Posted on

300 jaar Liechtenstein groots gevierd

Vanaf 23 januari viert Liechtenstein met diverse feestelijkheden en tentoonstellingen de stichting van het vorstendom 300 jaar geleden. Keizer Karel VI verhief toen de graafschap Vaduz en de heerlijkheid Schellenberg samen tot vorstendom met rijksonmiddellijkheid.

Op 23 januari van dit jaar luidt het vorstendom met een groot feest zijn jubileumjaar in. Vanuit beide landsdelen begeven zich dan groepen mensen te voet op weg naar het Schaaner Riet. “De twee landsdelen zullen elkaar na het invallen van de duisternis symbolisch op de binnengrens treffen”, aldus Michelle Kranz van Liechtenstein Marketing. Deze enscenering moet tot een blijvend beeld van het jubileumjaar worden. Parallel hieraan vindt een feest met nationale en internationale gasten, waaronder diverse staatshoofden, in het centrum van Schaan plaats.

Geschiedenis

Vanaf 27 februari loopt in het Landesmuseum van Vaduz voor een jaar de tentoonstelling ‘1719 – 300 jaar vorstendom Liechtenstein’. Met objecten uit de vorstelijke collecties en van verschillende musea, wordt een beeld van de tijd tussen 1712 en 1722 geschetst. De exposities gaan onder andere over het leven van alledag, de economie, literatuur, filosofie, muziek, kunst, architectuur en de wetenschap. Meer informatie op www.landesmuseum.li

Wandelroute

Op 26 mei wordt een zogenoemde Liechtenstein-weg geopend. Deze 75 kilometer lange wandelroute, die alle elf gemeentes van het vorstendom aandoet, voert langs bezienswaardigheden, schitterende uitzichten en idyllische rustplaatsen. Voor informatie over de dingen die men onderweg tegenkomt, kan men de app ‘LIstory’ downloaden.

Staatsfeiertag

De Staatsfeiertag op 15 augustus vormt het hoogtepunt van de jubileumsfeestelijkheden met een feest bij slot Vaduz, het aperitief in de rozentuin, het aansluitende volksfeest en een groot vuurwerk.

Kunst

Met ‘Liechtenstein. Over de toekomst van het verleden. Een dialoog der collecties’ worden in het Kunstmuseum van Vaduz vanaf 19 september deels pas gerestaureerde werken van oude meesters uit de vorstelijke collecties in contrast met eigentijdse kunst gezet. Informatie hierover op www.kunstmuseum.li

Meer informatie over alle evenementen en tentoonstellingen in het kader van het jubileumjaar kunt u vinden op www.300.li

Posted on

‘Stille nacht’ – Hoe een Kerstlied een wereldhit werd

Een goed lied gaat de wereld over. En er is geen lied waarvoor dat meer geldt dan het kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’. Op 24 december precies 200 jaar geleden zette Franz Xaver Gruber de destijds twee jaar oude tekst van zijn vriend Joseph Mohr op muziek. Het werk werd nog diezelfde avond in Oberndorf bij Salzburg voor het eerst door hen opgevoerd.

Wat geen van beiden kon vermoeden: De toegankelijke melodie zou een wereldhit worden, die tot op heden in meer dan 300 talen en dialecten door zo’n 2,5 miljard mensen ieder jaar met Kerstmis gezongen wordt. Wereldberoemd werd het lied door Bing Crosby’s radio-uitzending in 1934: De opname werd de op twee na meest verkochte muziekplaat aller tijden. Sinds 2011 behoort ‘Stille nacht’ officieel tot het immateriële culturele erfgoed van de mensheid.

Film

De populaire stof inspireerde sinds 1910 de meest uiteenlopende regisseurs tot een hele reeks, niet allemaal even geslaagde, films. Zo eenvoudig als de melodie is, zo moeilijk laat ze zich cineastisch omzetten. In het jubileumjaar heeft de Oostenrijkse tv-zender Servus TV in samenwerking met de Duits-Franse tv-zender ARTE en de Bayrische Rundfunk een nieuwe poging ondernomen. Het is een mix geworden van een muziekfilm en een verhalende documentaire. Een film van 52 minuten, waarin ‘Stille nacht’ nu eens gezongen, dan weer instrumentaal of als achtergrondmuziek voorbijkomt, gezongen steeds in de moedertaal van de vertolker. De variaties op het lied worden geschikt verweven met kerstige blikken op de plaatsen die bepalend waren in het ontstaan en de verspreiding van het lied. Daaronder in de eerste plaats Salzburg, maar ook New York, Londen, Parijs en Jeruzalem. Internationale sterren uit klassieke en popmuziek komen voorbij. Zo presenteren Joss Stone, Kelly Clarkson, Rolando Villazón, Anggun, Lina Makhoul, de Wiener Sängerknaben en het Mozarteumorchester Salzburg exclusief hun eigen versies van ‘Stille nacht’.

Loopgraven

‘Stille nacht’ was door zijn tekst altijd al een lied van hoop en verwachtingsvol uitzien, maar door het gezamenlijk zingen ervan in de wederzijdse loopgraven en de aansluitende verbroedering onder de vijandelijke soldaten aan het Westfront in 1914, werd het lied nog sterker verbonden met het verlangen naar vrede onder de mensen.

Om dit Kerstwonder nog eens na te vertellen, werd Robin Aristorenas met zijn team aan boord gehaald, die eerder onder andere voor de televisieserie Game of Thrones digitale effecten creëerde. De kijker wordt door de hele film geleid door toneelspeler Peter Simonischek, die de buitengewone geschiedenis van het lied simpelweg sprookjesachtig verteld.

https://www.arte.tv/de/videos/079462-000-A/stille-nacht/

Posted on

Eerste Wereldoorlog politiek vervormd en misbruikt

De herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog zijn nu ten einde. 1914-1918 is 100 jaar geleden
uitgevochten en beëindigd in een treinwagon in Frankrijk op 11 november 1918. Gepast dus om grote herdenkingen te houden, en stil te staan bij de gevolgen en oorzaken en uiteraard om lessen te trekken voor het hier en nu.

Op 11 november mochten de hoge meneren en mevrouwen allemaal  hun zegje komen doen over wat zij dachten over WO1. Zoals we van politici en politiek activisten kunnen verwachten, laten ze de kans zelden onbenut om te proberen te scoren voor hun eigen publiek.

Er was een leidraad: het vreselijke ‘nationalisme’ dat de oorzaak was van de Grote Oorlog en dat we nu de lessen moesten trekken om vrede te kunnen bewerkstelligen. Zonder één kritische vraag of opmerking geraken ze hier mee weg, want niemand die één van die figuren hun durft te onderbreken, laat staan tegenspreken.

Nationalisme als oorzaak van WO1?

Ik probeer 3 oorzaken boven te halen om een verband te schetsen tussen nationalisme en WO1. We beginnen met de geschiedenis die vooral eigen is in Vlaamse context. De frontbeweging ontstond in de loopgraven, uit frustratie over hoe de Franstaligen het Vlaamse voetvolk behandelden in de loopgraven. Een culturele Vlaamse beweging die streefde naar een gelijkwaardigheid binnen Belgische context, werd een anti-Belgisch nationalisme. Deze had echter zijn ontstaan pas in WO1, iets wat bezwaarlijk een oorzaak of zelfs katalysator kan zijn voor de oorlog.

Een tweede oorzaak kan liggen in de eenmakingsbewegingen en afscheidingsbewegingen, en dus de aanslag op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een Servisch nationalist. Wat men vergeet is dat er een reden was om het congres van Wenen van 1815 ter discussie te stellen. De belangen waren zeer groot. De schuldenopbouw die zeer groot was, was al een motief voor spanning op politiek vlak tussen verschillende machtsblokken.

Destabilisatie

Zo was er vanuit Groot-Brittannië ook zeer actief een politiek van destabilisatie in bv de Balkan en ten aanzien van het Ottomaanse rijk. Verschillende oppositiebewegingen werden ondersteund, door onder andere het geld van de Rothschild familie. Zo was er de steun voor de Servische nationalisten vanuit Groot-Brittannië omdat men zo hoopte Oostenrijk-Hongarije te verzwakken.[1]

Dit was trouwens in het nadeel van de Serviërs, aangezien Frans Ferdinand er een voorstander van was om het rijk om te vormen naar een tripel monarchie. Dat dergelijke afscheidingen of eenmakingen van naties gebeurden onder louter ideologische overwegingen klopt dus niet en is ofwel gezegd door een fundamenteel gebrek aan kennis, of door hypocriete bedoelingen voor politiek gewin.

Fré Morel ~ Oorlog is misleiding en bedrog (2e druk)

Een laatste verband is dat met de mobilisatie. Er werd inderdaad zonder twijfel patriottisme gebruikt om vrijwilligers te mobiliseren. Maar mobilisatie en een oorzaak van de oorlog zijn twee verschillende dingen. Wanneer een oorlog is ontketend, of men wil er naartoe werken, zal men alles gebruiken als mobilisatiekracht.

‘Making the world safe for democracy’

Hoeveel oorlogen worden er vandaag niet uitgevochten onder het mom van ‘Vrijheid en Democratie’ te brengen? We hoeven maar naar de Arabische lente te kijken. Het Westen heeft er een patent op overal ter wereld de goede boodschap te verspreiden door actief obscure oppositiebewegingen te ondersteunen.

Of deze nu vredevolle bedoelingen hebben of niet is nooit aan de orde. We denken maar aan het ondersteunen van organisaties als de Taliban in Afghanistan tegen de Soviet Unie [2], de inval van Israël tegen Nasr in Egypte voor het Suezkanaal [3] en nog veel actueler de steun aan jihadistische organisaties in Syrië en Libië [4]. Is deze mobilisatie minder kwalijk, of zijn de slachtoffers van drone-aanvallen minder dood?

Of is de constante mobilisatie en het bijbouwen van militaire basissen tegen Rusland misschien minder risicovol? Of de greep van de militaire industrie op het Witte Huis, die steeds miljoenen verdienen aan de verkoop van wapens en munitie, is dit dan iets waar we zijn op vooruitgegaan?

Oorlog is steeds misleiding en bedrog, en dat globalisten vandaag aan het woord komen om de vinger te wijzen naar hun grote vijandsbeeld ‘nationalisten’ is bijzonder wrang. Het is dansen op de lijken van de miljoenen slachtoffers onder de bevolking. Dat we vandaag iets geleerd hebben sinds 1918 is dus jammer genoeg ‘wishfull thinking’ om het op zijn Engels te zeggen.


  1. Fré morel, Oorlog is misleiding en bedrog (Groningen: De Blauwe Tijger, 2018).
  2. https://www.hln.be/nieuws/buitenland/westen-snel-akkoord-over-steun-aan-taliban-in-1980~a6e4f707/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.be%2F
  3. http://users.ox.ac.uk/~ssfc0005/The%20Protocol%20of%20Sevres%201956%20Anatomy%20of%20a%20War%20Plot.html
  4. https://www.ad.nl/politiek/onderzoek-naar-nederlandse-steun-aan-jihadisten-syrie~ada7f9a4/
Posted on

Hollywood-activisme in het Interbellum. Hoe de Sovjet-Unie haar propagandamachine uitrolde en westerse beroemdheden voor zich won

[pullquote]“De bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld.” – Karl Marx [i] [/pullquote]

Weinig mensen zullen Willi Münzenberg kennen. Deze mediamagnaat was een meester in de strijd om de politieke waarheid. Na te zijn vermoord door zijn oude werkgever, Stalin, is Münzenberg behendig uit de geschiedenis gelaten. Maar juist daarom is het van belang om zijn loopbaan als propagandist te onderzoeken.[ii] In dit artikel zal ik ingaan op de verregaande culturele invloed van Willi Münzenberg.

Het activisme van een groot aantal acteurs, auteurs en musici in onze tijd is algemeen bekend. Dit wordt veelal slechts als iets modieus gezien. Onschuldige goeddoenerij. Maar waarom is het überhaupt modieus? Lezen over Münzenberg opent een poort naar een vreemde en in nevelen gehulde geschiedenis. Het legt de machinekamer bloot waarmee de westerse intellectueel vanuit Moskou werd verleid. Deze machinekamer bestond uit een groot netwerk van uitgeverijen, filmproductiebedrijven en kranten. Maar het beheerste ook de levens van publieke intellectuelen en grote literaire schrijvers. Het was Wilhelm “Willi” Münzenberg die geknipt bleek om dit propaganda-apparaat te sturen.

Bespeelde levens

Lillian Hellman, Dorothy Parker, Romain Rolland, Felix Frankfurter, Fernand Leger, Paul Eluard, Ella Winter, Elsa Triolet, Louis Aragon, Lincoln Steffens, André Malraux, Clara Malraux, André Gide, Ernest Hemingway, Sinclair Lewis: dat is slechts een greep uit de namen van de beeldbepalende kunstenaars die sympathie hadden voor het stalinisme. Literaire zwaargewichten, prijswinnaars en trendsetters in de jaren twintig en dertig van (West-) Europa en de VS. Zij werden allen, vrijwillig of onvrijwillig, verleid om ‘fellow-traveler’ van de communistische zaak te worden. Een haast schrijnend voorbeeld is dat van Romain Rolland, Frans schrijver en winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur. Sommige schrijvers werden enkel geschaduwd, maar Rolland’s leven werd direct gemanipuleerd. Maria Pavlova Khoudachova (dit is de Franse transliteratie, hierna wordt de naam steeds weergegeven in de Nederlandse transliteratie, nl. als Choedasjova, red.), een Russische prinses, was een sovjetspion die getraind was om het leven van Rolland te bespelen.[iii] Zij trouwde met hem, beïnvloedde zijn politiek en zijn werk en zou na zijn dood de literaire erfenis blijven manipuleren. Dit gebeurde allemaal zonder dat Rolland ooit de waarheid achter de bedoelingen van Choedasjova leerde kennen. Choedasjova was een succesvolle pion in Münzenbergs strategie om cultureel Europa te veroveren.

Wie was dan die man, die met het grootste gemak het denken van velen bespeelde? Willi Münzenberg, geboren in 1889 in Duitsland, groeide in armoede op. Als zoon van een barman raakte Willi al snel betrokken bij de arbeidersbeweging. Tegen de tijd dat de Eerste Wereldoorlog uitgebroken was, was hij al een graaggeziene gast van Lenin. Münzenberg was op de radar van Trotski gekomen en werd al snel de organisatorisch talentvolle protegé van Karl Radek, een belangrijke spin in de communistische activiteiten in Duitsland. De eerste grote verdienste van Münzenberg, kwam in 1921. Lenin had hem in Moskou uitgenodigd en de taak gegeven om in het westen een inzamelingsactie voor de hongersnood in de Sovjet-Unie te beginnen.[iv] Deze grote propagandaslag liep onverwachts slecht uit, aangezien westerse filantropen en beroemdheden deze actie gebruikten om hun weelde en goedheid te bewijzen. Hoewel er grote bedragen binnenkwamen, kwam de westerse ‘PR’ het beste uit de verf, vergeleken met de armoedige Sovjet-Unie – het binnengehaalde geld was überhaupt van kleiner belang dan een propagandistische winst.

Moskou zag wel het organisatorische talent van Münzenberg. Maar de grootste slag die Moskou geslagen had, was dat zij wisten wat er bij de westerse culturele elite te halen viel. De bespeelbaarheid van hun trots en morele kompas kon gemakkelijk misbruikt worden. Münzenberg kreeg veel middelen tot zijn beschikking. Begin jaren twintig begon hij met het opzetten van zijn media-imperium. Dit deed hij door te beginnen met de aankoop van de distributierechten van vrijwel alle films in Duitsland. Deze bracht hij onder de hoede van een breed scala aan dummy corporations, waaronder de Aufbau, Industrie & Handels A.G.[v] Niet alleen Europa moest eraan geloven. De lange arm van Moskou reikte tot voorbij de Atlantische Oceaan: Münzenberg kreeg in 1925 de opdracht van de Komintern (de organisatie die gericht was op het internationaliseren van het communisme) om van de Amerikaanse communistische partij een propagandacentrale te maken.[vi] In de loop der jaren zou zijn greep hierop toenemen. Vele andere westerse socialistische organisaties stond hetzelfde lot te wachten.

De Publieke Opinie

Het is even interessant als ontluisterend om te zien hoe Münzenberg de onderstroom van de mainstream wist binnen te dringen. Hiervan twee voorbeelden: allereerst was er de Sacco-Vanzetti Case. Dit was een rechtszaak in Amerika tegen twee anarchistische Italianen die een dubbele moord zouden hebben gepleegd, waar de internationale pers lang over zou blijven schrijven. Münzenberg zette de Sacco-Vanzetti Case neer als racistisch gemotiveerd en bevestigde hiermee het idee dat Amerika geen land vol kansen, maar vol bekrompen vooroordelen was. Hiernaast werden er vele protestacties georkestreerd door de communistische partij en zou een inzamelingsactie een half miljoen opleveren – waarvan slechts 6.000 dollar bij Sacco en Vanzetti terecht zou komen.[vii]

Het tweede voorbeeld toont misschien wel Münzenbergs sluwste kant: Tussen 1928 en 1932 orkestreerde Münzenberg een vredesbeweging, die als voorbeeld geldt voor hoe de mythologie van progressieve gedachten wordt verspreid. Hiervoor zette hij The League Against War op. Het culmineerde in meerdere congressen voor vrede, waarbij iedere graad van links denken welkom was. Om de schijn op te houden, dat het geen communistisch georganiseerd congres was, werd de financiering goed verborgen gehouden. Opvallend hierbij is dat de agitatie zich richtte op de VS en moedwillig de opkomst van de nazi’s leek te negeren.[viii] Deze organisatie zou Münzenberg nog lang waardevol zijn en werd, nadat Hitler de macht greep, simpelweg omgedoopt van The League Against War tot The League Against War and Fascism.[ix]

Hoewel Münzenberg een succesvol verleidingsbedrijf draaiende hield, was er natuurlijk ook een verleidingsbereidheid vanuit de linkse intellectueel. Wat zochten zij, in hun toewijding aan het publiekelijk verdedigen van het stalinisme? In het boekje ‘Verre Paradijzen’, over het linkse politieke toerisme, staat:

De intellectuelen die zich in hun eigen maatschappij ontheemd voelden, zochten, in een poging om niet aan totale wanhoop ten prooi te vallen, een samenleving waarin hun idealen van eenheid, gelijkheid en harmonie wel verwezenlijkt leken. Hoe kritischer zij tegenover de maatschappij stonden die zij kenden, des te groter was hun behoefte aan een voorbeeld in de verte, een ver paradijs waar werd getoond hoe het beter kon.”[x]

Deze heimwee naar een onbestaande plek, moest ook verdedigd worden:

Uiteraard lokten de standpunten van de fellow-travelers in het Westen tegenspraak uit. In het publieke debat traden zij naast de communisten op als de belangrijkste peitbezorgers van de socialistische staten. Zij maakten daarbij gebruik van een vast repertoire argumenten waarmee ze de kritiek van hun tegenstanders pareerden. Verreweg de makkelijkste manier om hun critici te bestrijden bestond uit het verdacht maken van de bronnen waarop dezen hun betoog hadden gebaseerd. Het was voor de verdedigers van de Sovjet-Unie niet ongebruikelijk berichten over kampen in dat land af te doen als laster van de Amerikaanse geheime dienst.”[xi]

Nazi’s en communisten als stille kameraden

De antifascistische campagne en het vormen van ‘popular fronts’ waren manieren om jonge intellectuelen in het westen te werven voor de stalinistische zaak, met een als ‘moreel superieur’ gemaskeerd gedachtegoed (want alleen Stalin zou écht anti-Hitler zijn, wat progressieven aansprak).[xii] Maar waarom was Münzenberg dan, tot de machtsgreep van Hitler, niet geïnteresseerd in het bekritiseren van het fascisme? Het fascisme en het communisme waren immers aartsrivalen! Onder de oppervlakte lag de zaak ingewikkelder. Het zou de start van een samenwerking zijn die ook uiting vond in het beruchte Molotov-Ribbentroppact. De communisten hadden oog voor het antikapitalisme van Hitler en hoopten op een wending richting ‘sociaal-fascisme’. Zij konden het ook beter met elkaar vinden dan met de ‘burgerlijke’ liberalen en sociaal-democraten. Zo had Münzenberg veel contacten binnen de linkervleugel van de SA.[xiii]

Hoewel Münzenbergs leven en werk sterk veranderden na de machtsgreep van Hitler, bleef er geheim contact tussen de nazi’s en communisten. Münzenberg vluchtte in 1933 naar Parijs, kwam via een vriend van Sartre in bezit van een grote uitgeverij en begon met het creëren van een antifascistische beweging.[xiv] De boodschap – dat de Sovjet-Unie de ware en enige vijand was van het nazisme – overschreeuwde het stille feit dat de twee vijanden heimelijk samenwerkten.[xv]

Het Interbellum in Parijs

Na de rijksdagbrand was Münzenberg naar Parijs gevlucht. Een beschermheer van Münzenberg in het chique Parijs was Lucien Vogel. Zij kenden elkaar sinds de jaren ‘20. Vogel was een eigenaardige en opvallende smaakmaker en uitgever van tijdschriften, zowel in Berlijn, Parijs als later in de VS. Hij dacht al sinds 1926 na over manieren om socialisme via kunst in West-Europa salonfähig te maken. Twee bladen van hem zouden door Münzenberg gebruikt worden: Vu (dat zich bezighield met high-society) en Lu (een literair blad). Zijn landgoed (dat bekend stond als La Faisanderie, een 16e-eeuws jachtvertrek van Lodewijk XIV) was een constante verzamelplaats voor de links-modieuze bovenklasse in de jaren ‘20 en ‘30: intellectuelen, kunstenaars en spionnen uit de Sovjet-Unie.[xvi] In dit dromerige oord werden liefdes, vriendschappen en rivaliteiten geboren. Ook hier kon Münzenberg weer mensen vinden om om zijn vinger te winden.

In de jaren ‘30 was het in Parijs een komen en gaan van mensen en bezigheden. De vele gevluchte communisten vonden elkaar snel en creëerden een eigen biotoop. Vreemde wandelafspraken en ontmoetingen met sovjetspionnen waren aan de orde van de dag. Begin maart 1933 bracht een koerier uit Moskou opdracht om de World Committee for the Relief of the Victims of German Fascism op te richten. In tegenstelling tot de vredesorganisatie werd het een kleine organisatie, niet gericht op het grote ‘softe’ publiek. Het werd opgericht door Gibarti; een belangrijke, maar mysterieuze medewerker van Münzenberg, waarvan erg weinig bekend is. Het richtte zich op zeer geheime en fijnmazige taken, zoals het voeden van desinformatie richting Churchill.[xvii] Het mag duidelijk zijn dat Münzenberg in staat was tot aan de zon te reiken, als hij deze nodig had voor zijn cultuurpolitiek.

Het einde van Münzenberg

Het mystificeren van de geschiedenis en het verspreiden van onwaarheden is alomtegenwoordig in de Sovjetgeschiedenis. Zo is het algemeen bekend dat in onmin geraakten uit foto’s gewist werden. Ook het samenwerken met ‘oncommunistische’ krachten was niet voor de geschiedenisboeken bedoeld. Zowel de samenwerking met de nazi’s, als met het keizerlijk-burgerlijke Duitsland, leverden geen fraaie propaganda op. Zelfs de geboorte van het sovjetparadijs kon niet plaatsvinden, zonder steun van de Duitsers. Perry Pierik onthuld in zijn biografie over Ludendorff  hoe intensief Duitsland samenwerkte met de revolutionairen. De Duitsers beschouwden de revolutionairen slechts als huurlingen, die de strijd in het oosten konden verlichten.[xviii] Na de revolutie werd iedere verbinding tussen de Russen en Duitsers uit de geschiedenis gehouden, waaronder de mysterieuze Israel Helphand, die de gehele reis had gecoördineerd maar achteraf ook uit de geschiedenis is gewist.

Münzenberg stond hetzelfde lot te wachten. Tegen de tijd dat de oorlog was begonnen, in 1940, was Münzenberg in onmin geraakt bij Stalin. Hij werd achtervolgd door zowel de Russische NKVD als de Duitse SD. Toen zijn situatie te onzeker werd, ging hij op de vlucht richting Zuid-Frankrijk. In oktober 1940 vonden twee jagers hem, opgeknoopt aan een boom. Hoewel het nooit bewezen is, wijst alles erop dat Münzenberg door de NKVD is ingehaald.[xix] Münzenberg was uitgespeeld; bekneld geraakt tussen de totalitaire scharnieren van de geschiedenis.

Dit artikel is onderdeel van een reeks over de cultuurstrijd die de Sovjet-Unie voerde, ten tijde van de Koude Oorlog. Deze artikelen worden bewaard om in boekvorm te verschijnen. Eerder in deze reeks verscheen De rampzalige gevolgen van communistische infiltratie in de Derde Wereld, geschreven door dr. Perry Pierik.


[i] Marx, K. Het Communistisch Manifest. (1848). P 2.
[ii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. (1995).
[iii] Ibid. P 21-22.
[iv] Ibid. P 24.
[v] Ibid. P. 27.
[vi] Ibid. P 30.
[vii] Ibid. P 31-35.
[viii] Ibid. P 38-42.
[ix] Ibid. P 64-65.
[x] Aarsbergen, A. Verre Paradijzen, Linkse Intellectuelen op Excursie naar de Sovjet-Unie, Cuba en China. (1988). P 16.
[xi] Ibid. P 21.
[xii] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 59-61.
[xiii] Ibid. P 41.
[xiv] Ibid. P 62-63.
[xv] Ibid. P 53-54.
[xvi] Ibid. P 69-72.
[xvii] Ibid. P 65.
[xviii] Pierik, P. Erich Ludendorff, Biografie. (2017). P 195-198.
[xix] Koch, S. Stalin, Willi Münzenberg and the Seduction of the Intellectuals. P 309-310.

Posted on

Vogelpoep en de Duitse geschiedenis: AfD-leider Gauland heeft een punt

Veel ophef is er in Duitsland ontstaan over een zinnetje in een toespraak van AfD-leider Alexander Gauland. Als men echter ook nota zou nemen van de rest van zijn rede, zou er een constructief en hoognodig publiek debat over de Duitse omgang met het verleden kunnen ontstaan.

Met zijn toespraak op een federale conferentie van de AfD-jongerenorganisatie ‘Junge Alternative’ in Seebach, Thüringen, heeft AfD-leider Alexander Gauland een mediale shitstorm losgemaakt. De media hebben één zinnetje eruit gelicht en zijn daarmee aan de haal gegaan. Wie kennis neemt van zijn gehele toespraak, kan de ophef slechts als overtrokken beoordelen.

Gauland poetste immers de verantwoordelijkheid voor de misdaden van de nationaalsocialisten geenszins weg, stelde echter dat de “twaalf vervloekte jaren” dat zij aan de macht waren “slechts vogelpoep” waren op het geheel van de honderd keer zo lange Duitse geschiedenis, die hij “roemrijk” noemde.

Concreet wordt Gauland nu verweten met de formulering “vogelpoep” niet alleen de in verhouding tot het geheel van de Duitse geschiedenis korte duur van het nationaalsocialistische regime bedoeld te hebben, maar daarmee ook de omvang van de tijdens dat regime begane misdaden te geringschatten. Dit kwam hem op kritiek van politieke tegenstanders, maar zelfs vanuit zijn eigen partijtop te staan.

Wat heeft Gauland tot de bewuste uitspraak bewogen? Dat is de vraag die nu verhit bediscussieerd wordt in Duitsland. Het gaat echter niet aan hem aan te wrijven dat hij de misdaden van de nazi’s weg zou willen relativeren, als we zien dat hij deze in de zinnen daarvoor uitdrukkelijk ter sprake brengt en erkent.

Het probleem is echter de op dit ene punt weinig elegante formulering van zijn these en dat Duitse journalisten er steeds op gebrand zijn AfD-politici te betrappen op uitspraken die op een of andere wijze als relativering van het nationaalsocialisme of de Holocaust uitgelegd kunnen worden. De zakelijke en hoognodige discussie die Gauland aan wilde snijden, raakt daarmee bedolven onder de verontwaardiging over één zin die uit zijn verband gerukt en uitentreuren herhaald wordt in de media.

Kern van zo’n zakelijk debat zou de vraag kunnen zijn, in hoeverre de nazi-misdaden de kijk van de Duitsers op zich zelf, hun land en de lange geschiedenis daarvan zouden moeten overheersen. In alle opwinding over de vogelpoep-uitspraak van Gauland wordt de discussie over deze belangwekkende vraag volkomen overstemd, wat sommigen die dat jammer vinden de spreker zelf dan weer kwalijk nemen, vanwege zijn woordkeuze.

Dat de eigen geschiedenis het referentiekader biedt voor actuele discussies is normaal en onvermijdelijk. In Duitsland beperkt dit referentiekader zich vrijwel uitsluitend tot de 12 jaren dat de nazi’s aan de macht waren. Iedere maatschappelijke discussie over welke kwestie ook, van asielbeleid, tot de Euro, tot zelfs dierenbescherming (“kippenconcentratiekamp”), landt haast als vanzelf na afzienbare tijd bij het nationaalsocialisme.

Wanneer echter alles naast de grootste misdaad uit de eigen geschiedenis gehouden wordt, raken de maatstaven onvermijdelijk uit het lood. Het discours wordt verstikt door verdachtmaking, insinuatie en uiteindelijk openlijke haat. Tolerantie en zakelijkheid krijgen in het publieke debat geen schijn van kans.

Hoe ver die verwarring inmiddels gevorderd is, laten extreemlinkse jongeren zien, die met leuzen als ‘Duitsland verrek!’ door de straten trekken en zelfs de Amerikanen oproepen tot nieuwe tapijtbombardementen (“Bomber Harris, do it again!”).

Wie voorbij zijn weinig elegante woordkeus en de mediale hysterie wil kijken, ziet dan ook dat Gauland een punt heeft. Het denken en handelen van de Duitsers van vandaag zou zijn historische horizon weer naar de gehele Duitse geschiedenis moeten verbreden. Daarmee zouden de monstruositeiten van de nazi’s geenszins uit het zicht raken. Wel zou het de mogelijkheid bieden om de maatstaven weer in het lood te brengen en een opbouwende toegang tot de eigen geschiedenis te hervinden.

Posted on

Een sociogenese van het begrip geopolitiek

Eerder berichtte Novini reeds over het openingscongres van het nieuwe Geopolitiek Instituut Vlaanderen-Nederland (GIVN) in Leuven op 5 mei jongstleden. Eén van de sprekers op dit congres was de Nederlandse filosoof en uitgever (De Blauwe Tijger) Tom Zwitser.

Tom Zwitser ziet geopolitiek in essentie als een politiek van heimelijkheid en schetst de opkomst van de geopolitiek, samen met een cultuur en zedelijkheid van heimelijkheid, en het ontstaan van de natiestaat. De opkomst hiervan verloopt omgekeerd evenredig met de afname van publieke openbaarheid en burgerlijke vrijheden. Deze sociogenese is een eerherstel van grote denkers als Norbert Elias, Werner Sombart en Henri Pirenne.

Hieronder is zijn lezing terug te zien:

De boeken waarnaar verwezen wordt in de lezing zijn de proloog en het eerste deel van de ‘Oppervlaktes’-trilogie. Meer informatie hierover is te vinden op de website van Uitgeverij De Blauwe Tijger:

https://www.facebook.com/geopolitiek.instituut/

Posted on

Zo gaat Polen met critici van de NAVO om

Bijna twee jaar nadat hij door de Poolse Binnenlandse Veiligheidsdienst ABW ontvoerd en in hechtenis genomen werd, is vorige week eindelijk een formele beschuldiging gepubliceerd tegen de oppositiepoliticus Mateusz Piskorski.

Piskorski was van 2005 tot 2007 lid van het Poolse parlement voor de populistisch-agrarische en eurosceptische partij ‘Samoobrona RP’ (Zelfverdediging van de Republiek Polen). In 2015 richtte hij een nieuwe politieke partij ‘Zmiana’ (Verandering) op, die zich uitsprak voor samenwerking met Rusland in Europees continentaal verband en zich zodoende tegen het NAVO-lidmaatschap van Polen keerde, militaire interventies in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en de westerse rol in de Oekraïense crisis en bekritiseerde.

Dit was tegen het been van zowel de liberale oppositie als de conservatieve regering en op 18 mei 2016 werd Piskorski dan ook ontvoerd door agenten van de binnenlandse veiligheidsdienst ABW en gevangen gezet. Hoewel er tot vorige week officiële aanklacht tegen hem was, werd zijn naam intussen wel door het slijk gehaald in de Poolse pers. Zo zou hij gespioneerd hebben voor Rusland en China.

Keer op keer werd zijn tijdelijke hechtenis verlengd en pas vorige week, bijna twee jaar na zijn ontvoering door de geheime dienst, is hij formeel in beschuldiging gesteld. In de tussentijd konden zijn familie, vrienden en politieke partij juridisch vrijwel niets voor hem doen. Nu wordt hij er formeel van beschuldigd voor de Russische en Chinese geheime diensten te hebben gewerkt en “tegen de belangen van Polen”, in feite lijkt het er vooral om te gaan dat Piskorski politiek en publicitair ageerde tegen het buitenlandbeleid van de Poolse regering inzake de NAVO, Oekraïne en de verhouding met Rusland. Eén ding staat vast, door de leider van een onwelgevallige nieuwe politieke partij gevangen te zetten en een rechtszaak op de lange baan te schuiven, heeft het Poolse establishment zich voor jaren weten te ontdoen van een echte luis in de pels op het vlak van het Poolse buitenlandbeleid.

Posted on

Noem wat de Armeniërs overkwam wél genocide!

In een artikel van 24 april jongstleden uit Mirjam Ates-Snijdewind haar kritiek op een recente beslissing van het Nederlandse parlement. De Tweede Kamer spreekt niet langer van ‘de kwestie van de Armeense genocide’ maar van de Armeense genocide. Een betreurenswaardige beslissing aldus Ates-Snijdewind, die er voor pleit het woord genocide in dit geval niet zomaar te gebruiken en deze situatie van meerdere zijden te belichten. Wat volgt is een opsomming van enkele ‘historische feiten’ en een pleidooi voor een objectief onderzoek door de Verenigde Naties.

Vrijwel alle partijen die deelnemen aan dit brisante debat erkennen de massale sterfte van vele duizenden Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verschillende posities in deze discussie ontstaan echter wanneer de betrokken partijen de volgende vraag met een ja of nee moeten beantwoorden: “gaf de Ottomaanse overheid de opdracht om de Armeniërs in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen?” Indien dit het geval is dan definieert de VN dit als een genocide. Volgens Ates-Snijdewind bestaan er echter geen overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat de Ottomanen hiertoe de opdracht gaven. De beslissing van het Nederlandse parlement is volgens haar dan ook gebaseerd op eenzijdige en onvoldoende informatie, maar de argumenten die Ates-Snijdewind gebruikt om haar betoog te ondersteunen zijn dat ook.

Ates-Snijdewind benadrukt ten eerste de historische context. In 1914 viel het Rusland van de Tsaar het Ottomaanse rijk aan, en bewapenden de Armeniërs zodat zij zich konden verzetten tegen dezelfde Ottomaanse overheid. De Armeniërs waren een vijfde colonne die de boel saboteerden. Dit is niet alleen onjuist, dit zogenaamde ‘feit’ heeft ook een ander gevolg. De Armeniërs worden hierdoor voorgesteld als een legitiem oorlogsdoelwit en de maatregel overplaatsing was dus gepast. Ates-Snijdewind erkent de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden, maar de slachtoffers worden voorgesteld als een soort collateral damage in een oorlog die voor iedereen verschrikkelijk was.

De directe relatie die wordt gelegd tussen de opstand en de deportaties is écht feitelijk onjuist. Wat klopt is dat Turkse bronnen inderdaad melding maken van een opstand, maar de herkomst van deze informatie verklaart een hoop. De inhoud van sommige bronnen is gewoon simpelweg verzonnen, andere zijn afkomstig van Armeniërs die na langdurige martelingen eindelijk ‘bekenden’, maar in sommige gevallen is het gewoon propaganda en in scene gezet om de maatregelen tegen de Armeniërs te kunnen rechtvaardigen.[1] Vooral dit laatste punt is niet onbelangrijk. De propaganda van toen wordt door sommige ‘historici’ tot op de dag van vandaag gebruikt om de deportaties te verklaren.

Ook de door Ates-Snijdewind aangehaalde historicus Justin McCarthy is van mening dat de deportaties het gevolg waren van de Armeense opstand die veroorzaakt was door de Russen, en van genocide was dan ook geen sprake. In zijn boek The Ottoman Peoples and the end of Empire licht hij zijn zienswijze op deze historische gebeurtenis uitgebreid toe. Maar ook het bronnengebruik van McCarthy is dubieus. Zijn analyse is gebaseerd op niet één bron![2]

Ook Ates-Snijdewind is bijzonder creatief in haar bronnengebruik. Volgens haar zijn er na de oorlog meerdere personen vervolgd vanwege hun rol in de verschrikkelijke deportaties, onder andere een gouverneur uit Midden Anatolië. Dit argument wordt vaker opgevoerd binnen dit debat, maar het is gebaseerd op een zeer gebrekkige interpretatie van het bronnenmateriaal.  Ates-Snijdewind doelt vermoedelijk op de processen tegen Aide Halil Bey en Sirozlu Cerkez Ahmed. Zij werden inderdaad vervolgd, maar niet vanwege hun gewelddadige optreden tegen de Armeniërs. Volgens Talaat Pasja was het gedrag van beide heren een serieus gevaar voor de vrede en stabiliteit in de regio. Per telegram heeft Pasja bevolen Bey en Ahmed te executeren, hun gruweldaden tegen de Armeniërs speelden hierin geen enkele rol.[3]

Ates-Snijdewind vervolgt haar betoog door er op te wijzen dat enkele belangrijke Armeense archieven niet te raadplegen zijn. Dit is juist, maar het vermelden hiervan is nogal suggestief. De toegang tot het Dasnak-archief in Boston en dat van het Armeense Patriarchaat in Jeruzalem is inderdaad vrijwel onmogelijk. Er is echter genoeg bronnenmateriaal toegankelijk om de gebeurtenissen van toen goed en betrouwbaar te reconstrueren. De bronnen bestaan uit verschillende documenten opgesteld door de verschillende partijen die bij dit conflict in de regio betrokken waren. Het gehele corpus bestaat onder andere uit notulen, brieven, manuscripten, rapporten, telegrammen, dagboeken, oral histories, foto’s en memoires, en zijn te raadplegen in archieven over de hele wereld. Onder andere in Moskou, Freiburg, Berlijn, Washington, Parijs en dat van de League of Nations in Geneve.[4]

Eén van deze bronnen is de correspondentie tussen Paul Wolff-Metternich, de toenmalige Duitse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk en de Duitse rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg. Vanwege het toenmalige bondgenootschap tussen het Duitse Keizerrijk en het Ottomaanse gelden deze bronnen als gezaghebbend. Het ontbreekt hierdoor aan anti-Turkse sentimenten en propaganda, ook had Wolff-Metternich toegang tot alle gebieden. Een ander belangrijk aspect is dat de Duitse militaire autoriteiten de noodzaak van waarheidsgetrouwe informatie in een oorlog benadrukten.[5] Wolff-Metternich beschrijft in meerdere gevallen de betrokkenheid van de Ottomaanse regering en haar ambtenaren. Maar hij benoemt ook enkele argumenten die de Ottomanen in de toekomst zullen gebruiken om zichzelf vrij te kunnen pleiten.[6]

Het besluitvormingsproces met betrekking tot de Armeense genocide is bijzonder complex. Overeenkomend met de Holocaust kan er geen document of exacte datum worden aangewezen waarop definitief een besluit werd genomen. De ongekende hoeveelheid literatuur die hierover is verschenen kan onmogelijk tot één alinea worden samengevat, maar een belangrijk gegeven is dat veel analyses worden ondersteund door middel van primair bronnenmateriaal afkomstig uit het bestuurlijke apparaat van het toenmalige Ottomaanse Rijk.[7] Ates-Snijdewind blijkt echter niet op de hoogte te zijn van de relevante literatuur over dit onderwerp.

Dit historisch debat wordt ondertussen overschaduwd door diplomatieke en politieke belangen en de morele weerzin van de Turken om deze zwarte bladzijden te erkennen. Al deze factoren beïnvloeden de geschiedenis als wetenschap en binnen dit spanningsveld is de waarheid één van de eerste slachtoffers. Met haar betoog presenteert Ates-Snijdewind zich als politiek activist, en rijst de vraag of zij zich wel door de waarheid kan laten overtuigen.


[1]Taner Akcam, De Armeense Genocide. Een reconstructie (Amsterdam 2006) 214-215.

[2]Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (New York 2001) 106-112.

[3]Taner Akcam, The Young Turks’ Crime against Humanity. The Armenian Genocide and Ethnic Gleansing in the Ottoman Empire (Princeton 2012) 395.

[4]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 21-22.

[5]Ibidem, 23.

[6]http://www.armenocide.de/armenocide/armgende.nsf/$$AllDocs-en/1916-01-31-DE-003?OpenDocument

[7]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 65. en Taner Akcam, A Shameful Act. The Armenian Genocide and the Question of Turkish responsibility (New York 2006)

Posted on

De VVD moet het maatschappelijk onbehagen serieus nemen

Deze voordracht vond plaats op 25 april voor VVD Drechtsteden.

In 2014 stuurde ik een vooraanstaande scouter van de VVD per email het volgende:

“De politieke uitdagingen zijn zó omvattend en groot dat twijfel ontstaat of de mensen die vandaag worden geselecteerd wel begrijpen hoe anders de machtsverhoudingen in de wereld over twintig jaar zullen liggen. Politici zullen met hardere realiteitszin naar ontwikkelingen moeten kijken; anders zal het gevolg een langzame neergang van Nederland zijn. Het gaat om intergenerationele belangen – ik vraag me echter af hoe zwaar die overweging voor zo’n selectiecommissie meetelt? Of gaat het meer om het belonen van vroegere bondgenoten?

De huidige politieke ‘elite’ heeft een postmodern en kosmopolitisch wereldbeeld en lijkt niet in staat de omvang van de crisis te bevatten waarop de West-Europese wereld afkoerst. Dat is een wereld van conflicten: cultureel (verwestering versus islam), militair (oorlog in het Oosten) en economisch: financiële instituten zijn inmiddels machtiger dan natiestaten. Terwijl het Westen een liberale visie op economie uitdraagt koopt een macht als China schaarse grondstoffen van failed states om die als drukmiddel te kunnen gebruiken.

Nederland is een polderland – hierdoor vergeten we hoe snel mensenmassa’s kunnen omslaan als de druk stevig oploopt. Denk aan een gebrekkige aansluiting tussen de opleiding van jongeren en de markt, een teruglopend voorzieningenaanbod en allochtonen die vatbaar zijn voor radicalisering. Een conflict met Rusland komt dichterbij al zal het misschien niet tot oorlog komen. De VS richt zich meer op Azië en wil het vergrijzende Europa niet meer op eigen kosten blijven beschermen.

Kortom, de voorwaarden voor een omslag beginnen langzaam vorm te krijgen; ons beleid wordt echter nog steeds gemaakt door politici uit de poldertijd. We moeten de grote geopolitieke vragen stellen en hierbij telt ieder jaar – ieder jaar brokkelt de geopolitieke status van Europese landen als Nederland verder af. Ik verneem graag of ik in dit denkwerk een rol zou kunnen spelen en ben zeer nieuwsgierig naar jouw kijk op de geschetste ontwikkelingen.”

Verbaast het u te horen dat ik vanuit het topkader niets meer heb vernomen? Terwijl we toch Trump, Brexit, het Oekraïne-referendum, het migratievraagstuk en de Turkse kwestie kregen: zaken die de elite overvielen maar waarvan de voorwaarden in Avondland en Identiteit al waren toegelicht. Onlangs vernam ik van een Kamerlid dat er achter de schermen uitvoerig is gesproken over mijn optreden bij Buitenhof.

Deugbubbel

Het Buitenhofdebat was feitelijk twee tegen één. Ik was uitgenodigd om als academicus die filosofie van de geschiedenis doceerde, het concept van het cultuurmarxisme te komen uitleggen. Voortdurend werden er spottende karikaturen van mijn argumenten gemaakt en vervolgens sloeg progressief Nederland elkaar op de schouders als zou men het debat hebben gewonnen.

De doorsnee Nederlander leeft echter in de realiteit. De kijker herkent dat de zaken die ik aankaart, veel dichter met die dagelijkse realiteit overeenstemmen dan gebruikelijk is in de roze wolk van de culturele elite of zo u wilt de deugbubbel. Dit stelde mij in dat debat voor een keuze: Óf de inhoud in – uitleggen als academicus ‘wat is cultuurmarxisme’ en kortom een verklaring geven van het ontstaan en de inhoud van het begrip, of mezelf verdedigen tegen misrepresentaties van mijn argumenten en spotaanvallen op de persoon. Ik koos ervoor om zo inhoudelijk mogelijk te blijven, wetende dat de doorsnee kijker de harde realiteit beter aanvoelt dan de jetset van de NPO. Deug-Nederland feliciteerde zichzelf maar de rest zag realiteitszin versus een roze wolk: in het Centraal Boekhuis was Avondland en Identiteit leeggekocht en er verscheen een derde druk.

Het Buitenhof-debat ging aanvankelijk uitgebreid in op de geschiedenis van Antonio Gramsci in de vroege twintigste eeuw. Toen ik even later de invloed van the New Left aankaartte, hoorde ik plots dat die geschiedenis “niet relevant zou zijn voor het heden”. Witteman zei dat hij Avondland en Identiteit niet wilde bespreken maar slingerde er toen plots een quote uit het boek in toen het gesprek qua framing de verkeerde kant dreigde op te gaan.

Knock-out argumenten

Al met al heb ik daar meerdere zaken onweersproken gezegd. Links heeft wegens de globalisering geen realistisch economisch verhaal meer te bieden. Hierom stelt links een agenda van identiteitspolitiek voor, om het taalgebruik en het denken te zuiveren van alles dat zou kunnen kwetsen: dit geeft links vandaag geen economisch maar een religieus karakter. De kerk verbiedt alles wat leuk is en links verbiedt alles wat zou kunnen kwetsen. Minderheden, zoals allochtonen en arbeiders, verlaten het linkse moederschip. Ten slotte is de ‘progressieve’ counterculture vooral schadelijk geweest voor de meest kwetsbaren in de samenleving. Al deze knock-out argumenten kregen geen enkele weerspraak tijdens het debat.

Cultuurverandering blijft een hot topic. Zo wordt Mozart gecensureerd terwijl de politie meer bezig is met iftarren dan met boeven pakken. Moslimkinderen worden opgeroepen om zich niet Westers te kleden met het zomerse weer. Belasting op groente en fruit gaat stijgen terwijl de dividendbelasting voor multinationals is geschrapt. D66 wil het referendum dood en dan hebben we het nog niet over de transferunie waar we momenteel worden ingerommeld.

Volksopstand over Transferunie?

Dit gaat stapje voor stapje, zodat het urgentiegevoel steeds te beperkt is voor een opstand, maar Macron en Merkel hebben allang besloten dat die transferunie er komt. Op de ALDE-congressen mag Rutte nog tegengas geven voor de vorm. Hans van Baalen kennende ziet hij die transferunie ook zeker niet zitten, maar uiteindelijk zal ALDE – om de internationale verhoudingen ‘soepel te houden’ – toch tekenen onderaan de streep. En dan vlug door naar de écht belangrijke zaken, zoals die dekselse want veel-te-conservatieve Polen en Hongaren.

Via de monetaire unie zijn landen aan elkaar verslingerd maar zij hebben geen macht over elkaars nationale begrotingen en economische beleid. Die transferunie staat dus te gebeuren: het is onduidelijk hoe dit kan worden gestopt tenzij er een full blown volksopstand uitbreekt.

Hierover was laatst een gespreksavond met Thierry Baudet en Derk Jan Eppink. Eén van de vragen die ter tafel kwam was “hoe realistisch is een NEXIT?” Naar verluidt werd Baudet aan het denken gezet want hij heeft zich altijd laten kennen als – op zijn zachtst gezegd – een criticus van de EU. Maar de realiteit is wel dat wanneer je als kleine lidstaat begint te praten over NEXIT, dat er dan twee jongens bij de uitgang staan en die trekken hun handschoenen uit. Vervolgens slaan ze je en daarna slaan ze je met de kassa. Oftewel je zult worden kapotgemaakt voordat het idee goed en wel is gelanceerd in het publieke debat.

Gedisciplineerd denken over geopolitiek

Hierdoor zou een stappenschema van een gestage bevoegdheidsvermindering van de EU meer kans van slagen hebben. Dan stuit men echter op het feit dat de EU tot dusver onhervormbaar is gebleken en dat de groeiende geopolitieke blokvorming juist noodzaakt tot meer eenheid in buitenlandbeleid. Er is veel voor te zeggen om deze bittere pil dan maar te nemen en consequent dystopisch te denken. Zoals prof. David Engels doet in zijn boek Auf dem Weg ins Imperium. Maar het frame moet nu eenmaal positief zijn en hierom zullen wij in de komende jaren minder gaan horen over dystopieën en meer over Renaissances.

In hoeverre Engels’ boek nu smeuïg wegleest, daarover zijn de meningen verdeeld. Het is in ieder geval helder en systematisch: het dwingt de lezer om op een gedisciplineerde wijze na te denken over geopolitiek. Wat er ook met de EU zal gebeuren – het is evident dat West-Europa deze kar niet meer kan trekken. Groot-Brittannië heeft ruzie met de EU, met Rusland en nu ook met de VS; Frankrijk wordt kapotgestaakt en heeft te maken met banlieues. Het land kent religieuze twisten en aangrijpende veranderingen in de bevolkingssamenstelling. Duitsland vergrijst en moet eerst Oost-Duitsland uit het moeras trekken en daarna nog minstens een miljoen Afrikanen, zoals Robert Ossenblok nauwgezet heeft gedocumenteerd. België is een verhaal op zich. Italië heeft fikse schulden gekoppeld aan een enorme zwarte economie – ook dat land vergrijst in rap tempo.

Centraal-/Oost-Europa moet nu leiden

Kortom nu West-Europa in de fase van Late Empire is beland (waarover dadelijk meer), moet de toorts van Europees leiderschap aan Centraal- en Oost-Europa worden doorgegeven. Daar heerst een meer gegronde visie op migratie, islamisme en de verhoudingen tussen burgers en hun overheid. Deze landen weten wat het is om onder het juk te zitten van de Ottomanen en de communisten: op de experimenten van links-identitaire gekkies zit men daar niet te wachten.

West-Europa is ongevraagd het sociale experiment ingerold van een grootschalige migratie. Dat experiment faalt en vervolgens wordt de kritiek op het falende experiment (door Pankaj Mishra) toegeschreven aan “blanke mannen die zich voorbijgestreefd voelen” – die kortom boos zijn omdat het experiment tóch zou zijn gelukt. Dit is de catch-22 logica “maar ik ben geen racist – aha, dus u ontkent dat er een probleem is!” waar we het in West-Europa mee te schaften hebben, en die in onze afbrokkelende landen moet doorgaan voor een ‘publiek debat’. In Centraal- en Oost-Europa ontbreekt die gekkigheid en daarom zijn deze landen beter in staat om het beleid over deze existentiële kwesties vorm te geven. Het probleem is dat ze vanuit hun communistische verleden zijn gewend aan de underdog-rol en nu niet weten hoe ze het momentum kunnen aangrijpen om te leiden.

Het obsessieve gepraat over racisme verstoort iedere poging tot realistisch denkwerk. Nu weer vier piepjonge meisjes die hun universiteit willen dekoloniseren en smeken om thought police pardon diversity officers. “Wat weten zij nu van het leven?” is wat ik me hier afvraag. Wat weet ik er zelf nu van als dertiger? Kennelijk toch het een en ander – ik sta hier immers de VVD toe te spreken. Nu vind ik de benadering van Jurriaan Mulder toch constructiever dan die van de UvA meisjes. Toen hij met zijn Afrikaanse kompaan Manu een broodje at zei hij: “Wel helemaal opeten hè, de kinderen in Afrika hebben honger!” Zo kan er met een politiek-incorrect grapje toch een gesprekje ontstaan waarin serieuze thema’s worden aangesneden op een wijze die niet beladen of moralistisch is.

Puriteins moralisme tegenover rechtse humor

Dat is precies de kern van de zaak. De nieuwe realisten kennen humor en nuance: ze durven de draak te steken met heilige huisjes omdat ze met lichtheid en zelfspot in het leven staan. Maar hun tegenstander – regressief links – is precies het tegenovergestelde: dat kamp is feitelijk moralistisch, puriteins en fanatiek tot op het fundamentalistische.

Van dat moralisme nu een voorbeeld, en wel het debat tussen de Kamerleden Baudet, Becker en Sjoerdsma over gifgasaanvallen in Syrië. Baudet sprak over twee onverenigbare benaderingswijzen van geopolitiek. Gaan we met zijn allen naar een globale eenheid toe, of zijn er afgrondelijke conflicten? Zijn er universele regels die een wereldvrede mogelijk maken? Of zijn er slechts wisselende machtsverhoudingen met onherroepelijk winnaars en verliezers? Baudet concludeerde: het is een bittere pil om te slikken, maar het is beter als Assad dit conflict wint, want dat vergroot de stabiliteit van de regio.

Moralisme in geopolitiek

Becker reageerde verbeten en vanuit morele verontwaardiging. Even was er geen analist of nuchter redenerend bestuurder aan het woord, maar veeleer een ‘gelovige van de universele eenwording’. Er lag een zelotische schittering in haar ogen: daar ontvouwde zich het panaroma van Fukuyama’s Einde van de geschiedenis. Tot nu toe was het profiel van de VVD altijd nuchter no nonsense-realisme: het is pijnlijk maar waar om te zien dat Baudet in dit debat het meest realistisch is.

Het is zowel ernstig als betreurenswaardig om te constateren dat dit puriteinse moralisme nu ook naar de rechterkant van het politieke spectrum is overgeslagen. Dit is wat er gebeurt wanneer men de eigen ziel aan multinationals verkoopt en alle culturele en intellectuele vorming overlaat aan links. “Want op die thema’s zitten onze kiezers toch niet” (zo wordt geredeneerd sinds Bolkesteins aftreden). Maar de realistische stemmer, die zoekt ondertussen wel naar vorming en culturele inhoud. En in zijn vorming vindt hij Baudet.

Klassiek liberalisme uitgehold

Wat ten zeerste teleurstelt is dat zelfs het klassiek liberalisme van individuele vrijheid, nationale soevereiniteit (collectieve vrijheid) en rationalisme (vrijheid van geest), zich zo heeft laten uithollen door progressivisme: een stroming die staat voor gelijkheidsdwang, cultuurrelativisme en een overgave aan technocratische oligarchieën. Het liberalisme zoals dat vandaag bestaat heeft helaas de theologie van het christendom en het socialisme verinnerlijkt – dit wil zeggen een theologie van irrationalisme en maakbaarheidsgeloof. Hierdoor blijft van het klassiek liberalisme slechts een uitgeholde cocon over: wat resteert is een verwaterde kartel-ideologie die de belangen van multinationals omkleedt met een positieve tsjakka-vibe.

Dit kon gebeuren doordat de mensen die de posten bemanden van de conservatieve media en de klassiek liberale partijen, het product waren van een corporatistisch systeem vol vriendjespolitiek en elitaire families. Denk aan de tweehonderd van Mertens: een select gezelschap van grootindustriëlen, topambtenaren en vakbondsleiders die onder leiding van o.a. Joop den Uyl samen de knikkers verdeelden. Hun kinderen groeiden op in een bubbel buiten de realiteit en lieten zich gemakkelijk intimideren. Riep iemand eens “nazi!” dan waren deze wekelingen en softe types maandenlang bezig om zich te verontschuldigen.

Vossius & Deugballotage

Vandaag wordt ‘rechts’ echter bemand door types als Jesper Jansen. Zij komen ‘van de koude grond’ en geven er niets om hoe ze worden geframed. Dit zijn mensen met wortels in de werkende klasse die toch niet welkom zijn in de elitaire bovenlaag van onze cultuur. Want als je door een partijtop in dit land serieus wil worden genomen als gesprekspartner, dan moet je eerst laten zien dat je klassieke talen machtig bent die je op één of ander prestigieus Vossius gymnasium hebt geleerd. Stap twee om door de deugballotage te komen is dat je diezelfde klassieke talen vervolgens ironiserend kapotrelativeert omdat het toch allemaal ‘geschiedenis van blanke mannen is’. Maar om tot die tweede ronde te komen moet je dus wel eerst even laten aanvoelen dat die verfoeide culturele verfijning wél tot jouw sociale habitat behoort. Mensen als Jesper trekken echter met zero fucks given ten strijde tegen deze deug-elite. Wordt mooi!

Het eerder omschreven gevoel voor humor en nuance dat eigen is aan het nieuwe realisme heeft een oorsprong. Het uit zich ook in trolling en shitposts en referenda organiseren over nonsens-onderwerpen puur om gemeenteraadsleden te trollen. Zoals dat idee om politici in Arnhem zich te laten uitspreken over verplichte afbeeldingen van lolcats op verjaardagskaarten en discoballen in ieder overheidsgebouw. Want ja, wie werkelijk ziet wat West-Europa staat te wachten – de totale som van babyboomerschulden die worden afgeschoven op jongeren in een vergrijzende samenleving waar opwaartse sociale mobiliteit enkel nog is voorbehouden aan kosmopolieten in grootstedelijke centra omring door enclavevorming en radicalisering – kan eigenlijk alleen nog lachen om de absurditeit van de situatie. Een ironische levenshouding ontwikkel je vanzelf.

Mentale verharding

“Het zal mijn tijd wel duren, ik heb deze puinhoop niet gecreëerd, laat een ander de shit maar opruimen.” Dat is dan feitelijk de levenshouding die het meest loont – oftewel het “dikke ik” waarover Rutte sprak. Maar nu, Rutte, ga ik weer even terug naar mijzelf en naar mijn email aan die VVD-scoutingspersoon in 2014. Ik blik terug op mijn laatste vijf levensjaren en zie hoe ik beleidsmakers trakteerde op duizenden feiten, overwegingen en argumenten: tot nu toe had het nul komma nul effect om ook maar iets aan de opdoemende dystopie te veranderen. Dus ik begrijp die cynische levenshouding. “Vrouwen willen feminisme? Oké laat mijn date dan maar betalen. Wij mannen zouden vrouwen teveel overvleugelen? Wel dan ga ik ook niet ingrijpen als ik zie hoe een dronken jongedame wordt betast.” In deze situatie is mentale verharding the most sensible option.

Dát is de wereld die we nu krijgen dankzij de keuzes van de ’68-generatie. En ook dankzij de keuzes van een elite die sinds Pim Fortuyn al beter wist maar wegkeek omdat ‘de BV Nederland wel moest blijven draaien’. Let wel: een generatie met zo’n levenshouding gaat dus ook niet betalen om de shit van Afrika op te lossen. Ze zien welke deal er voor hen overblijft – hogere huren, een leeggepompte gasbubbel, hogere studieschulden en het stapelen van onbetaalde stages – en laten zich ook niet meer moralistisch chanteren. Hierom gaat voor links langzaam het licht uit en zij beseffen dit – hierom radicaliseren ze nu het nog kan, om hun vijanden zo veel mogelijk schade te berokkenen.

Geen spruitjeslucht maar wietlucht

Deze ‘vrijgevochten’ types zien zichzelf als meester en vormgever van eigen succes: zij hebben iedere band met het verleden gretig doorgesneden, want de spruitjeslucht van het ouderlijk huis mocht niet blijven kleven aan de nieuwe tuxedo van het corpsballetjesleven. Maar uiteindelijk heeft niet de spruitjeslucht de meeste schade gedaan, maar de wietlucht. Alles wat je op tafel achterlaat valt in handen van de vijand: zo redeneren zij. Niet in termen van cultureel erfgoed overdragen. Deze types zien zichzelf als ‘liberaal’ maar dromen er van om te worden aangesteld als juridisch specialist op een groot kantoor van een multinational.

Nu zien we weer hoe het voor innovatieve MKB’ers moeilijker wordt om zich juridisch te verweren wanneer het grootkapitaal hun patenten steelt. Stropdasje om, lekker upwardly mobile imago uitstralen, maar oh wee als de discussie op het migratiedossier komt. “Ik heb toch genoeg geld en connecties om die mensen nooit tegen te komen, dus ik vermijd dit onderwerp want ik kan er alleen in negatieve zin een racistisch imago aan overhouden.” Zo denkt de aangestelde liberaal. En een aangestelde liberaal is een inwendige tegenspraak: liberalisme hoort immers te staan voor eigenstandig, onafhankelijk en eigenzinnig denken.

Hofhermafrodieten

Kennelijk moet daarvoor een Nieuwe Zuil worden opgebouwd, want toen ik laatst bij Shell aankwam zei iemand: “Hoi Sid! Wat leuk dat je er bent! Laten we gaan lunchen! Maar beter niet op kantoor want je weet maar nooit wat we gaan bespreken.” Pas aangekomen bij een of andere Bakker Bart in een achtersteegje met alleen huisvrouwen en buggy’s met kinderen durfde de betreffende zijn verhaal te doen. Het kwam erop neer dat deze persoon al zes keer tevergeefs was opgewarmd voor een bevordering, terwijl in het bedrijf wel plots overal flyertjes over ‘mansplaining’ opdoken. “Het is maar goed dat er hier geen snaky corporate types rondlopen” zei ik. Of beter gezegd: hofhermafrodieten, sprekend met de oldschool humanist Baldassare Castiglione.

Hofhermafrodieten zijn gladde en manipulatieve mannen die tekenend zijn voor beschavingen waar maatschappelijke status meer met sociale netwerken samenhangt dan met de productie van tastbare welvaart. De masculiene architect bouwt een aquaduct en laat zo zien hoe hij de wereld onontwijkbaar verandert (Early Empire). Lakeien en eunuchen fluisteren de keizer in wie wel of niet tot de inner circle kan worden toegelaten: zij treden op de voorgrond in de fase van Late Empire en manipuleren de ongrijpbare relaties. De hofhermafrodiet gedijt in de bureaucratieën en  hofhuishoudingen die ontstaan wanneer urbane centra zich volzuigen met de welvaart die in de provinciën wordt gecreëerd. Waar hofhermafrodieten opduiken in de politiek gaan idealen en principes te gronde.

Rise and Fall

We hadden het al even over David Engels en zijn Rise and Fall-analyse. Wat hier gaande is kunnen we niet anders betitelen dan als ‘Late Empire’. Laatst werd ik benaderd door iemand die zei: “Sid, het spijt me, je zult het begrijpen – ik zat in de laatste maand van mijn proefperiode dus ik moest echt aan de blue pill.” Wegkijken om maar niet uit de toon te vallen op de werkvloer. Is dat nu het gezellige “ik hou van eigenwijze mensen” liberale Nederland waaraan we met zijn allen werken?

Toch wordt Nederland wakker. De Nederlandse Leeuw kreeg 2.100 mensen op de been waarvan de helft jongeren. Kwam nauwelijks in de media. Had een gesubsidieerde linkse club 400 activisten verzameld, dan was het breed uitgemeten bij Buitenhof en op de voorpagina van alle kranten als ‘energieke jongerenbeweging’.

‘Linkse’ opinieredacties blazen hoog van de toren over seksuele intimidatie, maar juist daar is dit het ergst. Zie Vice, zie Francisco van Jole, zie Jelle Brandt Corstius, zie al die idioten bij Oxfam Novib, Artsen Zonder Grenzen en andere ‘goede doelen’ die seksfeestjes hielden met kwetsbare en uitgebuite inheemse vrouwen – het gedrag van deze kosmopolitische wereldverbeteraars is zowel hedonistisch als hypocriet. Achter dat uitwendige moralisme gaat een door-en-door verrot mensbeeld schuil. Dat wist u natuurlijk al: ik moest het toch even vermelden omdat mijn realistische analyse anders als ‘reactionair cultuurpessimisme’ zou worden geframed.

Rot achter de gevel

We moeten West-Europa zien als een huis. Aan de voorkant ziet het er goed uit maar achter de voorgevel is er rot en structurele bouwfouten. De generatie die nu opgroeit voelt nattigheid, want de generatie die aan de macht is heeft het geloof in transcendente waarden opgegeven. Zij proberen er voor zichzelf het beste uit te halen: een fractievoorzitter krijgt een penthouse cadeau en een senator zit tijdens de stemming over de orgaanwet in een luxe resort op een tropisch eiland. Ondertussen werd tegen een CDA-bestuurder een zaak voorbereid wegens betrokkenheid bij de bouw van het grootste drugslab aller tijden.

Juvenalis beschreef de decadentie van het antieke Rome: wat vandaag in West-Europa speelt had hij niet kunnen verzinnen in zijn meest extatische visioenen. Men kan er hooguit om lachen omdat het zo absurd én decadent is. Maar met een politieke klasse die dit voorbeeld geeft kan West-Europa niet meer leiden. Het enige wat er hier qua continuïteit wordt overgedragen, is dat de generatie van opiniemakers en journalisten die nu wordt aangesteld nóg linksliberaler is dan de voorgaande. Zoals de grote Willem Cornax onlangs schreef: geef mijn portie maar aan fikkie.

Posted on

Geheime diplomatie: Oostenrijkse politici offerden Zuid-Tirol voor Europese integratie

Het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van het Italiaanse fascisme gaven Zuid-Tirol weer hoop. Eindelijk, zo hoopte men, zou Zuid-Tirol weer met Noord- en Oost-Tirol verenigd worden. Het liep echter anders.

De historicus en publicist Helmut Golowitsch heeft hier een lijvig boek aan gewijd, waarin hij de lezer van de tijd direct na de oorlog naar het jaar 1966, waarin de conservatieve ÖVP onder bondskanselier Josef Klaus zonder coalitiepartners kon regeren. Bijzondere aandacht gaat uit naar de stille diplomatie tussen de Italiaanse regeringspartij Democrazia Cristiana (DC) en de Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP). Het boek is het eerste deel in een nieuwe reeks over de geschiedenis van Zuid-Tirol. Het tweede deel wordt binnenkort verwacht en zal over de periode van 1966 tot 1969 gaan, waarin volgens de titel de Oostenrijkse en Italiaanse christendemocraten de kwestie Zuid-Tirol begroeven.

De auteur begint zijn uiteenzettingen met het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het spanningsveld tussen Oost en West ontstonden in 1947 de Nouvelles Équipes Internationales (NEI), een Europese christendemocratische koepelorganisatie, waarin ook Oostenrijk en Italië vertegenwoordigd waren en politici van de Italiaanse DC en Oostenrijkse ÖVP directe contacten konden onderhouden.

In het kader van deze samenwerking kwam het tot geheime toegevingen van enkele ÖVP-politici, die publiekelijk weliswaar stelden dat Zuid-Tirol hen na aan het hart lag, maar achter gesloten deuren aan de Italiaanse christendemocraten bevestigden dat Zuid-Tirol bij Italië kon blijven. In de optiek van bepaalde ÖVP-functionarissen in Wenen was de kwestie Zuid-Tirol vooral een hypotheek die de relatie met Italië onnodig belastte. In het bijzonder verstoorden ze de onderhandelingen over de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Economische Gemeenschap. In dit opzicht werd de deelstaatorganisatie van de ÖVP in Tirol, die zich bijzonder verbonden voelde met Zuid-Tirol, bewust genegeerd.

Juist in deze voor Zuid-Tirol bepalende jaren bemiddelde Rudolf Moser, een ondernemer uit Karinthië met uitstekende contacten met Italiaanse christendemocratische leiders, als onofficiële diplomaat tussen Wenen en Rome, zodat hij al snel de éminence grise van het Oostenrijkse Italië-beleid werd. Moser was een goede jeugdvriend van Leopold Figl, die van 1945 tot 1953 bondskanselier van Oostenrijk was en van 1953 tot 1959 minister van Buitenlandse Zaken. Onder de dekmantel van zijn zakenactiviteiten, kon Moser uit het zicht van de pers en de officiële diplomatieke kanalen het contact onderhouden tussen bondskanselier Figl en premier Alcide De Gasperi. Terwijl de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Karl Gruber op de Parijse Vredesconferentie van 1946 slecht onderhandelde en voortijdig een volksraadpleging in Zuid-Tirol – zijn troefkaart – uit handen gaf, had Rudolf Moser in Rome een geheime ontmoeting met De Gasperi om over de heropening van het goederenverkeer en een verdieping van de christendemocratische vriendschap tussen Wenen en Rome te spreken. De kwestie Zuid-Tirol liet zich in deze context eerder door autonomie voor de regio binnen Italië oplossen dan door hereniging met Oostenrijk.

Dit alles gebeurde met medeweten van bondskanselier Figl, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Gruber noch de deelstaat-ÖVP in Tirol ervan op de hoogte waren. De ervaren politicus De Gasperi wist deze overduidelijk zwakke onderhandelingspositie van de Oostenrijkers uit te buiten, waardoor het tot het Gruber-De Gasperi-akkoord kwam, dat Zuid-Tirol alleen een zwakke schijnautonomie toekende, wat in de daarop volgende jaren tot toenemende spanningen zou leiden.

Rudolf Moser zette zijn heimelijke paradiplomatieke activiteiten voort en organiseerde geheime persoonlijke ontmoetingen tussen premier De Gasperi en bondskanselier Figl: in augustus 1951 in een herberg aan de Karerpas in Zuid-Tirol en een tweede in augustus 1952 in Mosers huis in Karinthië. Van beide gesprekken zijn geen notulen, maar zo merkt de auteur op, vanaf dit moment is er geen merkbaar engagement van de Oostenrijkse regering voor Zuid-Tirol meer. Ook van deze gesprekken waren Noord- noch Zuid-Tiroolse politici op de hoogte.

In 1953 verloor Figl weliswaar het kanselierschap aan zijn partijgenoot Julius Raab, hij werd echter minister van Buitenlandse Zaken, waardoor Moser achter de schermen verder kon gaan de Oostenrijks-Italiaanse relatie te onderhouden en de eisen van Zuid-Tirol te torpederen. Pas toen in 1959 de sociaaldemocraat Bruno Kreisky minister van Buitenlandse Zaken werd, ging de Oostenrijkse federale regering zich weer actief inzetten voor het afgescheiden landsdeel en werd de kwestie Zuid-Tirol bij de Verenigde Naties ter tafel gebracht, wat de basis zou leggen voor de verdere onderhandelingen. Een nieuwe dramatische keer in het Oostenrijkse Zuid-Tirol-beleid kwam er in 1966, toen de ÖVP een absolute meerderheid behaalde in de federale parlementsverkiezingen en Kreisky werd afgelost als minister van Buitenlandse Zaken.

Door een toeval kreeg Golowitsch toegang tot het privé-archief van Rudolf Moser. Na deze stukken bestudeerd en wetenschappelijk verwerkt te hebben, droeg hij de originele documenten over aan het Oostenrijkse Staatsarchief en kopieën aan het Tiroler Landesarchiv. Zodoende is zijn werk niet alleen verifieerbaar, maar biedt het ook voor historici veel tot nog toe onbekend bronnenmateriaal.

De auteur weet met zijn boek zowel voor historici als geïnteresseerde leken boeiend te schrijven. De documenten uit Mosers privé-archief weet hij goed te verweven in een geheel uit achtergrondinformatie, krantenberichten, getuigenverklaringen en andere bronnen, zodat zijn boek ook zonder gedetailleerde voorkennis gelezen kan worden. Waar Wenen tot nog toe als betrouwbare partner van Zuid-Tirol gold, moet de rol van enkele leidende ÖVP-politici naar aanleiding van dit boek heel anders getaxeerd worden.

N.a.v. Helmut Golowitsch, Südtirol – Opfer für das westliche Bündnis. Wie sich die österreichische Politik ein unliebsames Problem vom Hals schaffte (Leopol Stocker Verlag, Graz, 2017), gebonden, 607 pagina’s.