Posted on

Multimiljonair Trump begrijpt arbeiders beter dan links

Links kan en wil het economisch nationalisme van Trump en de Brexit niet begrijpen, want ze heeft geen enkele binding meer met arbeiders die hun werk en leefomgeving bedreigd zien door migranten en kosmopolieten.

De Duitse journalist Hans Magnus Enzensberger muntte in de vorige eeuw de treffende beeldspraak van de samenleving als een treincoupé. In de tijd dat treinen nog afzonderlijke coupes kenden, was dit een herkenbaar beeld: je zit met z’n tweeën in de trein en na een stop meldt zich een nieuwe reiziger in de coupé. Er ontstaat onrust en wrevel. De derde persoon neemt plaats, maar van beide kanten is er onmin. Dat blijft totdat een nieuwe reiziger ook plaats wil nemen in de coupé. Zodra deze aanstalten maakt om te gaan zitten, vormen de twee oorspronkelijke reizigers samen met nieuwkomer nummer drie een onzichtbaar verbond tegen nummer vier, de nieuwste reiziger. Enzensberger wilde met dit beeld duidelijk maken hoe migratie werkt in de samenleving. Vraag eerste of tweede generatie gastarbeiders wat ze vinden van nieuwe landgenoten en het antwoord zal, overal ter wereld, luiden: “Er moeten niet teveel komen, want ze verpesten het voor ons.”

Succesvolle migranten

In de geschiedenis van migratie naar westerse landen is dat een constante. Paul Scheffer in de discussie naar aanleiding van zijn spraakmakend essay ‘Het multiculturele drama’: “De vraag blijft in welke mate de succesvolle migranten zichzelf nog willen zien als zaakwaarnemers van hun eigen gemeenschap. Mijn indruk is dat velen in deze nieuwe middenklasse zich los hebben gemaakt van de problemen in hun gemeenschap.” De constante dat succesvolle migranten zich voegen bij de al bestaande middenklasse en tot grote verwondering van linkse journalisten en wetenschappers gaan stemmen op rechtse partijen die kritisch zijn over migratie en de multiculturele samenleving.

In de Verenigde Staten stemt zo’n 30 procent van de Latino’s op Trump, ondanks het beleid dat illegale immigratie wil stoppen. Zoals bijvoorbeeld Sylvia Menchaca Abril, eigenaar van een Mexicaans restaurant in Phoenix (AZ), die over Trump in een BBC-reportage zegt: “Ik ken hem en ik geloof dat hij begrijpt dat we met z’n allen er aan werken om Amerika weer groot te maken. Ik denk niet dat hij tegen Latino’s is, maar hij is tegen de problemen die over de grens binnen komen.”

Klootjesvolk

Ooit stond links voor de verheffing en emancipatie van de arbeidersklasse. Maar in de jaren zestig van de vorige eeuw kon die arbeider voor het eerst een eigen huis kopen en wilde hij niet meer dan met de caravan op vakantie en kijken naar TROS-programma’s. Halverwege de jaren zestig bestempelden de Provo’s de arbeiders daarom al denigrerend als ‘klootjesvolk’. Niets ergers dan burgerlijke idealen.

De arbeiderspartij bij uitstek, de Partij van de Arbeid, werd overgenomen door identitaire belangengroepen: feministes, homoseksuelen en allochtonen. Ze kwam niet meer op voor de arbeider, maar verkocht haar ziel aan politieke en maatschappelijke minderheden. De berendans van André van der Louw op het vernieuwingscongres van de PvdA in 1969, was een dans op het graf van de klassieke arbeidersbeweging. Daarna was het einde verhaal voor de sociaaldemocratie. De arbeiders werden uit hun stadswijken naar Lelystad en Purmerend verdreven. Hun plaatsen werden ingenomen door of yuppies (Jordaan) of allochtonen (Schilderswijk). De partij deed nog een paar zielige pogingen om de arbeidersstem terug te winnen – Joop den Uyl in de ‘André van Duin Show’ (1981). Maar met Jan Schaefer stierf in 1994 – symbolisch het eerste jaar van het Paarse kabinet Kok – de laatste arbeider in de PvdA.

Eerste kabinet Kok

Het eerste kabinet Kok, de vakbondsman die ooit op de schouders van scheepwerfarbeiders in Schiedam werd rondgedragen, was niet het begin van het einde van de sociaaldemocratie, maar eerder het sluitstuk. Het verloochenen van de socialistische principes en het op zolder opbergen van het ‘roode vaandel’ was al enkele decennia eerder begonnen, toen links zich overleverde aan protest- en identiteitspolitiek. Zelfs de communisten moesten er aan geloven; de gestaalde kaders werden verdreven door getuinbroekte feministes en biodynamische milieufreaks. Legendarisch is de boosheid van een lokale communist, ergens in de Groningse ommelanden: “Ze hebben de strokarton-industrie uitgekleed en nu maaien ze niet eens meer de bermen langs de weg. Allemaal voor het milieu, zeggen ze, maar het is toch levensgevaarlijk voor het verkeer!”

Het neoliberalisme begon niet met Paars I, maar had in de jaren zestig de linkse protestbeweging al overgenomen. De commercie rook geld en nieuwe, vooral jonge consumenten, en speelde behendig in op de toegenomen welvaart, de nieuwe popmuziek en de vernieuwende mode.

De arbeider

De arbeider was ondertussen al lang uitgeweken naar andere partijen (DS70, met de zoon van de sociaaldemocratische godfather Willem Drees, Centrumpartij/Centrumdemocraten en PVV). Alleen de SP vormt een uitzondering op deze regel, maar het is niets voor niets dat de socialisten door nieuwlinks en de identiteitspolitici zo onder vuur liggen. Want de arbeider heeft geen boodschap aan open grenzen, rekeningrijden en klimaatheffingen.

Links kan en wil het economisch nationalisme van Trump en de Brexit niet begrijpen, want ze heeft geen enkele binding meer met arbeiders die hun werk en leefomgeving bedreigd zien door migranten en kosmopolieten. “De enige manier om de migranten uit Oaxaca te veranderen in middenklasse-stemmers, vergelijkbaar met conservatieve Cubaanse migranten, is het sluiten van de grenzen en het toelaten van diverse en legale immigranten op basis van bekwaamheid”, schrijft Victor Davis Hanson in zijn boek ‘The Case for Trump’.

Democratische revolte

“Dit ging helemaal niet over de Europese Unie of over buitenlanders, zij zijn slechts de totem van waar mensen zich tegen verzetten: verandering”, zegt Sir John Hayes in een beschouwing in De Groene Amsterdammer over de Brexit. “Wij van de leave-kant hebben begrepen waar het referendum echt over ging. Dit is een spirituele beweging, een van emotie en gemeenschap – daar is niets irrationeels aan.” De Britse politicoloog Matthew Goodwin zegt in datzelfde artikel: “We moeten deze opstand niet zien als de omverwerping van liberaal-democratie, maar een correctie daarop. In de kern is dit een democratische revolte. Dat bewijzen de cijfers, mensen aan de oostkust zijn niet tegen democratie. Ze willen juist méér gehoord worden. Al keren ze zich wel tegen liberale waarden, dat is niet mooi maar het is te makkelijk om ze dan maar af te schrijven als een stelletje racisten.” In het Engelse Luton zijn blanken in de minderheid. En toch stemde ook daar een meerderheid voor het verlaten van de EU. Het gelijk van Hans Magnus Enzensberger.

Posted on

Zestien jaar na Fortuyn, de demonisering van Baudet

“Meneer Baudet, we zijn pas begonnen,” schreeuwt D66-leider Alexander Pechtold aan het einde van het verkiezingsdebat in Amsterdam vorige week. Pechtold was toen al meerdere malen uitgevallen naar Thierry Baudet, die zich staande moest houden in een spervuur van vileine en leugenachtige beschuldigingen van onder andere Lodewijk – “Wees toch een  kerel” –  Asscher en Jesse – “morele zelfverheffing” –  Klaver. Dezelfde Asscher, die vier jaar op schoot zat bij Mark Rutte en van kruiperigheid niet wist hoe hij iedere dag zijn gezicht moest plooien. Jesse Klaver, die zijn messiasrol niet in vervulling zag gaan en laf op zijn Babboe-bakfiets de formatiebesprekingen verliet.

Op YouTube staat sinds 10 februari een knap gemaakte videocompilatie, waarin beelden van demoniserende politici tegen Fortuyn worden afgewisseld met beelden van demoniserende politici tegen Baudet. De registratie is beangstigend en misselijkmakend.

We zien een vertwijfelde Ad Melkert (PvdA), die Le Pen van stal haalt om Fortuyn in een hoek te zetten. Ad Melkert, de beoogde opvolger van Wim Kok. Ad Melkert, die voor ieder televisie-debat en fotosessie drie vers geperste grapefruits nuttigde en zo aan zijn zure gezichtsuitdrukking kwam. We zien een valse Thom de Graaf (D66), die citeert uit het dagboek van Anne Frank om Fortuyn te besmeuren. Links-extremisten voegden de daad bij het woord en duwden een taart gevuld met onder meer uitwerpselen in het gezicht van de lijsttrekker van Leefbaar Nederland. We zien grootgrondbezitter Marcel van Dam (PvdA), die Fortuyn een “minderwaardig mens” noemt en daarmee de eerste nagel aan de doodskist spijkerde. En we zien een boze en machteloze Pim Fortuyn, die bij de talkshow van Jensen genoemde politici verantwoordelijk houdt voor zijn dood – hoe profetisch.

En zestien jaar later gaan de opvolgers van genoemde zetelplakkers keihard verder met hun lynchpartij. Fortuyn is uitgeschakeld, Wilders schakelt zichzelf uit, dus wordt alle vitriool en demonisering uitgestort over Thierry Baudet en het Forum voor Democratie. En ze weten zich daarbij zoals altijd gesteund door de media. Zestien jaar geleden legde het oudste weekblad van Nederland, twee dagen na de taartaanslag, Pim Fortuyn op de divan. Psychologen bogen zich over de geestelijke gesteldheid van de lijsttrekker. Op 10 februari schrijven Ruben Koops en Marcel Wiegman in het Parool een groot psychologiserend stuk over Thierry Baudet. Aan de hand van schoolherinneringen, verloren vriendschappen en Baudet’s familiegeschiedenis duiden de journalisten de lijsttrekker. De teneur is duidelijk, gezien de kop boven het artikel: ‘De man die de hele wereld zijn voeten ziet kussen’. Het is gemakzuchtige en schofterige journalistiek, die geen enkele informatie biedt en niet zou misstaan op de Privé-pagina van De Telegraaf. We zien hier het mechanisme dat Sid Lukkassen in zijn proefschrift – onder de titel ‘De democratie en haar media’ verschenen bij uitgeverij De Blauwe Tijger – beschrijft: hoe de politiek onder invloed van de media tot een vorm van entertainment is geworden. Onwaarheden en verkeerd geciteerde uitspraken worden in stelling gebracht om de tegenstander onschadelijk te maken. En het grote taboe – racisme (volgens de Franse filosoof Alain Finkelkraut is het antiracisme de ideologie van de 21ste eeuw) – maakt iedere zinvolle discussie onmogelijk. Artikel 1 van de Grondwet is – CPN-leider Marcus Bakker laat groeten – alsnog verheven tot het grote zaligmakende gebod.

Geen beter bewijs hiervoor dan de hysterie van Pechtold, Asscher en Klaver op 9 februari in Amsterdam.

 

 

Posted on

Gebroodroofd en geïsoleerd, ondanks hun rol in het verzet

De CPN stond tijdens de Koude Oorlog (1945-1989) onvoorwaardelijk aan de kant van de Sovjet-Unie, althans dat is het beeld dat in de geschiedschrijving overheerst. Jos van Dijk wil met zijn boek Ondanks hun dappere rol in het verzet naar eigen zeggen meer nuance en meer respect voor de communisten. Daar slaagt zijn boek ten dele in.

Van Dijk verzet zich tegen het beeld dat de CPN-ers slechts de waterdragers van Moskou waren. Hij doet dat aan de hand van de rol van de CPN tijdens de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse geschiedenis. Hij wijst er op dat de populariteit van de communisten tot ongekende hoogten steeg tijdens de Duitse bezetting door hun rol in het verzet en dat de communisten vlak na de oorlog hoopten op een plaats in de regering vanwege hun vaderlandslievende houding. Hij wijst er verder op dat de CPN vanaf de jaren ’60 steeds kritischer tegenover de Sovjet-Unie kwam te staan, zoals in 1968 toen de onderdrukking van de Praagse Lente door het Rode Leger niet werd gesteund.

De communisten kwamen na 1945 echter van een koude kermis thuis – de Koude Oorlog legde een zware hypotheek op de binnenlandse politieke verhoudingen. Van Dijk betoogt dat er ook vanuit de gevestigde orde in het binnenland vanuit de gevestigde politieke orde veel verzet was tegen het idee om de communisten te beschouwen als een volwaardige democratische partij. Het boek levert om die reden alleen al voor de buitenstaander een schat aan informatie  op over de bedenkelijke methoden die partijen en veiligheidsdiensten meenden te moeten aanwenden tegen de communisten. Zo was er bijvoorbeeld de wetsaanpassing die louter bedoeld was om communistische wethouders uit hun ambt te kunnen zetten.

Verder gaat Van Dijk uitgebreid in op de vileine methoden die werden toegepast om communisten ook maatschappelijk te isoleren en te broodroven. Het dieptepunt was in juni 1956, toen het communistische hoofdkwartier in Amsterdam werd belaagd door een woedende menigte naar aanleiding van het neerslaan van de Hongaarse opstand in Boedapest door het Rode Leger. Toen werden ook bij communisten thuis de ramen ingegooid, niet zelden onder het toeziend oog én zelfs  medewerking van de politie. Zo richtte de politie in Utrecht de schijnwerper op het appartement van een communistisch raadslid, zodat de opgeschoten menigte wist op welk raam ze moesten mikken…

Een ander goed voorbeeld van brutale intimidatie was het inzetten van pantserwagens voor de ingang van het kerkhof om de herdenking van de communistische verzetsstrijdster Hannie Schaft in de kiem te smoren. Van Dijk bouwt zijn zaak voor meer respect voor de CPN vooral op rond de rol van de partij in het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het punt is dat ook bij de communisten hierdoor alle nuance zoek begon te raken omdat alles door deze lens werd gezien: iedereen die rechts was, was een fascist (of een proto-fascist). Van Dijk ontsnapt zelf ook niet aan dit hokjes-denken wanneer hij een Oostenrijkse en een Duitse muzikant verwijt dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog als soldaat in het Duitse leger hebben gediend (pagina 122-123). Het is lastig een zaak te maken voor nuance als je die zelf niet toepast.

Een ander punt van kritiek op het boek is de rol van de CPN in de naoorlogse arbeidersbeweging. Van Dijk stelt dat het stakingsmiddel door het werk van de CPN behouden bleef voor de werkende klasse en spreekt stelselmatig van het sociaaldemocratische verraad aan de linkse zaak, in het bijzonder bij de coalitievorming met de ‘rechtse’ Katholieken. Hij ‘vergeet’ hierdoor gemakshalve dat de sociaaldemocratie samen met de Katholieken in de jaren ‘50 de verzorgingsstaat hebben opgetuigd. Drees werd hiervoor over de partijgrenzen heen gerespecteerd door de naoorlogse generatie. De tragiek van de naoorlogse communisten is juist dat hun invloed vrijwel nihil was door hun beperkte omvang en bijna volkomen isolement.

9200000060402873Persoonlijk kon ik dit boek niet anders lezen dan door de lens van het boek van Joost Niemöller over de meer recente geschiedenis van Hans Janmaat en zijn centrumdemocraten. Hierin wordt tot in detail omschreven hoe een rechts-radicale stroming in een soortgelijk maatschappelijk isolement kwam en werd tegengewerkt door de inlichtingendiensten. Van Dijk spreekt er met geen woord over, ook niet in zijn drie zinnige lessen voor de democratie in het nawoord. Integendeel, hij spreekt vermanend over de PVV, terwijl juist de aanhangers van deze partij heden ten dage te maken hebben met maatschappelijke uitsluiting op basis van politieke denkbeelden. Hij heeft zeker een interessant boek geschreven, maar door het onvermogen van de schrijver om uit zijn eigen uitgesproken linkse hokjes-denken te breken heeft het boek niet de reikwijdte die het had kunnen hebben met een meer objectieve en analytische benadering voorbij de links-rechts tegenstelling.

N.a.v. Jos van Dijk, Ondanks hun dappere rol in het verzet… Het isolement van Nederlandse communisten in de Koude Oorlog (Soesterberg, 2016), 248 pagina’s.