Posted on

Racisme is nieuws, zelfs als het geen racisme is

Deze week verspreidde de NOS een video van een ruzie in een vliegtuig. Een blanke man zou zich racistisch hebben uitgelaten tegen een zwarte medepassagier. Toen ik dit kreeg voorgeschoteld las ik alleen de titel en vroeg me direct af waarom dit zo breed werd uitgemeten. Waarom maakt de NOS een losstaand voorval zó groot? Zijn er niet voortdurend ruzies tussen passagiers in veel te krappe vliegtuigen? Waarom is er geen aandacht voor de systematische anti-blanke plaasmoorde in Zuid-Afrika? De vraag borrelde op, de vraag verstierf – ik swipete verder door het nieuws.

http://www.novini.nl/doelgerichte-eliminatie-blanke-boeren-zuid-afrika/

Later ving ik op dat de blanke man überhaupt niet ‘black’ zou hebben gezegd, maar ‘blasted’, en dat het dus een gevalletje nepnieuws was. Dit was voor mij de aanleiding om hier nog eens op metaniveau bij stil te staan. Wanneer is iets ‘nieuws’? Het komt voor dat ik een idee krijg en direct besluit dat dat idee nieuws is. Zo simpel kan het soms zijn. Natuurlijk niet zomaar elk idee – het moet wel een goed idee zijn. Gelukkig kan ik dat zelf goed afwegen. Maar u snapt mijn punt.

Priming

Ik bedoel dat iedere berichtgeving politieke implicaties heeft – puur door de themakeuze. Als leerlingen van alles leren over kolonialisme, nazisme en Nelson Mandela, maar niets over Joegoslavië, de late periode van het Romeinse Rijk en de Armeense genocide, dan hebben we het over priming. De leerling wordt klaargemaakt om informatie in te nemen die een politiek-correct wereldbeeld versterkt. Hij krijgt kennis over de meest duistere perioden in de historie van onze Europese voorvaderen, maar leert niets over hoe rijken en staten uiteenvallen bij ongecontroleerde migratiestromen en onvoldoende culturele samenhang.

Dit leidt tot de vraag of we het ‘vliegtuigfilmpje’ überhaupt moeten willen behandelen. Het is boeiend om stil te staan bij de voors en tegens. De grote vraag wat de NOS hiermee wil, is interessant voor zowel rechts als links. Want het probleem van de tegenwoordige tijd is dat elke situatie waarin (een lid van) een minderheid benadeeld wordt, waar er zelfs maar de schijn daarvan bestaat, per definitie als racistisch of discriminerend wordt neergezet. Voortdurend versterkt deze berichtgeving de suggestie dat onze maatschappij discriminerender is dan dat deze feitelijk is.

Wie de blanke doorsnee-inwoner van Nederland liefheeft, is nu gedwongen om deze priming casus voor casus te ontmantelen. Dit is ook voor links een groot probleem, want hierdoor blijft het debat over cultuurmarxistische issues gaan. Door überhaupt in te gaan op de casussen blijft het debat geconcentreerd op identity politics en niet op neem nu het hervormen van de huizenmarkt of de flexibilisering van arbeid. Ewald Engelen en de SP zullen mijn gelijk op dit punt moeten erkennen.

http://www.novini.nl/een-reeel-alternatief-voor-de-klassenstrijd-van-ewald-engelen/

De priming van de NOS is dus goed voor cultureel links en economisch rechts, en slecht voor economisch links en cultureel rechts. Dit sluit precies aan bij een analyse die ik al jaren uitdraag en die ik in mijn nieuwe boek Kerkgangers en Zuilenbouwers verder uitwerk. Namelijk dat het neoliberale grootkapitaal plus globalistische multinationals, de handen ineenslaan met cultuurmarxistische academici plus SJW-activisten. Zij trekken samen op tegen de middenklasse. De middenklasse wordt bejegend als cultureel achterblijfsel van het nationalisme, met haar tradities zoals Sinterklaas en Zwarte Piet. De middenklasse vangt tegelijk de economische klappen op van de globalisering, de massamigratie en de automatisering.

De identity politics van links houdt de middenklasse in morele zin gevangen in het defensief, terwijl haar economische belangen tegelijk worden weggespeeld in de globalisering. Alleen de bouw van een Nieuwe Zuil kan deze krab met twee scharen weerstand bieden.

Framing

Ondertussen is de kernzaak, of die man nu het woord ‘black’ of ‘blasted’ gebruikte en of het bericht van een racistisch incident dus wel of niet berust op nepnieuws, ondergesneeuwd door het emotionele geblaat daaromheen. Media als Twitter lenen zich niet voor genuanceerde analyses: toch wordt van sommige twitteraars ieder woord kapot geanalyseerd. Hoe dan ook versterkt dit emotionele geblaat identity politics – het voedt cultuurmarxisme en leidt de aandacht af van de alarmerende toestand van de middenklasse in Westerse landen.

Op zaterdag 8 december organiseer ik een Café Middag in Amersfoort. Hier zal mijn nieuwe boek worden gepresenteerd, Kerkgangers en Zuilenbouwers, dat mogelijk is gemaakt door een crowdfunding. Het boek bevat analyses over vrijheid en het belang van culturele samenhang. Ook komen ‘gewone’ mensen aan het woord die de vrijheid liefhebben en wegens hun mening worden uitgesloten. Bestel hier uw ticket.

Daarom is de video een uitstekende val van de NOS. Want zelfs als je de hele wereld weet te overtuigen dat de razende blanke man geen racist is, dan is hij alsnog een eikel, en wie een eikel verdedigt moet zelf ook wel een eikel zijn. Zo gaat dat in de beeldvorming. Maar wie stewardess is weet: passagiers vechten elkaar dagelijks de tent uit. Door dit asociale gedrag te framen als racisme is de toon weer gezet en zijn daar weer onderzoekjes uit te slepen voor academici van de linkse kerk, die zich warmen aan het dampende lijk van de Europese middenklasse.

Posted on

Cultuurmarxisme: een strijd om het denken

Een complottheorie voor extreemrechts? Dat is hoe de term cultuurmarxisme, die onlangs opdook in het Nederlandse publieke debat, veelal wordt weggezet. Met die Pavlovreactie kan ook de bundel “Cultuurmarxisme” worden neergesabeld in de kritieken, zo er überhaupt al aandacht aan wordt besteed. Let wel: een oordeel dat al geveld is voordat er een letter is gelezen.

Dit geeft cultuurmarxisme al enigszins weer als waartoe het in leven is geroepen: een strijd om het denken. Want wat is cultuurmarxisme? Is het gelijk aan de politieke correctheid? Marx toegepast op de cultuur?

De term wordt regelmatig als onwerkbaar beschouwd. Bovendien zouden er geen cultuurmarxisten bestaan. In dit boek schrijft daarentegen iemand mee die zichzelf als voormalig cultuurmarxist bestempelt. Puck van der Land nam jarenlang mee aan het ‘cultuurmarxistische samenlevingsverband’ van de Rotterdamse commune, wat stil ter ziele ging in 1991.

Deze bundel, waar dertien auteurs aan meeschreven, geeft een overzicht van de invloed van het nieuwe en naoorlogse marxisme op verscheidene vlakken van de Nederlandse samenleving en binnen het grotere geheel van de westerse wereld. De revolutionaire en marxistische invloeden in de wetenschap en het onderwijs, kunst en cultuur, politiek en media worden beschreven en bediscussieerd. Maar daarvoor moeten we eerst terug naar die ene Italiaanse ideoloog.

Gramsci

Medeauteur Sid Lukassen duikt met ons in de invloed van Antonio Gramsci (1891-1937), de leider van de Italiaanse communistische partij ten tijde van Mussolini, die zijn electoraal verlies verklaarde doordat de arbeiders cultureel nog niet waren voorbereid op de marxistische revolutie. Daarom wilde Gramsci de heersende hegemonie van traditionele en religieuze waarden doorbreken om de voorwaarden te scheppen voor de communistische heilsstaat.

Het huidige links kampt met een soortgelijk probleem van mensen die overstappen van socialistische partijen naar bijvoorbeeld de PVV of Front National. Het cultureel conservatieve Europa staat hierin tegenover een ‘diversiteitsdenken’. De perfect storm van het islam-en immigratiedebat, het EU-debat en de vluchtelingencrisis hebben deze tegenstellingen op scherp gezet. Ironisch genoeg kiest West-Europa doorgaans voor een kosmopolitisme met de ontchristelijkte waarden van compassie en openheid, waar het voormalige Oostblok veelal de christelijke identiteit benadrukt.

Gramsci’s cultuurmarxisme betreft de vraag hoe de heersende klasse de instemming van de ondergeschikte klasse verkrijgt en hoe die laatste de oude orde kan omverwerpen en een nieuwe opbouwen. Het verschil tussen Oost-en West-Europa is het verschil tussen Marx en Gramsci, tussen economisme en marxisme als cultuurgoed. Autoriteiten, tradities en historische instituties inspireren loyaliteiten bij de burgers aan koning, kerk en kapitaal, die doorbroken moeten worden. In het Westerse socialisme werd economisme ondergeschikt aan de culturele benadering.

Het nieuwe marxisme

De nieuwe marxistische theorievorming die hiervoor noodzakelijk bleek, werd grotendeels ingevuld door de Frankfurter Schule, die de kritische theorie ontwierp als de ultieme toepassing van de revolutie op de Westerse cultuur. De superstructuur, die bij Marx slechts van ondergeschikt belang was, werd een obsessie voor de nieuwe marxisten.

Gramsci formuleert dit als een revolutionaire stellingenoorlog (WOI) in vergelijking met de snelle revolutie in Rusland. Het is een permanente revolutie die minderheden mobiliseert om de culturele hegemonie te doorbreken. Cultuurmarxisme mobiliseert bijgevolg minderheden tegen de hoofdcultuur en ook de islam leent zich daarvoor.

Zo besteedt historicus Jan Herman Brinks aandacht aan wat hij noemt het ‘drievoudig falen’ van westerse fellow travellers tegenover de totalitaire krachten van het bolsjewisme, maoïsme en islamisme. In de islam is een nieuw proletariaat gevonden dat gered moet worden en dat de blinde intelligentsia noopt om de bevolking opnieuw op te voeden in antifascisme en multiculturalisme.

De uiteindelijke emancipatie

De ultieme bevrijding van het individu, het einddoel van de geschiedenis, moet in het cultuurmarxisme bereikt worden door de mens los te maken van traditionele instituties en autoriteiten. Als zaadjes in een bevroren stuk grond van culturele gewoonten moet men tot ontkieming worden gebracht door het ploegwerk van de staatsmacht.

Het boek is tevens de academische last stand van redacteur Paul Cliteur. Het is een aanklacht tegen de politieke correctheid en tegen de lange mars door de instituties: het veronderstelde cultuurmarxistische project dat ernaar streeft om door geweldloze ondermijning van democratische en niet-politieke instituties macht te verwerven voor het individu.

Zoals genoemd richt cultuurmarxisme zich op de cultuur, waar het klassieke marxisme de economie het primaat gaf, en probeert het de culturele hegemonie binnen de kranten, omroepen en andere media te verkrijgen door de enkeling te emanciperen. Cliteur bestrijdt specifiek de ‘cultuurmarxistische oorlog’ tegen de democratie. Hij ontwaart een zestal cultuurmarxistische trends, waaronder postmodernisme, cultuurrelativisme en identity politics, die consequent toegepast tot het einde van de democratie leiden.

Ironisch genoeg noemt Cliteur hier Karl Popper’s motto om totalitaire uitdagingen te weerstaan: “Geen tolerantie voor de intoleranten.” Een leuze die 80 pagina’s verderop door Brinks wordt verwoord als “geen vrijheid voor de vijanden van de vrijheid”, maar daar als adagium van zowel de Franse als de Russische revolutie geldt.

Is dit credo nu te gebruiken ter bescherming van de democratie tegen totalitarisme en het zogenoemde cultuurmarxisme? Of ging het ontstaan van de moderne democratische idealen gepaard met een kreet die via het liberalisme en bolsjewisme ook in het cultuurmarxisme terecht is gekomen en daarin juist een bedreiging vormt voor onze democratische instituties door ook deze tot in den treure te ‘democratiseren’?

Het laatste essay van deze bundel biedt een uitweg uit deze impasse.

De permanente revolutie

Socioloog Eric Hendriks beschrijft hoe een neo-marxistisch denkschema bestaande uit een tweedeling tussen onderdrukkers en onderdrukten, fundamenteel is voor het cultuurmarxisme en het links-identitaire acitivisme. De oorsprong van dit binaire tweedelingsschema is ouder dan het marxisme en vindt zijn origine in de Franse Revolutie en de absoluut gewaande tegenstelling van gewone burgers tegenover de geprivilegieerden. Mensen uit de adellijke stand kwamen onder de gevreesde guillotine op basis van hun groepsidentiteit. Dat is de politieke misgeboorte van de democratische verlichtingsidealen. Hendriks noemt dat ware diversiteit nooit binair, eenduidig of politiseerbaar is. Door middel van deze theoretische vereenvoudiging is de permanente revolutie desondanks in de moderniteit binnengedrongen en het egalitaire activisme is nooit meer uit de samenleving verdwenen.

In het marxisme kwam dit dualisme terug in de mobilisatie van de arbeiders tegen de kapitalisten. En in de jaren ’60 en het hedendaagse activisme is er sprake van een ‘wit privilege’ of een ‘mannenprivilege’ en komt de tweedeling terug in een veronderstelde strijd van ‘bruin tegen blank’, vrouw tegen man, student tegen docent, kind tegen ouder en allerhande dwaze en generaliserende scheidslijnen.

Hendriks besluit met een oproep om de Revolutie voor altijd achter ons te laten. Deze zit nochtans dieper in ons systeem dan we zelf kunnen toegeven. De huidige politieke correctheid bewijst dat.

N.a.v. Paul Cliteur e.v.a., Cultuurmarxisme. Er waart een spook door het Westen (Aspekt: Soesterberg, 2018), paperback, 300 pagina’s.

Posted on

Sid Lukkassen: Deugdynamiek verziekt het publieke debat

In de eerste aflevering van zijn nieuwe podcast sprak Sander van Luit met Sid Lukkassen over zijn project ‘Verhalen uit de samenleving’. Met dit project wil Lukkassen weer ruimte scheppen voor een open publiek debat op basis van rationale analyses en zonder de politiek-correcte denkverboden en “deugdynamiek” die het publieke debat in de bredere samenleving en op sociale media zo dikwijls verzieken.

Die nieuwe ruimte heeft Lukassen ‘De Nieuwe Kerk’ genoemd, waarbij het natuurlijk niet om een kerk in de gebruikelijke zin van het woord gaat, maar veeleer om het creëren van een bastion van het vrije woord, waar een echt debat gevoerd kan worden op basis van redelijke argumenten in plaats van ad hominems en denunciatie.

De crowdfunding voor het project vind je hier.

Het gesprek is hieronder te beluisteren:

[mixcloud https://www.mixcloud.com/sander-van-luit/vrij-denken-met-sander-van-luit-1-sid-lukkassen-over-de-nieuwe-kerk/ width=100% height=120 hide_cover=1]

 

Posted on

Joelen en klappen voor Angela Davis

“Tweeduizend jongeren joelen en klappen als Angela Davis opkomt”, schreef dagblad Trouw over het bezoek van Davis aan de Sorbonne in Parijs, op 3 mei jl. Het was die dag exact 50 jaar geleden dat de studentenopstand in Parijs begon. Met de actievoerende jongeren anno 2018 joelde de Trouw-verslaggeefster mee. Het portret dat de krant op 8 mei publiceerde is een hagiografie van een zwarte activiste die ooit – en waarschijnlijk nog steeds – de Verenigde Staten graag als ‘Amerikkka’ typeerde (de kkk behoeft hier verder geen uitleg).

Trouw omschrijft de Black Panther-beweging als “een organisatie die streed voor de rechten van zwarte mensen”. Dat lijkt een club met een nobel doel, zoiets als Martin Luther King Jr., maar niets is minder waar. De Black Panther Party was een terroristische organisatie die er niet voor terugschrok politieagenten neer te schieten, maar ook, naar goed radicaal links gebruik, mensen uit de eigen beweging die men ‘verdacht’ vond. Laat Angela Davis nu begin jaren zeventig nauw betrokken zijn geweest bij de Black Panthers. Voor schrijver David Horowitz, ooit een links icoon en medestrijder van Angela Davis en de Black Panthers, was de moord op een vriendin van hem door Panther-activisten het begin van zijn werdegang. Hij bekeerde zich van het marxisme – en alle bevrijdingstheorieën die daarmee verwant zijn – stemde in 1984 op Reagan en verkeert nu in neoconservatieve kringen.

Davis ging onverschrokken voort in de marxistisch geïnspireerde zwarte beweging. Terwijl de meeste communistische sympathisanten na de inval van het Sovjetleger in Praag in 1968 twijfels kregen over het ‘reëel bestaande socialisme’, sloot Davis zich in dat jaar juist aan bij de Communistische Partij van de Verenigde Staten. Geen onverwachte keuze, want van jongs af aan verkeerde zij al tussen een aantal bekende communisten, zoals Herbert Aptheker (de partij-ideoloog) en Herbert Marcuse. In 1970 kwam ze op de opsporingslijst van de FBI nadat ze betrokken was bij de gijzeling in een rechtbank. Doel van de gijzeling was de vrijlating van Black Panther George Jackson, die gevangen zat in de Soledad-gevangenis. Zijn boek over zijn gevangenistijd, Soledad Brother, werd een internationale bestseller. De Nederlandse vertaling (1971) in de ‘Kritiese Bibliotheek’ van uitgevers De Bezige Bij en Van Gennep stond op vele boekenplankjes in studentenkamers. Tijdens de gijzeling werd rechter Harold Haley door zijn hoofd geschoten met een geweer dat op naam stond van Angela Davis. Het activistische verhaal – dat ook terug te vinden is op Wikipedia en bijvoorbeeld in het Historisch Nieuwsblad – pleit Davis vrij van de moord. Maar tijdens het proces in 1972 waarin ze terecht stond, trad Davis op als haar eigen advocaat. Dit betekende dat ze niet aan een kruisverhoor onderworpen kon worden en zelf een aantal getuigen kon oproepen die haar alibi – een partijtje Scrabble op kilometers afstand van de gijzeling – bevestigden. Al die getuigen waren trouwe communisten. Getuigen a charge werden door Davis en haar medestanders weggehoond: ze waren blank, dus konden geen betrouwbaar getuigenis geven. Davis werd vrijgesproken, waarna ze de lieveling van radicaal links wereldwijd werd. Overal werd ze als een ‘martelaar voor de goede zaak’ onthaald. Tegenwoordig is ze overigens actief in de beweging ‘The Prison-Industrial Complex’, die alle gevangenen met een minderheidsachtergrond wil vrijlaten, omdat “ze politieke gevangenen zijn van de racistische Verenigde Staten”.

In 1979 ontving ze in de DDR de ‘Internationale Lenin Prijs voor de Vrede’ (voorheen de Stalin Prijs voor de Vrede). Ze was kandidaat vice-president voor de Communistische Partij tijdens de verkiezingen in 1980 en 1984. Ze steunde de inval in Tsjechoslowakije in 1968 en in Afghanistan in 1979. Pas in 1991 werd ze uit de partij gezet nadat ze afstand had genomen van de coup tegen Gorbatsjov.

Niet dat ze haar marxistische idealen aan de wilgen heeft gehangen. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1992 vormde Davis met communistische medestanders de ‘Committees of Correspondence’. Typerende naam voor een klassieke communistische mantelorganisatie, want de comités hebben als doel “het bevorderen van democratie en socialisme” oor middel van acties, seminars op universiteiten, stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid, etc. In 2008 steunde het comité de campagne van Barack Obama.

Davis is hoogleraar ‘History of Consiousness’ aan de Universiteit van Californië. De naam geeft treffend het cultureel marxistisch curriculum aan dat de studenten kunnen volgen. Een greep: African and African American Studies, ethnic studies, queer theory, feminism, disability studies, histories and theories of race and racialization, animality studies, post-colonial studies, Marxism, psychoanalysis, globalization, history of movements of the left and right, environmentalism, popular culture, cultural studies. Davis’ coming-out als lesbiënne past in dit cultureel marxistische gedachtengoed. Voor haar was het “een politiek statement”, zei ze zelf. Wel gemakkelijk gezegd voor iemand die zich uitspreekt voor een “radicale omverwerping van de kapitalistische klasse”, met een salaris van zes cijfers en een honorarium voor spreekbeurten dat ligt tussen de tien en twintigduizend dollar.

Van 12 tot en met 17 mei is Angela Davis in Nederland voor een aantal spreekbeurten. Ze is een week lang te gast in het programma ‘Moving Together: Activism, Art, and Education – A Week with Angela Davis’, waarin “het werk van Angela Davis centraal staat en dat een divers programma voor een breed publiek biedt”, aldus de organisatoren (waarin bekende namen als Amal Alhaag, Quinsy Gario, en Bojana Mladenović). Davis neemt deel aan het programma-onderdeel ‘Public Dialogue: Radical Solidarity and Intergenerational Coalitions’, en verzorgt de belangrijkste speech, waarin ze ongetwijfeld zal ingaan op identiteitspolitiek, feminisme, intersectionaliteit en andere postmoderne en verhuld marxistische nachtmerries.

Opmerkelijk is dat de week vol politiek activisme een initiatief is van SNDO, School voor Nieuwe Dansontwikkeling. Waarschijnlijk gaan de deelnemers veel joelen en klappen.

Posted on

Een reëel alternatief voor de klassenstrijd van Ewald Engelen

Ewald Engelen ontketende de discussie over klassenstrijd en over nieuwe politieke prioriteiten van ‘links’. Deze polemiek is nu overgewaaid naar rechts: daar woedt het debat over de juiste verhouding tussen sociaal-economische en identitaire kwesties.

Lukkassens analyse

Sid Lukkassen betoogde dat sociaal-economische thema’s altijd prominent voorkomen in zijn werk ‒ wie hem volgt kan dit bevestigen. Bij het Oekraïne-referendum voorspelde mijn vader dat ‘nee’ dat zou winnen, hoewel peilingen toonden dat ‘ja’ er goed voorstond in de grote steden. “In de Randstad heb je te maken met kosmopolitische citydwellers; in de provincie zijn er meer MKB’ers die qua inkomsten onafhankelijk zijn van de staat en daarom zelfstandig denken.” Dit is wat hij voorspelde en hij kreeg gelijk: het komt precies overeen met Lukkassens analyse. Al in Avondland en Identiteit schreef hij over de tegenstelling tussen stemmers met een regionaal of nationaal identiteitsbeeld, en lieden die zichzelf als wereldburgers zien.

Lokale versus globale economie

Andere vormen van sociale segregatie hangen hiermee samen. Zoals dating voor hoger opgeleiden, blanke elitescholen en de verandering van het VVD-electoraat. Haalt men het inkomen uit de lokale economie of uit de mondiale economie? We herkennen dit in Oostenrijk, met Van der Bellen en Hofer, en idem dito voor Brexit en Trump. In feite voert de mondiale elite een economische oorlog tegen de middenklasse: daarbij wordt het eigen wereldbeeld bekostigd door de rest van het land.

Sinds het doorsnijden van de band tussen lokaliteit en geld – zoals is begonnen door Saint Simon en de zijnen in de 19e eeuw – voltrokken zich twee catastrofes. Allereerst kwam de financiering van maatschappelijke ontwikkelingen bij politici terecht die bevriende bedrijven voorrang geven. De tweede catastrofe is dat die combinatie geen rekening houdt met mens en milieu, omdat winsten voor de politicus en diens bevriende ‘ondernemers’ zijn. Verliezen worden daarentegen afgewenteld op alle mensen en hun omgeving. Vandaag heet dit ‘vriendjeskapitalisme’ of ‘staatskapitalisme’.

Aangestelden in plaats van MKB’ers

Deze laatste twee begrippen brengen ons op Mark Rutte. Voordat hij aantrad bij de VVD had deze partij nog een ledenbestand vol MKB’ers. Zelfstandig denkend, ‘van de koude grond’ en met de ‘poten in de modder’. Vandaag bestaat het uit millennials met stropdassen die elke dag in pak naar het werk gaan, werkend voor de overheid of als jurist op het kantoor van een multinational. Dit zijn geen mensen die vanuit het niets iets kunnen maken: het zijn aangestelden die vanuit de studiebanken komen binnenrollen op een hoge positie dankzij hun kneedbaarheid, hun vlotte babbel en connecties. Bij deze postmoderne kosmopolieten zonder principes staat alles ten dienste van het doorsnijden van de band met het lokale geld.

Deze aangestelden komen vlot en ‘opwaarts mobiel’ over: in die zin hebben zij een ‘liberaal’ imago. Qua denken hebben zij echter de band met het klassiek liberalisme van de kleine zelfstandige doorgesneden. Ongeveer alle vrijdenkers zijn op een dood spoor gezet bij de VVD: wat overblijft is een verwaterde kartelpartij voor oligarchen en lobbyisten. Zodoende snakt dit land naar vrijdenkers als Lukkassen, wiens achterban bestaat uit hardwerkende middenklassers. Dit is mede doordat zijn analyses gericht zijn op de problemen waarmee deze groep worstelt. FvD heeft goed denkwerk verricht maar spreekt toch vooral tot salonfähige intellectuelen en hedgefunders in grachtengordelpanden.

Links faalt om van dit verraad te profiteren

We zouden denken dat dit enorme kansen schept voor links – juist in een tijd waar het volk massaal is verraden door de elite. Probleem is alleen dat links heeft meegewerkt aan dit verraad. Denk aan het schrappen van de dividendbelasting en het feit dat we belanden in een transferunie. Recent werd nog het punt gemaakt dat Kok en Wallage (PvdA) PostNL hebben gesloopt. Links biedt geen realistisch antwoord: we zien vooral leegte en het opnieuw opvoeren van ‘klassenstrijd’ is pure wanhoop. Als de markt verzadigd is voor een product, dan bedenken we een nieuwe branding voor hetzelfde product.

Zodoende brengt de discussie die Engelen ontketende de leegte aan het licht op de linkerzijde van het publieke debat. Dat bedoel ik niet denigrerend: de vragen waar het om gaat zijn nogal pregnant – zeker de vragen die Engelen stelt. Het debat laat echter ook zien dat er geen oplossing is binnen bestaande denkkaders. ‘Politiek bedrijven’ komt vandaag neer op het uitventen van graduele verschillen. Mijn voorstel? Gooi eindelijk de marxistische denkstructuren het raam uit en stel je open voor de wereld zoals deze is.

Marxistische denkstructuren en evolutie

De vele reacties op Engelen laten een geëvolueerd gebruik van het begrip ‘klassenstrijd’ zien. Zij volgen de doorontwikkelde variant. Dat is de variant die Gramsci ontwikkelde. Onderdrukking is niet meer gerelateerd aan de bezittende klasse binnen de superstructuur, zoals bij Marx, maar aan een abstracte onderdrukker en onderdrukte.

Twee elementen zijn daar aan toegevoegd door andere denkers. Het eerste is de conceptie van het ik in Heidegger’s werk Sein und Zeit. Dit is gegrond in Dasein. Het gaat daarbij om een groepsopvatting van het individu. Kort door de bocht: zonder collectief (leiderschap) geen individueel bestaan. De tweede component is Schmitts opvatting van de politiek en het politieke in Der Begriff des Politischen. Politiek is een antagonistische strijd waaraan de mens zijn wezen ontleent. Zonder deze levensinvulling zou slechts een leegte overblijven, het niets.

Ziehier de leest waarop het begrip ‘klassenstrijd’ binnen het politieke debat is geschoeid. Mede op basis hiervan ontstond de postmodernistische revolutie waarvan sofisten en charlatans – zoals Derrida – de vaandeldragers zijn. De reacties op Engelen leggen deze geëvolueerde versie van klassenstrijd aan de dag. Hijzelf lijkt vast te willen houden aan het klassieke begrip. Nu is de vraag of het mogelijk is om terug te keren naar een ouder begrip en de latere ontwikkeling van het begrip klassenstrijd, zoals hier geschetst, links te laten liggen?

De geest terug in de fles?

Zoals ik hierboven opsomde is dit min of meer oude wijn in nieuwe zakken. Oftewel: probeer de oude Cola! Beter dan de nieuwe Cola! Dit soort rebranding c.q. marketing zal niet werken. Binnen de denkstructuur van Engelen en de zijnen resteert alleen dwang: de dwang waarmee de ander tot zwijgen wordt gedwongen.

In drie punten voorwaarts!

Wat opvalt in de twee columns van Engelen (31 Januari en 10 April) is een hang naar overstijgende waarden, of op zijn minst verenigende ideeën. Uit de bovenstaande beschrijving van de klassenstrijd wordt echter duidelijk dat strijd, onverzoenlijk antagonisme en groepsfragmentatie geen fundering bieden voor die gerede wens. Voorts drie suggesties aan Engelen om dat fundament te bouwen.

Werk ten eerste aan de harmonie van belangen op lange termijn. De wet van de comparatieve kostenvoordelen toont dat menselijke samenwerking universeel tot grotere welvaart voor allen kàn leiden. Het moet makkelijk zijn voor arbeiders om flexibel in hun soort werk te zijn. Bij verdwijnende banen kunnen zij dan makkelijker van soort werk wisselen. Kapitaal moet relatief immobiel zijn: dit zorgt voor directere betrokkenheid, want lokale binding aan mens en milieu.

Het moreel goede – voor mens én milieu – komt het best tot stand in vrijwilligheid. Bij vrije associatie denk ik aan broodfondsen, kredietunies en onderlinge verzekeringsmaatschappijen. Zorg dat alle mensen die ruimte hebben.

Ten derde wil ik blijven vechten voor een werkend geldsysteem. Non-productief kapitaal (in de vorm van overheidscertificaten en -leningen) schiep de afgelopen vijftig jaar weliswaar een geldexplosie, maar géén gelijkelijk groeiende kapitaalstructuur voor bedrijven waarin mensen daadwerkelijk kunnen werken.

Kritiek en toekomst

Engelen heeft gelijk dat de nieuwlinkse invulling van de ‘klassenstrijd’ links niet verder helpt, en de samenleving evenmin. Hij lijkt echter vast te zitten tussen teruggaan naar een niet-meer -in-gebruik-zijnde opvatting van klassenstrijd, of niet willen meegaan in de evolutie van dit concept.

Als alternatief heb ik drie kerndoelen omschreven – ik hoop vurig dat hij hierop zal willen reflecteren. Het zijn in ieder geval meetbare en economisch-wetenschappelijke punten: in die zin zouden de punten moeten aansluiten bij de insteek van sociaaldemocratisch en wetenschappelijk links. Voor zover dat nog bestaat en niet geheel is uitgeroeid door de identitaire tak van het academisch postmodernisme, oftewel regressief links.

Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

Over structuur en cultuur bij Buitenhof

Op 3 September 2017 hebt u getuige kunnen zijn van een van de meest interessante debatten in de recente geschiedenis. Het debat tussen Casper Thomas en Sid Lukkassen bij Buitenhof. Niet zozeer vanwege de inhoud, beide partijen debatteerden vanuit een geheel ander wereldbeeld en kwamen niet verder dan de eigen inhoud, maar vanwege het beeld wat er uit spreekt. Dat beeld is er namelijk een van structuur versus cultuur.

Structuur en Cultuur

Structuur is hier de gedachte; wat u ziet is wat u krijgt. Daarmee wordt bedoeld dat er slechts letterlijk gekeken wordt naar de realiteit. Verbanden bestaan daarmee dus ook alleen als deze direct aangetoond kunnen worden. Het moet bewijsbaar, controleerbaar zijn. Het is uiteindelijk gestoeld op de gedachte dat ideeën slechts een chemische of biologische samenstelling zijn in onze hersenen. Dat zij geen dingen op zichzelf zijn. Of Thomas hier zo over denkt is niet duidelijk, maar in algemene zin is dit de herkomst van kijken naar de realiteit als structuur.

De rol van de mens in deze structuur is louter mechanisch van aard. Het is de mens als ingewikkelde biologische machine, waar ‘we’ alleen nog niet genoeg data van hebben verzameld om precies te weten hoe deze machine werkt. Er zijn geen ideeën, alleen chemische samenstellingen in uw hoofd. Alles is gestructureerd en onderworpen aan de wetten van de natuurwetenschappen. Alles is daarmee aantoonbaar, al dan niet met data. Niet zichtbaar aan te tonen? Te weinig data? Dan klopt het niet wat u zegt.

Daar tegenover staat Cultuur. Dit is opgebouwd uit de werking van ideeën en handelingen die herleidbaar zijn tot ideeën. Het is beeldend. Hierin wordt in ultimo uitgegaan van de gedachte dat de mens misschien inderdaad reduceerbaar zou zijn tot biologische machine, maar zolang dit niet bewezen is, is het wetenschappelijk niet zuiver dat als waarheid te presenteren. Althans zo denken onder andere sir Roger Scruton, in The Soul of the World, en Ludwig von Mises, in Theory & History, erover.

Cultuur is beeldend, wordt gezien in de realiteit. Dat betekent Cultuur afhankelijk is van handelen in die realiteit. Zonder samenkomen in de Kerk geen mis. Zonder samenkomen geen politieke bijeenkomst. Zonder samenkomen geen familiefeest, geen paasvuur, sinterklaasfeest, leids ontzet, dwaze kinderen, of andere gebeurtenissen die een beeldende functie hebben. In dat beeldende wordt gepoogd de ideeën te tonen die in mensen leven. Die ideeën worden geuit in het handelen van mensen.

Het gelijk van beide heren

Wat het debat bij Buitenhof nu zo interessant maakte was het gelijk van beide heren. Thomas heeft gelijk. Er is niemand die schrijft, ‘ik ben een cultuurmarxist en dit is mijn plan’. Tegelijkertijd wordt ‘alles’ tegenwoordig maar geduid met cultuurmarxisme, tenminste vanuit ‘rechtse’ hoek. Dat doet inderdaad nogal sterk vermoeden dat we hier te maken hebben met de ultieme zondebok. Alles wat door ‘rechts’ of ‘conservatief’ Nederland verachtelijk gevonden zou kunnen worden is het gevolg van mannetjes die op de achtergrond aan de touwtjes trekken. Dat is zo absurd dat het terecht in de complotlade geschoven kan worden.

Lukkassen heeft gelijk omdat hij in beelden denkt. Hij ziet de structuren van ideeën voor zich. Hij ziet de geleidelijke invloed die manieren van denken hebben op de handelingen van mensen door de tijd heen. Voor hem zijn ideeën en hun invloed herleidbaar van de ene persoon naar de andere. Dat kan Lukkassen doen omdat ideeën daadwerkelijke dingen zijn, waarvan we (nog) niet weten wat zij precies zijn. Eenmaal bekend met de machinaties van ideeën wordt het mogelijk de patronen van die ideeën te herkennen. Er hoeft dus niemand aan touwtjes op de achtergrond te trekken, omdat ideeën hun eigen leven kunnen leiden in de hoofden van mensen.

Maak uw eigen keuze

Zo bezien kunnen Thomas en Lukkassen moeilijk of niet tot elkaar komen. Dat hoeft ook niet zozeer. Het is goed om beide heren te zien discussiëren. Het roept de vraag op wat u liever heeft, de begeestering van cultuur of de zekerheid van structuur?

Structuur biedt u zekerheid. Het biedt u de zekerheid van manieren van denken die alleen praktische zaken op kunnen lossen. Mensen tekort? Mensen importeren. Begrotingstekort? Geld drukken. Economische groei? Meer lenen. Immoreel gedrag? Regels maken.

Cultuur biedt u begeestering. Het biedt u een middel om zich te verbinden met ideeën die u verder kunnen brengen. Mensen tekort. Hoe loste men dat vroeger op? Begrotingstekort. Hoe verhelpen we dat? Economische groei. Is dat wel goed? Immoreel gedrag. Hoe ontstaat moraal?

Nadeel van structuurdenken

Het nadeel van structuurdenken is dat alles wat van buiten die structuur komt vreemd is. Anders had het in de structuur gezeten. Dat betekent dat er een keuze gemaakt moet worden bij nieuwe onderwerpen. Hetgeen van buiten komt wordt aangenomen en wordt dus in de structuur ingepast. Of wat van buiten komt wordt niet aangenomen en moet buiten de structuur gehouden worden.

Het kernbegrip ‘cultuurmarxisme’ is een begrip dat buiten de structuur gehouden moet worden. Het wordt geassocieerd met rechtse complotdenkers. Thomas parafraserend, je weet altijd aan bepaald woordgebruik dat er een complot vermoed wordt. Dat is ook hier terug te zien. Breivik noemt het, dus complot. Neo-nazis’ in Charlottesville noemen het, dus rechts.Dat die benadering zelf ‘bepaald woordgebruik’ laat zien, ontging Thomas wellicht. Net als zijn opmerking dat er in dat soort kringen altijd over ‘ze’ gesproken wordt. Even daarvoor sprak hij op precies dezelfde wijze over conservatieven/politiek-rechtse mensen.

Dat een eeuwige maatschappelijke omwenteling teneinde socialisme te bewerkstelligen al voor de Tweede Wereldoorlog werd gepropageerd is niet zo van belang, uiteraard. In Nederland bijvoorbeeld door de grote econoom (en socialist) Tinbergen. Geschiedenis hè, andere tijd, andere mores. Dat zijn nog slechts feiten waar ‘we’ nu niets meer mee kunnen. Het is tenslotte 2017.

De realiteit wijst de winnaar aan

Wat u hebt kunnen zien was het debatteren van twee werelden. Aan de ene kant structuur, aan de andere kant cultuur. Beiden zijn ze niet zozeer goed of fout. Beiden laten ze een levenshouding zien. Daarom was dit debat zo van belang. Het is goed om te zien dat mensen van een jongere generatie nog in beelden kunnen én willen denken. Dat ze vanuit die kracht oplossingen willen aandragen voor de problemen die zij om zich heen zien. Dat Lukkassen daarbij sterk wordt aangevallen door structuurdenkers is niet vreemd. Daar stijgt hij namelijk boven uit. De realiteit zal tonen wie er uiteindelijk gelijk krijgt.

De foto is gemaakt door: Byronv2

Posted on

Strategie van de spanning in Italië in de jaren ’60 en ’70

De door Willi Baer en de voormalige RAF-terrorist Karl-Heinz Dellwo uitgegeven Bibliothek des Widerstands is een inmiddels tot 32 delen aangegroeid monumentaal encyclopedisch werk over de geschiedenis van linkse bewegingen, met name in de jaren ’60 en ’70.

De uiterst linkse uitgeverij wijdde reeds twee omvangrijke en rijk geïllustreerde bundels aan de ‘Verborgen burgeroorlog en klassenstrijd’ in Italië. De meest recente bundel concentreert zich op 1967 en de daarop volgende jaren, met als zwaartepunt de bomaanslag op het Piazza Fontana in Milaan op 12 december 1969 en de gevolgen daarvan.

De aanslag kostte 17 mensen het leven en geldt als het begin van de, door Italiaanse geheime diensten, de NAVO-‘stay-behind’-organisatie Gladio en de poppenspelers van de geheime organisatie Propaganda Due, georkestreerde ‘strategie van de spanning’.

Lotta_continua_1973

De aanval op de staat door de radicaliserende studenten- en arbeidersprotesten, die eind jaren zestig zijn hoogtepunt bereikte, moest geneutraliseerd worden; om de stemming in het land te doen omslaan in het nadeel van links, werden gerichte terroristische acties onder ‘valse vlag’ in scène gezet.

Zo ook in Milaan, waar de anarchist Giuseppe Pinelli de rol van de ‘fall guy’ in de maag gesplitst kreeg: hij viel onder nooit opgehelderde omstandigheden uit het raam van de vijfde verdieping van een politiebureau. In werkelijkheid kwam de aanslag op het conto van de fascistische organisatie Ordine Nuovo, die zich tot voltrekker van de ‘staatsterreur’ liet maken. Bijzonder belangwekkend is de bijdrage van de historicus Mimmo Franzinelli, die de verstrengelingen tussen zwarthemden en geheime diensten belicht.

De leden van de ON waren deels zeer kleurrijke figuren: de leider, Pino Rauti was een aanhanger van Julius Evola, Franco Freda een soort van ‘nazi-maoist’ die de extremistische krachten van links en rechts wilde bundelen om het ‘verval van het systeem’ tegen te gaan, terwijl Mario Merlino zowel antiklerikale als katholieke en zowel anarchistische als fascistische groepen frequenteerde. Een verscheurdheid en een zoeken naar identiteit waarin Franzinelli een algemene signatuur van die tijd in ontwaart: “Dit alles is moeilijk te begrijpen voor iemand die deze aan opschudding rijke tijd, waarin het lijkt alsof de culturele en politieke orde van vandaag op morgen in zal storten, niet beleefd heeft.”

Net als alle delen van de bibliotheek is ook deze van een dvd voorzien, die zeldzame filmbeelden bevat, waaronder een bijzondere vondst die de uitgeverij samen met Cineteca di Bologna opgedoken heeft: De 12e december (1972) is een lang verloren gewaande film, waarop niemand minder dan Pier Paolo Pasolini een groot stempel heeft gedrukt.

Uitgaande van de zaak Pinelli komt hij bij benadering tot een soort sociologische rondblik kris kras door Italië, waarbij hij gewone mensen aan het woord laat. Vooral in deze scènes is het handschrift van de auteur duidelijk herkenbaar. De film ontstond in samenwerking met de links-radicale groep Lotta Continua, waarvoor Pasolini een zekere sympathie koesterde, maar waar hij als Einzelgänger niettemin met een zekere distantie tegenover stond, zoals tegenover alle relevante groepen uit die tijd.

Verdeckter Burgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band IIOok hij, die reeds afscheid had genomen van de revolutionaire ‘illusies’ van zijn jeugd, werd getekend door de innerlijke ‘verscheurdheid’ van zijn tijd: in dezelfde tijd als deze in rauw zwart-wit gefilmde documentaire, maakte hij grote, apolitieke kaskrakers als Il Decameron. Ondertussen groeide zijn pessimisme; Milaan kwam hem voor als het voorspel van een waarlijk ‘apocalyptische’ toekomst.

N.a.v. Willi Baer, Karl-Heinz Dellwo (red.), Verdeckter Bürgerkrieg und Klassenkampf in Italien Band II: Die sechziger Jahre. Revolte und Strategie der Spannung (Hamburg: Laika, 2015), 424 p.

Posted on

De ‘elite’ is de weg kwijt

“Beste elite, u veroorzaakt geen kloof maar een ravijn.” Dit schreef Roderick Veelo in een open brief aan de maatschappelijke bovenklasse. Hij wijst er op dat de polarisering steeds sterker voelbaar is en dat het publiek debat erg verhit is geraakt. De veenbrand, aangestoken door Pim Fortuyn, is nooit bekoeld. Burgers zijn nog altijd boos en de PVV staat hoog in de peilingen. Veelo vreest dat als er niets gebeurt er een “full scale klassenstrijd uitbreekt.”[1]

Zijn oproep is echter niets nieuws. De kloof tussen burger en politiek is al zo oud als de politiek zelf. Plato maakte in Politeia (380 v.C.) een uitvoerige analyse van de klassenstrijd, die zich altijd met economische en culturele spanningen aankondigt en er onvermijdelijk mee eindigt dat de bovenklasse wordt weggevaagd. So far so good. Maar het gaat hier om iets anders: namelijk om het ontstaan van twee gescheiden leef- en belevingswerelden. Een zekere afstand tussen regeerders en geregeerden is al zo oud als de politiek zelf, maar vandaag voelen we de frictie tussen totaal verschillende belevingswerelden die niet meer op elkaar inhaken.

Januari 2015 lanceerde ik de stelling dat burgers zoeken naar een nieuwe elite, als deel van de aankondiging van mijn boek Avondland en Identiteit (Aspekt 2015):

“’Nederland is af!’, beweerde in 1995 het Paarse kabinet. Pim Fortuyn’s opkomst toonde barsten in dit wereldbeeld. De eenentwintigste eeuw bracht nieuwe omwentelingen; oude conflicten laaiden opnieuw op. Economisch (het Westen tegen China), religieus (Occident versus Islam), militair (Europa contra Rusland). Aanvankelijk keek men op naar neoliberale self-made men als Rijkman Groenink, Dirk Scheringa en Jordan Belfort. Ondertussen groeiden de schuldenbubbels: banken en zelfs hele landen gingen failliet – de belastingbetaler moest bijspringen en de bevolking begon haar ‘elite’ te wantrouwen. Voorbeeld is Dominique Strauss-Kahn, een oude socialist die in woord het marxisme beleed en praktisch een libertijnse, welhaast ontwortelde levensstijl navolgde. De werkeloosheid groeide en de spanningen stegen, zeker in binnenwijken. De cultuur bleek te politiek correct geworden en burgers voelden zich vernacheld door hun ‘bovenbouw’. Dat wil zeggen door wetenschappers, mediamakers en politici.

Het protest is algemeen doch mist cohesie. Mensen wantrouwen doelen die het individu overstijgen en niet tot onmiddellijk tastbaar resultaat leiden. Het vormen van een ‘nieuwe elite’ is mede hierdoor een moeizaam proces.”[2]

Studenten houd ik altijd voor dat alles staat en valt met het verhelderen van begripsdefinities. Laten we de term ‘elite’ nu opvatten als de (Hilversum)media, de politieke scoutingcommissies, vakbonden, topambtenaren, finance sector, multinationals en entertainmentindustrie, die innig verstrengeld zijn en een gelijksoortig sociaal-liberaal ‘kosmopolitisch’ wereldbeeld delen. Als het definiëren van zo’n elite wat ‘complot-achtig’ aandoet, bedenk u dan dat dit niet zo is: de Amerikaanse gerenommeerde historicus Christopher Lasch (1932 – 1994) beschreef de verstrengeling van deze belangen en wereldbeelden al in The Revolt of the Elites and the Betrayal of Democracy (1994). Lasch typeerde de “superklasse” die ontstond als “symbool-analisten”, bedoelend dat zij de voeling met de tastbare economie kwijtraken. Hun steeds abstractere wereldbeeld gaat uit van een theoretisch universeel wereldburgerschap: dit is het wereldbeeld van de homo-economicus dat zich geen rekenschap aflegt van lokale wortels, banden en tradities. Dit zien we vandaag terug in de opschalingdiscussie en het rendementsdenken. Volgens Lasch waren de kiemen van de klassenstrijd tijdens zijn leven ingezaaid.

Van een klassenstrijd is vandaag nog geen sprake – van een klassenvervreemding zeker wel. “Of het nou gaat over de opvang van vluchtelingen, het tekenen van een associatieverdrag, terreuraanslagen of de rol van religie, het debat wordt door boze burgers én elite gevoerd op leven en dood.” schrijft Veelo. “Boze burgers kunnen schelden, maar de elite kan er ook wat van. Via nieuwe en oude media. Een voorbeeld: het dedain van columnist Arnon Grunberg voor het gewone volk druipt dagelijks van de Volkskrant. De haat voor het ‘verwende’ mokkende deel van de natie.”

Hier heeft hij zeker een punt. Grunberg is een typisch voorbeeld van zo’n “Revolting Elite”. Meer dan een jaar na mijn aankondigingsartikel zien we hoe de ‘elite’ wanhopig probeert terug te vechten. Bijvoorbeeld door Wilders voor het gerecht te brengen of door Hirsi Ali te bashen in praatprogramma’s op de publieke omroep. Enkele weken geleden werd nog gepoogd om Thierry Baudet onder tafel te laten praten door Rob Riemen van het Nexus Instituut. Dat faalde erbarmelijk toen Riemen dr. Baudet van nationalisme beschuldigde, waarop Baudet rustig uitlegde dat nationalisme niet enkel negatief is. Riemen’s grote held de Duitse schrijver Thomas Mann was bijvoorbeeld een nationalist met afkeer van het nazisme.

In Veelo’s column zie ik twee belangrijke parallellen met mijn proefschrift. Ten eerste het ‘terugvechten’ door de elite. Eurocommissaris Frans Timmermans verklaarde onlangs dat hij met Google, Twitter, Facebook en Microsoft in overleg is om “hate speech” op het internet aan te pakken.[3] Dit is de oorlog om het internet, want alternatieve media kunnen het nieuws- en informatiemonopolie van de symbool-analisten doorbreken. Echter, het onderscheid tussen haatzaaierij en een oprechte kritiek op de multiculturele samenleving, is zélf een politieke kwestie en dit hoort niet bij privébedrijven geparkeerd te worden. Het raakt aan mijn proefschrift omdat ik er dieper inga op The Circle (2013) door Dave Eggers. Daarin ontstaat een vergelijkbaar conglomeraat van sociale media- en overheidsmacht.

Ten tweede herken ik de verhitte stemming die het hele publieke debat dooradert. Dit kunnen we vergelijken met een koortsachtige fase in de vaderlandse geschiedenis, namelijk het conflict tussen Orangisten en Patriotten. Beide kampen hadden een eigen pers – uiteindelijk ontstond een staatsgreep die door een Pruisische interventie moest worden opgebroken.

De Patriotten trokken zich terug naar Frankrijk en in het kielzog van Napoleon kwamen ze hier uiteindelijk aan de macht. Vervang ‘Patriotten’ door ‘PVV’ en ‘Napoleon’ door ‘Marine le Pen’, en apocalyptische scenario’s dienen zich aan. Vooral ook omdat Frankrijk er als militaire macht binnen Europa nog echt toe doet. PVV-supporters zijn natuurlijk geen meerderheid van de bevolking, evenmin als het Front National dat in Frankrijk is, maar als minderheid zijn ze wel fanatieker én meer sneuvelbereid dan hun hedonistisch-kosmopolitische tegenstrevers. Nu we dan toch speculeren voegen we daar aan toe: een Duitsland dat onder Merkel in een totale impasse raakt, plus een non-interventionistische VS onder Donald Trump. Brexit anyone?

Ondanks dat dit scenario maar wilde speculatie is in het kader van 1 april, adviseer ik toch iedereen om bij voorbaat kennis te nemen van ‘Clubkoorts en Revolutie’, het werk waarop Geerten Waling binnenkort promoveert. Omdat het wel eens een goede handleiding c.q. ‘survival guide’ zal kunnen bieden voor het Europa dat nu aanbreekt.


 

[1] http://politiek.tpo.nl/column/beste-elite-veroorzaakt-geen-kloof-ravijn/

[2] http://www.dagelijksestandaard.nl/2015/02/avondland-en-identiteit-burgers-zoeken-een-nieuwe-elite/

[3] http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2016/03/eu_straks_doodstil_in_alle_talen.html

Posted on 1 Comment

Achterhaalde politieke begrippen: Het einde van de ideologieën is niet het einde van de geschiedenis

Niet pas in de dagen van de mislukte putsch in Moskou, kon men steeds weer lezen, hoe de “conservatieven” van de KGB en de Communistische Partij van de Sovjet-Unie de overgang naar de markteconomie en het parlementarisme wilden belemmeren. Persorganen die hen – die ook wel als “Stalinisten” of “orthodoxe communisten” beschreven werden – “conservatief” noemden, schreven geheel ongegeneerd, dikwijls op dezelfde pagina, politieke persoonlijkheden als Reagan of Thatcher, Bush of Kohl hetzelfde attribuut toe. Daaruit zou men eigenlijk een gemeenschap in gezindheid en doelstellingen tussen de genoemde westerse politici en de sovjet-vijanden van de “Perestrojka” op moeten maken – een evidente absurditeit.

Een uitweg zou de stelling kunnen bieden, dat conservatief is wie de respectievelijke bestaande orde verdedigt, ongeacht wat die orde in de verschillende gevallen inhoudt. Maar zelfs als men zich ertoe zou verstouten bondskanselier Kohl en de Russische putschisten gemeenschappelijkheden toe te schrijven, zou dat voor de analyse van de concrete situatie weinig verhelderend werken. In zulke situaties gaat het immers altijd om het doorzetten van bepaalde inhouden of inhoudelijk bepaalde doelen met het zicht op de vormgeving van een nationaal of internationaal collectief.

Niet minder verward komt het publicitaire, maar ook het wetenschappelijke spraakgebruik voor, als we kijken naar de andere fundamentele begrippen waar het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar om draait. Zeker, politieke basisbegrippen – en niet alleen die – gaan vanaf het begin met dubbelzinnigheid gepaard. Niettemin moet dit onderscheiden worden van die vervorming van hun inhoud, die hun historische ondergang aanduidt. Zolang begrippen leven en sociaal draagkrachtig zijn, hebben ze betrekking op een identificeerbare en identieke drager.

Wie in de 19e eeuw “conservatief” zei, bedoelde in de eerste plaats  de sociaalpolitieke belangen van de antiliberale adel en het grote patriarchale grondbezit, dat zich door de vooruitgang van het industriële kapitalisme bedreigd voelde. Als maatschappelijke dragers van dat, wat men vandaag de dag “conservatisme” noemt, worden nu eens de voorvechters van de planeconomie en de dictatuur in het oosten, dan eens de voorsprekers van de markteconomie en het parlementarisme in het westen, dikwijls ook nog de ecologisch gemotiveerde vrienden van de onaangetaste natuur of religieus gezinde vijanden van de minirok aangevoerd. “Liberaal” heette oorspronkelijk in de eerste plaats een politiek, die de economische en constitutionele ideeën van de burgerij articuleerde, niet zegge een pleidooi voor vrije abortus of een onbeperkt asielrecht.

De vrijblijvendheid van het vocabulaire wijst op haar achterhaaldheid. Dat kon wie het gadesloeg weliswaar reeds lang zijn opgevallen, de actoren hadden evenwel de begrippen uit de 19e eeuw om polemische redenen nog nodig. Daarbij heeft de lange strijd tussen het westerse systeem en het communisme aanzienlijk aan de verbreiding van dit taalgebruik bijgedragen, dat aan geen van beide zijden de feitelijke actoren weet te treffen. Juist daarom openbaart uitgerekend het einde van de Koude Oorlog, en wel haar afloop, hoe inhoudsloos de politieke taal intussen geworden was. Dat kan evenwel geen definitief oordeel over haar toekomstige werkzaamheid zijn.

De drie grondbegrippen van het politieke vocabulaire van de laatste honderdvijftig jaar, namelijk “conservatisme”, “liberalisme” en “socialisme” belichaamden eigenlijk alleen ten tijde van hun (overigens bijna gelijktijdige) ontstaan drie reële en eenduidige maatschappelijke opties. Want alleen rond 1848 stonden adel, burgerij en proletariaat op een enkel slagveld tegenover elkaar.  Het triptychon zou nog in de loop van de negentiende eeuw tot een diptychon krimpen, aangezien de verzwakte adel grotendeels in de burgerij opging door zijn patriarchale heerschappij op het land nolens volens op te geven en in verschillende gradaties en vormen aan het kapitalistische economische leven en het parlementaire spel deel te gaan nemen. Nadat het statische van de “societas civilis” bezweken was voor de kapitalistische dynamiek, kon geen sprake meer zijn van een conservatisme in de zin van het bewaren van een van God gegeven, eeuwige en hiërarchische orde. Dat het begrip conservatisme desalniettemin bleef leven, was niet zozeer te danken aan de vitaliteit van zijn natuurlijke maatschappelijke dragers, maar veeleer aan de polemische kracht van zijn triomferende tegenstanders.

Het “conservatieve” werd nu vooral vanuit de tegenstelling tot het linkse gedefinieerd. “Conservatief” was iets in de mate waarin het de doelstellingen van links weersprak, en wel onafhankelijk van de vraag of het feitelijk de samenleving veranderde: want waar links per definitie het monopolie op vooruitgang bezat, kon iedere verandering van de samenleving in een richting tegengesteld aan wat links voorstond, niet als “echte” verandering erkend worden. Dit denkschema maakte decennia lang school. Ook de gevestigde “progressieve” politicologie en sociologie in Duitsland heeft de opvatting doorgang helpen vinden, dat het conservatisme geen historisch gebonden en vergankelijk begrip is, maar een instelling die zich in steeds andere samenhangen opnieuw definieert en derhalve praktisch toepassing vindt. Daarbij was het veelzeggend dat de ideologen van het Oostblok deze overtuiging deelden.

Liberalisme, socialisme, conservatisme

De liberalen moesten zich van hun kant het begrip conservatisme toe-eigenen, toen ze merkten dat de oorspronkelijke burgerlijke betekenis van het begrip liberalisme verbleekte, terwijl zijn herinterpretatie in antiburgerlijke democratisch-egalitaire zin steeds aan terrein won. “Conservatief” noemde zich nu het gedachtegoed en de sociaalpolitieke praxis van het klassieke liberalisme, dat zich uitdrukkelijk van het egalitaire socialistisch-democratische streven wilde onderscheiden. Die laatsten traden vaak op met de aanspraak het “ware” erfgoed van het liberalisme creatief te vertegenwoordigen en de “echte” liberale gedachten consequent door te voeren, zodat ze uit formele rechten materiële en uit gelijkheid voor de wet sociale gelijkheid afleidden. Onder deze omstandigheden en in het licht van deze herinterpretatie moest het liberalisme als theorie en begrip die klassieke liberalen, die in burgerlijke categorieën dachten, min of meer verdacht voorkomen.

De grote leuzen vrijheid en gelijkheid, die reeds in de 17e eeuw in de taal van het seculiere natuurrecht gepropageerd werden, laten inderdaad een extensieve interpretatie toe: van deze mogelijkheid werd zich echter pas algemeen bewust in de 19e eeuw. Zo kwam men ertoe onder verwijzing naar een ethisch geladen liberalismebegrip zelfs verzorgingsstatelijke en dirigistische tendensen goed te keuren, en wel met de betekenis van het individu in het liberale denkkader in gedachten. Als hoogste waarde zou nu dus het individu de bescherming van de samenleving door middel van de staat moeten genieten en door de staat van een vrije ontplooiing naar alle kanten verzekerd moeten worden. Het ging hierbij evenwel om een drastische herinterpretatie van het klassieke liberale begrip van individualisme; hier is echter niet de legitimiteit van deze nieuwe interpretatie van belang, maar het feit dat deze plaats vond en de praktische politiek beïnvloedde. Zo konden in de 20e eeuw het begrip conservatisme voor liberale doeleinden en het begrip liberalisme voor een al met al antiburgerlijke politiek ingezet worden.

Net zo veranderlijk en voor velerlei uitleg vatbaar werd in de loop der tijd het begrip socialisme of sociale democratie. De machtsgreep van de bolsjewieken vermocht niet de reeds daarvoor bestaande socialismen te verenigen om daarmee het idee een exclusieve, eenduidige betekenis te geven. In tegendeel, ze leidde tot de definitieve splitsing van de socialistische beweging in een revolutionaire en een reformistische vleugel. Het reformistische socialisme van de westerse stempel knoopte op haar beurt aan bij de reeds genoemde omduiding van liberaal-individualistische gemeenplaatsen, terwijl de pogingen van afvallige Marxisten (ook wel Marxist-Leninisten) om zich van ‘Stalinisme’ als theorie en praxis los te maken en een ‘onvervalst’ socialisme in het leven te roepen, leidde tot een eindeloze stroom aan nieuwe varianten die allang onoverzichtelijk – om niet te zeggen ronduit saai – is geworden.

De Koude Oorlog heeft niet alleen de diversificatie van het socialismebegrip deels mede veroorzaakt, deels bevorderd. Hij had een vergelijkbare uitwerking op het liberalisme en het conservatisme.  In zijn nieuwe functie als tegenhanger van het ‘totalitarisme’ duidde liberalisme weliswaar ook op economisch liberalisme en derhalve ook het private eigendom van de productiemiddelen. Het zwaartepunt werd echter niet op deze prozaïsche zaak gelegd, die overigens door de tegenstander als blote ‘kapitalistenheerschappij’ werd afgedaan, maar op de met het economisch liberalisme verbonden kansen voor de ontplooiing van de samenleving en het individu. Liberalisme bestond zo bezien in het principe van onbegrensde vernieuwing en openheid, van de tolerantie en de menselijke waarde – kortom van de vrijheid met een hoofdletter. Op dezelfde vrijheid werd gedoeld, wanneer men het democratiebegrip als synoniem aan het liberalisme gebruikte en tegenover de ‘communistische tirannieën’ de ‘westerse democratieën’ stelde. ‘Liberalisme’ en ‘democratie’ werden hier dus als eerder als waarden opgevat dan op concrete maatschappelijke inhouden of regeringsvormen vastgelegd.

De communisten op hun beurt spraken van ‘conservatisme’ of ‘reactie’ om het systeem van het ‘staatsmonopolistische kapitaal’ aan te duiden, dat naar hun opvatting tot geen wezenlijke vooruitgang in staat, maar veeleer tot permanente crises veroordeeld was en de ontplooiing van de samenleving en het individu aan het rücksichtslose winststreven van de heersende clique offerde. Interessant genoeg bekenden zich aan de andere kant van de plas juist velen van hen tot het ‘conservatisme’, die zichzelf in anticommunistisch verband ‘liberalen’ of ‘democraten’ noemden, wanneer ze daarmee hun bedoeling uitdrukking wilden geven, eeuwige waarheden en waarden te verdedigen die het communisme bedreigde.

Op zijn laatst na het einde van de Koude Oorlog moet nu iedereen wel weten, dat de communistische en linkse diagnose van het ‘conservatieve’ of zelfs ‘reactionaire’ karakter van het westerse systeem, zoals het na de Tweede Wereldoorlog in de grote industrienaties vorm kreeg, niet alleen onhoudbaar, maar zelfs zinloos was. Men kan en mag dit systeem om verscheidene esthetische en ethische redenen afwijzen – niet echter omdat het ‘conservatief’ zou zijn, oftewel de technische vooruitgang en de bijbehorende omvorming van de maatschappij af zou remmen. Ongeacht hoe men technische vooruitgang, consumptiemogelijkheden en vrijheden als waarden beoordeeld, kan men de superioriteit van het Westen op deze gebieden niet ontkennen. Het verwijt van ‘conservatisme’ werd onzinnigerwijze aan een systeem gericht, dat de ontwikkeling van de productieve krachten in een wereldhistorisch tot nog toe ongekende mate revolutioneerde en het individu materiële en ideële mogelijkheden ter beschikking stelde die eveneens als verbazingwekkend wereldhistorisch novum voorkomen.

Wanneer menig drager of voorspreker van dit systeem zich ‘conservatief’ wil blijven noemen, dan ligt de reden daarvoor deels in polemische behoeften, deels echter ook zijn ethisch-ideologische zelfbegrip, dat zich niet met het inzicht wil verzoenen dat dit systeem intussen allang leeft van wat men in waarlijk conservatieve tijden ‘hoogmoed’ noemde. Maar ongeacht hoe dergelijke ‘conservatieven’ zich in de toekomst zullen noemen: de overwinning van het Westen in de Koude Oorlog zal het vocabulair van de ‘progressieven’ van allerlei kleur danig verwarren, aangezien het nu nauwelijks overtuigend voorkomt om het vitalere of in ieder geval overwinnende systeem met een traag conservatisme in verband te brengen. In Duitsland wordt in ieder geval in de laatste jaren en maanden het woord ‘conservatisme’ in pejoratieve zin steeds minder en nog slechts halfslachtig gebruikt.

Zoals het onjuist is het einde van de Koude Oorlog als overwinning van het conservatieve Westen over het revolutionaire Oosten voor te stellen, zo is het eveneens misleidend om het instorten van het communisme als succes van het liberalisme te vieren. Zo kan men slechts redeneren wanneer men onder ‘liberalisme’ de tegenhanger van ‘totalitarisme’ verstaat, zoals ten tijde van de Koude Oorlog gebruikelijk was. Ik zei eerder al dat in deze voorstelling de specifiek burgerlijk zin van het liberalisme tekort kwam. Dat was geenszins toevallig. In het zog van de ‘extensieve’ democratische omduiding van het liberalisme en ongetwijfeld in samenhang met de geleidelijke sociale neergang van de burgerij had het burgerlijke gehalte van het klassieke liberalisme zich al voor de Tweede Wereldoorlog aanzienlijk verdund. De burgerlijke massamaatschappij bevond zich al op weg naar de moderne massademocratie toen de mechanisering van het alledaagse inzette en de arbeider als consument ontdekt werd.

De betekenis van de Koude Oorlog

Deze bepalende wending kwam echter pas na de Tweede Wereldoorlog en niet in de laatste plaats onder de invloed van de Koude Oorlog tot een doorbraak. Want ongeacht de op lange termijn doorwerkende sociaalhistorische tendensen werd de verandering van de burgerlijk-liberale massamaatschappij in de moderne massademocratie (ook) bevorderd en versneld door het streven, door het snel opkrikken van de levensstandaard het gevaar van een communistische machtsgreep voor te blijven. Dit ging gepaard met een omvangrijke democratisering op alle terreinen en met het opbouwen van nieuwe elites in economie en politiek, die de oude burgerij in hoge mate verdrongen of aflosten. Managers, technocraten en ‘yuppies’ zijn als sociologische typen en functievervullers iets wezenlijk anders dan de burger; burgerlijkheid als levensstijl vervult heden ten dage, wanneer men het grotere plaatje in het oog houdt, dezelfde pittoresk-mondaine opgaven, die eens mening overlevende uit adellijke geslachten vervulde. Atomisering, sociale mobiliteit en waardenpluralisme of permissiviteit geven in verbinding met de parallel voortgang vindende nivellering van hiërarchieën  en autoriteiten, oftewel in verbinding met de democratisering, een algemeen beeld, dat slechts bij ontkenning van centrale sociologische en idee-historische factoren als het beeld van een burgerlijk-liberale samenleving aangeduid mag worden.

Het Westen heeft dus het Oosten eerst dan overwonnen, toen de burgerlijke klassenmaatschappij plaats maakte voor de massademocratie, waardoor de communistische kapitalismekritiek obsoleet en onaantrekkelijk werd. Om het paradoxaal te stellen: Het afscheid van de utopie in het Oosten is door de verwezenlijking van de utopie in het Westen mogelijk geworden. In de westerse massademocratie werd daadwerkelijk voor het eerst in de geschiedenis de goederenschaarste overwonnen en een opbouw van de samenleving naar functionele en prestatiecriteria bereikt. Men wist kortom de op atomisering berustende gelijkheid fundamenteel te verwezenlijken, terwijl tegelijkertijd de zelfverwerkelijking van het individu als het ware tot hoogste doel van de staat verklaard werd. Gaten en schaduwzijden van dit beeld zijn genoegzaam bekend; ze veranderen er echter niets aan dat deze  – verdraaide, groteske, burleske, of hoe men het maar noemen wil – verwezenlijking van de utopie uiteindelijk de communistische liberalisme-  en kapitalismekritiek de wind uit de zeilen nam. De moderne massademocratie heeft zodoende de begrippen ‘conservatisme’, ‘liberalisme’ en ‘socialisme’ in één klap inhoudsloos gemaakt. Door de extreme atomisering van de samenleving van de samenleving en de onbegrensde mobiliteit, die ze op grond van haar wijze van functioneren nodig heeft, heeft ze de grote collectieve subjecten opgelost, waarmee die begrippen verbonden waren zolang ze een concrete historisch gehalte bezaten en op een realiteit betrekking hadden.

Het inzicht in het obsolete van het politieke vocabulaire na de overwinning van de massademocratie over het communisme is niet alleen met het oog op academische doelen onontbeerlijk. Want de mondiale politiek zal in de toekomst de betekenis van massa-democratische waarden en doelen in rekening moeten brengen: van de kwantitatief opgevatte voortdurende opvijzeling van de levensstandaard tot de kwalitatieve egalisering van de kansen en het genot, zowel binnen de individuele naties als ook in de betrekkingen tussen de naties onderling. Dat betekent in de eerste plaats dat economische kwesties en tegenstellingen een groter politiek gewicht zullen krijgen, dat dus het politieke toenemend vanuit het economische begrepen en gehandhaafd wordt, terwijl de traditioneel voorrang krijgende vragen naar de beste staat en de beste constitutie naar de achtergrond gedrukt worden. Opmerkelijk genoeg heerst daarover na het einde van de Koude Oorlog een welhaast wereldwijde overeenstemming; die laat zich zien in de bereidheid de politieke instellingen van het Westen in deze of gene variatie na te doen.

Dat hangt met de economisering van het politieke in zoverre samen, als aangenomen wordt dat zulke instellingen de economische vooruitgang bevorderen. Tegelijk zijn belangrijke problemen, zoals de ecologie of overbevolking, aan de horizon van de kleiner geworden planeet opgedoken, die zich aan de hand van de denkgewoonten van het conservatisme, het liberalisme en het socialisme nauwelijks bevatten of bestrijden laten. Men weet intussen immers: Bewaren is allang tot een organisatiekwestie geworden, vrijheid kan in massamaatschappijen tot oplossing of explosie leiden, terwijl rigoureuze planning kwaden voortbrengt, die ze uit zichzelf niet verhelpen kan.

Het zou nochtans wensdenken zijn, te menen dat het noodgedwongen losgeweekt zijn van traditionele politieke inhouden en begrippen alsmede de economisering van het politieke de conflicten tussen de belanghebbende groepen op zou heffen of zelfs maar zou matigen. Ze zullen ongetwijfeld de politiek voor een groot deel ‘ontideologiseren’; dat wil zeggen: ze zullen de invloed van die ideologieën verminderen of terugdringen, die sinds de Franse Revolutie het politieke handelen moesten legitimeren.

Het is evenwel kortzichtig om de in de laatste twee eeuwen gevoerde politieke strijden aan ideologisch fanatisme toe te schrijven en van de weeromstuit  vanwege het ‘einde van de ideologieën’ een eind van de conflicten te verwachten. Ontideologiseerde  conflicten zullen zo mogelijk nog heftiger zijn dan de ideologisch gevoerde, mochten zich bepaalde goederen uitgerekend in een tijd als schaars bewijzen, waarin de overwinning van de goederenschaarste als het hoogste doel van de mensheid gezien wordt. De ontideologisering en de economisering van het politieke betekenen uiteindelijk, dat voortaan alleen nog om materiële goederen zonder noemenswaardige ideologische betekenis gestreden wordt. Om precies te zijn, zou men de ontideologisering als gedeeltelijke terugkeer in het dierenrijk moeten duiden. Of het wenselijk is dat het afscheid van de utopie zo ver gaat, blijft natuurlijk een kwestie van smaak.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 5 oktober 1991.