nu maaien ze niet eens meer de bermen langs de weg. Allemaal voor het milieu, zeggen ze, maar het is toch levensgevaarlijk voor het verkeer!”

Het neoliberalisme begon niet met Paars I, maar had in de jaren zestig de linkse protestbeweging al overgenomen. De commercie rook geld en nieuwe, vooral jonge consumenten, en speelde behendig in op de toegenomen welvaart, de nieuwe popmuziek en de vernieuwende mode.

De arbeider

De arbeider was ondertussen al lang uitgeweken naar andere partijen (DS70, met de zoon van de sociaaldemocratische godfather Willem Drees, Centrumpartij/Centrumdemocraten en PVV). Alleen de SP vormt een uitzondering op deze regel, maar het is niets voor niets dat de socialisten door nieuwlinks en de identiteitspolitici zo onder vuur liggen. Want de arbeider heeft geen boodschap aan open grenzen, rekeningrijden en klimaatheffingen.

Links kan en wil het economisch nationalisme van Trump en de Brexit niet begrijpen, want ze heeft geen enkele binding meer met arbeiders die hun werk en leefomgeving bedreigd zien door migranten en kosmopolieten. “De enige manier om de migranten uit Oaxaca te veranderen in middenklasse-stemmers, vergelijkbaar met conservatieve Cubaanse migranten, is het sluiten van de grenzen en het toelaten van diverse en legale immigranten op basis van bekwaamheid”, schrijft Victor Davis Hanson in zijn boek ‘The Case for Trump’.

Democratische revolte

“Dit ging helemaal niet over de Europese Unie of over buitenlanders, zij zijn slechts de totem van waar mensen zich tegen verzetten: verandering”, zegt Sir John Hayes in een beschouwing in De Groene Amsterdammer over de Brexit. “Wij van de leave-kant hebben begrepen waar het referendum echt over ging. Dit is een spirituele beweging, een van emotie en gemeenschap – daar is niets irrationeels aan.” De Britse politicoloog Matthew Goodwin zegt in datzelfde artikel: “We moeten deze opstand niet zien als de omverwerping van liberaal-democratie, maar een correctie daarop. In de kern is dit een democratische revolte. Dat bewijzen de cijfers, mensen aan de oostkust zijn niet tegen democratie. Ze willen juist méér gehoord worden. Al keren ze zich wel tegen liberale waarden, dat is niet mooi maar het is te makkelijk om ze dan maar af te schrijven als een stelletje racisten.” In het Engelse Luton zijn blanken in de minderheid. En toch stemde ook daar een meerderheid voor het verlaten van de EU. Het gelijk van Hans Magnus Enzensberger.

Posted on

Onverdraagzaam fanatisme extreemlinks leidt tot terreur

Op 19 januari 1984 gooiden zelf benoemde ‘anti-apartheidsactivisten’ – lees: barbaren – de bibliotheek van de Nederlands Zuid-Afrikaanse Vereniging in een Amsterdamse gracht. Twee jaar later belegerde dezelfde mensensoort een hotel in Kedichem, waar de Centrumdemocraten van Hans Janmaat een bijeenkomst hielden. Het gebouw werd in brand gestoken en bij de secretaresse van Janmaat moest na hun vluchtpoging een been worden geamputeerd. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was Nederland regelmatig het toneel van veldslagen tussen krakers en hun sympathisanten enerzijds en de overheid en de bevolking anderzijds. Rellen in Amsterdam waren in die jaren aan de orde van de dag, en ook in Groningen, Utrecht en Nijmegen werd door krakers en andersoortige activisten terreur uitgeoefend. Ook het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Nederland in 1985 voltrok zich deels in wolken traangas.

De terreur ging nog een stap verder in 1991 met de bomaanslag op het huis van staatssecretaris Aad Kosto, verantwoordelijk voor het vluchtelingenbeleid. De jaren daarvoor werden benzinestations en groothandels, die handel dreven met onder meer Zuid-Afrika, in de brand gestoken. De aanslagen werden opgeëist door RaRa, de Revolutionaire Anti-Racistische Actie. Eén lid van deze terreurgroep werd ooit veroordeeld. Hij woont tegenwoordig in Venezuela!

Voorlopig dieptepunt is de moord op Pim Fortuyn in 2002, die bij ieder publiek optreden al werd belaagd door linkse activisten. En uit eigen ervaring weet ik dat om die moord in progressieve kringen geen traan is gelaten. En al die jaren, tot de dag van vandaag, moeten politici en schrijvers rekening houden met bekladde ramen en muren en dichtgekitte sloten, alleen omdat ze in de ogen van de ‘activisten’ – lees: terroristen – er een verkeerde mening op na houden.

Civitas Christiana

Het laatste slachtoffer van deze linkse terreur is Civitas Christiana. De mensen van deze bij Nijmegen gevestigde stichting staan al regelmatig bloot aan laster en fysiek geweld. Linkse activisten verstoren hun manifestaties. ‘Havanna aan de Waal’ was altijd al een broeinest van extreemlinkse acties. Nu hebben zij afgelopen week het kantoor van Civitas beschadigd en beklad. Uiteraard in de nacht en anoniem, want het daglicht verdragen zij niet.

Het is niet moeilijk te achterhalen uit welke hoek deze activisten komen. Via geplakte stickers en een pamflet (inclusief spelfouten en slechte grammatica) laten zij hun geloofspapieren zien. De verklaring bevat de bekende ronkende zinnen als “Het uiterst conservatieve gedachtegoed van Civitas Christiana is een aanval op ons allen en is exemplarisch voor het politieke klimaat waar we in leven. We moeten als progressieve idealisten ons niet laten verdelen maar zien dat onze strijd een geheel vormt voor een wereld waar gelijkheid, solidariteit en vrijheid centraal staan.”

Voorhoedegedachte

Wie zijn die “allen”? “Exemplarisch politiek klimaat”? Het is opmerkelijk dat activistische minderheden altijd voor ons “allen” praten. De voorhoedegedachte zit diep in de genen bij extreemlinks. En het politieke klimaat lijkt me wat betreft de speerpunten van het anonieme linkse groepje (recht op abortus, rechten voor transgenders, vernietiging patriarchaat) beter dan ooit. De terreurachtergrond van hen wordt echter helemaal duidelijk met deze zinsnede: “Ze zien het als hun missie om katholieke beschaving te verspreiden en om de progressieve waarden die voortkwamen uit bijvoorbeeld de Franse revolutie en de sociale bewegingen uit de vorige eeuw teniet te doen.”

Terreur van links

De Franse revolutie zette namelijk de toon voor de terreur van links. Het was, net als de revoluties in de 20ste eeuw in Rusland, China, Vietnam, Cuba, en Cambodja, een staatsgreep door een fanatieke en intolerante minderheid. Na 1795 maakte de guillotine overuren, net zoals de geheime politie in genoemde landen in de vorige eeuw mensen voor het executiepeleton plaatste.

De voorhoede, het kleine groepje partijleiders, moet het volk leiden naar een glorieuze toekomst. Die toekomst, de marxistische transformatie van socialisme naar communisme en het afsterven van de staat, werd door de ‘proletarische voorhoede’ keer op keer uitgesteld. Zogeheten ‘vijanden van het volk’ belemmerden de realisering van de ‘heilstaat’ en werden daarom opgespoord, verbannen en vermoord. En waar de linkse extremisten er niet in slaagden de macht te grijpen, organiseerden ze zich in terroristische groepen, die het volk rijp moesten maken voor het ‘rode paradijs’.

Alleen al het lezen van biografieën van partijleiders of terroristen laat zien dat de weg naar het paradijs, de heilstaat, niet geplaveid is met goede bedoelingen, maar met de dode lichamen van honderdduizenden onschuldige mensen. Dit scenario is keurig samengevat in ‘De revolutionaire catechismus’ (1869) van Sergej Netsjajev. De catechismus is een opsomming van 26 stellingen met slechts één thema: vernietiging. Stelling 6 bijvoorbeeld:

“Tiranniek ten opzichte van zichzelf, moet hij [de revolutionair] ook tiranniek ten opzichte van anderen zijn. Hij moet alle zachtzinnige, verzwakkende gevoelens van verwantschap, liefde, vriendschap, dankbaarheid en zelfs van eer in zichzelf onderdrukken en moet de ijskoude, doelgerichte hartstocht voor de revolutie ruimte geven. Voor hem geldt slechts één vreugde, één troost, één loon en één bevrediging — het slagen van de revolutie. Dag en nacht mag hij maar één gedachte, één doel voor ogen hebben — de meedogenloze vernietiging. Terwijl hij onvermoeibaar en koudbloedig dit doel nastreeft, moet hij bereid zijn, om zichzelf te vernietigen en met zijn eigen handen alles te vernietigen, wat de revolutie in de weg staat.”

Geldingsdrang

De vraag is waarom mensen overgaan tot dit denken en handelen? Natuurlijk zullen er een paar naïeve idealisten zijn die oprecht denken dat ze aan het werk zijn voor een betere wereld. Voor de rest zal het een mengsel zijn van geldingsdrang, “kijk mij eens bezig zijn voor de goede zaak” en rauwe machtspolitiek. Binnen links lopen heel veel machtswellustige mannen en vrouwen rond, die bereid zijn heel ver te gaan om hun doel te bereiken. Opnieuw, lees de biografieën van de partijleiders. Overtuigd van hun eigen gelijk zijn ze voortdurend op zoek naar doelwitten, binnen én buiten de organisatie. Het elkaar de maat nemen – hoe ver durf jij te gaan, hoe radicaal ben jij eigenlijk? – leidt bijvoorbeeld tot nachtelijk activisme. Zogenaamd voor de goede zaak, maar feitelijk een wedstrijdje elkaar ophitsen wie het meeste durft. Je moet ook wat, als je de hele dag in touw bent voor de realisering van het rode paradijs. Nescio had er een mooie roman over kunnen schrijven.

De jongens en meisjes die afgelopen week het kantoor van Civitas Christiana bekladden zijn een slap aftreksel van de terreur van de Russische nihilisten die zich lieten leiden door ‘De revolutionaire catechismus’. Maar ze staan, net als de anti-apartheidsactivisten en antiracisten, wel degelijk in dezelfde traditie, die begint met intimidatie, geweld, intolerantie, minachting en uiteindelijk leidt naar terreur.

Posted on

AIVD onderschat extreemlinks

NRC Handelsblad publiceerde in de krant van 30 mei jongstleden een analyse over het al of niet gevaarlijke karakter van extreemlinks. De journalist van de avondkrant maakte de analyse op basis van eigen informatie vanuit de inlichtingendiensten. Het artikel laat, onbedoeld wellicht, maar weer eens zien dat de AIVD haar werk niet goed doet.

De analyse van de NRC maakt een op het eerste oog overzichtelijke, maar rare onderverdeling van extreemlinks in vijf groepen, in rangorde van dreiging: anti-Baudet-activisten, anti-Zwarte Piet-activisten, antiglobalisten, dierenactivisten en antifascisten. Het is op z’n minst alarmerend dat mensen binnen de inlichtingendiensten niet schijnen te beseffen dat de harde kern van extreemlinks zich beweegt in al de genoemde activistische groepen. Want de antifascisten die aanslagen pleegden op Janmaat en Fortuyn, zijn dezelfden als die Baudet bedreigen, die rellen veroorzaken tijdens de intocht van Sint-Nicolaas of vooraan staan bij de demonstraties tegen bijvoorbeeld de G20-bijeenkomsten. Bij iedere gelegenheid zijn de ‘nuttige idioten’ ook van de partij, maar de harde activistische kern vinden we overal terug. Behalve in de dossiers van de AIVD.

Volgens de dienst ontwikkelt extreemlinks zich vooral in reactie op extreemrechts. Ergo: als we de laatsten weghalen verdwijnen de eersten ook. Sterk staaltje wishful thinking van de spionnenafdeling, want zo werkt het in de praktijk helemaal niet. Extreemlinks noemt steeds meer personen en organisaties ‘extreemrechts’, omdat ze er baat bij heeft een zo groot mogelijk vijandsbeeld te creëren. Want als de fascisten uitgestorven zijn, vinden de antifa’s ze gewoon ter plekke opnieuw uit. Uiteindelijk is in het wereldbeeld van extreemlinks iedereen die niet tot hun sekte behoort een fascist. Volgens de Duitse terroristen van de jaren zeventig had “de kleinburgerlijke samenleving het fascisme mogelijk gemaakt”.

Daar komt nog bij dat, binnen de dodelijke fantasiewereld van extreemlinks, het ‘verborgen fascisme’ in de maatschappij aan het licht moet worden gebracht. Zodra het ware gezicht van de machthebbers onthuld wordt komen de “onderdrukte massa’s” in beweging en zullen zij de revolutie uitroepen. Bovendien zochten de radicalen juist de confrontatie met politie en andere overheidsfunctionarissen om het “gewelddadig karakter van de staat” te onthullen. De overheid stond voor een onmogelijke keuze: niets doen betekende meer linkse terreur; wel reageren betekende meer linkse terreur. “Wir sagen, natürlich, die Bullen sind Schweine, wir sagen, der Typ in der Uniform ist ein Schwein, das ist kein Mensch, und so haben wir uns mit ihm auseinanderzusetzen. Das heißt, wir haben nicht mit ihm zu reden, und es ist falsch, überhaupt mit diesen Leuten zu reden, und natürlich kann geschossen werden,” zei Ulrike Meinhoff, een van de grondleggers van de Rote Armee Fraktion, in 1970. Er is een duidelijke samenhang tussen het studentenverzet, de buitenparlementaire acties en de extreemlinkse terreur van de jaren zeventig in Duitsland, stelt Gerd Koenen. Koenen was ooit actief in de studentenbeweging en lid van diverse communistische organisaties. Nu schrijft hij als historicus boeiende analyses van die organisaties en heeft hij afscheid genomen van zijn rode idealen. Koenen noemt de ‘beweging van 68’ een “Weltuntergangssekte”, die ervan overtuigd was “dat oorlog en fascisme zowel als de intriges van het kapitaal een bedreiging vormen, en dat men verplicht is deze te stoppen, het beste door middel van een revolutie”.

De AIVD en Bureau Beke uit Arnhem vinden dat de dreiging van extreemlinks niet overschat moet worden. Het is immers maar een reactie op extreemrechts. En die zijn verzwakt door een aantal arrestaties, melden de onderzoekers. Dus hoeven we van extreemlinks niet veel te vrezen, luidt de conclusie. Het lijkt erop dat de veiligheidsexperts zich niet kunnen voorstellen dat extreemlinks een eigen agenda heeft. Dat is de klassieke blinde vlek als het gaat om radicaal-linkse terreur. Het wordt altijd vergoelijkt én onderschat. Terwijl Gerd Koenen de stelling aandurft dat de communistische ideologie de ‘totalitaire conditie’ (met een knipoog naar Hannah Arendt) veel dichter naderde dan het nationaalsocialisme. Maar zo’n historische analyse gaat de NRC-journalist boven zijn pet. Dan liever een gemakzuchtig stukje over dat het allemaal wel meevalt met de linkse radikalinski’s

Posted on

Rood geweld tegen De Rode Hoed

Extreemlinkse activisten gooien met stenen de ruiten van debatcentrum De Rode Hoed in, kalken met verf leuzen op de deuren en spuiten met lijm de sloten van het gebouw dicht. Reden is dat het Forum voor Democratie op vrijdagavond 25 mei haar Renaissancelezing in De Rode Hoed hield. Een beproefde tactiek van de linkse straatterroristen, waarmee ze zonder twijfel weg zullen komen. Want eerder deze week werd bekend dat extreemlinkse activiteiten – waaronder het plegen van aanslagen, het bekladden van huizen, ‘naming and shaming’ en andersoortige bedreigingen – niet of nauwelijks door Justitie worden vervolgd.

De verklaring waarin de antifascisten de aanslag opeisen, ademt de welbekende identiteitspolitiek die zo kenmerkend is voor hedendaags links. “Door fascisten een platform te geven om hun haat en leugens te verspreiden roep je deze vormen van actie over jezelf uit (sic). Met iedere plek waar fascisten mogen spreken neemt het geweld tegen niet witte mensen, mensen die queer zijn en anderen toe. We moeten onszelf verdedigen. Als je ruimte biedt aan fascisten kies je een kant en komen we achter je aan,” ronkt de verklaring. Het is ook een duidelijke oproep tot geweld, tegen objecten, organisaties en personen. En dat is, samengevat, het credo van extreemlinks, zoals de Russische nihilist Sergej Netchajev (1847-1882) dat op schrift stelde in zijn ‘Catechismus van de Revolutionair’ (1869). Dat boek is overigens volgend jaar 150 jaar oud en past daarmee mooi in het rijtje linkse herdenkingsdagen: 100 jaar Russische revolutie, 200 jaar Karl Marx, 50 jaar ‘1968’, 70 jaar Chinese revolutie, 60 jaar Cubaanse revolutie.

“Het doel heiligt alle middelen” is de centrale gedachte van de ‘Catechismus van de Revolutionair’. Dat hebben de Russische anarchisten (Bakoenin was in eerste instantie een vriend van Netchajev) en nihilisten bloedig in praktijk gebracht. En in navolging van hen heeft extreemlinks de vorige eeuw heel wat angst en terreur gezaaid. Om ons te beperken tot Nederland: de krakersrellen die in het voorlaatste decennium van de vorige eeuw de grote steden in Nederland teisterden (Amsterdam, Utrecht, Nijmegen, Groningen), de PSP-jongeren poster “Doe meer, saboteer”, de brand- en bomaanslagen van RaRa, de brand in Kedichem, waar de Centrumpartij van Hans Janmaat vergaderde en waarbij zijn secretaresse Wil Schuurman een been verloor, de moord op Pim Fortuyn, en al die andere gewelddadige acties van extreemlinkse activisten tot nu toe. En tot slot een actuele uit de Verenigde Staten – waar antifascistisch geweld aan de orde van de dag is: “Sabotage Christian Supremacy”…

Het extreemlinkse wereldbeeld is een totalitaire ideologie. “Het is een emancipatiebeweging van een barbaars type, van de ene mens ten koste van de andere, bevrijding door haat, opbouw door vernietiging,” schrijft Erik van Ree in zijn boek ‘De totalitaire paradox’. Van Ree analyseert ook treffend hoe links geweld niet alleen naar buiten toe is gericht, maar ook in de eigen gelederen. Want dezelfde ‘zuiverheid’ die men eist van de samenleving, legt men ook op binnen de eigen organisatie. “Als Stalin of zijn lokale knechten hadden besloten dat met een partijlid zou worden afgerekend, dan werden eerst de zogenaamde activisten bijeengeroepen… Op een dergelijke bijeenkomst werd het aanstaande slachtoffer vogelvrij verklaard. Het jachtseizoen was geopend.” Iedere communistische partij of extreemlinkse actiegroep heeft dit principe toegepast, zowel naar buiten (Janmaat, Fortuyn, Baudet, maar ook wetenschappers als Buikhuisen en Eysenck) als naar binnen.

Terreur zit in de genen van extreemlinks. De jaren 1918-1919 in Duitsland en de eerste jaren van de jaren dertig vorige eeuw in Spanje zijn wat dat betreft verhelderend. In de Nederlandse geschiedenisboeken worden deze jaren aangehaald als het begin van de nationaalsocialistische en fascistische dictaturen van respectievelijk Hitler en Franco. Maar het linkse geweld op straat en de terreur die de activisten uitoefenden tegen personen met een andere mening dwongen de autoriteiten er toe de orde te handhaven of te herstellen. Het was de linkse terreur in Spanje in 1934 die ertoe leidde dat het leger onder leiding van Franco moest ingrijpen. De Spaanse burgeroorlog begon al in 1934, niet twee jaar later. De Spaanse journalist Pio Moa was ooit lid van de radicaallinkse terreurgroep Grapo (verantwoordelijk voor 84 doden en een groot aantal ontvoeringen), maar werd later verdediger van Franco en zijn militair optreden. Hij heeft een aantal boeken geschreven over de mythen van de Spaanse burgeroorlog en de rol van links daarin.

Op internet staat een video van een lezing van Moa in 2008 op de Universiteit Carlos III in Madrid. Linkse activisten verstoren de toespraak en vallen Moa aan. Tijdens het geschreeuw zegt Moa dat we hier een voorbeeld zien van de Republikeinen zoals ze in de jaren dertig in Spanje waren en waarom hun revolutie mislukt is. “Het is de geest van de Tsjeka,” zegt hij. Er loopt een bloedrode lijn vanuit Netchajev naar Franco, Janmaat en Fortuyn en Baudet. In dat opzicht is de naam van het object van het extreemlinkse geweld in Amsterdam afgelopen week wel treffend.

Posted on

Gebroodroofd en geïsoleerd, ondanks hun rol in het verzet

De CPN stond tijdens de Koude Oorlog (1945-1989) onvoorwaardelijk aan de kant van de Sovjet-Unie, althans dat is het beeld dat in de geschiedschrijving overheerst. Jos van Dijk wil met zijn boek Ondanks hun dappere rol in het verzet naar eigen zeggen meer nuance en meer respect voor de communisten. Daar slaagt zijn boek ten dele in.

Van Dijk verzet zich tegen het beeld dat de CPN-ers slechts de waterdragers van Moskou waren. Hij doet dat aan de hand van de rol van de CPN tijdens de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse geschiedenis. Hij wijst er op dat de populariteit van de communisten tot ongekende hoogten steeg tijdens de Duitse bezetting door hun rol in het verzet en dat de communisten vlak na de oorlog hoopten op een plaats in de regering vanwege hun vaderlandslievende houding. Hij wijst er verder op dat de CPN vanaf de jaren ’60 steeds kritischer tegenover de Sovjet-Unie kwam te staan, zoals in 1968 toen de onderdrukking van de Praagse Lente door het Rode Leger niet werd gesteund.

De communisten kwamen na 1945 echter van een koude kermis thuis – de Koude Oorlog legde een zware hypotheek op de binnenlandse politieke verhoudingen. Van Dijk betoogt dat er ook vanuit de gevestigde orde in het binnenland vanuit de gevestigde politieke orde veel verzet was tegen het idee om de communisten te beschouwen als een volwaardige democratische partij. Het boek levert om die reden alleen al voor de buitenstaander een schat aan informatie  op over de bedenkelijke methoden die partijen en veiligheidsdiensten meenden te moeten aanwenden tegen de communisten. Zo was er bijvoorbeeld de wetsaanpassing die louter bedoeld was om communistische wethouders uit hun ambt te kunnen zetten.

Verder gaat Van Dijk uitgebreid in op de vileine methoden die werden toegepast om communisten ook maatschappelijk te isoleren en te broodroven. Het dieptepunt was in juni 1956, toen het communistische hoofdkwartier in Amsterdam werd belaagd door een woedende menigte naar aanleiding van het neerslaan van de Hongaarse opstand in Boedapest door het Rode Leger. Toen werden ook bij communisten thuis de ramen ingegooid, niet zelden onder het toeziend oog én zelfs  medewerking van de politie. Zo richtte de politie in Utrecht de schijnwerper op het appartement van een communistisch raadslid, zodat de opgeschoten menigte wist op welk raam ze moesten mikken…

Een ander goed voorbeeld van brutale intimidatie was het inzetten van pantserwagens voor de ingang van het kerkhof om de herdenking van de communistische verzetsstrijdster Hannie Schaft in de kiem te smoren. Van Dijk bouwt zijn zaak voor meer respect voor de CPN vooral op rond de rol van de partij in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het punt is dat ook bij de communisten hierdoor alle nuance zoek begon te raken omdat alles door deze lens werd gezien: iedereen die rechts was, was een fascist (of een proto-fascist). Van Dijk ontsnapt zelf ook niet aan dit hokjes-denken wanneer hij een Oostenrijkse en een Duitse muzikant verwijt dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog als soldaat in het Duitse leger hebben gediend (pagina 122-123). Het is lastig een zaak te maken voor nuance als je die zelf niet toepast.

Een ander punt van kritiek op het boek is de rol van de CPN in de naoorlogse arbeidersbeweging. Van Dijk stelt dat het stakingsmiddel door het werk van de CPN behouden bleef voor de werkende klasse en spreekt stelselmatig van het sociaaldemocratische verraad aan de linkse zaak, in het bijzonder bij de coalitievorming met de ‘rechtse’ Katholieken. Hij ‘vergeet’ hierdoor gemakshalve dat de sociaaldemocratie samen met de Katholieken in de jaren ‘50 de verzorgingsstaat hebben opgetuigd. Drees werd hiervoor over de partijgrenzen heen gerespecteerd door de naoorlogse generatie. De tragiek van de naoorlogse communisten is juist dat hun invloed vrijwel nihil was door hun beperkte omvang en bijna volkomen isolement.

9200000060402873Persoonlijk kon ik dit boek niet anders lezen dan door de lens van het boek van Joost Niemöller over de meer recente geschiedenis van Hans Janmaat en zijn centrumdemocraten. Hierin wordt tot in detail omschreven hoe een rechts-radicale stroming in een soortgelijk maatschappelijk isolement kwam en werd tegengewerkt door de inlichtingendiensten. Van Dijk spreekt er met geen woord over, ook niet in zijn drie zinnige lessen voor de democratie in het nawoord. Integendeel, hij spreekt vermanend over de PVV, terwijl juist de aanhangers van deze partij heden ten dage te maken hebben met maatschappelijke uitsluiting op basis van politieke denkbeelden. Hij heeft zeker een interessant boek geschreven, maar door het onvermogen van de schrijver om uit zijn eigen uitgesproken linkse hokjes-denken te breken heeft het boek niet de reikwijdte die het had kunnen hebben met een meer objectieve en analytische benadering voorbij de links-rechts tegenstelling.

N.a.v. Jos van Dijk, Ondanks hun dappere rol in het verzet… Het isolement van Nederlandse communisten in de Koude Oorlog (Soesterberg, 2016), 248 pagina’s.

Posted on

Integratie en de menselijke natuur

Peter van Duyvenvoorde heeft weer eens op de hem typerende, onderkoelde wijze een knuppel in het hoenderhok gegooid met zijn stuk over DENK als teken van geslaagde integratie. Het is een elegant betoog, steekhoudend ook. En toch klopt er iets niet.

Om daar de vinger achter te krijgen, is het behulpzaam om niet vanuit de boeken naar de praktijk te kijken, maar de praktijk te analyseren en aan de hand daarvan een diagnose te stellen. Doen we daar voor de vuist weg een poging toe.

Spraakregeling

Van Duyvenvoorde werpt terecht de belangwekkende vraag op wat integratie is. Om te beoordelen of de integratie mislukt is, moet men immers eerst weten wat integratie is of zou moeten zijn. In het publieke discours zien we hier het eerste knelpunt. Wanneer veel burgers spreken over integratie, bedoelen ze dat vreemdelingen zich aan moeten passen aan de autochtone mores, en liefst dermate dat je eigenlijk beter van assimilatie dan van integratie zou kunnen spreken. De knellende beperkingen van de politiek-correcte spraakregeling verhinderen echter dat dit punt in het politieke discours wordt opgehelderd. Politici van de gevestigde partijen hebben ook geen belang bij helderheid op dit punt.

Stilzwijgende premisse

politics-of-human-natureEn dat brengt ons bij een volgende probleem in het discours: De vraag die ook bij Van Duyvenvoorde niet aan de orde komt, is die naar de wenselijkheid van integratie. En die wenselijkheid is nu precies de stilzwijgende premisse in het hele integratiedebat dat al jaren voortwoekert. Dat lijkt me toch een wezenlijke vraag. Zeker omdat diverse politici ook wel gezegd hebben dat integratie ‘van twee kanten moet komen’, het vraagt dus niet alleen iets van de allochtonen, maar ook van de autochtonen.

Al jaren wordt er tegen de klippen op een integratiebeleid gevoerd, zonder dat in het publieke debat expliciet de vraag aan de orde gesteld is of we willen integreren. In de praktijk zien we dat mensen van een bepaalde afkomst graag bij elkaar in de buurt wonen. We hebben zelfs gezien dat politici van de meest multicultureel gezinde partijen hun kinderen liever niet naar een ‘zwarte school’ lieten gaan. Zelfs de ‘juiste’ politieke gezindheid kan kennelijk de menselijke natuur niet overwinnen.

Menselijke natuur

utopische-verleidingDat is de kern van het probleem met het politieke waanbeeld van integratie. Het houdt geen rekening met de menselijke natuur. Dat is typisch voor utopische idealen. Niet voor niets waren progressieven steeds gericht op het scheppen van een zogenaamde ‘nieuwe mens’, zie bijvoorbeeld de eugenetische beweging in Amerika of de Sovjet-mens. Zo bezien is het niet alleen de vraag of we wel willen integreren, maar ook of we het uiteindelijk wel kunnen.

Er zit overigens een curieuze sprong in het stuk van Van Duyvenvoorde. In de loop van zijn betoog springt hij van het begrip integratie naar het begrip multiculturele samenleving, om vervolgens door te gaan op de ‘interculturele samenleving’. Daar zitten wat impliciete denksprongen die het niet helderder maken wat hij wil zeggen. Maar dat soort hiaten zijn dus niet exclusief voorbehouden aan die schrijver. De lange weg die het zogenaamde ‘integratiedebat’ al heeft afgelegd is vergeven van dit soort knipgaten.

Mislukt, en dan?

De meesten zullen zich nog wel herinneren dat de toenmalige premier Jan-Peter Balkenende op enig moment stelde dat de multiculturele samenleving mislukt was. Geen wonder, want de meeste mensen konden destijds niet voor de vuist weg zeggen wat dat eigenlijk inhield. Verwoede krantenlezers konden misschien nog een formule als ‘integratie met behoud van eigen cultuur’ ophoesten, maar hoe dat in de praktijk in zijn werk moest gaan, is moeilijk voor te stellen.

Op de vragen wat er dan misgegaan was met de multiculturele samenleving, waarom ze mislukt was en wat het nieuwe ideaal moest zijn, bleef Balkenende – op zijn minst in de publieke waarneming – het antwoord schuldig.

Hiaten

Het zoveelste hiaat in een integratiedebat dat vanaf het begin gedoemd was te mislukken, omdat het al aanving met een hiaat.

verschrikkelijke-janmaatDe meest fundamentele vragen, of we het willen en of we het kunnen, waren namelijk al snel taboe. Temeer omdat op de gerelateerde vragen naar de wenselijkheid van de komst van grote groepen vreemdelingen een zo mogelijk nog groter taboe lag. De ongelikte voormannen van de Centrumbeweging stelden die vragen nog wel, maar werden genegeerd, overstemd, geïntimideerd en uitgesloten van het politieke discours. Velen van hen werden ook in hun persoonlijke leven zwaar getroffen, kregen te kampen met het verlies van hun baan en sociale uitsluiting. En dat allemaal omdat ze de euvele moed hadden om pertinente vragen te stellen. Joost Niemöller heeft er een boeiend boek over geschreven.

Het hiaat in het integratiedebat dat in die jaren geslagen is, is nooit meer ingehaald, integendeel het hiaat heeft zich steeds herhaalt. En zo zitten we nu met een publiek discours over integratie en multiculti dat van de gaten aan elkaar hangt. Geen wonder dat er zoveel onbegrip en wantrouwen bestaat, tussen groepen allochtonen en autochtonen, maar vooral ook tussen burgers en politici.

Het is de hoogste tijd dat eindelijk die cruciale vragen eens behoorlijk besproken worden. In zekere zin is het daar zelfs al te laat voor, want decennia van falend beleid zijn niet meer terug te draaien.

Posted on

Veel steun in Finland voor vertrek uit Euro

Een burgerinitiatief voor een referendum over de vraag of Finland de Euro moet verlaten, is in minder dan een week tijd door 27.000 Finnen ondersteund.

Het initiatief voor het referendum werd genomen door europarlementariër Paavo Väyrynen, oud-minister van Buitenlandse Zaken en voormalig partijleider van de regerende Centrumpartij. Die partij kent vanouds een niet geringe gematigd eurosceptische stroming.

Väyrynen stelt dat Finland beter af is zonder de euro, omdat het dan de mogelijkheid heeft een eigen monetair beleid te voeren. De oud-minister wijst daarbij op Zweden en Denemarken, die de euro niet hebben ingevoerd.

Volgens Väyrynen staat het onderwerp in de regering nog niet op de agenda. Hij bepleit echter dat er een volksraadpleging gehouden wordt, voorafgegaan door een publiek debat waarin de voors en tegens afgewogen kunnen worden.

Om de petitie voor een referendum aan het parlement ter overweging aan te bieden, moeten binnen zes maanden tenminste 50.000 handtekeningen verzameld worden.

Het Finse initiatief doet enigzins denken aan het Nederlandse Burgercomité-EU dat vorig jaar een burgerinitiatief, dat door meer dan 60.000 Nederlanders werd ondersteund, aan de Tweede Kamer aanbood, dat de regering opriep om bij een volgende soevereiniteitsoverdracht aan de Europese Unie een referendum te houden. Momenteel verzamelt het comité handtekeningen voor een referendum over het Associatieverdrag van Oekraïne met de EU.

Väyrynen staat er om bekend niet bang te zijn om tegen de stroom in te gaan. Zo streek hij in 2008 het Finse politieke establishment tegen de haren in door te wijzen op het feit dat de Russisch-Georgische oorlog was veroorzaakt door de Georgische aanval op Russische vredeshandhavers in Zuid-Ossetië. Hij benadrukte bij die gelegenheid nog eens het belang van de Finse neutraliteit en zijn oppositie tegen een eventueel NAVO-lidmaatschap van Finland.

Posted on

Afwijzing EU-lidmaatschap onder Noren neemt toe

De steun onder de Noorse bevolking voor eventuele toetreding van Noorwegen tot de Europese Unie brokkelt af. De Noorse bevolking heeft toetreding tot de EU twee maal met een krappe meerderheid afgewezen, voor het laatst in 1992, maar opinieonderzoek wijst uit dat inmiddels een grotere meerderheid tegen EU-lidmaatschap is.

Volgens het onderzoek van Sentio Research is meer dan zeventig procent van de Noren tegen toetreding tot de EU, terwijl slechts 18 procent aangeeft in een referendum over toetreding ja te zullen stemmen.

De uitslag van het opinieonderzoek is een tegenslag voor de centrumrechtse regeringspartij Høyre (Rechts), die de grootste voorstander van EU-lidmaatschap in de Noorse politiek is. Noorwegen is lid van de Europese Vrijhandels-Associatie (EVA/EFTA) en maakt deel uit van de Europese Economische Ruimte. Zodoende heeft het land toegang tot de gemeenschappelijke markt, maar moet ze ook bepaalde regelgeving doorvoeren. Onder de vorige regering waren er hieromtrent wat strubbelingen met de EU en EU-lidstaat Denemarken. Noorwegen had namelijk importheffingen op bepaalde producten ingevoerd om haar landbouwsector te beschermen. Dit wekte de wrevel van Deense politici. De huidige Noorse minister voor EU-zaken Vidar Helgesen koerst op verdere toenadering tot de EU, maar zoals het onderzoek laat zien ontbreekt het daarvoor aan steun onder de bevolking.

 

Zelfs van de kiezers van Høyre zelf is inmiddels een meerderheid tegen toetreding tot de EU; slechts een derde van hen zou in een referendum voor stemmen. Voormalig socialistisch politicus en leider van de campagne ‘Nee tegen de EU’ Henning Olausson stelde tegenover Noorse media dat Høyre dit signaal van kiezers “die niet aan de EU ondergeschikt gemaakt willen worden” serieus moet nemen.

Noorwegen heeft zich aangesloten bij de EU-sancties tegen Rusland en moet als gevolg daarvan een terugloop in de export naar Rusland op de koop toenemen.