Posted on 1 Comment

Hedonistische technocratie houdt ons gevangen in post-adolescentie

Eerder dit jaar filosofeerde ik over het boek Keep the Aspidistra Flying. Daarin maakt George Orwell invoelbaar hoe banaal en afgestompt het leven van de Britse middenklasse was. Nadien verscheen er in Nederland een boek met een soortelijk thema: het is geschreven door Mel Bontje en heet Bart Mittendorf, een zak met niets. Van de film The Matrix (1999) kennen we allemaal de keuze tussen de blauwe en de rode pil. Wie de rode pil slikt, wordt wakker in de harde realiteit maar leeft wel in de authentieke waarheid. De blauwe pil betekent weer in slaap vallen en wegdromen bij comfortabele leugens.

Laat me daarom tevoren één opmerking maken: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar. Reader beware.

Het verhaal heeft raakvlakken met films als Fight Club (1999) en Noise (2007). In Noise ontmoet een man die is voorbestemd voor het leven van de familie doorzon een even wellustige als gewillige filosofiestudente. Zij prikkelt zijn geest en vervult zijn oerinstincten. Hierdoor ziet hij in een moment van helderheid hoe hij gebukt gaat onder een hedonistische technocratie: hij breekt los uit zijn routinebestaan en besluit volledig break the system te gaan.

Vanaf de openingspagina is duidelijk welke auteur voor Mel Bontje een grote inspirator is. Seks in een boek is één ding, maar waarom toch die fascinatie met zelfbevlekking? Een ander feit dat in het oog springt is dat de auteur doorklinkt in de gesprekken. Hij laat zich kennen in zowel zijn fascinatie met aftandsheid en verval, als in zijn erudiete woordkeuzes om sociale analyses uit te drukken. Dit rijmt niet overal met de personages: het zijn deftige zinnen waarmee de jonge geest absoluut en doordringend oordeelt over de werkelijkheid.

De hoofdpersoon Bart Mittendorf loopt een zielloze haptent binnen. “Het enige speelse in de zaak was het geluid van het borrelende frituurvet” (p.38). Elke pagina kent dergelijke zinnen – de auteur is duidelijk getalenteerd. Wel geven de personages lange, gestileerde commentaren op de maatschappij en op wat er speelt in hun leven. Deze reflecties vinden plaats binnen situaties die daar soms te vluchtig voor lijken.

Via deze commentaren drukt het boek het afgrijzen uit van het vooruitzicht een diploma te halen bij een instituut dat zich niet om je bekommert, om vervolgens in dienst te treden bij een bedrijf dat zich niet om je bekommert. Ondertussen een sprankelend en levenslustig enthousiasme veinzend om jezelf ‘in de markt te zetten’ – dit afgrijzen wordt met drank, drugs of Netflix gekalmeerd en dit noemen we ‘vrijheid’.

“Ik heb het geprobeerd, maar ik kwam erachter dat ik geen geluk haal uit een leven dat bestaat uit interactie met jongens en meisjes die hun gebrek aan authenticiteit verschuilen achter maat- en mantelpakjes […] Alles voor het behalen van validatie in een absurde, ontwortelde en volledig vervlakte realiteitscontext. Niemand was meer dan een mislukte reproductie van een vacatureomschrijving.” (p.16-7)

Het type leven dat zojuist werd omschreven hebben we ook nog eens uitgeroepen tot het hoogst haalbare in de menselijke geschiedenis, namelijk ‘liberale democratie’. En zo stuurt het boek ons indirect in de richting van een levenswijsheid: niet het hebben van een hoog inkomen is het geheim van de vrijheid, maar het hebben van een laag uitgavenpatroon. De auteur verwoordt dit als volgt: “Zijn buikvet zou schuilgaan achter een maathemd van dure stof. Dag in dag uit zou hij gehuld moeten gaan in een mantel van leugens en opgaan in de grijze massa der kantoorschepsels tot hij niet beter zou weten. Toch wilde hij de chaos in zijn ziel niet laten bedwingen door de dwangbuis van het bedrijfsleven.” (p.17)

De kernzin van het boek – en feitelijk van de Westerse cultuur – vinden we op pagina 52: “Niets dwong me om serieus te worden.” Oftewel de hedonistische technocratie houdt ons gevangen in een post-adolescentie. Het is normaal dat je na je afstuderen een vaste baan vindt met een degelijk salaris en dan een gezin sticht. Tenminste dat geldt voor een beschaving die wil voortbestaan. Onze realiteit na het afstuderen is tig onbetaalde stages, nul urencontracten, tien jaar Tinderen, een leven lang huurwoningen.

Échte volwassenheid betekent in deze situatie: een slaaf worden van het systeem. Steeds meer jongvolwassenen zien dit en slikken de rode pil. Ik ken een arts die maandelijks 4.000 euro verdient en 2.500 overhoudt. Ik ken een consultant die 5.000 verdient en 2.800 overhoudt. Beiden werken dag en nacht. De auteur beschrijft soortgelijke situaties en concludeert dat we welbeschouwd werkvee zijn van een globale elite, die jongeren met kosmopolitische propaganda bestookt om hen in dit keurslijf te lokken:

“Hoe langer de jonge westerling op reis is, hoe meer hij gaat geloven in de maakbaarheid van de wereld, het ideaal van mondiaal pacifisme en postmoderne theorieën. In de Berlijnse hostels krioelt het van de cultuurmarxisten: types die het als hun levensdoel zien om zich op te werpen voor alles wat zwak en zielig is. Ze willen niets liever dan zichzelf wegcijferen voor alles dat als minderheid, onderdrukt of achtergesteld bestempeld kan worden. Het Berlijnse jeugdhostel is de bunker van de Gutmensch.” (p.56)

Dat de welbespraaktheid van de personages niet overal rijmt met hun sociale stratificatie, maakt echter niet dat het geen leuke personages zijn om over te lezen. Neem nu Vera – zij wordt omschreven als slank, blond en goed in vorm. “Vera zweeg, legde haar hand op Barts rug, bracht haar lippen richting zijn hals en klom langzaam op zijn schoot. Ze zat met haar gezicht naar hem toe, met zijn neus onder haar boezem” (p.56). Dit personage vervult een belangrijke pedagogische rol: Vera’s geile gekronkel leert jeugdige lezers dat cultuurrealisme en postprogressivisme wel degelijk kunnen leiden tot goede seks.

Dit is een passend moment om kort iets te zeggen over Houellebecq, met wiens proza er vele gelijkenissen zijn. “Mijn wanstaltige voorkomen zou ze met een enkele blik veroordelen. Zonder woorden zou ze de verwerpelijkheid van mijn gedaante in volle helderheid bevestigen” (p.35). Deze Franse schrijver wordt soms ‘vrouwonvriendelijkheid’ verweten oftewel misogynie – het tegendeel is waar. Deze auteur die in de verleidingskunst wat klungelig is, maakt zijn vrouwelijke personages tot lustvolle sletten die zélf het contact initiëren. ‘Sletterig’ is hier niet in een negatieve zin bedoeld, maar juist in een sekspositieve. De vrouwelijke karakters die hun genot najagen zijn uiterst geëmancipeerd.

Het enige kritiekpunt op Bart Mittendorf is dat de auteur mogelijk teveel doorschijnt in de erudiete volzinnen van de personages. De dialogen van de personages zijn soms te intelligent geschreven voor de proleten die ze zijn. Maar al met al is dit een perfect jeugd- en avonturenboek dat de huidige tijdsgeest weerspiegelt. De anti-Steppenwulf.

“Rustig blijven we onze dagelijkse taken uitvoeren; we hopen dat iedereen elkaar ooit, zonde enige vorm van wrok, de hand zal reiken. In lijn met de Duitse filosoof Johann Gottfried von Herder stellen we ons voor dat culturen elkaar prachtig aanvullen, zoals bloemen in een tuin. Wat we vergeten is dat al die bloemen snakken naar licht, ruimte en lucht. Het hardnekkigste onkruid zal de dienst gaan uitmaken en al het overige verdringen. We laten iedereen binnen en zien alles steeds verder naar de klote gaan. Hierover durven we geen oordeel te vellen.” (p.63)

“We worden uitgeleverd door een politieke elite die zijn machtsgeile gezicht verschuilt achter een masker van valse humanitaire waarden. Het is de neomarxistische elite die de fatale baksteen in het bloedende gezicht van Europa smijt. Ik kan het niet accepteren om als nietszeggend schepsel te worden vertrapt onder de schoenzolen van de botsende beschavingen.” (p.64)

“In de menigte leek iedereen op elkaar: het kroost van het kroost van 68-ers.” (p.77)

“We zijn te laf om de slijmerige realiteit te ontsluieren. Tot dat moment, het moment dat we onszelf hebben ontdaan van de leugen, zullen we enkel leven om vergeten te worden, tot niets groots in staat zijn en louter onzinnig slavengedrag vertonen.” (p.22)

De schrijver Mel Bontje zal natuurlijk niet worden ‘ontdekt’ door ‘kwaliteitsmedia’: daarvoor is het deuggehalte onvoldoende – zo zal duidelijk zijn uit het bovenstaande meesterlijke proza. Maar het boek is zéker de moeite van het lezen waard. Misschien is het hier en daar zelfs net te gepassioneerd geschreven ‘for his own good’. Zoals ik al zei: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar.

Op zaterdag 29 september om 15:00 uur vindt een boekpresentatie plaats van het boek ‘Bart Mittendorf. Een Zak Met Niets’ in Boekhandel Cursief te Gorinchem. Meer informatie hier: https://www.facebook.com/events/1129092800581064/

Posted on

Wat is chaos? Een cultuur-filosofisch gesprek

Na eerder de vraag ‘Wat is cultuur?‘ uitgediept te hebben, voerden Wim van den Bergh van de Batavieren Podcast en uitgever en filosoof Tom Zwitser onlangs opnieuw een uitgebreid gesprek met elkaar. Nu vanuit de tegenovergestelde benadering: ‘Wat is chaos?’ Dit mede naar aanleiding van dingen die de Canadese hoogleraar psychologie en cultuurcriticus Jordan Peterson daar enige tijd geleden over zei op de conferentie van De Nederlandse Leeuw.

“De vraag wat chaos precies is”, aldus Zwitser “is heel interessant, want niemand heeft daar direct een beeld bij. Hooguit zou je kunnen zeggen: chaos is een gefragmenteerde orde of datgene wat eerst ordelijk in elkaar zat, maar versplinterd is of kapot is. En dat ervaar je als chaos. Maar chaos zelf? Wat kan chaos nou zelf zijn? Dat is eigenlijk veel lastiger.”

Het gesprek van zo’n anderhalf uur is hier te bekijken:

Tom Zwitser ~ Heerlijke platte wereld

 

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

Rapport uit het hart van de samenleving

Recent riep ik op tot de bouw van een ‘Nieuwe Kerk’. Dit draait om het samenbrengen van mensen rond de constatering dat de systeemtaal niet meer de werkelijkheid weerspiegelt. Deze mensen vinden elkaar met kritische analyses en delen nieuwe begeesterende verhalen, om inspiratie uit te putten, maar ook om de rotte plekken in het systeem bloot te leggen.

Eerder werd hiervoor ook de term ‘Nieuwe Zuil’ gebruikt, omdat deze kant van het politieke spectrum nu gebundeld zal zijn onder één noemer – laten we zeggen van liberale humanisten tot nationaalconservatieven en alles wat daar tussenvalt: kortom een realistisch postprogressief gedachtegoed. Open voor religieuzen maar ook voor heidenen en atheïsten.

De term ‘Kerk’ weerspiegelt (voorlopig) meer dan ‘Zuil’ de bezielende en begeesterende missie van deze verhalen. Graag wil ik deze mensen ook gaan samenbrengen op gespreks- en caféavonden, om zo te komen tot een nieuwe publicatie. Deze zal dienen om deze ‘verhalen uit de samenleving’ op een filosofisch niveau te synthetiseren.

Hoe kwetsbaar de eenling is zonder de sociale structuur van een Zuil of Kerk om op terug te vallen voor houvast, blijkt wel uit de val van Yernaz (beluister hier mijn podcast erover). Vrijheid van meningsuiting kan niet staande blijven als losse atomen, maar vergt een sociaal-economische inbedding. Oftewel enige sociale cohesie,  ‘groepssolidariteit’ is noodzakelijk.

Tot dusver kreeg ik vele interessante inzendingen. Sommigen zijn bijna te bizar om waar te zijn, anderen zijn juist hoopgevend en inspirerend. In een later stadium zal ik erop terugkomen – ik licht er alvast ééntje uit, om weer te geven wat er speelt in de samenleving. Deze inzending is afkomstig van een innovatieve ondernemer in het hart van de samenleving:

“Ik zit Pauw te kijken, is dit nu het niveau waar we zijn beland??!!

Een opgeschoten donkere rapper die moet doen alsof die gebukt gaat onder Zwarte Piet! Wat een gelul. Ik heb een dochter die is BRUIN! zowel in Leiden als in Zeeland nog NOOIT gediscrimineerd en zeker niet op basis van zwarte piet. De mensen die donker zijn met donkere kinderen heb ik van dichtbij hun kinderen zien hersenspoelen dat ze gediscrimineerd zullen worden… En jawel hoor tijdens Sinterklaas werden die kinderen zogenaamd gediscrimineerd…
Nu zit Pauw zelfs te beweren dat het goed is dat donkere mensen naar Dokkum gaan om daar waar NUL donkere mensen zijn te zeggen dat ze geen Zwarte Piet mogen vieren!! Een Buma van het CDA die te amateuristisch is om deze bizarre doelredenering te pareren. Verder een politiek-correcte BN’er (blank) die ook als een nihilist de treurige slachtoffer rol van donkere mensen bevestigt.

Alsof je naar een slechte komedie zit te kijken. Dit is het niveau van prime time talk show Nederland. Diep, diep triest. Als je in Nederland wilt blijven wonen moet je dermate veel drugs gaan nemen dat je hersenen gewoon niks meer registreren, anders word je gewoon gillend gek – wat een simpele zielen op die TV!

Maar goed ik ben vader van een donker meisje en ik trek deze verschrikkelijke én schadelijke domheid steeds slechter.”

Tsja. Je zal maar ouder zijn in een gezin met een donker kind dat gewoon Sinterklaas met Zwarte Piet viert, dat dan omgaat met andere donkere kinderen en van hen hoort dat Zwarte Piet racistisch is. Ik begrijp mensen die zich dan in de steek gelaten voelen door hun politieke leiders: de meeste politici zijn vandaag pr-managers zonder inhoudelijk verhaal. Kneedbare en inwisselbare lieden met een ‘bestuurdersmentaliteit’ – er staat geen geestelijke arbeid meer aan de basis van het politiek overtuigingsproces. Staatsburgers worden gestuurd als consumenten, via ‘nudging’ en ‘social proof’, meer dan met feiten, redeneringen, bewijzen of argumenten.

Het ‘debat’ wat zo overblijft is een façade. Pure belangen worden doorgewalst naar de macht, en consciëntieuze mensen met realistische inzichten worden op die weg verpulverd.

Lezers – ik voel jullie pijn! Ik wil bouwen aan een ‘Nieuwe Zuil’ c.q. ‘Nieuwe Kerk’. Wat wil zeggen een fundament van samenleven waarvoor ik op zoek ben naar uw inzichten, uw praktijkervaringen, en de inspirerende verhalen die u zou willen delen. Om nieuwe analyses te maken en een verhaal dat weer bezieling en begeestering biedt.

Posted on

Talkshows en hun rol in het publieke debat

Hank Johnson heeft vannacht slecht geslapen – als expert in radicalisering is hij gevraagd voor een talkshow en vermoedt nu wat hem boven het hoofd hangt. Zijn opponent zal betogen dat West-Europeanen de gruwelijke aanslagen toch vooral aan zichzelf te wijten hebben. Racistische standbeelden en naamsverwijzingen naar J.P. Coen, Maurits en Michiel de Ruyter, zijn tekenend voor een cultuur die onvoldoende met een eigen duister verleden heeft afgerekend.

De theorieën die Hank moet aanhoren vallen in de UvA-breinen allemaal logisch in elkaar, zoals legoblokjes die solide worden vastgeklikt. Het valt hem op hoe een mooie blondine in het publiek glimlacht bij elk woord van zijn opponent, maar afkeurend nee-schudt wanneer haar kampioen tegengas krijgt. Wat de vragen betreft gaan alle inkoppertjes naar het tegenkamp en alle kritische naar Hank.

Dit spel duurt een tijdje voort totdat Hank een vermoeidheid voelt opkomen. Zijn aandacht glijdt weg van het debat, dat al met al niet verder komt dan “kauwgom voor een lege geest”. Plots schiet hem te binnen wat een columnist onlangs verwoordde:

“De items zijn kort en als ze al enige diepgang hebben, dan moeten ze snel weer naar de oppervlakte worden gebracht met een fragmentje, een grap of de oninteressante mening van één of andere derderangs artiest die ook aan tafel is beland om een cd’tje te pluggen. En het inteeltgehalte is enorm. De talkshow hosts en hun sidekicks kennen hun gasten vaak persoonlijk, al dan niet via half-aristocratische liefdes- en huwelijksverbanden of het netwerk van een politieke partij.”

De acute werkelijkheid dringt weer tot Hank door wanneer de presentator hem tot de tweede keer toe om een antwoord maant. “Oplossingen!” dringt de presentator aan: “Altijd dat kritische, dat zure horen we overal al. Formuleer het eens positief. Biedt eens een oplossing!” Hanks glazige blik keert terug naar het tafelgesprek: hij besluit het over een andere boeg te gooien. Plots spreekt hij met een ijzeren zelfverzekerdheid.

“Discussies ‘om tot oplossingen te komen’ zijn fundamenteel zinloos.”

De presentator kijkt hem onbegrijpend aan. Hank laat een stilte vallen – alle aandacht is nu op hem gericht. Hij spreekt verder.

“Want welke kant er opgedacht kan worden qua oplossingen, staat of valt met het kenschetsen van het probleem, en dus met hoe klein of hoe groot je dat maakt. En zo komen we bij ons uit – bij de talkshows en hoe er hier gesproken wordt. Mainstream media debatplatforms bepalen het frame waarin het probleem wordt geperst en welke woorden er worden gebruikt. Spreekt men van ‘rellen’, ‘ongeregeldheden’, of ‘baldadigheid’? Niet de feiten maar de toonzetting bepaalt het probleem, en daarmee de oplossingsrichting.”

“Wat bedoelt u? Maak het eens concreet!”

“Een probleem zoals professor Ruud Koopmans constateerde – dat zo’n veertig tot vijftig procent van de moslims in Europa opvattingen koestert die ronduit fundamentalistisch zijn – wordt teruggebracht tot de integratieproblemen in een wijk die toevallig in het nieuws is. In die wijk wordt het weer teruggebracht tot een groep hangjongeren en tot slot tot één specifiek ontspoord gezin. Daar wordt dan een buurtcoach op gezet. En zo is de constatering van Koopmans weer uit beeld en moddert men verder. De aannames achter het gevoerde beleid worden op een grotere schaal nooit wezenlijk betwijfeld, laat staan heroverwogen. Het publieke debat zoals het vandaag wordt gevoerd is er niet om dit te veranderen, maar dit te bestendigen.”

De presentator en het publiek kijken verbijsterd en lijken compleet overrompeld terwijl Hank doorpraat.

“En daarom heb ik dus totaal geen zin in een discussie over oplossingen. Oplossingen die écht werken, zijn in de huidige maatschappelijke situatie onbespreekbaar. Als je ze ter sprake brengt, wordt je direct in de hoek van Wilders gedreven, er volgen Breivik-vergelijkingen en vervolgens kun je een maatschappelijke loopbaan wel vergeten. Daarom vormen ‘oplossingen’ het minst interessante deel van iedere huidige maatschappelijke discussie. Allereerst zal een totale omzwenking in het denken nodig zijn: een nieuw denkraam moet zich ontsluiten – een wenkend paradigma dat zich openbaart.”

De presentator knipperde met zijn ogen. Met stomheid geslagen overwoog hij om te vragen wat een paradigma precies was. Voordat hij het moment kon pakken ging Hank door.

“Maar aan zo’n nieuw denkraam komen we dus nooit toe, want de publieke discussie is het voorportaal van hoe er in dit land wordt gedacht. Zowel qua beleidsrichtingen als de mening van het brede publiek. En wie zitten er aan deze tafels om de problemen te duiden? Mensen uit dezelfde netwerken. Dezelfde kringetjes. Ze zien elkaar op de sportschool en bij dezelfde cocktailfeestjes. Ons kent ons – ze hangen ronduit hetzelfde wereldbeeld aan: dat wereldbeeld is linksliberaal, postmodern en georiënteerd op het leefpatroon van de grootstedelijke wereldburger.”

“Wat bedoelt u precies met dit wereldbeeld?” wilde de presentator weten.

“Daarmee bedoel ik: patriottisme is vies en ruikt naar spruitjeslucht. Migratie als maatschappelijk fenomeen is daarentegen geweldig maar individuele migranten moeten niet te dichtbij komen. Diversiteit is gaaf – zolang het gaat om diversiteit van kleur en geaardheid maar niet qua opvattingen. Want dat werkelijke diversiteit leidt tot onverzoenbare wereldbeelden waartussen afgrondelijke spanningen bestaan, dat wil de kosmopolitische talkshowklasse niet horen. In hun denken zijn we aan het ‘einde van de geschiedenis’ aanbeland: de globalisering zou leiden tot een wereldwijde metropolische eenwording. Iedereen dezelfde consumentenleefstijl met hooguit wat smaakaccenten qua kledingkeuze en muziekvoorkeur.”

De presentator fronste zijn wenkbrauwen. “Wie heeft daar baat bij? Hoe ziet het bestuur eruit?”

“Ze zien die metropolische maatschappij voor zich met technocraten aan het roer. Specialisten die zich boven politiek, boven levensbeschouwing en zelfs boven de volkssoevereiniteit verheven achten. Zij besturen ons met algoritmes, positiviteitstrainingen en reclametechnieken. Loop ons niet voor de voeten en verder panem et circenses. Wie dit spel eenmaal doorheeft kan twee dingen doen. Ofwel je trekt je terug uit de publieke discussies en gaat compleet off the grid. Ofwel je speelt mee. Je lacht van je af en slaat elkaar amicaal op de schouders – wie tsjakka-peptalk uitslaat mag ook aan talkshowtafels plaatsnemen. Je verandert in een vervalsing van jezelf.

Als je in waarheid wil leven en dit allemaal aankaart, dan wordt je uitgekotst en is je carrière geruïneerd. Hoe geleerd je ook bent: je zult worden buitengesloten. Dan wek je de toorn van de elite en krijg je de afgunst van de massa over je heen.”

“Verklaar u nader. Wat bedoelt u met ‘de toorn’ en ‘de massa’?”

“Ik doel op uitsluiting. Diezelfde bullebakken die vroeger de slimme kinderen in de klas klein hielden, worden nu ingezet om de critici van het bestel belachelijk te maken. Ondertussen worden we vastgeklemd door een krab met twee scharen. Enerzijds betekent migratie terreurdreiging: dit biedt de instituties de perfecte gelegenheid om veiligheidsmaatregelen te nemen en hun macht te concentreren. Anderzijds ontstaat paranoia omdat het juist zo stil is rond het jihadisme. Als er weer treinen onverwachts vertraagd zijn of camera’s plots geen beelden hebben, weten we nooit wat er écht heeft gespeeld. De elite heeft er immers belang bij om de eigen macht te vergroten, maar ook om het deksel op de pot te houden. In de praktijk betekent dit schaarwerk een informatieachterstand voor burgers.”

“Dat is een somber verhaal. Wat ziet u als uitweg?”

“Zoals Peter Sloterdijk heeft geconstateerd: voordat je ook maar iets kunt doen, moet je eerst boos worden. De gevestigde orde is zich hiervan bewust, vandaar overal de voortdurende nadruk op positiviteit. Terugkomend op de oplossingen – tegen deze keten van belangen en processen is niets te doen tenzij mensen een soort van revolutie op touw zetten. Een revolutie in naam van bezield politiek staatsburgerschap. Om duidelijk te maken dat het volk meer is dan ongeletterde tokkies of schaapachtige consumenten die de hand van hun herder nodig hebben. Maar zo’n opstand, dat durven de mensen niet aan.”

“Waarom niet?”

“Burgers kijken om zich heen en beseffen dat ze hun medeburgers hiervoor onvoldoende vertrouwen. Brood en spelen, verdeel en heers hebben hun werk gedaan. Onze onderlinge banden zijn slap: familiewaarden zijn verzwakt, verenigende tradities zijn uitgewist en heroïsche voorbeeldfiguren worden neergezet als autoritaire witte mannen. Zelfs het leidende cultuurgoed wordt verdacht gemaakt en opgebroken in kleine compartimenten – hierbij komen activistische minderheidsgroepen goed te pas. Zij dienen om het volk tegen zichzelf uit te spelen – alles om een samenballing van opstandige elementen te voorkomen.

Specifieke woorden raken omstreden en gaan voor verschillende groepen iets heel anders betekenen. Tot op het punt dat gesprek en overreding niet meer mogelijk zijn: wie zich rationeel opstelt wordt direct als immoreel afgeschilderd, zoals we onlangs zagen bij het tv-debat tussen Jordan Peterson en Cathy Newman. Gesteund door de mediatycoons en verblind door social justice warrior-ideologie zag ze het als haar missie om de kijkers te leren wat zij van Peterson moeten vinden.

Kortom: door immigratie en identiteitspolitiek verstaat men elkaar niet meer. Groepssolidariteit ontbreekt en sociaal atomisme blijft over. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn we voorgeprogrammeerd op een Brave New World, die nu aanstaande is. De talkshows en de televisie hebben hierin de voortrekkersrol gespeeld.”

“Wat zal er nu gaan gebeuren?”

“Nu een steeds groter deel van het volk via internet zelfstandig informatie zoekt, wordt ook die toegang gesaboteerd. Men trekt de shaming-tactieken uit de kast. ‘Nepnieuws!’ ‘Russische propaganda!’ Dergelijke kreten worden in de media rondgepompt terwijl zich kartels vormen tussen de politieke leiders, topambtenaren en de CEO’s van Silicon Valley. Als gevolg worden kritische mediaplatforms onvindbaar op sociale media en onzichtbaar in zoekresultaten. Als je kanaal eraf wordt gegooid krijg je 100 tekens ter beschikking om een bezwaar te formuleren. Deze ondoorzichtige bureaucratie betekent enerzijds totale willekeur en anderzijds toenemende regulering.”

“Waar leest u dit aan af?”

“Ik lees dit af aan liberale partijen die de bureaucratie bestrijden maar er ondertussen mee versmelten. Nu gaan cryptocurrencies de taboesfeer in, uiteindelijk gevolgd door cash – men mag de tentakels van het kartel niet meer kunnen ontwijken: men moet en zal gelijkgeschakeld worden in de administratieve moloch. Zo sterft het vreedzame verzet een stille dood nog voordat het zich kan organiseren.

Let wel – dit zal allemaal gebeuren in naam van gelijkheid, democratie, transparantie en dat soort taalgebruik. Van deze gelijkschakeling was PRISM een voorbode – de voltooiing zal worden opgediend met een sausje van fluïde en ongrijpbare opwekkingsretoriek zoals we al kenden van Obama. Brave New Worldhere we come. Al met al concludeer ik dat het in deze situatie onzinnig is om te speculeren over ‘oplossingen’ – het overkoepelende maatschappelijke verhouden waarbinnen dit speculeren plaatsheeft is zelf een probleem.”

De presentator en het publiek luisterden met open mond. Er viel een absolute stilte – verbijstering overheerste het moment. Maar ieder moment – hoe briljant ook – duurt slechts een moment. “Okay, en nu is het tijd voor de reclame! Maar eerst de nieuwe hitsingle…” De talkshow rondom Hank denderde verder. Over tot de orde van de dag. Tot de volgende dag.

Als «toetje» voor de liefhebbers.

Posted on

De zwakste schakel

Waarom verkeren we in deze situatie? Hoe kan het dat we het gevoel van naderend onheil en machteloosheid niet van ons af kunnen schudden? Hoe is het mogelijk dat een kleine groep bewapende mannen ons zo veel schade berokkent? Het antwoord is simpel: opoffering. In de lijn der erfgenamen van de Europese tradities is de moderne Nederlander de zwakste schakel. Hij is laf, angstig en verslaafd aan genot en comfort. Het antwoord is ook complex, maar laten wij voor vooralsnog de analyse zo veel als mogelijk simplificeren zodat wij een helder startpunt hebben van waaruit we kunnen vertrekken.

Ergens in het nabije verleden zijn onder invloed van het radicaal-progressieve en liberale wereldbeeld de barrières van onze Europese tradities grotendeels naar beneden gehaald. De hoop was dat goed voorbeeld goed doet volgen. Het Einde van de Geschiedenis was immers weer een stapje dichterbij. De Europeanen moesten de weg voorbereiden naar een wereld waarin geen ruimte meer zou zijn voor intolerantie, gebondenheid en onwetendheid. Het autonome individu zou zegevieren en zijn recht op zelfbeschikking opeisen. Wat er werkelijk heeft plaatsgevonden is dat de leegte die is ontstaan na de aanval op onze tradities eerst is gekoloniseerd door het commerciële (en het banale) en vervolgens door de barbaren van buiten.

De moderne Nederlander is inmiddels door en door bourgeois. Hij is een streng gesocialiseerd en afgericht dier dat niets liever wil dan dat de wereld ‘gezellig’ blijft. Er is geen enkele geestelijke bandbreedte meer over voor mentale hardheid. De Nederlander lijdt aan ‘RTL4-liberalisme’: de door televisiebeelden verlichte woonkamer is het podium waarop hij graag vertoeft. Hier voelt hij zich veilig en krijgt hij voorgeschoteld wat hij moet geloven. Buiten is echter de wereld op drift. Het leven zoekt nieuwe wegen, maar hier wil hij niets van weten. Strijd en vijand? Wij hebben markt en concurrentie. De staat? Wij hebben de maatschappij. Wilskracht? Je zal calculatie bedoelen. Een volk? Wij kennen louter het publiek, de arbeidskrachten en consumenten. Zijn geest en vocabulaire zijn gepacificeerd en zo ontworpen dat zij hem gehoorzaam houden. De sluwheid van dit ontwerp zit hem erin dat hij zijn laatste hoopje natuurlijke agressie alleen kan richten op zijn eigen soort: er is bij hem immers wel een visie op goed en kwaad (‘fout’) geprogrammeerd. Dit houdt de opkomst van antiliberale krachten tegen en de bourgeois stevig in het zadel. In deze denkwijze is de Nederlander (en westerling) echter idiosyncratisch. In zijn vermeende onbaatzuchtigheid ook, wat niets anders is dan een masker. Wanneer dit wordt afgeslagen blijft niets anders over dan een allesvernietigende zelf- en genotszucht. Geen enkel ander volk lijdt zo sterk aan liberalisme.

De terugtrekking in de warme woonkamer en de erosie van verantwoordelijkheidsgevoel voor het historische en het gemeenschappelijke laten de buitenruimte onbewaakt en gevoelig voor kolonisering door externe machten. Dit is een natuurlijk proces dat zich constant overal en altijd voltrekt. Ook in Nederland. Het (fysiek) sterkere domineert altijd het zwakkere. De nabije toekomst behoort daarom logischerwijs toe aan naar macht-strevende volkeren en groeperingen met een antiliberale ethiek en een sterk gemeenschapsgevoel. De moderne West-Europeaan is een ziektesymptoom. Die diagnose is reeds ook door de andere volkeren gesteld. Zij zijn het medicijn dat het zieke, verzwakte lichaam komt vullen met nieuwe energie.

In het westen doet men zo nu en dan een poging om gemeenschapszin en strijdlust te imiteren. Moderne mensen met een uitgesproken links(liberaal) wereldbeeld willen een kunstmatige gemeenschapszin gebaseerd op universele waarden forceren. Moderne mensen met een uitgesproken rechts(liberaal) wereldbeeld willen een strijd van allen tegen allen faciliteren binnen de kaders van een historische gemeenschap. De rest kiest voor een variant op of vermenging van bovenstaande houdingen. Gemeenschap vereist echter de wil tot opoffering. Niemand wil sterven voor abstracte waarden en niemand wil zich opofferen voor iemand die hij tevens op dagelijkse basis beconcurreert in de markt. Dit is het centrale probleem van de moderne samenleving: het gebrek aan echte binding met elkaar en het verlies van de wil tot opoffering voor elkaar.

Stel dat we de grenzen sluiten, dan is het links-liberale wereldbeeld daarmee nog niet uit Nederland verdwenen. Er is geen positieve affirmatie van onze tradities, geen historisch besef, geen culturele vitaliteit of breed gedragen geestelijke bezinning. Het enige wapen dat we nu effectief kunnen inzetten tegen vijanden is de kleinburgerlijke angst voor het verlies van ‘brood en spelen’. Deze angst kan echter leiden tot onwenselijke vormen van nationalisme. Het probleem met ‘marcheren door de straten’ is dat dit onherroepelijk zal leiden tot onnodig bloedvergieten. Robespierre heeft immers ook zijn eigen hoofd verloren. Daarnaast is nationalisme een slecht wapen om beschaafdheid en traditie te stimuleren. Zeker in de huidige tijd. Het kost geen enkele moeite om xenofobisch te zijn, dat zit in onze aard (mensen zijn groepsdieren). Anti-modern zijn daarentegen kost veel meer inspanning (studie, contemplatie, debat). Iets waarvoor niemand meer geduld lijkt te hebben.

Er lijken zich drie scenario’s voor te doen. De eerste is de meest voor de hand liggende: de bourgeois verklaart geen andere vijanden te hebben dan zijn eigen intolerantie. Hij helpt zijn vijanden door inactief te blijven en zich in zijn woonkamer op te sluiten. Hij kan zich bekeren en vredig verder leven in gevangenschap. Hij is de zwakste schakel en breekt de ketting van onze tradities voorgoed. De tweede is mogelijk, maar zeer onwenselijk: hij kiest een sterke leider om schoon schip te maken. Dit is de keuze voor de totale oorlog van allen tegen allen. Het volk zal langzaam militariseren. Meestal gaat hieraan een groeiende politiestaat vooraf. Het groepsdier zal wakker worden en allen zullen ‘vuile handen’ hebben. Ik vraag mij sterk af of dit tot de herwaardering van onze tradities zal leiden. De derde optie is het meest wenselijk, maar onwaarschijnlijk: een significante groep mannen staat op en verdedigt de rest van het volk. In dit scenario hoeft niet iedereen zijn handen vuil te maken. Deze mannen offeren zich op en zullen ook een nieuwe staat gaan vormen. Dit noem ik het aristocratische model. In dit scenario wordt de bourgeois teruggestuurd naar het domein waar hij hoort: de economie. De economie wordt teruggestuurd naar haar rechtmatige plaats, onder de beteugeling van de politiek. De bourgeois zal niet meer over de bourgeois regeren. Dat recht heeft hij immers verspeeld. Alleen in dit scenario kunnen we hopen op een uitkomst waarin traditie weer over commercie regeert en wij allen over onze vijanden.

Posted on

Gouden kalveren en zondebokken

Al sinds mensenheugenis dienen dieren, in de vorm van zondebokken of gouden kalveren, als vorm voor menselijke bezwering of verering. Met het offeren of wegzenden van dieren hoopten mensen hun schulden met God te vereffenen. En met het vereren van dieren waarvan ze leefden vergoddelijkten ze hun eigen realiteit van natuur en vruchtbaarheid.

De moderne mens heeft die twee zaken op een bijzondere manier verenigd in fenomenen als ‘scharrelvlees’. Mensen kopen mijns inziens geen scharrelkip omdat ze zich zo inleven in de kip, maar omdat ze in die plofkip hun eigen bestaan herkennen. Weinig tijd en ruimte om natuurlijk gedrag te vertonen en haastig door opvang-, leer-, werk-. en sterfbatterijen gejaagd om profijt op te leveren. Door het kopen van scharrelkip proberen ze die werkelijkheid te bezweren. Ze eten de illusie van vrijheid, natuurlijkheid en geluk om hun eigen gevoel onvrijheid en ongeluk te verminderen.

Behalve het instandhouden van een illusie van invloed of controle over de natuurlijke omgeving, heeft de groene bio-cultus ook de functie van een bijna eucharistische verering van het progressieve wereldbeeld waarin we richting een paradijselijk samenleving gaan waarin mens en dier vrij, blij en gelukkig zijn. Voelt u die voorsmaak ook al bij uw bio-kippetje en fair trade wijntje?

Een omgekeerde variant van dat fenomeen zie je bij een bedrijf als Monsanto. Dat bedrijf verkoopt uniforme, productieve, genetisch gemodificeerde groenterassen die resistent gemaakt zijn tegen hun eigen onkruidverdelger Round-up. Op de een of andere manier herinnert dit bedrijf ons aan een diepe realiteit van ons eigen bestaan. In essentie worden we allemaal steeds meer en dieper gemodificeerd tot uniforme productie-units die middels opvoeding en onderwijs resistent worden gemaakt tegen pesticide van de politiek correcte progressiviteit. Die politieke correctheid is bedoeld om daarna alle afwijkende vormen van menselijk leven en denken te vernietigen. De reden waarom een dergelijk bedrijf zo gehaat wordt is wellicht ook omdat het ons eigen bestaan zo aanschouwelijk voor ogen stelt.

Posted on

De islam als gesel van het decadente Westen

Frankrijk, 2022. In verrassend verlopen presidentsverkiezingen weet de partij van de Moslimbroederschap de meerderheid te halen. De politiek, de maatschappij en de diplomatie van Frankrijk staan op hun kop. Dat is, in het kort, het scenario in de laatste roman van Michel Houellebecq, ‘Onderworpen’ (Soumission).

Houellebecq is ongetwijfeld de beste romanschrijver van dit moment in Europa. Al zijn romans bevatten, zij het verborgen, scherpe maatschappijkritiek. De hoofdpersonen zijn eenzame, geïsoleerde mannen, die anoniem hun leven leiden in een volstrekt onpersoonlijke samenleving. Vluchtige, vooral lichamelijke contacten, internet en magnetronmaaltijden houden hen in leven. Zo is het ook in deze laatste roman, die de (toekomstige) politieke actualiteit volgt.

Om het Front National van de overwinning te houden, sluiten de socialisten, samen met centrumrechts, een alliantie met de leider van de Moslimbroeders. De moslimpartij mag de president leveren en de linkse en centrumpartijen krijgen een aantal departementen. In de aanloop naar de verkiezingen vinden er voortdurend rellen plaats en de tweede ronde wordt zelfs geannuleerd omdat stembureaus zijn overvallen door mysterieuze activisten. François, de hoofdpersoon van het boek, docent aan een vooraanstaande Parijse universiteit en geroemd kenner van Joris-Karl Huysmans, volgt dit allemaal wat op afstand. Hij houdt wel van de politieke debatten op televisie, maar verder leidt hij zijn wat eenzame leven (een typisch Houellebecq-personage). Via Alain Tanneur, de man van een vrouwelijke collega van hem, krijgt hij een kijkje achter de schermen van wat er werkelijk plaatsvindt in het Frankrijk van het derde decennium van de 21ste eeuw. Tanneur heeft een hoge functie bij de Franse geheime dienst en volgt extremistische bewegingen (waaronder de Identitairen en islamitische extremisten). Hij waarschuwt François voor wat Frankrijk staat te wachten en adviseert hem de hoofdstad te verlaten. François komt uiteindelijk in het Franse stadje Rocamadour terecht, beroemd vanwege de kapel met de Zwarte Madonna. Het ligt in het gebied waar Karel Martel strijd voerde met de moslimlegers die vanuit het Iberisch schiereiland naar het noorden optrokken. Hij ontmoet daar Tanneur weer, die op non-actief is gesteld omdat hij in een rapport had gewaarschuwd voor allerlei ongeregeldheden in het land tijdens de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De overheid heeft het rapport genegeerd, legt hij uit, en heeft zelfs de rellen toegelaten.

Dat François in Rocamadour terechtkomt is geen toeval. Zijn leven spiegelt dat van J.-K. Huysmans, de auteur waarover hij een omvangrijk proefschrift heeft geschreven. Huysmans sloot zich, na zijn door Zola beïnvloedde naturalistische periode, aan bij de decadente stroming, maar bekeerde zich vervolgens tot het katholieke geloof. Net als Huysmans bezoekt François prostitueés. In de kapel waar de Zwarte Madonna staat ondergaat hij een mystieke ervaring, maar in tegenstelling tot zijn grote voorbeeld – die zich als oblaat verbonden had aan de Abdij van Ligugé – bekeert hij zich tot de islam. Als docent aan een universiteit is hij dat bijna verplicht, wil hij zijn onderwijsbetrekking behouden. De moslimpartij heeft namelijk het hele onderwijs hervormt. De buitenlandse politiek richt zich met name op de moslimlanden; onderhandelingen met Turkije, Marokko en Tunesië voor toetreding tot de EU zijn geopend. Het straatbeeld in de Franse steden is veranderd: geen minirokken en schaarse kleding meer. Vrouwen worden langzamerhand uit het arbeidsproces geweerd.

De vraag is in hoeverre Houellebecq een ironische roman heeft geschreven. Het bevat geen anti-islam boodschap, integendeel. Eerder bevat het een aanklacht tegen de anonieme antireligieuze maatschappij. Alain Tanneur neemt het in een van de gesprekken zelfs op voor de nieuwe regering: “Voor Frankrijk ben ik er absoluut van overtuigd – ik durf erom te wedden – dat de christelijke eredienst niet alleen op geen enkele manier zal worden belemmerd, maar dat de subsidies voor katholieke verenigingen en voor het onderhoud van kerkgebouwen zelfs zullen worden verhoogd – dat kunnen ze zich veroorloven, de subsidies van de oliestaten voor moskeeën zullen nog altijd veel hoger zijn. En vooral, de ware vijand van de moslims, die ze erger vrezen en haten dan wat dan ook, dat is niet het katholicisme: het is het secularisme, de laïciteit, het atheïstisch materialisme.”

onderworpenIn deze zin past ‘Onderworpen’ in de romanreeks die Houellebecq nu sinds de jaren negentig van de vorige eeuw publiceert. Hij spreekt zich met regelmaat uit tegen de consumptiemaatschappij en bekritiseert veel van de zogeheten westerse verworvenheden. De recensent van De Groene Amsterdammer bespeurt een dubbele bodem, en ziet in de “vileine ironie” een felle aanklacht tegen de islam. Zolang je de satire en ironie maar begrijpt. Het Westen laat zich, als een mak schaap, de “verworvenheden van de Verlichting en het feminisme” ontnemen en gaat geruisloos over naar een samenleving waarin de sharia heerst. Maar is dat islam-kritiek? Overtuigender is de diagnose die Houellebecq stelt van de westerse beschaving. Deze is niet langer ziek, zij is terminaal (om de Groene-recensent te citeren). Houellebecq laat de geestelijke leegte van de verweesde en verweekte westerse beschaving zien. Juist omdat onze anonieme en hyper-individuele maatschappij geen identiteit – behalve die van het consumentisme – heeft en religie tot ver achter de voordeuren heeft verbannen, schokken en scheuren de fundamenten van het westen. De islam is in deze roman eerder de stok waarmee de auteur de verwende, brave en tandeloze lezers geselt. De links-liberale intellectuelen en hun media hebben het hier moeilijk mee. Waren we eindelijk verlost van dat ‘achterlijke christendom’ (en dan specifiek de katholieke variant), komt via de achterdeur de islam binnen. Maar in plaats van in te gaan op de holle frasen als ‘onze manier van leven’, is het makkelijker om de auteur weg te zetten als ‘islam-criticus’; als linkse lezer besteedt je immers geen aandacht aan Le Pen of Wilders-adepten.

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.

Posted on Leave a comment

Tsjetsjeense boemerang keert terug naar Amerika

Gedurende zijn tijd in het Kazachstan van de vroege jaren ’50 was de verbannen Russische intellectueel Alexander Solzjenitsyn (zie deel 3 van De Goelagarchipel)  in staat het gedrag te observeren van diverse nationaliteiten uit de Sovjet-Unie die door Stalin tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Centraal-Azië gedeporteerd waren. Van Esten en Wolga-Duitsers tot Kalmukken, Koreanen en Krimtataren waren ze onvergelijkbaar met de trotse en weerspannige Tsjetsjenen:

Er was echter één natie die maar niet zwichtte, die niet de mentale gewoontes van onderwerping aannam – en dan spreek ik niet slechts van individuele rebellen onder hen, maar van de hele natie tot op de man. Dat waren de Tsjetsjenen…

En wat het opmerkelijke was – iedereen was bang voor hen. Niemand kon hen er van weerhouden te leven zoals ze gewoon waren.  Het bewind dat het land al dertig jaar regeerde kon ze niet dwingen haar wetten te respecteren.

De Tsjetsjenen bewandelen de Kazachse bodem met brutaliteit in hun ogen, mensen opzij dringend – en de ‘heren van het land’, en niet-heren net zo, springen eerbiedig aan de kant. De wet van de vendetta schept een krachtveld van vrees – en geeft zo kracht aan haar kleine bergvolk.

Gewone Amerikanen beleefden hun eerste kennismaking met Tsjetsjenen op een afschuwwekkende wijze op 15 april jongstleden, toen de broers Tamerlan en Dzjochar Tsarnaev naar verluidt een bomaanslag pleegden op de marathon van Boston, waarbij drie mensen om het leven kwamen en vele anderen verminkt werden. De jacht op de Tsarnaevs bracht de stad vervolgens in een de facto staat van beleg en hield de natie aan de buis gekluisterd terwijl media-commentatoren gisten naar hun motieven. De postmoderne consument kan en wil niets begrijpen van historische en culturele context, die zich niettemin ook in een straatwijsheid laat uitdrukken: rotzooien met Tsjetsjenen doe je op eigen risico. [i]

Waar de Tsjechische ambassadeur in Washington geografisch gehandicapte Amerikanen suste dat zijn land niet Tsjetsjenië is, hebben de Russen eeuwen van bloedige en bittere ervaring opgedaan met de bergbewoners. Het leven in de Kaukasus is, zoals Michail Lermontov het zo kunstig over wist te brengen, zowel van een grote schoonheid als een grote wreedheid en de mensen die er wonen zijn bezeten van een zekere wilde galanterie.[ii] Voor zijn vrienden spreidt de Kaukasische hooglander grootmoedigheid en strijdvaardigheid ten toon; tegen zijn vijanden wordt hij gedreven door een lust op wraak. Het Tsjetsjeense volk heeft veel geleden onder deportaties, verdrijving en oorlog, maar hun krijgers zouden ook veel lijden toevoegen aan Russische theaterbezoekers[iii], schoolkinderen, ziekenhuispatiënten en moeders van dienstplichtigen.

De verstandigheid van specifiek Russisch beleid buiten beschouwing gelaten, is zulk bloedvergieten de verschrikkelijke prijs gebleken voor het voorkomen van het uiteenvallen van het land in chaos. Vanwege het strategische belang van de regio, heeft Moskou van generatie op generatie geworsteld met de onbenijdbare taak de anarchische stammen van de Noord-Kaukasus te pacificeren.

Tsjetsjenen voor het presidentieel paleis in Grozny zwaaien met hun vlag nadat de de Russen zijn verslagen. In 1994 viel het Russische leger de republiek binnen om de opstand te onderdrukken. na 20 maanden vechten en zo'n 100.000 slachtoffers, waaronder veel burgers, moest het Russische leger vooreerst de aftocht blazen.
Tsjetsjenen voor het presidentieel paleis in Grozny zwaaien met hun vlag nadat de de Russen zijn verslagen. In 1994 viel het Russische leger de republiek binnen om de opstand te onderdrukken. na 20 maanden vechten en zo’n 100.000 slachtoffers, waaronder veel burgers, moest het Russische leger vooreerst de aftocht blazen.

En hoewel de Avaren van Dagestan zich voor kunnen laten staan op de ondernemingen van Imam Shamil, zijn het de ontzagwekkende Tsjetsjenen die het meest consequent en zonder nalaten verzet hebben geboden aan het Russische gezag. In de recentste conflicten konden bendes geharde vechtjassen die door de bergen zwierven slechts overtroefd worden door elite luchtmobiele en speciale eenheden van het Russische leger en zouden jonge mannen zoals Zhenya Rodionov  door wrede bevelhebbers van de rebellen tot martelaar gemaakt worden.

Met de ervaring van twee decennia van oorlog en het bestrijden van opstanden in de Noord-Kaukasus tot haar beschikking, streeft het Kremlin naar ‘stabiliteit’ in de Tsjetsjeense Republiek, waarbij ze doordrongen is van de grenzen van dat idee. Miljarden kunnen naar een hoe dan ook corrupte regering in Grozny vloeien en allerhande misbruik en onrechtmatige zaken door de vingers gezien worden, zolang Ramzan Kadyrov de energieinfrastructuur veilig stelt, terreurcellen onderdrukt en de teips (clans) in het gelid weet te houden. Wat ook de dromen van Westerse denktank-ideologen mogen zijn, het onafhankelijke Tsjetsjenië van midden jaren ’90 was een wervelwind van criminaliteit en geweld, niet slechts vanwege de oorlog met het centrale gezag in Moskou, maar ook vanwege de neigingen van de Tsjetsjeense cultuur zelf. Een cultuur van banditisme en vetes werken, zoals Solzjenitsyn al opmerkte, een systematisch opstandige en onstabiele samenleving in de hand.

Het is precies deze instabiliteit in de regio die het Amerikaanse buitenlandbeleid sinds de val van de Sovjet-Unie heeft geprobeerd uit te buiten. Ten tijde van het presidentschap van de afgeleefde en dikwijls dronken Boris Jeltsin initieerden de Verenigde Staten diverse semi-officiële projecten om de Noord-Kaukasus aan de greep van het Kremlin te ontfutselen. Rusland had haar zaken niet op orde en strategische planners in Washington aasden op de perfecte kans eens en voor altijd af te rekenen met hun grootste geopolitieke tegenstrever. Moskou kon uiteraard niet direct geconfronteerd worden, aangezien er zogezegd een nieuw tijdperk in de relatie was aangebroken na het einde van de Koude Oorlog. Specialisten binnen de veiligheidsdiensten zouden dan ook eerder doorgaan met wat ze al deden, geheime oorlogvoering en psychologische operaties.

Net als de Afghaanse mujahedin, werden Tsjetsjeense rebellen uitverkoren door niemand anders dan de voormalige veiligheidsadviseur Zbigniew Brzezinski als voorhoede in het streven naar het ondermijnen van de Russische macht.[iv] Naast liberale internationalisten, werden neoconservatieven zoals architect van de Irakoorlog Richard Perle met graagte kampioenen van de ‘vrijheidsstrijders’ in het mediale debat. Niet-gouvernementele organisaties zoals de Jamestown Foundation, de National Endowment for Democracy en het American Committee for Peace in the Caucasus roepen reeds langer op tot een ‘politieke oplossing’ van territoriale en etnische conflicten in de Russische Federatie, d.w.z. het tenietdoen van de Russische soevereiniteit. De belangrijkste doelstellingen van het Amerikaanse beleid ten aanzien van de Noord-Kaukasus kan als volgt samengevat worden:

  • Het vestigen van nieuwe staten, van Kosovo-achtige NAVO-protectoraten tot een islamitisch emiraat van de Zwarte tot de Kaspische Zee.
  • Controle verkrijgen over de stroom van energiegrondstoffen van de Kaspische Zee (vandaar de voortdurende Amerikaanse bezetting van Afghanistan en de omsingeling van Iran).
  • De Russen de toegang tot de Zwarte en Middellandse Zee ontzeggen door toereikende instabiliteit in de Noord-Kaukasus en Zuid-Rusland te creëren, in combinatie met het diplomatiek bespelen van Oekraïne.
  • Het verzwakken en fragmenteren van de Russische staat zodat de Verenigde Staten het Euraziatische hartland kunnen domineren met haar omvangrijke rijkdom aan energiebronnen, alsmede haar transitnetwerken voor wapens, narcotica en migranten.

De CIA en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken spelen een cruciale rol in het scheppen van kansen voor machtsprojectie in Eurazië, zowel door middel van geheime acties als door middel van publieke diplomatie. Met dit doel voor ogen, hebben Amerikaanse inlichtingendiensten behendig militante islamitische groepen tegen Russische belangen ingezet, waarbij ze operaties en financiering lieten verlopen via bondgenoten zoals de Saoedi’s, de Jordaniërs, de Turken en de Pakistanen. We kunnen niet alleen voorbeelden van dit fenomeen opnoemen, zoals de met Stingers bewapende mujahedin uit de jaren ’80 en een web van NGO’s dat de Tsjetsjeense zaak ondersteunde, maar ook het Kosovo Bevrijdingsleger, het omverwerpen van Muammar Gadaffi in 2011 en de huidige door de NAVO ondersteunde opstand tegen de Syrische regering van Bashar al-Assad. Al drie jaar nu, handelt deze jihadistische internationale in concert met Amerikaanse geopolitieke doelen en de Tsjetsjenen hebben daarbinnen legendarische status verworven.

Ondanks pogingen van de regering Obama en de officiële media om de gebroeders Tsarnaev te labelen als misnoegde, ‘zelf-radicaliserende’ jihadisten, komen de 26 jaar oude Tamerlan en de 19-jarige Dzjochar, die er ogenschijnlijk ‘gewoon bij was’, eerder over als uitvoerders dan operationele planners. Als we terugkeren naar de plaats van de aanslag merken we andere figuren op buiten de jonge Tsjetsjenen, waarvoor geen verantwoording is afgelegd. Een Saoedische student die bij de ontploffing gewond raakte werd onderzocht en niet voor medeplichtig gehouden, er zijn echter vragen gerezen over zijn achtergrond en zijn verblijfsstatus in de VS. En wie waren eigenlijk de talrijke private beveiligers die er uit zagen als voormalige speciale eenheidsleden, en met welk doel waren zij bij de marathon? En wie was de agent in burger, die vaag te zien is op de vrijgegeven beveiligingsbeelden en in zijn oortje praat vlak nadat Tamerlan en Dzjochar hem gepasseerd hebben, terwijl ze, naar we aannemen, op weg waren naar de bomaanslag?

De zaken worden nog vreemder als we in ogenschouw nemen wat er bekend is over de banden van de Tsarnaevs met de onderwereld van spionage en terrorisme. Tamerlan was recent twee maal afgereisd naar de republieken Dagestan en Tsjetsjenië voor een verblijf van zes maanden, wat de vraag opwerpt in welke mate hij betrokken was bij de locale salafistische jamaats. De mate waarin de broers banden onderhielden met terroristen blijft enigszins troebel, maar het is in ieder geval reeds duidelijk dat Amerikaanse inlichtingendiensten precies op de hoogte waren van wie zij waren.[v]

Het is inmiddels ook vast komen te staan dat Tamerlans dossier van contact met de FBI tenminste twee jaar terug gaat en getekend wordt door een verzoek tot onderzoek van de Russische geheime dienst FSB in 2011.  Uitgelekte documenten van de Georgische inlichtingendienst zouden er op wijzen dat Tamerlan zich inschreef als deelnemer aan een, door de Jamestown Foundation gefinancierde, workshop van de Caucasus Foundation. Ruslan ‘Tsarni’, de oom van de gebroeders Tsarnaev, tenslotte, is een aan Duke opgeleide olie-advocaat, die in de jaren ’90 getrouwd was met een dochter van Graham Fuller, een voormalig CIA-officier in het Midden-Oosten.[vi] Het echtpaar woonde in Bishkek, Kyrgizië, toen Samantha Fuller in dienst was bij Price Waterhouse Cooper en Tsarni bij USAID. Ruslan registreerde ook het Congress of Chechen International Organizations vanuit het huis van zijn toenmalige schoonvader in Maryland. Doorlopen mensen, er is hier niets te zien!

Wanneer we de slachtoffers van de aanslag in Boston gedenken, laten we dan ook bedenken dat vandaag de dag christenen, alawieten en druzen in Syrië vervolgd en vermoord worden door een door de CIA gesteunde jihadistische internationale, de vrijheidsstrijders die Tamerlan en Dzjochar Tsarnaev zo verafgoodden. Onze beleidselites exporteren chaos en terreur naar het buitenland en nodigen het vervolgens weer terug in vast vertrouwen dat de geneugten van reality televisie, rapmuziek en kijksport zelfs de meest onverzoenlijke en onderling vijandige volken kunnen verenigen. Vanuit hun cultuur, waarin de wolf vereerd wordt, verscheuren Tsjetsjenen dergelijke doorzichtige waanideeën. Het pluralistische experiment om de mensheid te verenigen in ‘the pursuit of happiness’ heeft gefaald, en daarmee de Pax Americana.

Mark Hackard studeerde Russisch aan de universiteiten van Georgetown en Stanford

__________

[i] De Georgische president Micheil Saakasjvili heeft, naar het schijnt, ook met de Tsjetsjenen gerotzooid. Hij liet naar verluidt een compagnie Tsjetsjeens rebellen trainen voor gevechtsactie in de Noord-Kaukasus in 2012, maar dat pakte verkeerd uit. Tijdens de oorlog met Rusland in 2008 was het gerucht van de aanwezigheid van een Tsjetsjeens bataljon in een bepaald gebied genoeg om Georgische militairen op de vlucht te doen slaan.

[ii] Lermontov:

И дики тех ущелий племена,

Им бог — свобода, их закон — война,

Они растут среди разбоев тайных,

Жестоких дел и дел необычайных;

Там в колыбели песни матерей

Пугают русским именем детей;

Там поразить врага не преступленье;

Верна там дружба, но вернее мщенье;

Там за добро — добро, и кровь — за кровь,

И ненависть безмерна, как любовь.

And wild are the tribes of those gorges,

Their god freedom, their law war,

They grow up among secret banditry,

Affairs cruel and unusual,

There in the crib the mothers’ songs

Frighten the children with the Russian name;

There to strike down the enemy is no crime;

Faithful is friendship, but even more so vengeance;

There good for good and blood for blood,

And hate is measureless, just as love.

[iii] Het geval wil dat ik in Moskou was tijdens de bezetting van het Nord Ost theater in oktober 2002. De algemene stemming onder de Russen was er een van grimmig vooruitzicht; een voormalig luchtmobiel officier die gediend had in Tsjetsjenië zei me dat er geen schone oplossing voor de crisis was. Ik herinner me ook scherp dat door een nieuwslezer van CNN International naar de 40 goed uitgeruste, tot zelfmoord bereid zijnde Tsjetsjenen, die 900 burgers gegijzeld hielden en het complex hadden voorzien van bommen, werd verwezen als ‘activisten’.

[iv] De wortels van Osama bin Ladens Al Qaida liggen in een  geheim actieprogramma van de VS om de Sovjets uit Afghanistan te verdrijven. Zie bijvoorbeeld dit eerlijke interview met Brzezinski.

[v] De meeste terroristische samenzweringen waarvan de FBI stelt dat het die voorkomen heeft waren eigenlijk geïnspireerd en tot aan de uitvoeringsfase gebracht door vertrouwelijke informanten en geheime agenten.

[vi] Graham Fuller is door FBI klokkenluider Sibel Edmonds ook geïdentificeerd als een belangrijke speler in Amerikaanse steun voor anti-Russische islamitische politieke bewegingen in Centraal-Azië en de Kaukasus.