Posted on

“Belasting is diefstal”

Het is ieders morele plicht zo weinig mogelijk belasting te betalen, vindt belastingadviseur Toine Manders.  “Er is geen principieel verschil tussen belasting en roof.”

‘De koning van de belastingontwijking’ wordt hij wel genoemd, of ‘belastingridder’ door het zakenblad Quote. Ruim twintig jaar hielp Toine Manders kleine en middelgrote ondernemers in Nederland met het behalen van fiscale voordelen in belastingparadijzen. In 2014 werd hij op Cyprus gearresteerd op verdenking van het leiden van een illegaal trustkantoor. Hij bracht drieënhalve maand door in voorlopige hechtenis. De HJC Group, waaronder het trustkantoor HJC Cyprus en het Haags Juristen College (HJC) in Den Haag, waaraan hij sinds 1994 verbonden was, hield op te bestaan. Na ruim vierenhalf jaar is het wachten nog steeds op een rechtszaak, en dus is er nog geen enkele schuld bewezen.

Met Nozick Consulting in Zoetermeer heeft Manders zijn werk weer opgepakt. Nog steeds helpt hij het midden- en kleinbedrijf met het zoeken naar ‘creatieve oplossingen die forse besparingen opleveren’.

Omdat Manders’ naam genoemd wordt in de Panama Papers werd hij vorig jaar verhoord door de Parlementaire Ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Fragmenten van zijn verhoor gingen viral op sociale media, en dan vooral het fragment waarin hij commissielid Renske Leijten van de SP de les las over de DDR-ideologie die hij bij haar meende te bespeuren.

Manders is meer dan een handige jongen die van belastingontwijking zijn beroep heeft weten te maken. Zijn werk is voor hem als een roeping. Als overtuigd libertariër streeft hij naar een zo klein mogelijke overheid en de afschaffing van alle belastingen. Om dit te bereiken, zet hij zich al sinds de jaren negentig in voor de Libertarische Partij (LP). Hij was voorzitter en politiek leider, en vertegenwoordigt de partij thans internationaal. Als vice-voorzitter geeft hij leiding aan de internationale koepel van libertarische partijen, the International Alliance of Libertarian Parties.

Een gesprek over onder meer postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, liberalen van de VVD die geen echte liberalen zijn, naamgenoot Toine Manders van 50Plus, de grijze draaischijftelefoon van de PTT, het Zwitserse bankgeheim, Amerikaanse robberbarons, de Europese Unie die belastingadviseurs dwingt ‘NSB’er’ te worden, de VS als ‘welfare-warfare-police state’ – en Nederlandse belastingambtenaren ‘zonder humor’en met ‘lange tenen’ die je zonder pardon in ‘een hok’ stoppen als je ze te slim af bent en de spot met ze drijft.

Belasting is diefstal. Hoezo? 

Je spreekt van diefstal als je eigendom je wordt afgenomen. Je spreekt van roof als dat gebeurt onder bedreiging van geweld. Er is geen verschil tussen belasting en roof. Want wat gebeurt er als de staat belasting heft? Dan wordt je eigendom van je afgenomen. Eerst krijg je een brief waarin je bevolen wordt geld af te staan, en als je daar niet op reageert, krijg je brieven die steeds dreigender worden. Als je dan nog steeds niet reageert, komt er iemand langs met het doel om spullen van je af te nemen. Als je die niet binnenlaat, dan komt hij terug met iemand die een pistool draagt of met twee mensen die een pistool dragen. Dan wordt er ingebroken in je huis en worden jouw spullen tegen jouw wil meegenomen. Als je je daar tegen verzet, ben je strafbaar en word je opgesloten in een hok. Als je probeert deze gang van zaken te voorkomen door geen aangifte te doen, dan ben je ook strafbaar, want op het niet doen van aangifte staat vier jaar gevangenisstraf. Dan kom je ook in een hok. Dat is dus hoe de staat aan haar geld komt.

U roept mensen op belasting te ontwijken, niet te ontduiken. Wat is het verschil? 

Belastingontduiking is het besparen van belasting door de wet te overtreden. Belastingontwijking is het besparen van belasting binnen de grenzen van de wet. Je maakt dan dus gebruik van de wettelijke mogelijkheden die er zijn. Denis Healey, voormalig Brits minister van Financiën, heeft gezegd: “Het verschil tussen belastingontduiking en belastingontwijking is de dikte van een gevangenismuur.” Ik heb die slogan vaak gebruikt tijdens mijn seminars. Maar inmiddels mogen we vaststellen dat ook als je wel degelijk binnen de grenzen van de wet blijft het toch kan gebeuren dat je aan de verkeerde kant van de gevangenismuur terecht komt. De staat heeft zich wat dat betreft een slechte verliezer getoond.

Voor u mag het verschil dan duidelijk zijn. Maar kennelijk zien het Openbaar Ministerie (OM) en de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) het anders. 

Dat zou betekenen dat er bij het OM en de FIOD hele eerlijke, nette, goed bedoelende mensen zijn, die oprecht dachten dat wat ik deed in strijd met de wet was. Maar ik denk niet dat dat zo is. Want er was geen bewijs en er is geen bewijs. We zijn na mijn ontvoering in januari 2014 inmiddels ruim vierenhalf jaar verder. Ze hebben tien FIOD-ambtenaren op een vliegtuig naar Cyprus gezet en alles platgelegd, computers, papieren, dossiers meegenomen, een aantal medewerkers als verdachten aangemerkt, zodat mensen bang werden en stopten met werken, en het bedrijf dezelfde dag nog werd gesloten. Ze hebben vierenhalf jaar de tijd gehad alle dossiers door te pluizen. Ze beschikken over alle cliëntengegevens, alle structuren die waren opgezet, verslagen van gesprekken die zijn gevoerd met meer dan tienduizend cliënten en potentiële cliënten. Maar tot de dag van vandaag is er nog steeds geen enkele cliënt en zelfs geen enkele potentiële client veroordeeld of überhaupt vervolgd voor belastingontduiking, witwassen of andere vergrijpen.

Velen zullen zeggen: het heffen van belastingen is volkomen legitiem, want zo hebben we het met elkaar afgesproken. Het is democratisch verankerd. Er is geen meerderheid in Tweede Kamer tegen belastingheffing.

Zo hebben we het met elkaar afgesproken? Dat hebben we helemaal niet zo met elkaar afgesproken. Ik heb die afspraak niet gemaakt. Kunt u zich herinneren die afspraak te hebben gemaakt? Het sociaal contract is een mythe, of beter gezegd, een leugen.

Het argument van de democratie, dat het democratisch is besloten, dat de meeste stemmen gelden, gaat ook niet op. Als je op straat twee rovers tegen het lijf loopt die zeggen: “We houden een verkiezing of je wel of niet beroofd moet worden”, en ze stemmen vervolgens met z’n tweeën voor, en jij stemt tegen, en ze zeggen dan: “Je hebt verloren, want de meeste stemmen gelden en we nemen nu jouw portemonnee af” – dan is het toch nog steeds niet gerechtvaardigd? En of die bende nu bestaat uit twee, tien, honderd of tien miljoen, het maakt voor het principe niets uit. Het principe is: Je mag niet iemands lichaam of eigendom schenden. Ieder mens heeft recht op zijn eigen lichaam en eigendom zolang hij geen inbreuk maakt op iemand anders lichaam of eigendom. De overheid schendt dat principe, op verschillende manieren, onder meer door belastingheffing en de militaire dienstplicht die nog steeds niet is afgeschaft. Ook al staat de meerderheid daar achter, dat maakt niet uit. Of iets democratisch besloten is, zegt helemaal niets over de rechtmatigheid van de daad.

Stel dat we in Nederland nog een stelsel hadden van referenda, en er zou een referendum worden gehouden over het belastingstelsel. Zou de meerderheid dan voor afschaffing stemmen?

Ik denk niet dat de meerderheid zou stemmen voor volledige afschaffing. Maar dat heeft een achtergrond.  De gemiddelde burger merkt weinig van hoge belastingdruk in Nederland. Dat komt doordat vrijwel alle belastingen worden geheven via de ondernemer, die dat maar moet doorberekenen in lagere lonen en hogere prijzen. Loonbelasting, sociale premies, BTW, accijnzen,  invoerrechten, enzovoort.

Ik herinner mij dat ik jaren geleden een artikel las over de tien grootste ergernissen van de gemiddelde Nederlander. Bovenaan stonden de gemeentelijke belastingen. Ik was heel even verbaasd.  Maar toen viel het kwartje. Het is zo’n beetje de enige belasting die niet via de ondernemer wordt geheven, maar rechtstreeks bij de belastingbetaler zelf, waarbij hij jaarlijks een enveloppe aantreft op de deurmat, met daarin een brief waarin niet staat “U krijgt geld terug”, maar waarin staat “U moet geld overmaken”. Blijkbaar maakt dat een enorm psychologisch verschil.

Ik voorspel dat er een belastingopstand zou uitbreken als belastingen die nu via de ondernemer worden geheven van het ene op het andere jaar rechtstreeks werden geheven bij de burger zelf. Mensen zouden razend en ziedend worden. Nederland heeft net als de VS haar bestaan te danken aan een belastingopstand. Nederlanders hebben een tachtigjarige oorlog gevoerd vanwege de tiende penning, die de Spaanse bezetter ons had opgelegd. Dat was een soort BTW van 10 procent.

Dus stel dat alle belastingen direct werden geheven bij de burger en er dan een referendum zou worden gehouden over belastingheffing, dan denk ik niet dat we meteen naar nul zouden gaan, maar wel dat de belastingdruk extreem veel lager zou worden dan deze nu is.  De meeste mensen denken dat belastingheffing een noodzakelijk kwaad is en dat we niet zonder kunnen.

Hoe verklaart u dat mensen denken dat we niet zonder belastingen kunnen?

Dat komt door al die met belastinggeld gesubsidieerde scholen, universiteiten en media. We zijn van generatie op generatie naar staatsscholen gegaan, met leraren die iedere maand een salaris krijgen van de overheid, en ons daarom van jongs af aan hebben geleerd dat we heel blij moeten zijn dat we leven in zo’n prachtig land als Nederland, waar we van de wieg tot aan het graf worden verzorgd, met gratis onderwijs, gezondheidszorg, wegen, enzovoort.  Zoals het spreekwoord zegt: “Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.” 

In dictaturen mogen docenten zich verheugen in de bijzondere belangstelling van de machthebbers. Als je te overheidskritisch bent dan word je in het gunstigste geval ontslagen, en in het slechtste geval beland je in een kamp of onder de grond. Dat heeft een reden: docenten hebben een grote invloed op de publieke opinie, en dat is omdat ze les geven aan jonge mensen. Zolang mensen jong zijn, zijn ze heel plooibaar. Daar gebruiken machthebbers de stok, hier de wortel, en dat werkt veel beter: onze docenten zijn true believers.

Dat er nog geen belastingopstand is uitgebroken, zal er ook mee te maken hebben dat de overheid haar inkomsten aanwendt voor voorzieningen waar iedereen van profiteert, zoals onderwijs, gezondheidszorg en een wegennet. 

De tegenprestatie die de overheid levert, rechtvaardigt nog niet dat ze belasting heft. Het is en het blijft roof. Als we het argument serieus nemen, van “Je krijgt er toch iets voor terug?”, dan zou de melkboer ook ongevraagd melk bij je op de stoep kunnen zetten, en je een gepeperde rekening kunnen sturen, en dan kunnen zeggen: “U moet betalen, want ik heb u melk geleverd.” Een betaling mag je verlangen op basis van een overeenkomst, of als je schade is berokkend. Je kunt niet zeggen: “Ik heb geld nodig, dus u moet mij betalen in ruil voor een tegenprestatie die ik u ongevraagd lever.”

Nederlanders die moeite hebben met de hoge belastingdruk, zou voor de voeten geworpen kunnen  worden: Er is niemand die je verplicht in Nederland te blijven. 

Ja, je mag toch weg? Dat is een drogreden waar de meeste mensen intrappen. Als we dat argument serieus nemen dan zou de maffia op Sicilië ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet protectiegeld te betalen? We dwingen je niet om hier te blijven wonen.” Of dan zouden inbrekers in mijn huis ook kunnen zeggen: “Bevalt het je niet dat we je spulletjes meenemen? Je hoeft hier niet te blijven. Je mag weg.” Het punt is hier echter: die inbrekers zijn niet de rechtmatige eigenaren van mijn huis. Dat ben ikzelf. Dus ik hoef niet weg. Zij moeten weg. Zij hebben niets te zoeken in mijn huis. Idem dito voor de maffia op Sicilië. Zij zijn niet de rechtmatige eigenaren van Sicilië. Dus als zij een winkelier bedreigen voor protectiegeld, hoeft die winkelier niet weg. Die maffiosi moeten weg, want die hebben niets te zoeken in die winkel.

Onze huizen en winkels bevinden zich wel op het grondgebied van de Staat der Nederlanden.

De impliciete aanname van dat argument is dat de staat rechtmatig eigenaar is van alle grond, en dus alle regels mag maken op haar grond die ze maar wil. Maar dat is niet zo. De staat is nooit op een rechtmatige manier aan grond gekomen. De staat is ontstaan door roversbendes die door een gebied trokken. Die vielen een dorp binnen, de mannen werden vermoord, de vrouwen werden verkracht, het dorp werd geplunderd en in brand gestoken, en dan gingen ze door naar het volgende dorp. Totdat ze tot het inzicht kwamen: “Eigenlijk zijn we stom bezig, want als je eenmaal zo’n dorp veroverd hebt, dan kun je het toch beter gewoon bezet houden in plaats van iedereen vermoorden.” En dan dus niet eenmalig plunderen, maar structureel plunderen. Bij iedere oogst een deel van de oogst opeisen, en iedere keer als er iets verdiend wordt afpersen. Zo is het feodalisme ontstaan. De roverhoofdman werd de koning en de koning gaf zichzelf het recht belasting te heffen. Hij delegeerde de belastingheffing aan de adel en de adel stuurde mensen met zwaarden langs bij het gepeupel om belasting te heffen. Zo is de staat ontstaan. Op basis van roof. Wat ik dus tegen inbrekers mag zeggen, “Ik ga niet weg, jullie moeten weg”,  zou ik ook tegen de staat moeten kunnen zeggen.

U stelt dat het niet alleen moreel verwerpelijk is dat mensen gedwongen worden belasting te betalen, maar ook dat belastingheffing schade toebrengt. 

Zo is dat. Veel geld wordt uitgegeven aan dingen die beter überhaupt niet gedaan zouden moeten worden, zoals het voeren van oorlogen, het doden van onschuldige mensen in andere landen. De overgrote meerderheid van de libertariërs is non-interventionalist. Zij vinden dat een leger alleen mag verdedigen. Zij zijn mordicus tegen wat Amerika doet: het spelen van politieman van de wereld, soldaten sturen naar andere landen om even orde op zaken te stellen, terwijl het dan meestal een chaos wordt, zoals we hebben gezien in Irak en Libië.

In eigen land brengt de staat productieve mensen schade toe. Hoe productiever mensen zijn, hoe zwaarder ze worden belast, hoe meer ze wordt afgepakt. Wat de staat ook doet is een enorm leger van ambtenaren inhuren die voortdurend bezig zijn met het verzinnen van nieuwe regels. Het maakt voor hun niet uit dat de regeldruk al veel te hoog is. Zij zijn er voor ingehuurd om die regels te maken, dus vinden ze altijd wel iets om nieuwe regels voor te maken. Het is ook een soort vicieuze cirkel. Stap één is: de staat veroorzaakt een probleem door interventie. Stap twee is: politici en hun ambtenaren gaan nadenken over de oplossing van dit probleem. Ze vinden altijd wel een oplossing en die is eigenlijk altijd dezelfde: er moeten nog meer regels komen, want er waren er toch nog te weinig. De staat moet nog meer ingrijpen, nog meer uitgeven en er moeten nog meer ambtenaren komen. Samengevat: geef ons meer geld, geef ons meer macht, en dan lossen wij het probleem voor u op.

Al sinds het begin van de 20ste eeuw is de trend bijna altijd: een grotere overheid, meer regels, hogere staatsuitgaven, meer ambtenaren. Maar problemen worden daarmee helemaal niet opgelost, ze worden alleen maar erger. Een jaar lang word je dus schade toegebracht, je wordt als een kind behandeld, er word je van alles verboden en je wordt overal toe verplicht, en vervolgens moet je je meesters ook nog eens precies gaan vertellen wat je hebt verdiend, en plus minus de helft aan ze afstaan voor de wederdienst, de tegenprestatie die ze je hebben geleverd. De Amerikaanse libertariër Lysander Spooner zei: “Wat de staat doet is nog erger dan een struikrover die jou berooft. De struikrover laat je met rust nadat hij je heeft beroofd. Na de beroving ben  je weer vrij. Hij schrijft je niet de wet voor, vertelt je niet wat je wel en wat je niet moet doen.”

Welke problemen veroorzaakt de staat volgens u?

De overheid voert bijvoorbeeld maximumhuren en minimumlonen in, verklaart cao-lonen algemeen verbindend of stelt minimumprijzen voor melk en boter vast. Wat krijg je dan? Een verstoring van de markt. Vraag en aanbod raken uit balans. Want wat gebeurt er bij een minimumprijs voor melk en boter? Mensen gaan minder melk en boter gebruiken, maar de boeren gaan juist meer melk en boter produceren, want ze krijgen er een mooie hoge prijs voor. Met het gevolg dat er een boterberg en een melkplas ontstaan, en deze uiteindelijk gedumpt worden in de Derde Wereld.

Er is ook een enorme boete op lonen, op arbeid. Daardoor houden mensen zo weinig over. De staat zegt dan: “Jullie zijn zo zielig, jullie hebben zo weinig geld om van te leven, weet je wat? We voeren een minimumloon in en verklaren de cao-afspraken algemeen verbindend.” Het gevolg daarvan is niet alleen dat die mensen meer geld overhouden. Het gevolg is dat ze werkloos worden. Want op het moment dat iemand door de hoge belastingen het minimumloon niet kan waarmaken, een werknemer meer kost dan oplevert, dan wordt hij eenvoudig niet aangenomen.

Niet alleen overschotten, ook tekorten worden per definitie door de overheid veroorzaakt. Woningnood ontstaat doordat de staat maximumprijzen vaststelt. De wachtlijsten in de zorg ontstaan door maximumprijzen voor de zorg.

U heeft in een lezing gezegd: “Het komt voor dat de staat wel dingen doet die nuttig zijn.” Hoe moeten die dan worden betaald? Niet uit belastingheffing?

De staat besteedt ons belastinggeld inderdaad ook aan nuttige dingen, zoals zorg, onderwijs, politie, rechtspraak, infrastructuur, defensie en telecommunicatie. Maar ook daarmee moet ze ophouden. Juist omdat het veel te belangrijk is om aan de staat over te laten. Laat ik het voorbeeld geven van telecommunicatie. Want dat is een terrein waar de staat toevallig een stap terug heeft gedaan. Ze  heeft haar monopolie beëindigd. Telecommunicatie is begonnen als particulier initiatief. De telegraaf en telefoon zijn particuliere uitvindingen. Telecommunicatiebedrijven waren particulier en concurrerend. Op een gegeven moment heeft de staat het gemonopoliseerd en concurrentie verboden. Dat remde de innovatie. U herinnert zich waarschijnlijk de grijze draaischijftelefoon? Die is in de jaren ’50 ontworpen. Sinds de jaren ’60 moesten alle Nederlanders die een telefoon wilden er verplicht eentje huren van staatmonopolist PTT. Toen het monopolie werd opgeheven, in de jaren ’90, hadden we nog steeds diezelfde telefoon, maar we mochten eindelijk ook een andere telefoon gaan gebruiken. Sindsdien hebben we een enorme inhaalslag gezien op het vlak van innovatie. Nu hebben we telefoons die in feite computers zijn en die meer kunnen dan de computer waarmee mensen naar de maan gingen in 1969. De kosten zijn ook dramatisch gedaald. Vroeger toen het monopolie nog bestond, betaalde je drie gulden per minuut om naar Amerika te bellen en 19 gulden naar Afrika of Azië. Dus als je emigreerde ging je er van uit dat je nooit meer gebeld zou worden door je familie, want dat was te duur. Nu kun je voor 1, 2 of 3 eurocent per minuut de hele wereld bellen, vaak zelfs gratis met Skype en andere services.

Ook op andere terreinen ziet u graag dat de overheid zich volledig terugtrekt?

Telecommunicatie is een voorbeeld van iets waarbij mensen met eigen ogen hebben gezien dat het beter kan zonder staatsmonopolie. Maar toch trekken ze dan niet de conclusie dat het ook wel eens zou kunnen gelden voor zorg, onderwijs en infrastructuur. Terwijl daar precies hetzelfde voor geldt. Toen ik begin jaren ’90 pleitte voor het einde van het monopolie op de telecommunicatie zeiden mensen: “Dat kan helemaal niet. Want bellen doe je via een lijn onder de grond en je gaat dan toch niet twee, drie, vier lijnen naast elkaar leggen? Het is een natuurlijk monopolie, en dat moet dan wel een staatsmonopolie zijn, want als een particuliere organisatie een monopolie krijgt dan kunnen ze vragen wat ze willen en worden we allemaal straatarm.” Zo denkt men dus nog steeds over monopolies. Als ik pleit voor het afschaffen van het monopolie op zorg, onderwijs of infrastructuur, dan zeggen mensen: “Belachelijk, dat kan helemaal niet.”

Je kunt toch wel kiezen naar welke school je kinderen gaan, welk ziekenhuis jou behandelt of wie jouw zorgkosten verzekert?

Dat klopt. Er is een heel klein beetje keuzevrijheid. Nederland is ook zeker niet het ergste land ter wereld. Er is onderzoek gedaan naar het niveau van economische vrijheid in 160 verschillende landen, en Nederland staat meestal in de top 20. Als je kijkt naar persoonlijke vrijheid, staan we zelfs in de top 5. Begrijp me niet verkeerd: Nederland is ziek. Maar de meeste landen zijn nog veel zieker dan wij. Maar dat we minder ziek zijn is geen reden om zelfgenoegzaam achterover te leunen. Als je ziek bent wil je gezond worden.

In hoeverre kan de staat zich terugtrekken? Politie, leger en rechtspraak zijn moeilijk voorstelbaar zonder overheid en belastingbetalers.

Dat is inderdaad voor veel mensen heel moeilijk te begrijpen. Voor libertariërs zijn dat ook de laatste staatsmonopolies waarvan ze afscheid willen nemen. Toch zijn die monopolies al voor een deel verdwenen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de rechtspraak, dan zie je dat heel veel bedrijven arbitrage met elkaar afspreken. Ze leggen contractueel vast dat als ze een geschil met elkaar krijgen ze dat niet voorleggen aan de staatsrechter maar aan een arbitragecommissie. Waarom? Omdat een zaak winnen bij een staatsrechter heel veel meer tijd en geld kost dan een zaak verliezen bij een arbiter.

U bent kritisch over de Europese Unie. Hoe past dat binnen de libertarische filosofie?

Tot circa 1992 was er een ontwikkeling van het wegnemen van barrières, het verlagen en afschaffen van invoerrechten en invoerquota. De slogan was: ‘Vrij verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, vrijheid van vestiging’. Dat waren stappen in de goede richting. Rond 1992 was dat project grotendeels afgerond, maar in plaats dat de eurocraten zeiden: “Stuur ons naar huis”, zeiden ze: “Nu gaan we de volgende fase in.” Eerst kregen we de economische eenwording, nu krijgen we de politieke eenwording. We gaan harmoniseren: een minimumtarief invoeren voor de BTW, een gemeenschappelijke grondslag voor de vennootschapsbelasting, een minimumtarief voor de vennootschapsbelasting. Dan is er dus geen ontsnapping meer mogelijk. Dan is het niet meer mogelijk om met de voeten te stemmen door in België te gaan wonen. De Nederlandse overheid en andere overheden van EU-lidstaten kunnen dan op belastinggebied niet meer met elkaar concurreren in het voordeel van hun eigen burgers. Het is dan een soort kartel geworden van belasting heffende politici.

We leven in een wereld met zo’n tweehonderd staten. Niet zo lang geleden, na de Tweede Wereldoorlog, waren het er tachtig. Ik zie dat als een vooruitgang. Hoe meer staten, hoe kleiner het grondoppervlak. Ideaal zou zijn als de grootste staat Liechtenstein was. Dat is nu de kleinste staat ter wereld, met 35.000 inwoners, maar ook de rijkste, gecorrigeerd voor koopkracht. Miniatuurstaatjes zoals Liechtenstein, Monaco, Luxemburg, Andorra, San Marino, Singapore en in zekere zin ook Hong Kong hebben met elkaar gemeen dat ze het heel goed doen. Ze scoren zwaar bovengemiddeld in alle internationale vergelijkingen. De mensen daar zijn vrijer, hebben een hogere levensverwachting en een hoger welvaartsniveau. Hetzelfde zie je bij de belastingparadijzen: Bermuda, de Kaaiman-eilanden, Jersey, Guernsey, Isle of Man.

Zie ook de VS. De federale overheid was daar tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw extreem klein. Je had daardoor vijftig staten die hevig met elkaar concurreerden. Daarom groeiden ze zo snel, werden alle uitvindingen daar gedaan, vertrokken alle mensen met talent naar Amerika. Daarvan is weinig overgebleven. Ruim honderd jaar geleden kwam de omslag. Amerika ontwikkelde zich van waarschijnlijk het vrijste land ter wereld tot een welfare-warfare-police state.

Zwitserland is ook een goed voorbeeld. Dat land telt 26 kantons, die met elkaar kunnen concurreren omdat de federale overheid heel weinig macht heeft, al begint dat de laatste drie jaar helaas wel te veranderen. Er zijn in Zwitsersland nog steeds kantons zonder erfbelasting en schenkbelasting, of waarbij het tarief voor de inkomstenbelasting lager wordt naarmate je productiever bent. Daarom zijn de Zwitsers nog steeds het rijkste volk ter wereld. Niet als je kijkt naar het inkomen per hoofd, maar wel naar het vermogen per hoofd.

Hoe kan het dat ministaatjes vrijer en welvarender zijn? Ligt de oorzaak werkelijk in het geringe grondoppervlak?

Stel je voor dat de wereld zou bestaan uit honderd miljoen miniatuurstaatjes. Dan wordt het makkelijker voor mensen om met hun voeten te stemmen. Als ze ontevreden zijn over de regel- en lastendruk waar ze wonen, dan is het makkelijk verhuizen naar een ander miniatuurstaatje een paar kilometer verderop waar de regel- en lastendruk lager is.

Mensen zien wel in dat concurrentie tussen bedrijven goed is, maar niet dat concurrentie tussen staten nog veel belangrijker is. Als staten met elkaar moeten concurreren dan is dat een rem op de macht van de politici. Concurrentie zorgt ervoor dat ze gedwongen worden hun tarieven en regeldruk te verlagen, om talenten en kapitaal te lokken in plaats van die te verjagen. Europa heeft in zevenhonderd jaar tijd een enorme voorspong gekregen op de rest van de wereld. De laatste tientallen jaren beginnen we die voorsprong in rap tempo te verliezen aan de Aziatische Tijgers Hong Kong, Singapore en Zuid-Korea. Hoe kan dat? Omdat Europa een lappendeken was van miniatuurstaatjes. Zo bestond Duitsland uit dertig staten. Italië uit een stuk of tien. Die concurreerden met elkaar.

U beschouwt de vrije markt als oplossing. Is daar nu juist geen overheid voor nodig? Om bijvoorbeeld kartelvorming en monopolievorming tegen te gaan?

De staat is juist zelf de übermonopolist en überkartelvormer. Als je kijkt hoe monopolies zijn ontstaan: de koning verkocht aan een handlanger een alleenrecht. Hij zei dan: “Vanaf  nu ben jij de enige die nog zout of peper mag importeren in mijn land. Alle concurrenten sluit ik voor je op in de gevangenis, maar je moet wel betalen voor dat alleenrecht.” Monopolies kunnen alleen maar ontstaan of standhouden door overheidsinterventie. Op de vrije markt zijn monopolies onmogelijk.

Op de vrije markt is het zo dat als een bedrijf binnen een bepaalde regio een gigantisch marktaandeel verovert, dat alleen maar kan door heel erg efficiënt te zijn en voor een lage prijs te werken. Want in iedere sector heb je een optimaal aantal aanbieders. We hebben bijvoorbeeld miljoenen bakkers in de wereld en we hebben maar tientallen autofabrikanten. Dat is omdat het miljarden kost om een auto te ontwikkelen. Voor een brood is heel wat minder geld nodig. Je kunt dus niet a priori zeggen: “Er moeten minimaal zoveel aanbieders zijn van een product.” Wat de optimale grootte is, is nu juist iets wat op de markt zal blijken. De consument wil een zo goed mogelijke auto of een zo goed mogelijk brood tegen een zo laag mogelijke prijs. De producenten gaan proberen marktaandeel te veroveren door te innoveren, door een steeds betere auto te bouwen tegen een zo laag mogelijke prijs. Of neem computers. Die worden steeds beter en steeds goedkoper. Omdat je daarmee je marktaandeel kunt behouden, vergroten of voorkomen dat het kleiner wordt.

Op een markt die werkelijk helemaal vrij is, kan een computerfabrikant alle andere computerfabrikanten opkopen en vervolgens de prijs flink omhoog gooien en de kwaliteit laten versloffen omdat hij met niemand meer hoeft te concurreren.

Ik ken die drogreden. Dat is een marxistische mythe. Je kunt alleen maar steeds groter worden door steeds efficiënter te worden. Als je te groot wordt en daardoor minder efficiënt wordt, en je kostprijs juist omhoog gaat omdat je bureaucratisch bent geworden, dan zul je juist marktaandeel gaan verliezen, want er zijn dan namelijk concurrenten die marktaandeel van je afsnoepen. Zelfs al zou je een natuurlijk monopolie hebben verworven, waardoor je de enige aanbieder bent geworden, bijvoorbeeld in het geval van een dorp dat zo klein is geworden dat maar één bakker de meest efficiënte oplossing is en twee bakkers niet efficiënt zouden zijn, dan betekent dat niet dat je daarvan misbruik zou kunnen maken. Want als je dat zou proberen te doen, dan is er altijd de latent aanwezige concurrentie. Want stel dat je een monopolie hebt bereikt en je denkt dat je de prijzen flink kunt verhogen en er met de pet naar kunt gooien, dan kom je er snel achter dat het zo niet werkt in de vrije markt. Want zodra je misbruik gaat maken van je monopoliepositie door een slechte service te leveren of een slecht product te bieden tegen een te hoge prijs, dan zul je merken dat er opeens een nieuwe bakker komt die marktaandeel van jou gaat afsnoepen.

Marxisten zullen dan tegenwerpen dat monopolisten nieuwe toetreders uit de markt kunnen drukken voordat ze in staat zijn geweest marktaandeel af te snoepen. Maar als bakker kun je eerst eens even offertes sturen aan alle grote klanten en zeggen: “Ik beloof dat ik een jaar lang brood zal leveren om acht uur ’s ochtends, voor deze prijs en van deze kwaliteit, maar dat doe ik pas als honderd mensen hebben getekend, eerder begin ik er niet aan.” Als dan honderd mensen hebben getekend heb je een gegarandeerde afzetmarkt, en de bakker die tot twaalf uur bleef liggen, en die zijn broden tien keer zo duur had gemaakt, zal er achter komen dat hij ten onder gaat. Want zelfs al zou hij zijn leven beteren, dan is hij te laat, want die ander heeft al zijn honderd getekende offertes liggen.

Vaak, als gewaarschuwd wordt voor monopolievorming, wordt gewezen naar personen als Rockefeller en Vanderbildt, die in het Amerika van de 19de eeuw kapitaal maakten. Ze zijn afgeschilderd als robber barons. Maar wat blijkt nou? Ze waren voortdurend bezig prijzen te verlagen. Doordat ze innoveerden, konden ze efficiënter werken, en daardoor konden ze prijzen verlagen en dat deden ze ook. Daardoor veroverden ze een groot marktaandeel en daardoor konden ze het ook behouden. Het klopt dus niet dat ze op een gemene manier marktaandeel hadden veroverd.

Amerikaanse spoorwegbedrijven hebben jarenlang hun prijzen moeten verlagen. Op een gegeven moment waren ze dat zo beu dat ze gingen lobbyen bij de federale overheid om een instantie op te zetten die de prijzen moest gaan reguleren. Dat was onder het mom van ‘in het belang van de consument’, want, zo zeiden, ze: “Het is toch belachelijk dat een pakketje versturen van New York naar Chicago goedkoper is dan een pakketje van New York naar Cleveland,dat veel dichterbij is?” De verklaring voor dat prijsverschil was echter dat er moordende concurrentie was op de spoorlijnen die van New York naar Chicago liepen. Toen die regulerende instantie er eenmaal was, gingen de prijzen omhoog.

Hetzelfde is gebeurd met de luchtvaartindustrie, die is de overheid ook gaan reguleren. Dat is onder president Jimmy Carter afgeschaft, met het gevolg dat vliegen opeens veel goedkoper werd. In Europa is dat ook gebeurd. Met het Open Skies Agreement is vliegen veel goedkoper geworden. In mijn kindertijd was vliegen nog iets voor rijke mensen. Nu vlieg je voor een paar tientjes naar de Middellandse Zee.

Over het vraagstuk van de staat en de vrije markt staan libertariërs en marxisten lijnrecht tegenover elkaar. Maar van een discussie lijkt het niet te komen.

Marxisten zijn inderdaad de tegenpool. Ik heb lang geleden een keer een debat gehad met een SP’er, maar die had het marxisme eigenlijk al afgezworen.

In Nederland zijn het de VVD en de SP die gezien worden als elkaars tegenpolen. 

Illustratief voor her verschil tussen die partijen vind ik het debat dat ze met elkaar voerden over de inkomstenbelasting. In 2012 was het marginale tarief voor de inkomstenbelasting 52 procent. De SP wilde het tarief verhogen naar 60 procent en de VVD wilde het verlagen naar 51 procent. Dat is dus marge waarbinnen de discussie in Nederland zich afspeelt. Wij staan als LP zover af van de status quo dat je er voor ons geen marxist bij hoeft te halen om een beetje vuurwerk te brengen in een discussie.

Er is een andere Toine Manders. Van de partij 50Plus. Die is erg verdrietig dat hij soms verward wordt met u. Hij heeft verklaard u asociaal te vinden.

Dat mag hij vinden. Ik vind het  jammer dat ik soms met hem verward word. Hij heeft laten zien een opportunist te zijn. Toen de VVD hem geen derde termijn gunde als europarlementariër stapte hij meteen over naar 50Plus. Ik ken hem verder niet. Ik heb me nooit in hem verdiept. Iemand die is overgestapt van de VVD naar de LP heeft hem ooit uitgenodigd om met mij in debat te gaan over liberalisme. Toen zei hij dat hij dat misschien nog wel eens wilde, maar voorlopig zeker niet.

In 2014 heeft de LP niet meegedaan aan Europese verkiezingen. Deel van de reden was dat ik achter de tralies zat. Ze hebben mij opgesloten in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen. Dat was in januari 2014. In maart waren de gemeenteraadsverkiezingen en in mei de Europese verkiezingen. Even leek het erop dat twee mensen die Toine Manders heetten, zouden meedoen, ik namens de LP en hij namens 50Plus, maar daar is het dus niet van gekomen. 

Hoe plaatst u de LP in het links-rechts spectrum? De retoriek van anti-belasting en vrije markt zal velen uit de VVD-achterban aanspreken. Het idee van non-interventie de SP-achterban. De LP is ook voor het vrije verkeer van personen, het openstellen van de grenzen. Daar zal de GroenLinks-achterban van smullen.

Nolan-diagram

David Nolan, één van de oprichters van de Amerikaanse Libertarian Party, heeft gezegd: het politieke spectrum is geen links-rechts lijn. Het is tweedimensionaal. Op de linker-as heb je persoonlijke vrijheid en op de rechter-as economische vrijheid.

Mensen die links zijn, progressief of liberal, zoals ze dat in Amerika noemen, hechten weinig waarde aan economische vrijheid, maar ze zijn wel voor persoonlijke vrijheden. Ze zijn voor vrijheid van meningsuiting en godsdienst, voor een liberaler beleid op het gebied van drugs, prostitutie, pornografie en abortus.

Rechts, of conservatief, is de tegenpool. Zij willen meer economische vrijheid en dus een kleinere overheid als het gaat om de economie. Ze zijn voor lagere belastingen, minder regels, privaat eigendom, het tegengaan van staatsmonopolies. Maar als het gaat om persoonlijke vrijheid is het net andersom. Dan vinden ze dat de staat hard moet optreden tegen drugs, prostitutie, pornografie, godslastering, majesteitsschennis en het verbranden van de nationale vlag. Vaak ook zijn ze voor de militaire dienstplicht.

Helemaal onderin vinden we de communisten en fascisten. Die hechten aan geen enkele vrijheid enige waarde. Het individu moet volledig onderworpen zijn aan de staat. Als er mensen zijn die denken dat fascisten voor economische vrijheid zijn, een soort kapitalisten zijn, dan zeg ik: “Niets is minder waar.” In zowel fascistisch Italië als in Duitsland had de staat een enorme dikke vinger in de economische pap. Grootgrondbezitters of fabrieken werden niet onteigend, maar werden wel voor het karretje van de staat gespannen. Het was een geleide economie. De staat schreef voor wat die bedrijven moesten doen. Zo moesten ze zich voornamelijk inzetten voor de oorlogsindustrie.

Het centrum zien mensen als het toppunt van beschaving. Dan ben je gematigd, geen extremist, niet radicaal. Maar zoals je ziet, grenst het midden aan de communisten en fascisten. Dus zo mooi is dat midden helemaal niet. Voor het midden geldt dat er geen enkele vrijheid is die ze echt belangrijk vinden. Conservatieven zijn in elk geval nog voor een vrije markt, en liberals zijn tenminste nog voor persoonlijke vrijheden. Mensen die echt progressief, echt liberal zijn, zijn ook anti-oorlog. Dat veranderde in Amerika toen Barack Obama tot president werd gekozen. Toen vergaten ze ineens al hun anti-oorlogsideeën. Sindsdien zijn er niet zoveel echte liberals meer. De Democratische Partij in de VS is heel erg opgeschoven naar het centrum. Ze vinden geen enkele vrijheid nog echt belangrijk.

Bovenin het politieke spectrum vind je, wat we in Nederland noemen, de liberalen. De echte liberalen willen zowel meer economische als persoonlijke vrijheid.  Ze hechten aan beide vrijheden veel belang. Wat niet wegneemt dat er veel mensen zijn die zich liberaal noemen maar het niet echt zijn, omdat ze bijvoorbeeld voor een streng drugsbeleid zijn. Bij de VVD zie je dat ze zijn opgeschoven naar rechts-conservatief. Zo moet je voor de bescherming van de rechten van verdachten niet bij de VVD zijn, en ook niet voor een liberaal migratiebeleid. De VVD is dus maar tot op zekere hoogte wat de partij zegt te zijn: liberaal. Ze zitten op het grensvlak rechts-conservatief,  centrum en liberaal.

Waar vind je nou de libertariërs? Helemaal bovenin. Wij zijn heel erg liberaal, want wij willen 100 procent economische en persoonlijke vrijheid.

De liberale VVD-achterban zul je niet aanspreken met het openstellen van de grenzen. De achterban van die partij is heel erg gekant tegen immigratie.

De meeste libertariërs zeggen: “We zijn voor open grenzen, maar we erkennen tegelijk dat dit niet werkt in combinatie met het uitdelen van gratis geld, zorg, onderwijs en huizen aan immigranten. Dat zou in een libertarische samenleving niet kunnen.” Als je kijkt naar geschiedenis van de VS: tot in de jaren ’20 waren er nauwelijks immigratiebeperkingen. Er gingen mensen heen vaak zonder enige opleiding, soms zelfs analfabeten, maar niet om hun hand op te houden, maar om zichzelf productief te maken, een bestaan op te bouwen. Vaak met succes. Hun kinderen waren vaak veel welvarender dan zijzelf. Het was in een tijd dat de overheid extreem klein was, met name de federale overheid, die toen nog geen inkomstenbelasting mocht heffen. 

U heeft op BNR Nieuwsradio geadverteerd met de slogan ‘Belasting is diefstal’. Daar kwam in 2008 een einde aan. Waarom was dat?

Een anonieme persoon heeft een klacht ingediend omdat het spotje in strijd zou zijn met het goed fatsoen. De Reclame Code Commissie deed toen BNR de aanbeveling het spotje niet meer uit te zenden. Dat is Orwelliaanse newspeak voor censuur, want de Commissie pretendeert dat er sprake is van zelfregulering, dat media die reclame uitzenden zichzelf normen willen opleggen en zich daarom aansluiten bij de stichting Reclame Code. Maar de werkelijkheid is anders. De Mediawet verplicht zendgemachtigden lid te worden, en daarmee aanbevelingen te volgen. Het zijn dus geen aanbevelingen maar censuur. Alle zendgemachtigden houden zich er aan, want willen hun zendmachtiging niet verliezen.

We zijn in beroep gegaan tegen de aanbeveling. Ik heb bij het college van beroep betoogd dat de slogan niet in strijd kan zijn met het fatsoen, immers: de waarheid mag gezegd worden. Tot mijn verbazing werd de aanbeveling van Reclame Code vernietigd, omdat de commissie vond dat de slogan niet in strijd was met het fatsoen. Maar er kwam een andere aanbeveling voor in de plaats: de aanbeveling de slogan niet uit te zenden omdat deze in strijd zou zijn met de waarheid, want belasting is geen diefstal, en reclameslogans mogen niet in strijd zijn met de waarheid.

Hoe verklaart u dat u wel bent aangepakt, en niet de trustkantoren die multinationals nog steeds behulpzaam zijn met belastingontwijking in het buitenland?

Ik kan niet kijken in de hoofden van de FIOD- en OM-mensen. Ik kan alleen raden wat ze motiveert. Maar over het algemeen is het zo dat trustkantoren niet etaleren dat ze zich bezighouden met belastingontwijking. Op hun websites kom je het woord ‘belastingontwijking’ niet tegen. Überhaupt kom je daar weinig tegen over fiscaliteit. Ik daarentegen was altijd erg recht voor zijn raap. Ik gebruikte wel het woord ‘belastingontwijking’ op onze website en in brochures. Ik deed er zelfs nog een schepje bovenop met de slogan ‘Belasting is diefstal’. In interviews maakte ik ook geen geheim van mijn gedachtegoed. Ik zei dingen als: ‘De overheid is een criminele organisatie’, ‘Belasting is gelegitimeerde roof’, ‘De ondernemer is een onderdrukte minderheid’, ‘Belastingontwijking is een moreel recht en een morele plicht’. Dat vonden ze bij de fiscus ongetwijfeld niet leuk om te horen. Belastingambtenaren zijn meestal mensen zonder humor, met een goed geheugen en lange tenen. Als je daar eenmaal op getrapt hebt, dan vergeten ze dat niet. Ik waande mij veilig, want ik dacht: “Ik houd mij aan de regels, zij moeten dat ook doen, en dus zullen ze het wel doen.” Achteraf concludeer ik dat ik te naïef ben geweest. Zelfs ik heb mij nog vergist in de ongelooflijke slechtheid van de staat.

Nadat wij in 2001 waren begonnen met het aanbieden van HJC-trustdiensten, vanaf een nieuw kantoor op Cyprus, kwam er in 2004 een wet Toezicht Trustkantoren, maar die gold alleen voor trustkantoren met een zetel in Nederland. Daar viel dus HJC in Cyprus niet onder. De fiscus kon dus de informatie over mijn cliënten niet zomaar bemachtigen. Dat vonden ze waarschijnlijk heel vervelend. Dus hebben ze als oplossing bedacht: zware beschuldigingen uiten, ons een criminele organisatie noemen, zodat de overheid in Cyprus meewerkte, en ze alsnog de cliëntgegevens konden bemachtigen. 

U heeft, na uw aanvaring met de Nederlandse staat, een nieuw begin gemaakt met Nozick Consulting in Zoetermeer. Is dat een voortzetting van dezelfde activiteiten onder een andere naam?

Het is een belastingadvieskantoor voor de kleine- en middelgrote ondernemer, dat met name gericht is op de inkomsten- en vennootschapsbelasting. Ondanks de reparatiewetgeving is het ons gelukt een nieuw product te ontwikkelen voor de kleine ondernemer, waarbij alle rechtspersonen van de bedrijfsstructuur zich in Nederland bevinden.

Het ontwijken van belasting via het buitenland is niet langer iets dat u uw cliënten adviseert?

Buitenlandse structuren bieden nog steeds een groter voordeel, maar de kosten zijn ook hoger. Als je een Nederlandse structuur kiest is het voordeel iets minder groot, maar de kosten zijn een stuk lager. Er komen steeds meer regels om belastingontwijking tegen te gaan. Die maken het niet onmogelijk, maar wel lastiger en duurder, waardoor het omslagpunt, de minimale winst die je moet behalen, hoger komt te liggen. Zodat de kleinste ondernemer afvalt. Alleen de grote en middelgrote ondernemers kunnen nu nog belasting ontwijken. Ik vind dat een treurige ontwikkeling.

Hoe kijkt u aan tegen de afschaffing van de dividendbelasting? Het zijn niet de kleintjes die daarvan profiteren.

Ik ben voor afschaffing van alle belastingen, dus ook voor die op dividend. Niet alleen om principiële, morele redenen, maar ook om pragmatische redenen. De dividendbelasting is een boete op investeren. Als een buitenlandse investeerder investeert in een Nederlands bedrijf, dan krijgt hij daar een boete voor, in de vorm dus van dividendbelasting. Engeland legt die boete niet op. Dus als je kunt kiezen als buitenlandse investeerder tussen investeren in een Engels bedrijf zonder boete en een Nederlands bedrijf met boete, dan zul je eerder kiezen voor het Engelse bedrijf. Dus als je die boete afschaft dan is dat natuurlijk gunstig voor het investeringsklimaat. Het aantrekken van buitenlands kapitaal is goed de voor de economische groei en de levensstandaard. Dus uiteraard ben ik daar voor.

Als je op korte termijn kijkt, zeg je misschien: “Die buitenlandse investeerders, die voordeel genieten van de afschaffing van de Nederlandse belasting op dividend, wat hebben wij daar mee te maken? We willen wat goed is voor het Nederlandse volk.” Dat is kortzichtig. Want dat buitenlandse kapitaal draagt juist bij aan onze levensstandaard.

De Nederlandse belastingbetaler ziet het als onrechtvaardig dat buitenlandse investeerders geen belasting hoeven te betalen.

Dat begrijp ik, en ik zou ook heel graag zien dat de belasting voor iedereen wordt verlaagd, niet alleen voor buitenlandse investeerders. Maar we moeten voorkomen dat we worden uitgespeeld tegen elkaar. Het is beter te zeggen: “Elke belastingverlaging is een stap in de goede richting, dus laten we ons niet verzetten tegen welke belastingverlaging dan ook.”

Ik ben het er verder niet mee eens dat in het geval van de afschaffing van de dividendbelasting een beperkte groep daar van profiteert, want als het investeringsklimaat verbetert dan profiteert uiteindelijk iedereen daar van in Nederland. Meer kapitaal betekent: meer machines, automatisering, innovatie en efficiency. Dat zorgt voor een hogere arbeidsproductiviteit en dus hogere lonen en een hogere levensstandaard. Werknemers kunnen zo steeds meer presteren in steeds minder tijd. De reden dat we niet meer zestig uur in de week werken, maar nog maar 35 uur is dat de arbeidsproductiviteit zo hard is gestegen doordat er meer kapitaal is gevormd als gevolg van een grotere economische vrijheid.

Hoe verklaart u dat de Nederlandse regering alleen buitenlandse investeerders belastingvoordeel gunt? De schatkist loopt er miljarden mee mis.

Kleine ondernemers hebben geen lobby. Grote bedrijven huren lobbyisten in en maken politieke vriendjes. Als een politicus geen politicus meer is, zoals Wim Kok, dan wordt hij commissaris bij Shell of een ander beursgenoteerd bedrijf. Gerhard Schröder tekende een contract met Gazprom, meteen nadat hij als politicus was uitgerangeerd. Dick Cheney, was minister van defensie onder Bush senior, en aansluitend CEO bij Halliburton, de grote defense contractor. Toen Bush junior werd gekozen, werd Cheney vice-president en ging hij lobbyen  om oorlog in Irak te voeren, waar Halliburton uiteindelijk een fortuin mee heeft gemaakt.

De overheid is een soort doping. Als je doping legaliseert heb je als sporter geen kans meer zonder doping. Zo ook met de overheid. Als je een groot bedrijf hebt, en je hebt een overheid die je kan maken of breken, die je subsidies kan geven of niet, die je privileges kan geven of niet – dan ga je dus lobbyen. Want als jij niet lobbyt en de concurrent wel, dan ga je uiteindelijk ten onder. Je moet vriendjes maken. Microsoft heeft heel lang niet gelobbyd, totdat ze miljardenclaim kregen wegens monopolievorming. Sindsdien zijn ze maar gaan lobbyen.

Wat ook speelt: grote bedrijven laten zich sterk leiden door regeldruk en lastendruk. Ze kunnen makkelijk met hun voeten stemmen, en zeggen: “We gaan ergens anders een nieuwe fabriek plaatsen of een nieuw hoofdkantoor.” Dus hebben politici er belang bij grote bedrijven te lokken, en niet te verjagen. Als je kijkt welke belasting is er verlaagd de afgelopen tientallen jaren, dan was dat met name de vennootschapsbelasting, van gemiddeld 48 procent in 1980 in de OESO-landen naar nu gemiddeld zo’n 23 procent. Nederland gaat deze belasting verlagen van marginaal 25 naar 21 procent. Niet zo lang geleden was dat nog 35 procent. Het is zelfs 45 procent geweest onder premier Joop den Uyl.

Nu blijkt Shell al een voorschot te hebben genomen op de afschaffing van de dividendbelasting. Het bedrijf heeft jarenlang geen belasting afgedragen. Met toestemming van de Belastingdienst. Hoe ziet u dat?

Shell heeft gedaan wat iedereen in Nederland mag doen: Je mag als belastingbetaler om een ruling vragen. Als je een brief schrijft met de vraag of jouw interpretatie van de belastingwetgeving juist is, dan is de belastinginspecteur verplicht daar antwoord op te geven. Hij hoort rechtszekerheid te verschaffen.

Shell had vroeger zowel in Nederland als Engeland een hoofdkantoor. In Engeland was geen dividendbelasting, in Nederland was die er wel. Ze wilden fuseren. Als ze dat hadden gedaan zonder afspraak met de fiscus te maken, dan zou dat betekenen dat investeerders in Shell Engeland door de fusie geconfronteerd zouden worden met de Nederlandse boete. Dan was de fusie niet doorgegaan. Dan hadden de aandeelhouders van de Engelse vestiging gezegd: “Dan maar geen fusie.” De Shell-top is toen naar de fiscus gestapt met het verhaal dat ze wilden fuseren en het hoofdkantoor in Nederland wilden vestigen. Shell heeft waarschijnlijk gezegd dat ze een mogelijkheid zagen de dividendbelasting te ontwijken en gevraagd om een handtekening als bevestiging dat de fiscus die structuur accepteerde en niet achteraf zou proberen die onderuit te halen. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de oplossing die Shell had bedacht een illegale of strafbare oplossing was. Waarschijnlijk paste de oplossing binnen de grenzen van de wet.

Het probleem met rulings is wel vaak: Als je een structuur hebt die over de landsgrenzen heen gaat, als je Nederlandse belasting ontwijkt door inkomsten in het buitenland te laten vallen of vermogen in het buitenland op te bouwen, en je wilt daar een ruling over, dan krijg je die niet als kleine ondernemer. Dan zeggen ze: “Dat is fiscale grensverkenning. Daar werken we niet aan mee.” Als een multinational dezelfde ruling vraagt, dan krijgen ze wel een ruling. Maar zoals ik al zei: we hebben een nieuw product ontwikkeld, dat we binnen de Nederlandse grenzen houden, en dan kun je ook als kleine ondernemer vragen om duidelijkheid.

De postbusfirma’s op de Amsterdamse Zuidas, hoe ziet u die? De Nederlandse staat en de Nederlandse burger lijken daar niet echt wijzer van te worden.

Natuurlijk zou het geweldig zijn als Nederland een belastingparadijs was voor iedereen niet alleen voor doorstroomvennootschappen in het buitenland. Maar de Nederlandse staat en de Nederlandse burger worden er wel degelijk wijzer van. Trustkantoren in Nederland besturen ongeveer 10.000 doorstroomvennootschappen. Daarnaast heb je ook nog doorstroomvennootschappen die geen trustkantoor nodig hebben, en eigen personeel inzetten. Er gaat in die doorstroomvennootschappen ongeveer 10.000 miljard euro per jaar om. Daar wordt weinig belasting over afgedragen, maar toch evengoed nog een paar miljard per jaar. Want er zijn heel veel advocaten, belastingadviseurs, accountants en notarissen en trustkantoormedewerkers die daar een hele goede boterham aan verdienen, en daar belasting over betalen. De doorstroomvennootschappen mogen zo’n 99 procent van de winst aftrekken op de doorstroming. Maar ze moeten dus ook een percentage achterlaten in Nederland.

Wat de postbusfirma’s bijdragen aan de Nederlandse economie en aan belastinginkomsten opleveren is uitgerekend door een vereniging van trustkantoren, dus je kunt je afvragen wat ervan klopt, maar mijn punt is: Ook al zou de Nederlandse overheid er helemaal niks aan overhouden, dan moeten we het nog steeds toejuichen. Want de private sector heeft er wel baat bij, en niet alleen in Nederland, juist ook in het buitenland. Er zijn heel veel landen waar bedrijven meer overhouden, en dat betekent dat er minder geld wordt uitgegeven aan schadelijke zaken door politici en ambtenaren zoals het bombarderen van onschuldige mensen, het maken van steeds meer hinderlijke wet- en regelgeving en het ondernemen van vrijheidsondermijnende activiteiten. In plaats daarvan wordt het geld geïnvesteerd in innovatie, waardoor de levensstandaard stijgt, de levensverwachting stijgt en de economie groeit.

Omdat uw naam genoemd werd in de Panama Papers bent u afgelopen jaar verhoord door de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale Constructies. Hoe heeft u dat ervaren? 

Het was voor mij leerzaam te kijken naar de belastingambtenaren die door de commissie werden geïnterviewd. De frustratie droop er van af toen ze het hadden over de rechtsbescherming van de belastingbetaler. Hun frustratie was dat ze vaak niet wisten om te gaan met mensen die ze ervan verdachten gebruik te maken van mooie belastingconstructies. Dan stelden ze een vragenbrief op en in plaats van dat de belastingplichtige netjes antwoordde, huurde hij een slimme adviseur in die een antwoordbrief schreef, waarin hij nauwelijks antwoord gaf en tegenvragen stelde, zoals: “Op welke wetgeving baseert u zich? Op grond waarvan bent u van mening dat mijn cliënt deze vragen moet beantwoorden?” Kortom, ze zijn zwaar gefrustreerd over de rechtsbescherming van de belastingbetaler, en dat ze dus niet alles weten.

De fiscus wil daarom een uitholling van de rechtsbescherming van belastingbetalers. Ze willen een meldingsplicht, die inmiddels al is ingevoerd op het niveau van de EU. Belastingadviseurs moeten voortaan constructies aanmelden, een soort NSB’ers worden. Ze moeten hun eigen klanten gaan aanmelden bij de overheid. Ze moeten de fiscus vertellen: “Wij hebben een belastingadvies uitgebracht en daardoor gaat mijn cliënt een bepaald belastingvoordeel genieten.” Zodat de fiscus je cliënt kan gaan lastig vallen om te kijken of ze er toch niet wat meer uit kunnen persen. Doe je dat niet, dan ben je strafbaar.

U noemde net de EU die gezorgd heeft voor een meldingsplicht. U sprak eerder over een EU-kartel van belastingheffende politici. Hoe is dat buiten de EU?

Ook op mondiaal niveau gaan we in de richting van een kartel. Er zijn inmiddels honderd landen, die een verdrag hebben getekend met elkaar om automatisch informatie uit te wisselen, dus niet op verzoek of op verdenking van belastingontduiking of een ander strafbaar feit. Tot die landen behoren ook China en Venezuela. De mensen die daar wonen wordt dus de mogelijkheid ontnomen hun vermogen verborgen te houden voor door en door corrupte overheden. Het is een herhaling van de jaren ’30. Sommige Duitse joden hadden toen hun vermogen in Zwitserland geparkeerd uit angst dat het hun afgenomen zou worden. Dat het Zwitserse bankgeheim werd ingevoerd in 1934 is geen toeval. Dat kwam doordat een aantal Zwitserse bankmedewerkers hun Duitse-joodse cliënten hadden verraden, die gegevens hadden verkocht aan de Duitse overheid. Met die joden is het slecht afgelopen. In Duitsland stond de doodstraf op belastingontduiking. De verraden cliënten van die Zwitserse bank werden dan ook ter dood veroordeeld. Dat was voor de Zwitserse overheid in 1934 reden om te zeggen: “Dit nooit meer. We gaan een bankgeheim invoeren.” Het werd toen strafbaar voor Zwitserse bankmedewerkers gegevens van cliënten te delen met derden. Dat is dus het inmiddels verguisde Zwitserse bankgeheim.

Privacy is in een kwaad daglicht gesteld. Zo van: “Als je niks te verbergen hebt, dan heb je niks te vrezen.” Maar dat is volledig onterecht. Wij hebben in West-Europa toevallig de laatste zeventig jaar een stukje beschaving opgebouwd, dat overheden niet zo maar kunnen doen wat ze willen. Daardoor zijn we een beetje naïef geworden. De overheid is onze beste vriend. Maar er zijn nog steeds heel veel mensen in de wereld voor wie geldt dat de overheid helemaal niet hun beste vriend is. Maar juist de grootste vijand.

De overheid moet je zien als de parasitaire klasse, die ons leegzuigt, een bal aan ons been is. Ze zorgt ervoor dat we korter leven. Als je kijkt naar de levensverwachting in de veertig landen met de meeste economische vrijheid, daar worden mensen gemiddeld tachtig jaar. In de veertig landen waar mensen de minste economische vrijheid hebben, worden ze gemiddeld zestig jaar. De overheden stelen in die landen dus gewoon 20 jaar van een mensenleven. Lees het boek Death By Government van Rudolph Rummel. In de twintigste eeuw zijn er naar schatting zo’n kwart miljard mensen vermoord door hun eigen overheden. Dan heb ik het nog niet eens over de mensen die zijn gesneuveld in oorlogen als gevolg van overheden die met elkaar strijd voeren. Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot zijn bij elkaar opgeteld alleen al goed voor zo’n 150 miljoen moorden op eigen burgers.

Het is dus niet zo gek dat er zoveel mensen zijn die hun eigen overheid niet vertrouwen en verborgen proberen te houden dat ze iets hebben gespaard of opgebouwd, omdat je jezelf anders tot doelwit maakt. In landen met corrupte regimes waar de economie aan de grond zit, zijn het meestal succesvolle minderheden die als eersten worden gepakt. In Duitsland waren dat de joden en in Indonesië de Chinezen.

Posted on

De welkomscultuur als white man’s burden

Op zaterdag 2 juni vond ‘Europe on Trial’ plaats (mijn deel begint op 2:55:00): een bijeenkomst over Europa en migratie. Het werd georganiseerd in De Balie te Amsterdam – ondergetekende was uitgenodigd om kritische vragen te stellen.

Helaas hadden de meeste sprekers nauwelijks iets nieuws te melden: velen kwamen weinig verder dan de moralistische statements die we wel kennen van de NPO. Omdat er zoveel sprekers op het menu stonden, werden argumenten die al eerder waren neergezet ook continu herhaald. Zo werd ik gedwongen om hier drie uur zonder pauze naar te luisteren (ik hoop vurig dat u mijn inspanningen voor het rationele geluid zult belonen via crowdfunding).

Tegenstrijdigheden

Een perfecte illustratie van de bevooroordeelde linkse tunnelvisie was Ogutu Muraya, een zwarte spreker die een groepsgevoel opwekte. Om dat groepsgevoel te vestigen riep hij het publiek op om met hem mee te juichen bij elke beschuldiging die hij over Europa uitsprak. Dat er daarbij tegenstrijdige argumenten en onwaarheden werden gebruikt, leek niet uit te maken.

Zo zei hij dat het Europese migratiebeleid is gebaseerd op de nazistische rassenleer van de blanke suprematie. Om in één adem door de braindrain in Afrika aan te halen, waarbij Europa de meest succesvolle en slimste mensen van Afrika zou stelen. Ook zou Europa de hoofdschuldige van milieuvervuiling zijn, terwijl dat in China en India toch gradaties erger is.

Blank schuldgevoel

Terwijl ik hem hoorde spreken realiseerde ik me dat het zijn enige wapen is om in te teren op het schuldgevoel van de blanke Europeaan. Maar zodra ik toegeef dat ik me niet schuldig voel, heeft hij geen enkel middel om op mij in te werken en vervalt zijn hele betoog als irrelevant. Zijn werkwijze is namelijk het opwekken van groepsemoties, zonder enig argument waar ík wat aan heb of waar ik in rationeel opzicht wat mee kan. Dit is vergelijkbaar met het debat over diversiteit, identiteit en verplichte quota’s om een veranderende bevolkingssamenstelling te weerspiegelen. Als dat dan het uitgangspunt moet zijn – en niet meritocratie – dan geef mij maar zoveel mogelijk blanke heteroseksuele mannen op topposities. Want dat weerspiegelt mij het meest.

Als zwarte activisten zich dan mogen beroepen op het gegeven dat alles een machtsstrijd is tussen concurrerende identiteiten, dan zal een ander zich ook op zijn of haar identiteit beroepen. Immers, Europa kon het zich enkel veroorloven om zich door schuldgevoel te laten chanteren, toen het nog de leidende geopolitieke kracht was. Zodoende zien we dankzij Muraya hoe makkelijk de linkse logica tegen zichzelf kan worden gekeerd; want als ik mijzelf niet schuldig voel dan bevat zijn vertoog geen enkel handvat om mij te beïnvloeden. Daarom zal links een nieuw kunstje moeten leren nu het blanke schuldgevoel als gevolg van de massa-immigratie begint te verdwijnen. Het zal nog moeilijk blijken omdat zij zijn geconditioneerd om te werken via subsidies: dat zijn de aflaten van dit schuldgevoel.

Links activisme

Thomas Spijkerboer sprak in positieve zin waarderend en sympathiserend over “links activisme”, terwijl hij daar stond te oreren als professor. Het punt wat hij maakte was echter niet vernieuwend: een mensenrecht wordt opgeëist tegenover een staat, maar het gerechtshof dat het mensenrecht moet verdedigen is zelf een staatsorgaan.

Robert Bor (bekend als medeorganisator van De Nederlandse Leeuw) vatte het niveau samen toen hij zei: “Er komen geen intellectueel verfrissende ideeën los. Links is dood.” Inderdaad kwam men niet verder dan het benadrukken van schuldgevoel en boetedoening, om het morele falen van Europa er nog eens in te wrijven. Het bevestigt één van de twee hoofdstellingen van mijn boek Avondland en Identiteit: wat zich ‘links’ noemt is feitelijk de masochistische kant van de christelijke religie in een ontkerkelijkt jasje.

Narcisme versus tastbare verandering

Niettemin waren er een paar die er positief uitsprongen. De theatermaakster Rebekka de Wit kwam met een punt dat intrigerend is, mits we het losweken uit de inbedding van het migratieactivisme. Mensen zijn teleurgesteld omdat ze zich voelen als een druppel in een oceaan: dat is omdat ze zich laten domineren door hun ego – ze willen zien dat zijzelf in het centrum van de wereld staan. Wie daadwerkelijk wat wil veranderen moet echter héél lang doorploeteren en ziet pas later het effect van de eigen daden. Dikwijls is het dan zelfs te laat om er persoonlijk nog profijt van te hebben. In die zin is het veranderen van de wereld net zoals liefde: wie de liefde van de ander bewezen wil zien, maakt die liefde stuk.

Cliteur & Baudet

Wat ze zei raakte mij persoonlijk, omdat ik de vorige avond aanwezig was bij een presentatie door Paul Cliteur en Thierry Baudet over het boek Cultuurmarxisme. Nu heb ik dit natuurlijk zelf tot onderwerp van het publieke debat gemaakt in Avondland en Identiteit: het is boeiend om te zien dat anderen daarop voortborduren. Wierd Duk schreef er bijvoorbeeld over in de Telegraaf.

Als ik vanuit een honger naar erkenning nu boos zou worden omdat zij mijn ideeën gebruiken, dan zou men het begrip cultuurmarxisme loslaten: zodoende zou ik uiteindelijk minder impact hebben, los van het feit dat ik zelf niet van die impact profiteer. Baudet heeft zijn Kamerzetel, Cliteur is directeur van het Renaissance Instituut en Aspekt krijgt de opbrengst van de boekverkoop.

De moraal van het verhaal is precies wat De Wit zegt: soms moet je kiezen tussen óf invloed hebben óf profiteren, en is beiden tegelijk onmogelijk. Dan is het bepalend hoezeer je jezelf laat leiden door ego. Toch is het mooi om van een afstand te zien wat er allemaal in werking is gezet, zoals dit ook zo is met het debat over linkse universiteiten.

Met zoveel herhaling in de verhalen van de migratieactivisten zult u het mij vergeven dat mijn gedachten afdwaalden naar de bovenstaande overpeinzing. Er kwamen ook vluchtelingen aan het woord: helaas hielden sommigen van hen een langdradig en incoherent verhaal (terwijl de tijd voor zoveel sprekers al veel te krap was).

Paul Scheffer & Herman Vuijsje

Paul Scheffer en vooral Herman Vuijsje sprongen er positief uit. Scheffer stelde dat migratie ook een gevolg is van stammenoorlogen: het zou een vorm van “white man’s burden” zijn om te menen dat Europa de verantwoordelijkheid moet nemen voor de onderlinge conflicten van niet-Westerse volken. Ook kan men de Europese wapenhandel niet eenzijdig de schuld geven van migratie als we zien dat Rusland, Iran, Turkije, Amerika en Israël allen bombarderen in Syrië.

Vuijsje voegde toe dat China deals sluit met de corrupte regimes van voormalige Europese koloniën. Deze roofzuchtige deals zouden érg slecht zijn voor de toekomst van die landen: desondanks blijft de bevolking die regimes herkiezen. Wegens deze punten werden beide sprekers echter uitgejouwd door het publiek. Het bewees opnieuw dat de motor van het migratieactivisme draait op morele verontwaardiging en niet op rationele analyses.

Minstens één miljoen migranten naar Europa

Márton Gulyás kwam afsluitend aan het woord: hij is een activist die demonstreert voor meer Soros-universiteiten en meer migranten in Hongarije. Hij wil er minstens een miljoen per jaar. Hier bracht ik tegenin dat hij zijn verhaal baseert op een zwart-wit tegenstelling tussen ‘inclusiviteit’ en ‘xenofobie’, alsof dit de enige smaken zijn.

Ook leidt het spreken in termen van “jaarlijks minstens een miljoen migranten opnemen in Europa”, tot een beleid dat niet vertrekt vanuit een realistische afweging die ook de onvrede van de inheemse inwoners meeneemt. Een miljoen migranten brengt al merkbare cultuurveranderingen teweeg en is nog niet eens één procent van de totale armen in de wereld. Het voert tot een ongestructureerd beleid gebaseerd op willekeur. Wat tot de overweging leidt of het niet veel humaner is om de groei van de wereldbevolking te beperken, dan om grenzeloos mensen in Europa te absorberen.

Als we doen wat Gulyás wil, dan raakt het systeem overbelast door de enorme toestroom en dan zullen willekeurige emoties en het blinde lot bepalen wie wel en niet wordt toegelaten: dat is voor helemaal niemand eerlijk.

Nationaalconservatisme is in opkomst

Daarom stelde ik hem de vraag: “Wat is jouw verhaal naar seculiere minderheden die vluchten uit niet-Westerse landen? Zij willen hier een vrij leven beginnen, maar worden nu geconfronteerd met groeiende enclaves en subculturen waar dezelfde repressieve gebruiken heersen die ze om te beginnen probeerden te ontvluchten. In West-Europa stellen de seculiere en goed-geïntegreerde minderheden zich langzaam maar zeker achter de nationaalconservatieven. Je kunt hen toch moeilijk van xenofobie beschuldigen, of wel soms?”

Omdat de discussie al zover over tijd was heb ik mijn deel van het debat zeer bondig en to the point gevoerd, zoals ik dit heb geleerd tijdens lange vergaderingen in de gemeenteraad. Gulyás praatte over mijn observaties heen door te zeggen: 1. er zijn inderdaad teveel armen in de wereld – hierom is er meer globale nivellering nodig, en 2. er zijn ook Chinese enclaves in Hongarije en dit heeft nooit problemen opgeleverd. Dat raakte verreweg niet aan het punt, maar wat anders valt er te verwachten van iemand die steun van Soros ontvangt? Uiteindelijk vond de aanwezige massa dat Europa tóch schuldig was: dit was tegelijk het einde van de bijeenkomst.

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

De morele ongenaakbaarheid van ontwikkelingswerkers

Plan International biedt verontschuldigingen aan voor misbruik van kinderen door medewerkers. De Nederlandse afdeling schrijft op haar website dat “de bescherming van kinderen en jongeren boven alles staat. Het is daarom niet te bevatten en schokkend dat er personen in de organisatie zijn die dit principe schenden”.

Plan is, na Artsen zonder Grenzen, het Internationale Rode Kruis, Save the Children en Oxfam de zoveelste hulporganisatie die misbruik van kinderen en jongeren door hulpverleners moet bekennen. Schokkend nieuws, waarvan je zou verwachten dat de media bol zou staan van hijgerigheid. Maar in de slagschaduw van het #MeToo gebeuren waren er voor het journaille gelukkig Olympische Winterspelen, een politiek debat over het referendum en iets met een filmpje van Patricia Paay.

Bovendien, volgens Trouw-columnist Stevo Akkerman is het wel te begrijpen, die seksfeesten van Oxfam. En valt het dus allemaal wel mee. Want, zo citeert hij journalist Koert Lindijer (veteraan van de Afrika-correspondenten, die ‘zo kwetsbaar’ schrijft): aan de frontlinie is het vechten of neuken. Het patroon volgens Akkerman is dan ook: “Het doet zich overal voor waar macht onmacht treft en rijkdom het pad kruist van armoede: er ontstaat afhankelijkheid. En handel. Die kan uit van alles bestaan, ook seks, maar vruchtbare business is het zelden.” Het is dus eigenlijk de schuld van ongelijke verdeling en machtsverhoudingen, aldus de crypto-marxistische analyse van de columnist. De goedwillende hulpverleners, die juist strijden tegen die ongelijkheid, treft geen blaam.

De eerste reactie van Dolf Jansen, ambassadeur van Oxfam Novib, bij DWDD was “Als het waar is, dan…”, om vervolgens snel over te gaan op het formuleren van een antwoord op zijn eigen vraag “Wat is je volgende stap als hulporganisatie?” Bagatelliseren kun je leren!

Een nog verbijsterender conclusie trekt oud-hulpverlener Willem van der Put. Volgens hem is de aanwezigheid van buitenlanders fnuikend voor de ontwikkeling van arme landen. Je ontneemt hen de eigen verantwoordelijkheid. Goed punt! Opmerkelijk genoeg horen we dit argument uit deze hoek nooit als het gaat om de situatie in Nederland, maar dit terzijde. Vervolgens houdt Willem echter een pleidooi voor meer geld naar ontwikkelingslanden. We halen de hulpverleners weg vanwege afhankelijkheid en verruilen die voor afhankelijkheid van westers geld. Heel logisch. Terwijl medestrijder Akkerman juist constateert dat het allemaal onderdeel is van handel.

Columnist en dominee Rikko Voorberg haalt er ‘je kruis opnemen’ bij: “de waardes dragen waaraan je zelf opgehangen kunt worden”. Want Oxfam is een moreel hoogstaande organisatie die “onwaarschijnlijk goed werk doet en absoluut gesteund moet worden”. Zit hier niet de crux? De moraliteit die de Akkermannen, Jansens en Voorbergen zichzelf toeëigenen en die hen blind maakt voor de negatieve en verwoestende kanten van hulpverleningsorganisaties en hun doelstellingen. Want wat is de moraal van ngo’s, met grote kantoren, hoge salarissen, four-wheel drives, stromend water en ‘room for a pony’? Die toegeëigende moraal staat een discussie over de doeltreffendheid en noodzaak van buitenlandse hulp in de weg. En dan is het makkelijk moralistisch sneren naar bijvoorbeeld een politicus als Jacob Rees-Mogg (toch al verdacht als Brexiteer), die toevallig een dag na de onthulling van het Oxfam-seksschandaal een petitie “Stop de buitenlandse hulpgekte’ op 10 Downing Street aanbood.

De ingehuurde Haïtiaanse prostituees (nee Stevo, ze kwamen zichzelf niet aanbieden) zijn een smet op de hulporganisaties. Maar hun getuigen à decharge hijsen hen al snel weer op het smetteloze blazoen en gaan over tot de orde van de dag. Je opwinden over vermeend racisme of Assad doodwensen bijvoorbeeld.

Posted on

Grenzeloze experimenten

Bruno Latour

De Franse filosoof Bruno Latour spreekt in de Volkskrant. Aanleiding is zijn nieuwste boek, waarin hij klimaat, globalisering en migratie met elkaar verbindt. Volgens de filosoof is de klimaatkwestie dé geopolitieke kwestie van deze tijd. ‘Godin aarde slaat terug’ staat er boven het interview, waarmee Latour wil zeggen dat het klimaat de grenzen van wetenschap en oneindige groei aangeeft.

Hij begrijpt de reactie – die hij rechts noemt – op de lege belofte van eeuwigdurende vooruitgang. “Veel mensen willen daarom naar de oude natiestaat, omdat ze weten dat de droom van ‘outer space’ , van oneindige toegang tot natuurlijke hulpbronnen voorbij is… De horizon van moderniteit en economische groei is verdwenen. ” Links heeft hierop geen antwoord, want ze verkondigde zelf dat mantra decennialang. Latour wil hen een alternatief aandragen, omdat hij vindt dat links het beste antwoord heeft op mondiale ontwikkelingen zoals klimaatverandering, globalisering en migratie.

Maar ook bij de ideeën van Latour is de vraag ‘wat is links’ en ‘wat is rechts’? Want links is tegenwoordig gevangen in de bizarre cultus van identiteitspolitiek. Daarin strijden diverse groepen een wedstrijd wie het meest slachtoffer is. Hoor je daar niet bij – ben je niet slachtoffer genoeg, of erger, ben je onderdrukker – dan mag je niet meedoen. Dat bepaalt hun denken en handelen: een versplintering van politiek en samenleving. Waar Latour rechts van beschuldigt – zoeken naar identiteit in de oude natiestaat – doet links in overtreffende trap. Niet de trots op eigen cultuur, maar de prijs voor ‘het grootste slachtoffer’ is hun ideaal. Daar zal het “Europa als patrie”, waar Latour zijn hoop op vestigt, geen antwoord op zijn.

Kortom, ook Latour blijft een gevangene van het Franse denken dat zo typerend is voor ‘La Rive Gauche’. Het doet denken aan die sleetse jaren zeventig-opvatting, dat “de kraan linksom open gaat en rechtsom gesloten” wordt. Want ook Latour droomt van openheid en daarmee van grenzeloze experimenten, waarin voor de individuele mens geen plaats is. En naoorlogs links heeft deze experimenten – van Culturele Revolutie tot Seksuele Revolutie tot Humanitaire Revolutie – altijd gepropageerd. De gevolgen ervan ondervinden mensen waar ook ter wereld tot op de dag van vandaag. Dat is dé geopolitieke kwestie van deze tijd.

Posted on

Scherpe kritiek Oskar Lafontaine op immigratiebeleid Die Linke

In de Duitse politieke partij Die Linke gaan de zaken aanzienlijk anders toe dan in de Alternative für Deutschland (AfD), maar ook daar broeit er iets. Oskar Lafontaine, eminence grise van Die Linke en ooit minister en later kandidaat-bondskanselier van de SPD, valt de partijtop aan op zijn verkeerde opstelling in de asielcrisis.

In eerste instantie luchtte Lafontaine op zijn eigen facebook-pagina zijn hart, daarna sloeg hij alarm met een opiniestuk getiteld “Als vluchtelingenbeleid sociale gerechtigheid opheft”, dat op 27 september j.l. in het dagblad neues deutschland verscheen.

Neues Deutschland was, destijds nog met hoofdletters, het officiële blad van de SED, de staatspartij van de DDR, maar is sindsdien officieel onafhankelijk geworden van de moederpartij, die inmiddels Die Linke heet. In 2007 maakte de firma van de krant zich los van de partij, desalniettemin geldt de krant nog altijd als officieus partijblad, waarin de discoursvorming van de ‘gematigde’ vleugel, die de partij domineert en voorstander is van regeringssamenwerking met SPD en Groenen, plaats vindt.

In tegenstelling tot de kleinere, maar venijnigere, concurrent Junge Welt heeft neues deutschland echter niet alleen lezers verloren (de oplage ligt nog maar bij zo’n 30.000 exemplaren), maar ook een duidelijke inhoudelijke lijn. De aanpassing aan de links-liberale mainstream onder de kleurloze hoofdredacteur Tom Strohschneider heeft ertoe geleid dat de krant in zijn 70e levensjaar vooral één ding is: saai.

Hierin kan tenminste voor het moment verandering gekomen zijn, want Lafontaine zoekt de confrontatie, confrontatie met de meerderheid van het partijkader, waarbij hij er op rekent een meerderheid van de sympathisanten van de partij aan te kunnen spreken. In dit verband is het belangrijk om te bedenken dat grote delen van de partij een beleid voorstaan (of praktiseren) dat grote delen van het (potentiële) electoraat van de Die Linke, in het bijzonder in het oosten van het land, niet zouden blieven als ze volledig op de hoogte zouden zijn van de deels trans-Atlantische, deel anti-Duitse en compleet multiculturele opstellingen van de partij.

Keer op keer komt het zodoende tot dissonanten en conflicten, afkeer en frictie. Hierin spelen Lafontaine en zijn vrouw Sahra Wagenknecht een belangrijke rol. Het paar doet zijn best om aansluiting te vinden bij het volk, stelt zich zeg maar ‘links-populistisch’ op en wil weinig te maken hebben met wat andere invloedrijke partijkaders met de partij en met Duitsland voor hebben.

Onder het partijkader maken Lafontaine en Wagenknecht zich daarmee zacht gezegd niet tot de meest geliefde politici. De jongerenorganisatie van Die Linke heeft er bijvoorbeeld gewoonte van gemaakt om bij toespraken van Wagenknecht, die toch co-voorzitter van de Bondsdagfractie is, uit protest en bloc de zaal te verlaten. Ze zien haar als ‘dwarsfronter’ die standpunten inneemt die in de buurt komen van rechts-populisme, omdat ze de ‘geen mens is illegaal’-retoriek van de partij negeert.

Ook talrijke Landdag- en Bondsdagleden accepteren de rol van Wagenknecht en haar partner slechts tandenknarsend. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat Wagenknecht “onder de mensen” en in de talkshows het populairste gezicht van Die Linke is en in deze hoedanigheid ook in het oosten langzaam maar zeker populairder aan het worden is dan de oud wordende Gregor Gysi. In zekere zin heeft men Wagenknecht nodig als stemmentrekker, men werkt er tegelijkertijd echter constant aan dat zij noch haar standpunten te veel invloed krijgen in de partij.

Hetzelfde kan met betrekking tot Lafontaine gesteld worden. Hij mag dan een van de geestelijk vaders geweest zijn van de fusie van de west-Duitse WASG en de oude Linkspartei (PDS) tot Die Linke, maar zijn opvattingen vallen grotendeels samen met die van Wagenknecht. Ook vandaag de dag is hij in het Westen van Duitsland nog een van de meest prominente politici van Die Linke. Ook hij staat, op zijn laatst sinds zijn ‘Chemnitzer Rede’ in 2005, op de zwarte lijst van het dominante partijkader, is tegelijk echter geliefd bij linkse proteststemmers.

Tot zover deze kleine uitweiding over de verhoudingen binnen de partij Die Linke was nodig, om te duidelijk te maken hoe potentieel explosief het optreden van Lafontaine is. Het compromis binnen Die Linke bestond er met het oog op de Bondsdagverkiezingen van 2017 nu juist in de spagaat tussen het (deels immigratie-kritische) electoraat in het Oosten en de (vrijwel zonder uitzondering immigratie-fanatieke) partijfunctionarissenkaste in zowel het Oosten als het Westen uit te houden, door het onderwerp zo min mogelijk aandacht te schenken of met gemeenplaatsen af te doen zonder de eigen standpunten prijs te geven. Nu komt echter uitgerekend Lafontaine en schiet in de krant met scherp op de partijleiding en hun refugees-welcome-koers.

Lafontaines analyse snijdt overwegend hout, daaraan bestaat geen twijfel. Eerst laat hij de lezers duidelijk zien hoe Die Linke er bij zijn klassieke achterban tegenwoordig voor staat: Nog slechts 11 procent van de werklozen stemden op Die Linke (AfD 22) en slechts 10 procent van de arbeiders (AfD 21). Hij duidt de overstap van die kiezers naar de rechtse concurrent als signaal dat Die Linke het thema van de sociale gerechtigheid uit het oog is verloren of concreter: het thema van de sociale gerechtigheid voor de autochtonen.

De ervaring in Europa leert: Als deze mensen zich niet meer door linkse resp. sociaaldemocratische partijen vertegenwoordigd voelen, kiezen ze in toenemende mate voor rechtse partijen.

Dat klopt inderdaad en het bewijs daarvoor ligt in verschillende landen voor het oprapen. In Oostenrijk bijvoorbeeld waar zo’n 70 procent van de arbeiders niet meer de voorkeur geeft aan de SPÖ (of de communistische KPÖ), maar aan de FPÖ. En ook in Frankrijk, het klassieke politieke laboratorium van Europa ziet men tendensen dat een sociaal gevoelige rechtse partij succesvol meerderheden onder de arbeiders en de werkzoekenden kan verwerven, terwijl links zich met urbaan-kosmopolitische minderhedenthema’s bezig houdt.

Lafontaine werpt ook nog eens een kritische blik op de ‘nieuwe Duitsers’. Alleen een bepaalde laag slaagt er in “duizenden euro’s op te brengen, waarmee men de smokkelaars kan betalen om naar Europa en vooral naar Duitsland te komen”, terwijl de werkelijk noodlijdenden in hun land van herkomst moeten blijven:

Miljoenen oorlogsvluchtelingen vegeteren in de kampen, nog eens miljoenen mensen hebben helemaal geen kans om hun land vanwege honger en ziekte te verlaten. Men helpt onbetwist veel meer mensen, wanneer men de miljarden die een staat uitgeeft om het lot van de armsten van deze wereld te verbeteren ervoor gebruikt om het leven in de kampen gemakkelijker te maken en honger en ziekte in de armoedige gebieden te bestrijden. En wanneer men de miljarden die voor interventieoorlogen en uitrusting uitgegeven worden eveneens ervoor gebruikt om de armsten in de wereld te helpen, dan zou veel goeds bewerkt kunnen worden.

Ook hier verdient Lafontaine bijval. Hulp ter plaatse zou veel duurzamer zijn en bovendien bewerkt een euro daar meer dan een euro hier. Ook de kritiek dat interventieoorlogen en wapendeals juist niet de mensen in nood helpen, maar veeleer andere actoren (de wapenindustrie, investeerders, staten etc.) valt niet te bestrijden.

Het lijkt er in ieder geval op dat kort na de verkiezingen het compromis binnen Die Linke geen stand meer houdt, want Lafontaine laat het hier niet bij:

Het ‘vluchtelingenbeleid’ van de terecht afgestrafte ‘vluchtelingen-kanselier’ Merkel was volstrekt ongeloofwaardig, omdat hij vermeende medelijden met de oorlogsvluchtelingen haar er niet van weerhield via de Golf-emiraten wapens aan de jihadisten te leveren en deel te nemen aan de bombardementen van Syrië, die de mensen op de vlucht dreven.

Deze in essentie juiste uitspraken bergen een geweldige explosieve kracht in zich voor Die Linke. Niet zozeer omdat het geleidelijk steeds meer in de partij post vattende transatlanticisme met het bijbehorende bellicisme impliciet gegeseld wordt. Maar vooral omdat Lafontaine zowel het vluchtelingenbeleid van de regering direct aanvalt als ook bondskanselier Merkel zelf, die met name in de hippe, grootstedelijke linkse kringen tenminste op enige sympathie kon rekenen vanwege haar keuze de grenzen open te houden, steekwoord ‘Wilkommenskultur’.

Een linkse partij mag bij de hulp aan mensen in nood het principe van de sociale gerechtigheid niet buiten werking stellen. Wie bij arbeiders en werklozen zo weinig steun vindt (en dat was in 2009 nog anders!), moet er eindelijk eens over nadenken waar dat aan ligt. Daar helpt ook geen verwijzing naar urbane klassen – waartoe bij mijn weten ook arbeiders en werklozen horen, die merkwaardig genoeg altijd door diegenen als alibi gebruikt wordt, die bij hun verkiezingscampagneactiviteiten in de stedelijke centra in ieder geval bij een handje vol partijleden weerklank vinden.

Deze conclusie kon niet treffender zijn en toch hoeft men zich bij de AfD geen zorgen te maken. Een koerswijziging van Die Linke en het bijbehorende milieu in deze zin is niet te verwachten. Lafontaine ontbeert slagkrachtige netwerken in de partij. Zijn koers, die meer solidariteit met autochtonen en minder fanatisme voor de vluchteling als nieuw revolutionair subject als linkse heilsgestalte impliceert, zal dientengevolge weinig weerklank vinden bij het partijkader. De partijleiding heeft veeleer het tegenovergestelde in de zin.

Het is dan ook geenszins toevallig dat slechts een dag na Lafontaines stuk niemand minder dan Gregor Gysi een repliek in neues deutschland publiceerde. Meer dan de helft van de tekst is niets dan ijdel gezwets. Lafontaine wordt de les gelezen over hoe gul Gysi steeds naar hem geweest is en hoeveel geduld hij met hem geoefend heeft. Pas in het laatste stuk gaat Gysi inhoudelijk op Lafontaine in:

Is ons vluchtelingenbeleid werkelijk sociaal onrechtvaardig? [..] De toenemende stroom aan vluchtelingen is ook uitdrukking van de extreem verschillende sociale ontwikkelingen op de continenten. De oorzaken zijn divers. Oorlog leidt evenzeer tot vluchtelingen als honger, nood, lijden en milieurampen. Juist diegenen die een weinig bezit hebben, vrezen het te verliezen en gebruiken het om te vluchten. Hij zijn ongetwijfeld niet de armsten, maar arm zijn ze niettemin. Welke weg moeten we begaan? Die van de CSU? Moeten we werkelijk bovengrenzen eisen, nationaal egoïsme prediken. Zou dat linkse politiek zijn? [..]

We moeten aan de kant van de zwakken en het midden in de samenleving, overigens ook in de economie staan. Dat is onze opgave. De vluchtelingen zijn zwak, bij ons zelfs de zwaksten, om tegen hen te kiezen zou mijns inziens verraad betekenen aan ons sociale en humanistische uitgangspunt.

De bepalende alinea is de laatste. Hij laat in de kern zien hoe concept- en planloos de grenzen-open-voor-iedereen-opstelling van links ten aanzien van de dubbele uitdaging van massaimmigratie en het ontstaan van de Duitse neerwaartse-sociale-mobiliteitssamenleving is. Het verliest zich in gemeenplaatsen, die misschien nog voldoen voor gevoelsmatig linkse pedagogiek-bachelorstudenten uit Berlijn-Friedrichshain of Leipzig-Connewitz.

De arbeider of de werkloze daarentegen, die in zijn concrete materiële situatie niet door abstract-humanistische stellingen, hoe menselijk ook verpakt, aangetrokken worden, maar wil weten hoe concreet een verbetering van zijn individuele situatie alsmede die van de samenleving als geheel er uit kan zien – zo’n persoon zal er geen genoegen mee nemen dat hij kennelijk niet meer zo belangrijk is voor zijn linkse partij omdat er nu naar verluidt nog zwakkeren zijn (die op grond van het open-grenzenbeleid van Merkel, die door veel linkse politici slechts als opstapje naar nog meer immigratie gezien wordt, überhaupt in deze hoeveelheden ten tonele verschenen).

De sociale belangen van het precariaat, de uitzendkrachten, de werklozen, de wegbezuinigden, de overtolligen, de latent of openlijk door neerwaartse sociale mobiliteit en onzekerheid bedreigden (en deze opsomming omvat een steeds groter deel van de Duitse samenleving) vormen een interessant terrein waarop de AfD zich in toenemende mate zou kunnen begeven zonder dat ze daar met serieuze concurrentie hoeft te rekenen, aangezien het verkosmopoliteerde links, waaronder dus ook Die Linke, het uur van de sociale gerechtigheid, van de duidelijke stellingname, van de aansluiting bij de arbeidersklasse, kortom: het uur van het populisme uit ideologische en moralistische motieven aan zich voorbij heeft laten gaan.

Dat uur is nu aangebroken, maar de kwesties zullen in de toekomst nog aan belang winnen, naarmate de crises verergeren; noch de kredietcrisis, noch de eurocrisis, noch de migratiecrisis is immers fundamenteel aangepakt. En alleen die laatste bergt voor Die Linke al het gevaar in zich van een ernstige interne crisis met het risico van een afscheid van Lafontaine en Wagenknecht of een eventuele afsplitsing. Terwijl Lafontaine en Gysi discussiëren over voor wie en met wie ze eigenlijk een sociaal beleid willen voeren, loopt Die Linke een reëel risico om juist in zijn oost-Duitse stamland nog meer kiezers aan de AfD te verliezen en op termijn zelfs overbodig te worden. Lafontaine trekt aan een dood paard.

 

Posted on

De heerschappij van de onvitalen

De verkiezing van Emmanuel Macron tot president van Frankrijk is het zoveelste teken van de heersende cultuur van de dood.

Emmanuel Macron is 39 jaar oud, staat dus in de bloei van zijn leven en is wel op het hoogtepunt van zijn carrière aangekomen. Zijn echtgenote Brigitte is 64 jaar oud, dus in een tegengestelde fase van haar leven. Zoals bekend hebben de twee elkaar als scholier en lerares leren kennen, toen Emmanuel 15 jaar oud was. Twee jaar later werden ze een stel. Een van Brigittes dochters zat destijds in dezelfde klas als Emmanuel. De moeder van drie kinderen liet zich later van haar toenmalige man scheiden en trouwden in 2007 met haar jeugdige geliefde.

Ik heb me afgevraagd of ik hierover moest schrijven, aangezien het immers om een privéaangelegenheid gaat. Weliswaar gaan het liefdesleven ook van een prominente persoon niemand wat aan. Maar Emmanuel Macron heeft het hele gebeuren zelf tot een publieke aangelegenheid gemaakt, door zijn echtgenote tijdens de campagne naar allerlei gelegenheden mee te nemen. Daarmee werd de zaak metapolitiek van belang.

De verhouding tussen de geslachten is biologisch bepaald
Onnodig te zeggen, dat de beschreven verhouding door de meeste normale mensen tenminste als ongewoon wordt gezien. Voor een jonge man mag het dan een erotische fantasie zijn eens een affaire te hebben met een oudere vrouw, maar om er ook mee te trouwen, is zelden onderdeel van een dergelijke fantasie. Gebruikelijkerwijs beperkt een dergelijke voorstelling zich vooral tot een oudere vrouw, die evenwel nog niet een bepaalde leeftijdsgrens overschreden heeft en die grens is in essentie biologisch bepaald.

Een relevant verschil tussen mannen en vrouwen is namelijk, dat een man theoretisch nog tot op hoge leeftijd kinderen kan krijgen, terwijl een vrouw dat slechts tot het eind van haar aflopende vruchtbaarheid kan. Al voor het definitieve uitscheiden van de vruchtbaarheid wordt voor vrouwen de hele aangelegenheid echter al ingewikkelder. Daaruit verklaart zich de natuurlijke neiging van mannen zich vooral tot jonge vrouwen aangetrokken te voelen, aangezien de seksualiteit van nature gericht is op voortplanting. Ook de verliefdheid dient er in essentie toen de partners aan elkaar te binden om de opvoeding van het nageslacht veilig te stellen.

Op grond van deze biologische verschillen, die ook door de gender-ideologie genegeerd worden, willen de meeste mannen niet samenzijn met een vrouw die veel ouder is. Min of meer dezelfde leeftijd wordt nog als normaal gezien, gebruikelijk is echter dat de vrouw ten minste een beetje jonger is. Ook de meeste vrouwen willen dat zo. Een werkelijk rijpe vrouw die met een half kind naar bed wil, is buitengewoon ongebruikelijk, aangezien vrouwen zich normaliter tot mannelijkheid en succes aangetrokken voelen.

De Macrons zijn geleefd cultuurmarxisme
Weinig verrassend wordt het komische huwelijk van de Macrons door de massamedia min of meer, maar toch uitsluitend, positief benaderd. In het bijzonder bij de voorstelling van Brigitte grijpt men graag naar lovende woordkeuzes. Men merkt hier duidelijk een strijdbaar feministische ondertoon op.

Het normale wordt in zijn tegendeel verkeerd, gekroond en moet nu voor de algemeenheid als voorbeeld dienen, om de cultuurmarxistische ondergraving van de samenleving te bevorderen. Het is nu dus zogenaamd een overwinning voor het feminisme, dat nu ook eens een oma met een toyboy gezien kan worden, die bovendien ook nog eens het hoogste staatsambt bekleedt.

Interessant is hier natuurlijk de dubbele moraal. Had namelijk een 41-jarige man een 17-jarige vriendin, dan zouden de feministen protesteren. Inderdaad is ook deze voorstelling voor de meeste mensen in meer of mindere mate afstotend. Ofschoon het om genoemde redenen natuurlijk is, wanneer de vrouw jonger dan de man is, zo is er evenwel ook hier ene zekere grens van de goede smaak resp. van de overschrijding van de grens naar prostitutie. Maar nu de verhouding tussen de seksen omgekeerd is, waagt niemand het de zaak te bekritiseren.

Het gezin is de kerneenheid van het volk
Een van de neveneffecten van deze verhouding is ook dat Emmanuel Macron geen kinderen heeft en ook geen kinderen meer kan krijgen, althans niet met zijn echtgenote. Daarmee is hij een slecht voorbeeld voor het volk, wiens kleinste eenheid en enige garant voor zijn voortbestaan het gezin is. Hij sluit zich dus aan in de rangen van de kinderloze carrièremensen à la Angela Merkel, die onze politieke kaste domineren. Deze kinderlozen willen zoals bekend onze volken door kinderrijke vreemde volken uit de Derde Wereld vervangen.

Het is fataal wanneer de politieke kaste uit decadenten bestaat, die geen relatie meer hebben met het normale leven en de natuurlijke gemeenschap. Het ontbreekt hen aan vitaliteit, aan gezonde instincten en de kracht voor echte overgave, die op geestelijke verbindingen met de oerkrachten van het leven stoelt. Niet ieder concubinaat is een huwelijk in eigenlijke zin. Oswald Spengler zag in het opkomen van partnerschappen tussen man en vrouw, die niet meer primair op de wens om een gezin te stichten berusten, een teken van de ontaarding van de samenleving, die tot de onvruchtbaarheid van de beschaafde mens leidt.

Emmanuel Macron staat daarmee symbool voor een zwakke leider, die zijn land ruïneert. Zoals bekend juicht hij de lopende massa-immigratie en islamisering toe. Het mag dan niet stroken met de politiek-correcte denkvoorschriften, maar een normaal mens denkt toch onvermijdelijk bij zichzelf: Wat mankeert die man, hij ziet er goed uit, is jong en succesvol, maar zoekt geen vrouw op waarvan hetzelfde geldt en waarmee hij een gezin kan stichten. Is hij werkelijk een man in de beste betekenis van het woord of is hij toch niet meer dan een zonderlinge marionet van de werkelijk machtigen?

Dit artikel is oorspronkelijk in het Duits verschenen bij de Blaue Narzisse.

Posted on

Jean Raspail over de immigratiecrisis: ‘Dit is nog maar het begin’

Jean Raspail

In het Franse tijdschrift Le Point verscheen in september van vorig jaar een interview met de schrijver Jean Raspail, over zijn boek van enkele decennia geleden en de huidige immigratiecrisis, dat we hieronder in vertaling weergeven.

Le Point: Sommigen op de rechterflank beschouwen uw boek Le Camp des Saints, geschreven in 1972, als visionair, met name sinds de vluchtelingencrisis. Wat vindt u daarvan?
Raspail: Deze migrantencrisis brengt een einde aan dertig jaar beledigingen en laster aan mijn adres. Ik ben een fascist genoemd, omdat dit boek als een racistisch werk beschouw werd…

Ben u een racist?
Nee, überhaupt niet! Je kunt niet je hele leven de wereld over reizen, lid zijn van het Genootschap van Franse Ontdekkers, ik weet niet hoeveel bedreigde stammen tegen komen, en een racist zijn. Dat lijkt me nogal moeilijk. Toen het boek in 1972 uitkwam schokte het mensen ontzettend, met een reden. Er was een tijd, met name tijdens het zevenjarig bewind van Valéry Giscard d’Estaing, dat er een ware intellectuele terreur werd geoefend tegen rechtse schrijvers.

“Intellectueel terrorisme”, werkelijk?
Ja. Ik werd beledigd, door het slijk gehaald, geleidelijk nam het weer af. Want beetje bij beetje begon men te ervaren wat ik in het boek beschreven had. Een aantal intellectuelen, ook ter linkerzijde, begonnen te onderkennen dat er enige waarheid schuilde in wat ik had aangekondigd. Bertrand Poirot-Delpech, die me in Le Monde aan de paal had genageld toen het boek uitkwam, verklaarde in een artikel in hetzelfde dagblad in 1998, dat ik uiteindelijk gelijk had. Nu is het voorbij.

Alleen Laurent Joffrin (de chef van het linkse dagblad Libération, red.) blijft over. Aan hem valt niets te doen, hij blijft op me spugen, hij kan niet anders. Maar mijn vriend Denis Tillinac heeft aangeboden hem van repliek te dienen. Ik ben niet wraakzuchtig. Ik ben nu op de plaats waar ik moet zijn.

Als dit boek niet racistisch is, hoe zou u het dan omschrijven?
Het is een verrassend boek.

Verrassend?
Dit boek kwam op een vreemde manier tot stand. Eerder had ik boeken geschreven over mijn reizen en romans, met weinig succes. Op een dag in 1972, ik was in het zuiden van Frankrijk, logeerde bij een tante van mijn vrouw, nabij Saint-Raphaël in Vallauris. Ik had een kantoor met uitzicht op de zee en ik zij bij mezelf: “En wat nou als ze zouden komen?” Dat “ze” was in eerste instantie niet strak omlijnd. Toen stelde ik me voor dat de Derde Wereld dit gezegende land dat Frankrijk is zou binnenstormen. Het is een verrassend boek. Het heeft veel tijd gekost om het te schrijven, maar het kwam vanzelf tot me. Ik stopte iedere avond met schrijven en de morgen daarop begon ik weer, zonder te weten welke kant het uit ging. Er is een inspiratie in dit boek die vreemd is aan mezelf. Ik wil niet zeggen dat het goddelijk is, maar vreemd.

Er is één ding dat u niet voorzien heeft: de afwijzing die dit boek opriep vanaf het moment dat het verscheen…
Toen mijn uitgever Robert Laffont, een apolitieke man, het manuscript las, was hij zeer enthousiast en veranderde geen komma. Ik hoefde zelf ook niets aan te passen.

Zou zo’n boek vandaag de dag mogelijk zijn geweest?
In eerste instantie verkocht Le Camp des Saints niet. Tenminste vijf of zes jaar stokte te verkoop. Zeer kleine aantallen. Toen, drie jaar later, namen de aantallen ineens toe. Het succes kwam door mond-tot-mond-reclame en door de promotie door rechtse schrijvers. Tot de dag in 2001, dat een scheepslading Koerdische vluchtelingen aan land kwam in Boulouris, nabij Saint-Raphaël, niet ver van het kantoor waar ik Le Camp des Saints schreef! Deze affaire gaf een verschrikkelijke opschudding in de regio. Meteen begon men weer over mijn boek te praten en het bereikte een breed publiek. Het was het begin van de komst van mensen van elders via zee. Ik schaam me een beetje, want steeds als er een grote instroom migranten is, wordt mijn boek herdrukt.

Is het een politiek boek?
Misschien een beetje, ja. Het laatste bolwerk van trouwen en vechters is samengesteld uit patriotten die gehecht zijn aan hun identiteit en hun land. Zij staan op tegen algemene broederschap en rassenvermenging (métissage)…

U zegt dat u niet tot extreem-rechts behoort, maar uw boek is tot een traktaat geworden in bepaalde xenofobe groepen. Vindt u dat jammer?
U heeft het over het uiterste van uiterst rechts! Het is mogelijk dat dit boek misbruikt wordt en er kan soms excessieve taal zijn. Ik kan daar niets aan doen. Hoe dan ook, ik zit niet op internet, ik ben nog niet aangekomen in de 21e eeuw, dus ik weet niet wat ze zoal zeggen. Persoonlijk ben ik rechts en het valt me niet zwaar dat te zeggen. Ik ben zelfs “rechts-rechts”.

Wat wil dat zeggen?
Laten we zeggen, rechtser dan Juppé (een oud-premier voor de UMP, nu burgemeester van Bordeaux en voorvechter van de islamitische bevolking red.). Ik ben ten eerste een vrij man, nooit gebonden aan een partij. Ik patrouilleer langs de grens.

Stemt u?
Niet altijd. Ik ben een royalist. Ik stem in de laatste ronde van de presidentsverkiezingen. Ik stem niet links, dat is zeker.

Heeft u wel eens gedacht aan een vervolg op Le Camp des Saints?
Het is zeker dat er een vervolg zal zijn, maar niet van mij. Zal het uitkomen voor de grote instorting? Ik ben er niet zeker van.

In uw boek spreekt u over de “wrede” natuur van migranten. Maar we zien vandaag de dag dat de mensen die aankomen uit Syrië of van elders geen mes tussen de tanden hebben…
Wat er vandaag gebeurt is van geen belang, het is anekdotisch, want we staan nog maar aan het begin. Op dit moment heeft de hele wereld het hier over, er zijn duizenden specialisten over de migrantenkwestie, het is een chaos van commentaar. Niet één van de deskundigen kijkt naar de vijfendertig jaar die voor ons liggen. De situatie die we vandaag doorleven is niets vergeleken bij wat ons in 2050 wacht. Er zullen negen miljard mensen op de aarde zijn. Afrika is van honderd miljoen naar een miljard inwoners gegaan in een eeuw, en misschien twee in 2050. Zal de wereld leefbaar zijn? De overbevolking en de godsdienstoorlogen zullen de situatie fragiel maken. Dan zal de invasie zich voordoen, het is onafwendbaar. De migranten zullen grotendeels uit Afrika, het Midden-Oosten het Aziatische Rimland komen…

Zouden we het kwaad aan de wortel aan moeten pakken en strategisch punten van IS bombarderen, zoals Frankrijk onlangs begonnen is te doen?
Het is hun probleem, niet het onze. Het gaat ons niet aan. Waar bemoeien we ons mee? Waarom willen een rol spelen? Laat hen ermee omgaan! Jaren geleden hebben we ons teruggetrokken uit deze regio’s. Waarom zouden we weer terug gaan?

En wat doen we als Syrië opdracht geeft Frankrijk aan te vallen?
We snijden ze de pas af. We voorkomen dat ze op Frans territorium komen. De politici hebben geen oplossing voor dit probleem. Het is als met de schuld – we geven hem door aan onze kleinkinderen. Onze kleinkinderen zullen om moeten gaan met dit probleem van massale migratie.

De Katholieke Kerk zit totaal niet op deze golflengte. Ze dringt erbij de gelovigen op aan hun gulheid te laten zien…
Ik heb geschreven dat de christelijke charitas een beetje te lijden zal krijgen van de instroom van migranten. Het zal zich stilletjes moeten terugtrekken en compassie van allerlei soort moeten onderdrukken. Zo niet, dan zullen onze landen overspoeld worden.

Iedereen afwijzen, inclusief de Oosterse christenen?
Mogelijkerwijs. Maar zij staan dichter bij de Westersen door hun godsdienst. Dit is waarom veel Fransen hen wel zouden willen accepteren. Frankrijk, dit land zonder godsdienst, bewijst dat de grondslag van de westerse beschaving een christelijke is. Mensen reageren, zelfs als ze niet meer naar de kerk gaan of praktiseren, in overkomst met deze christelijke grondslag.

Onlangs is bij Uitgeverij De Blauwe Tijger van de hand van Jef Elbers een Nederlandse vertaling van Le Camp des Saints verschenen, onder de titel De ontscheping

De Ontscheping ~ Jean Raspail

Posted on

Socialistenleidster met ordoliberale kapitalismekritiek

In het kielzog van de in 2008 geëscaleerde financiële crisis in de Verenigde Staten beleeft de na de val van de Sovjetunie grotendeels verstomde kapitalismekritiek een glanzende renaissance. In het bijzonder nu ‘nevenschade’ als aantasting van het milieu of massamigratie, die het neoliberaal geradicaliseerde kapitalisme in het mondiale zuiden veroorzaakt, sinds kort in het mondiale noorden duidelijker op te merken zijn en het systeem zelf ter discussie stellen, omdat de centrale rechtvaardiging ervan, welvaart voor steeds meer mensen te scheppen en over de band van de ‘markt’ sociale gerechtigheid te bewerkstelligen, zich bewijst als pure ideologie.

In Duitsland ontbreekt het echter, anders dan in linkse milieus in sommige andere West-Europese landen, aan sociaaleconomische alternatieven. En dat terwijl Duitsland met Humboldt en Novalis, Marx en Abbe, Heidegger en Marcuse steeds een geestelijk centrum was in de wereldwijde strijd tegen het reductionistische wereldbeeld van angelsaksische “rekenmeesters” (Adam Müller).

In de intellectueel kwakkelende gevestigde partijen is het zowaar alleen Sahra Wagenknecht, fractieleider van Die Linke in de bondsdag, die zich als serieus te nemen critica van het “casinokapitalisme” (Hans-Werner Sinn) profileert.

Reichtum ohne GierDat wordt ook bevestigd door haar concept van een nieuwe economische orde, dat ze ontwikkelt in haar jongste boek ‘Reichtum ohne Gier’ (Rijkdom zonder hebzucht). Ze laat zich daarin, anders dan bijvoorbeeld de op radicaal-democratische omwentelingen hopende Sloveense filosoof Slavoj Zizek, verrassend genoeg niet inspireren door Marx en Engels, maar veeleer door het maatschappelijke ondernemerschap van Ernst Abbe en het ordoliberalisme van Ludwig Erhard.

N.a.v. Sahra Wagenknecht, Reichtum ohne Gier. Wie wir uns vor dem Kapitalismus retten (Frankfurt am Main, 2016), 292 p.