Posted on 1 Comment

Hedonistische technocratie houdt ons gevangen in post-adolescentie

Eerder dit jaar filosofeerde ik over het boek Keep the Aspidistra Flying. Daarin maakt George Orwell invoelbaar hoe banaal en afgestompt het leven van de Britse middenklasse was. Nadien verscheen er in Nederland een boek met een soortelijk thema: het is geschreven door Mel Bontje en heet Bart Mittendorf, een zak met niets. Van de film The Matrix (1999) kennen we allemaal de keuze tussen de blauwe en de rode pil. Wie de rode pil slikt, wordt wakker in de harde realiteit maar leeft wel in de authentieke waarheid. De blauwe pil betekent weer in slaap vallen en wegdromen bij comfortabele leugens.

Laat me daarom tevoren één opmerking maken: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar. Reader beware.

Het verhaal heeft raakvlakken met films als Fight Club (1999) en Noise (2007). In Noise ontmoet een man die is voorbestemd voor het leven van de familie doorzon een even wellustige als gewillige filosofiestudente. Zij prikkelt zijn geest en vervult zijn oerinstincten. Hierdoor ziet hij in een moment van helderheid hoe hij gebukt gaat onder een hedonistische technocratie: hij breekt los uit zijn routinebestaan en besluit volledig break the system te gaan.

Vanaf de openingspagina is duidelijk welke auteur voor Mel Bontje een grote inspirator is. Seks in een boek is één ding, maar waarom toch die fascinatie met zelfbevlekking? Een ander feit dat in het oog springt is dat de auteur doorklinkt in de gesprekken. Hij laat zich kennen in zowel zijn fascinatie met aftandsheid en verval, als in zijn erudiete woordkeuzes om sociale analyses uit te drukken. Dit rijmt niet overal met de personages: het zijn deftige zinnen waarmee de jonge geest absoluut en doordringend oordeelt over de werkelijkheid.

De hoofdpersoon Bart Mittendorf loopt een zielloze haptent binnen. “Het enige speelse in de zaak was het geluid van het borrelende frituurvet” (p.38). Elke pagina kent dergelijke zinnen – de auteur is duidelijk getalenteerd. Wel geven de personages lange, gestileerde commentaren op de maatschappij en op wat er speelt in hun leven. Deze reflecties vinden plaats binnen situaties die daar soms te vluchtig voor lijken.

Via deze commentaren drukt het boek het afgrijzen uit van het vooruitzicht een diploma te halen bij een instituut dat zich niet om je bekommert, om vervolgens in dienst te treden bij een bedrijf dat zich niet om je bekommert. Ondertussen een sprankelend en levenslustig enthousiasme veinzend om jezelf ‘in de markt te zetten’ – dit afgrijzen wordt met drank, drugs of Netflix gekalmeerd en dit noemen we ‘vrijheid’.

“Ik heb het geprobeerd, maar ik kwam erachter dat ik geen geluk haal uit een leven dat bestaat uit interactie met jongens en meisjes die hun gebrek aan authenticiteit verschuilen achter maat- en mantelpakjes […] Alles voor het behalen van validatie in een absurde, ontwortelde en volledig vervlakte realiteitscontext. Niemand was meer dan een mislukte reproductie van een vacatureomschrijving.” (p.16-7)

Het type leven dat zojuist werd omschreven hebben we ook nog eens uitgeroepen tot het hoogst haalbare in de menselijke geschiedenis, namelijk ‘liberale democratie’. En zo stuurt het boek ons indirect in de richting van een levenswijsheid: niet het hebben van een hoog inkomen is het geheim van de vrijheid, maar het hebben van een laag uitgavenpatroon. De auteur verwoordt dit als volgt: “Zijn buikvet zou schuilgaan achter een maathemd van dure stof. Dag in dag uit zou hij gehuld moeten gaan in een mantel van leugens en opgaan in de grijze massa der kantoorschepsels tot hij niet beter zou weten. Toch wilde hij de chaos in zijn ziel niet laten bedwingen door de dwangbuis van het bedrijfsleven.” (p.17)

De kernzin van het boek – en feitelijk van de Westerse cultuur – vinden we op pagina 52: “Niets dwong me om serieus te worden.” Oftewel de hedonistische technocratie houdt ons gevangen in een post-adolescentie. Het is normaal dat je na je afstuderen een vaste baan vindt met een degelijk salaris en dan een gezin sticht. Tenminste dat geldt voor een beschaving die wil voortbestaan. Onze realiteit na het afstuderen is tig onbetaalde stages, nul urencontracten, tien jaar Tinderen, een leven lang huurwoningen.

Échte volwassenheid betekent in deze situatie: een slaaf worden van het systeem. Steeds meer jongvolwassenen zien dit en slikken de rode pil. Ik ken een arts die maandelijks 4.000 euro verdient en 2.500 overhoudt. Ik ken een consultant die 5.000 verdient en 2.800 overhoudt. Beiden werken dag en nacht. De auteur beschrijft soortgelijke situaties en concludeert dat we welbeschouwd werkvee zijn van een globale elite, die jongeren met kosmopolitische propaganda bestookt om hen in dit keurslijf te lokken:

“Hoe langer de jonge westerling op reis is, hoe meer hij gaat geloven in de maakbaarheid van de wereld, het ideaal van mondiaal pacifisme en postmoderne theorieën. In de Berlijnse hostels krioelt het van de cultuurmarxisten: types die het als hun levensdoel zien om zich op te werpen voor alles wat zwak en zielig is. Ze willen niets liever dan zichzelf wegcijferen voor alles dat als minderheid, onderdrukt of achtergesteld bestempeld kan worden. Het Berlijnse jeugdhostel is de bunker van de Gutmensch.” (p.56)

Dat de welbespraaktheid van de personages niet overal rijmt met hun sociale stratificatie, maakt echter niet dat het geen leuke personages zijn om over te lezen. Neem nu Vera – zij wordt omschreven als slank, blond en goed in vorm. “Vera zweeg, legde haar hand op Barts rug, bracht haar lippen richting zijn hals en klom langzaam op zijn schoot. Ze zat met haar gezicht naar hem toe, met zijn neus onder haar boezem” (p.56). Dit personage vervult een belangrijke pedagogische rol: Vera’s geile gekronkel leert jeugdige lezers dat cultuurrealisme en postprogressivisme wel degelijk kunnen leiden tot goede seks.

Dit is een passend moment om kort iets te zeggen over Houellebecq, met wiens proza er vele gelijkenissen zijn. “Mijn wanstaltige voorkomen zou ze met een enkele blik veroordelen. Zonder woorden zou ze de verwerpelijkheid van mijn gedaante in volle helderheid bevestigen” (p.35). Deze Franse schrijver wordt soms ‘vrouwonvriendelijkheid’ verweten oftewel misogynie – het tegendeel is waar. Deze auteur die in de verleidingskunst wat klungelig is, maakt zijn vrouwelijke personages tot lustvolle sletten die zélf het contact initiëren. ‘Sletterig’ is hier niet in een negatieve zin bedoeld, maar juist in een sekspositieve. De vrouwelijke karakters die hun genot najagen zijn uiterst geëmancipeerd.

Het enige kritiekpunt op Bart Mittendorf is dat de auteur mogelijk teveel doorschijnt in de erudiete volzinnen van de personages. De dialogen van de personages zijn soms te intelligent geschreven voor de proleten die ze zijn. Maar al met al is dit een perfect jeugd- en avonturenboek dat de huidige tijdsgeest weerspiegelt. De anti-Steppenwulf.

“Rustig blijven we onze dagelijkse taken uitvoeren; we hopen dat iedereen elkaar ooit, zonde enige vorm van wrok, de hand zal reiken. In lijn met de Duitse filosoof Johann Gottfried von Herder stellen we ons voor dat culturen elkaar prachtig aanvullen, zoals bloemen in een tuin. Wat we vergeten is dat al die bloemen snakken naar licht, ruimte en lucht. Het hardnekkigste onkruid zal de dienst gaan uitmaken en al het overige verdringen. We laten iedereen binnen en zien alles steeds verder naar de klote gaan. Hierover durven we geen oordeel te vellen.” (p.63)

“We worden uitgeleverd door een politieke elite die zijn machtsgeile gezicht verschuilt achter een masker van valse humanitaire waarden. Het is de neomarxistische elite die de fatale baksteen in het bloedende gezicht van Europa smijt. Ik kan het niet accepteren om als nietszeggend schepsel te worden vertrapt onder de schoenzolen van de botsende beschavingen.” (p.64)

“In de menigte leek iedereen op elkaar: het kroost van het kroost van 68-ers.” (p.77)

“We zijn te laf om de slijmerige realiteit te ontsluieren. Tot dat moment, het moment dat we onszelf hebben ontdaan van de leugen, zullen we enkel leven om vergeten te worden, tot niets groots in staat zijn en louter onzinnig slavengedrag vertonen.” (p.22)

De schrijver Mel Bontje zal natuurlijk niet worden ‘ontdekt’ door ‘kwaliteitsmedia’: daarvoor is het deuggehalte onvoldoende – zo zal duidelijk zijn uit het bovenstaande meesterlijke proza. Maar het boek is zéker de moeite van het lezen waard. Misschien is het hier en daar zelfs net te gepassioneerd geschreven ‘for his own good’. Zoals ik al zei: voorbij dit boek is de weg naar de blue pill onbegaanbaar.

Op zaterdag 29 september om 15:00 uur vindt een boekpresentatie plaats van het boek ‘Bart Mittendorf. Een Zak Met Niets’ in Boekhandel Cursief te Gorinchem. Meer informatie hier: https://www.facebook.com/events/1129092800581064/

Posted on

Uitgeverij De Blauwe Tijger lanceert nieuw tijdschrift

De Groningse uitgeverij De Blauwe Tijger lanceert deze zomer een nieuw tijdschrift. Het magazine gaat Epoque heten en moet een glossy “boordevol cultuur, geopolitiek, economie, trends, ambacht en kunst” worden.

“Epoque springt in een gat dat al langer aanwezig is op de Nederlandse bladenmarkt”, zo schrijft De Blauwe Tijger op haar website. “Het is gericht op langlopende trends op gebied van economie, literatuur, kunst, (geo)politiek, geschiedschrijving, onderwijs en opvoeding.”

“In een tijdperk waarin mensen steeds minder kranten en bladen lezen, is Epoque Magazine een middel om zicht te krijgen en visie te ontwikkelen op trends in binnen- en buitenland”, zo licht de uitgeverij toe.

Het is de bedoeling dat ieder nummer van het magazine, dat vooreerst als kwartaalblad verschijnt, een katern rond een thema bevat. In het eerste nummer is dat thema rust. “Thema’s worden over meerdere essays en achtergrondcommentaren ontleed. Vervolgthema’s zijn o.a. Brexit, Merkel, stedebouw, popcultuur, Salamanca.”

Daarnaast wil het blad veel ruimte vrijmaken voor reportages en dossiers: “Dossiers besteden aandacht aan gevoelige maatschappelijke onderwerpen als gaswinning en pulsvisserij en Europese regelgeving. (Foto-)reportages gaan over unieke en vakbekwame ondernemers, en beeldend kunstenaars. En met de kunst is ook het laatste vaste onderdeel aangeboord. Epoque besteedt niet alleen veel aandacht aan het chroniqueren van de kunst en literatuur, maar zal ook literatuur, poëzie en essayistiek plaatsen.”

De redactie van het tijdschrift wordt gevoerd door Antoine Bodar, Henk-Jan Prosman en Tom Zwitser. Auteurs die bijdragen aan het tijdschrift zijn onder andere: Willem Jan Otten, Robert Lemm, Fernand Keuleneer, Alexander Zwagerman, Diederik Boomsma, Klaas Maas, Sietske Bergsma, Amanda Kluveld, Charlotte Blaak, Hugo Beuker, Martin van Creveld, Harry Prins, Peter van Duyvenvoorde, Jesper Jansen, Nikko Norte, Rypke Zeilmaker, Jonathan van Tongeren.

Het eerste nummer van Epoque moet in september verschijnen. De uitgeverij vestigt er de aandacht op dat het initiatief tot stand komt zonder investeerders en vraagt zodoende iedereen die dit wil steunen om niet te wachten met abonneren. “We beginnen weliswaar als kwartaalblad, maar willen zo snel mogelijk een maandblad worden. Dit kan alleen met uw hulp! Treuzel niet, en neem een abonnement!”, aldus De Blauwe Tijger. In de losse verkoop gaat het magazine 16,95 euro kosten, een abonnement is 52,- euro.

Meer informatie en abonneren op de website van De Blauwe Tijger

Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

Metro 2033 – Een dystopische toekomst met kenmerken van het Russische verleden

In 2002 verscheen op de website van Dmitry Glukhovsky het boek Metro 2033 in delen online. Het boek was volledig gratis te lezen, en is dat in het Russisch nog steeds. De spelontwikkelaars 4A Games maakten er een succesvolle tweedelige spellenreeks van (Metro 2033 en Metro: Last Light). Naar aanleiding van deze spellen werd het boek in het Engels vertaald, waardoor het beschikbaar werd voor de niet-Russischtaligen onder ons. Voor velen in het Westen geeft het een inzicht in de Russische psyche en visie op mens en maatschappij.

Het boek speelt zich af in het jaar 2033, zoals de titel al aangeeft, en is een dystopische roman. Vaak kan men via utopieën en dystopiëen een inzicht krijgen in het tijdperk waarin ze geschreven zijn. In de Angelsaksische wereld is uit het Warhammer 40 K universum de term “grimdark” ontstaan om de dystopieën te beschrijven die zodanig grimmig en duister zijn dat er een nieuwe samengestelde term voor nodig was. Om Metro 2033 ten volle te begrijpen, kan het echter geen kwaad om de Russische geschiedenis en cultuur al wat te kennen. Rusland heeft vele totalitaire onderdrukkingen en bijna-vernietigingen gekend. Gaande van het Mongoolse juk en Timoer Lenk die op het punt stond Moskou te vernietigen tot het verstikkende etatisme van Brezjnev e.d. Daarnaast kenden ze ook periodes van complete chaos waarin het leek alsof Rusland verzwolgen zou worden door de krachten die het land verscheurden. Denk daarbij aan de Tijd der Troebelen, de Russische Burgeroorlog,  de vervolging der oudgelovigen, etc. De voetafdrukken van die elementen zijn duidelijk terug te vinden in Metro 2033.

Het is geen pretje in het Rusland van 2033. Twintig jaar voor aanvang van het boek, in 2013, vond een kernoorlog plaats die de beschaving wegvaagde. Althans, dat is toch blijkbaar het geval. De mensheid in Moskou vluchtte ondergronds in de metro om te overleven. Meerdere metrostations werden omgebouwd in sloppenwijken van enkele verdiepingen hoog waar mensen proberen te overleven. Het basisvoedsel is champignons geworden aangezien die nog kunnen gedijen in de duisternis van de Moskovische metro. Tussen de metrostations lopen er handelsroutes over de sporen, die in variërende staat zijn. De rijke stations hebben vaak toegang tot routes die volledig met trolleys afgelegd kunnen worden, andere gebieden moeten te voet bezocht worden.

Metro 2033 volgt de belevenissen van Artyom, geboren in 2013 in een Russisch metrostation. Een horde agressieve, gemuteerde ratten vielen het station aan en doodden iedereen. Artyom overleefde enkel doordat een Russische militair, Sukhoi, hem kon redden en meebracht naar het station VDNKh, waar de roman begint. De duisternis die vanaf het begin de protagonist en zijn omgeving omringt, is tastbaar. Er is geen vreugde in het leven, enkel een grote zwaarmoedigheid die de overlevenden allen torsen. Levensplezier is goedkope sigaretten roken en een vieze alcoholische drank naar binnen gieten terwijl men op wacht staat aan de ingang van het station. De enige verlichting daar een brandende ton. Gemuteerde of gewone hongerige, wilde dieren proberen regelmatig de verdediging van stations te testen. Er zijn verhalen over mutanten die vanaf de oppervlakte zouden proberen de metro binnen te dringen. Verhalen over karavanen die verdwijnen in de onmetelijke tunnels zijn legio. Af en toe verdwijnt alle communicatie met sommige stations, die daarna vernietigd of verlaten blijken te zijn (bijv. Smolenskaya). Kortom: meer dan overleven zit er niet in voor Artyom en zijn lotgenoten.

Er volgt een avontuur door de tunnels dat tevens een reis is door de Russische geschiedenis en psyche. In de centrale ring die de Moskouse metrolijnen met elkaar verbindt, hebben de stations een confederatie gevormd die ze de Hansa noemen. Dit zijn de rijkste stations aangezien zij de handelslijnen tussen de meeste stations controleren. Zij zijn de rijksten en de enige met uitgebreide toegang tot licht en stromend water. Hun bestuur is nog het meest democratische van al de stations, maar is ook duidelijk oligarchisch. In tegenstelling tot andere politea in de Moskovische metro, hebben zij geen andere idealen dan rijkdom vergaren. Men ziet hierin de hedendaagse oligarchen die weinig gaven om de rest van Rusland en die qua idealen flexibel genoeg waren om met alles en iedereen te handelen om zo, zonder scrupules, hun eigen luxe te veilig te stellen. Waarbij zij blind waren, of arrogant, om de gevolgen van zo’n houding in te zien. Tevens ziet men hierin de Republiek Novgorod die destijds met Moskovië streed om het primaat in Rusland, en indirect ook de mal waarin de Russische ziel zou gegoten worden. Het absolutisme van Moskovië won van het westers gerichte handelsimperium van Novgorod, dat overigens nooit het Mongoolse juk kende zoals Moskovië.

Men ziet hierin een visie die bij veel Russen is terug te vinden: het plaats geven van het lijden van de mens. Wie geen juk gekend heeft en geen kruis gedragen, zal worden gecorrumpeerd door luxe en de valse beloften van vrijheid (democratie de facto gecontroleerd door oligarchie). Om uiteindelijk ten val gebracht te worden door hen waarmee je handel hebt gedreven.

Daarnaast heb je ook de Rode Lijn en het Vierde Rijk.  Zij vormen de uitersten in de Russische politieke geschiedenis. Zij zijn beide spiegels van elkaar. Het zijn totalitaire systemen waarbij de partijlijn alles bepaalt. Met als verschil dat de auteur, vanuit de Russische historische ervaringen, het communistische gedeelte ziet als dan wel enorm machtig, maar log en inefficiënt, maar het Vierde Rijk bekijkt door de Russische bril. De “fascisten” van het Vierde Rijk, een term die in Rusland een andere connotatie heeft dan in het Westen, zijn tevens een totalitaire entiteit, maar bijna anarchistisch in hun daden. Ze volgen een Führer-figuur, maar al hun acties lijken volledig op impuls te zijn gedreven. Aleksander Doegin schrijft over deze visie op communisme en fascisme in “De Vierde Politieke Theorie”. Hij stelt dat het communisme is gestorven als een oude man, ingestort door een opeenstapeling van gebreken inherent aan het systeem. Dit in tegenstelling tot het fascisme, dat volgens Doegin in zijn wilde jonge jaren ten onder is gegaan, Europa meetrekkende, in een explosie van energetisch, door technologische vooruitgang gedreven, geweld dat men tevens in het futurisme al zag. Het totalitarisme van de Rode Lijn wordt in het boek dan ook eerder afgedaan met een houding “Uiteraard zijn ze totalitair, het zijn de Sovjets van Stalin” terwijl het Vierde Rijk meer als een karikatuur bestaande uit impulsieve beestmensen wordt bekeken.

Daarnaast heeft men ook nog de Revolutionairen. Zij drijven handel met de Rode Lijn en voeren oorlog met het Vierde Rijk. Zij zitten meer op de lijn van Che Guevara en zijn een spiegel van Sovjet-bondgenoten als Cuba. Revolutionair, vol met communistisch vuur om de wereld rood te kleuren en bewapend door de Sovjets, maar tevens onvoorspelbaar en eerder anarchistisch ingesteld. Je voelt aan dat het enige dat de beiden verbindt de dreiging van het Vierde Rijk is, maar dat de Rode Lijn uiteindelijk wel orde wenst op te bouwen in tegenstelling tot het dromerige utopisme van de Revolutionairen.

Daarmee is de Russische politieke geschiedenis voor een aanzienlijk deel neergezet (je hebt ook nog de intelligentsia van het universiteitsdistrict e.d.), maar er is ook tegen het einde een interessante uitstap naar de spirituele wereld van de Russen. Met de instorting van de beschaving is de Russische Orthodoxe Kerk qua structuren volledig weggeblazen. In het boek wordt duidelijk gemaakt dat op religieus vlak enkel de volledig gekken de overhand hebben. En wie is voor de Russen vaak hét toonbeeld van religieuze onzin en gekheid (en uiteraard met het westen verbonden)? De Jehova’s Getuigen. Zij komen voor in een vorm waarbij zij een mengeling vormen van de Jehova’s Getuigen met hun bizarre geloofsbeginselen, het fanatisme van de Oud-Gelovigen en de bizarre verhalen die soms opduiken in de Russische geschiedenis over gesloten religieuze gemeenschappen en hun rare rituelen. Denk bij dat laatste dan vooral aan de Chlysten van de 17de eeuw. Ook dwalen in de tunnels gemeenschappen van satanisten rond. Zij zijn een mengeling van de karikatuur van satanisten en vampiers. De satanisten ontvoeren mensen om hen als slaven te laten werken in een groot graafproject om zo de hel te kunnen bereiken. Verder wordt niet ingegaan op deze satanisten, maar zij vormen een zoveelste toevoeging aan het idee dat voor sommige mensen het lijden pas genoeg zal zijn wanneer ze de hel zelf hebben kunnen bereiken.

Deze spirituele uithoek van het verhaal vindt zijn hoogtepunt in Artyom die denkt een gigantische tunnelworm te zien die voorbij raast, meerdere meters breed en tientallen meters lang. Zelf stelt hij zich vragen of hij het nu gezien heeft of niet waarbij hij zich duidelijk afvraagt in wat voor compleet absurde situatie hij terecht is gekomen. De wereld was gek geworden, heeft zichzelf vernietigd, maar het enige dat eruit is voortgekomen, lijkt wel te zijn dat de mens besluit om het allemaal nog eens op kleinere schaal over te doen.

Een uitstekend boek dus waarin de protagonist meerdere keren reisgenoten kwijtraakt. Niet is immers definitief, behalve het verval van de mens en het lijden en juk dat daaruit volgt. Een aanrader voor iedereen die eens een “goede” dystopie wenst te lezen die evenveel zegt over een mogelijke toekomst als over het verleden. Wie de Russische geschiedenis en mentaliteit al kent, zal veel rode draden zien.

Posted on

Geen Nobelprijs, wel een goede verfilming

Onder de lezers van Philip Roth was de verontwaardiging groot, dat in 2016 niet hij, maar zijn landgenoot Bob Dylan de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg – een zanger nota bene!

Zingen kan Roth niet, maar sinds zijn wereldwijde doorbraak met Portnoy’s Complaint (1969) is wel duidelijk dat hij ontstellend goed kan schrijven. “Verontwaardiging” is overigens ook de titel van een boek van hem, dat in 2008 verscheen en dat als opvallend goede verfilming op het witte doek komt.

Het gaat daarin om de college-student Marcus (geacteerd door Logan Lerman, bekend van de Percy Jackson-reeks), die in de jaren ’50 in aanvaring komt met een universiteitsdecaan. Het non-conforme sociale gedrag va de jongeman op de campus – hij weigert deelname aan een studentenvereniging en trekt uit een aan hem toegewezen studentenkamer – maakt dat hij de decaan verdacht voorkomt.

Een groot deel van de film wordt uitgemaakt door een twistgesprek tussen Marcus en de decaan. Dit ellenlange verhoor dat het McCarthy-tijdperk in herinnering roept, wordt mede dankzij de ervaren Broadway-toneelspeler Tracy Letts als decaan met een kamerdrama-achtige intensiteit neergezet, die aan spanning nauwelijks te overtreffen is.

Regisseur James Schamus heeft bij zijn bioscoopdebuut afgezien van iedere opsmuk. Een perfecte jaren ’50- enscenering geeft deze ingetogen, respectvolle morele worsteling met de autoriteiten echter de perfecte authentieke setting. Romanauteur Roth hoeft over deze zorgvuldig geënsceneerde film dan ook alles behalve verontwaardigd te zijn.

Posted on

Winternachten: Politiek-correct wensdenken en de hardnekkige realiteit

Afgelopen weekend was ik met een vriend bij het Haags literatuurfestival “Winternachten”, georganiseerd door Writers Unlimited; hier komen schrijvers en dichters over hun vak spreken, vaak in relatie tot de actualiteiten. In het verleden had dit festival een breed profiel, Portugees-Afrikaanse muziek en diepte-interviews met onderzoeksjournalisten werden afgewisseld met documentaires over PUAs en cocktails. Tegenwoordig ligt de nadruk meer op opinie.

In het eerste evenement ging Tommy Wieringa op de bank bij de Vlaamse psychiater Damiaan Denys. De crux was dat Wieringa niet zichzelf uitbeeldde, maar Nederland: Nederland lag op de sofa. Volgens Wieringa was Nederland neerslachtig, en stond het een diepe depressie “zoals aan de overkant van de oceaan” te wachten – daarmee doelend op Trump. Voor ik naar Winternachten ging, vreesde ik al dat dit festival volledig in het teken van Trump zou staan, omdat het festival een wat linkse-signatuur heeft en Trump is – na de val van de Berlijnse muur in 1989 – de grootste, ideologische schok, die naoorlogs links ooit heeft doorgemaakt. Juist om die reden was het festival erg interessant. Wieringa stelde dat Nederland zich in een leegte waant, net als het hele Westen eigenlijk. Hij refereerde aan de voor hem merkwaardige D66 verkiezingsslogan “En nu vooruit!” “Maar waarheen dan?”, aldus Wieringa tot groot vermaak van de zaal. Dit was de eerste les van de avond: er is maar één weg naar vooruitgang en die loopt i.i.g. niet via types als Trump (of populisten). Het staat voor Wieringa vast, dat Trump tot achteruitgang zal leiden: “archaïsch regressieve krachten”.

Vervolgens was Bas Heijne aan het woord, met het groepsgesprek “The return of Sultans & Tsars?”. Hierin werden de Turkse journaliste Ece Temelkuran en de Russische schrijvers Michaïl Sjisjkin en Sana Valiulina geïnterviewd over het intellectuele leven onder autoritaire leiders. Allen waren woonachtig in Europa. Volgens Sjisjkin en Valiulina is Poetin een dictatoriaal figuur en zijn Russen doodsbang om tegen hem in te gaan. Temelkuran ging opvallend weinig in op Turkije en Erdogan, ze richtte haar peilen vooral op Trumps verkiezing. Erg jammer, omdat je zou denken dat de islamisering van Turkije toch een van de beste voorbeelden is van wat Wieringa eerder op de avond “archaïsch regressieve krachten” noemde. Temelkuran merkte wel op dat er in de mens een oer-behoefte lijkt te zijn om achter een sterke leider aan te lopen. Zelfs als buitenstaanders waarschuwen, dat die sterke leider een natie naar de vernieling zal helpen. Het appèl aan de stam maakt een tribalisme los waar weinig mensen tegen bestand zijn, behalve intellectuelen natuurlijk. Temelkuran insinueerde dat dit nu ook in de VS gaande is.

Sjisjkin reageerde instemmend. “Mijn vader leefde tot 1989 in een wereldmacht die het fascisme overwonnen had”, vervolgens “kreeg hij brood van de Duitsers tijdens de Russische Hongerwinter”; “hij moest huilen van vernedering”. Sjisjkin stelde dat mensen als zijn vader de nationale grootsheid prefereerden boven vrijheid, zelfs als dat armoede betekent. De interessantste observatie werd overigens door Heijne zelf gemaakt. Heijne stelde de vraag: “het lijkt wel alsof identiteit, nationalisme, groepsgevoel, etc. boven universalisme gaan”. Heijne herontdekte hiermee Huntingtons observatie van botsende beschavingen, en scherpte die deels aan. Huntington stelde slechts, dat universalistische claims van de Westerse beschaving niet gedeeld worden door de andere grote beschavingen; islam, orthodoxie, China, Japan, India en Afrika. Heijne bemerkt dat bij Trump en Europese populisten universalisme ook afwezig is: ze willen opkomen voor hun eigen land, aan grote idealen hebben ze geen boodschap. De tweede les van de avond: politieke vooruitgang gaat via abstracties en progressieve idealen, niet via het nastreven van cohesie of nationale belangen.

De derde bijeenkomst “IS: Het Weerwoord” werd geleid door Hassnae Bouazza, Marokkaans-Nederlands publiciste. Zij had drie gasten uitgenodigd: schrijver Arnon Grunberg, oorlogscorrespondent Frank Westerman en de video-artieste Beri Shalmashi. Het ging er in dit gesprek om IS te ontmantelen, maar dan niet met legers en bommen. IS moest intellectueel verslagen worden; in Grunbergs woorden “ze zullen binnen 15 jaar inzien dat IS ze niets te bieden heeft, net als de Baader-Meinhof-Groep dat niet had”. Een vrij arrogant standpunt, aangezien islamitische fundamentalisten heilig overtuigd zijn van hun gelijk en bereid zijn daarvoor te sterven. Dat waren ze 16 jaar geleden ook al trouwens – zo lang is 9/11 inmiddels namelijk alweer geleden. Dat was weliswaar niet IS, maar al-Qaida, maar maakt dat wat uit? Islamitisch geweld komt uit dezelfde bron. Alhoewel Bouazza een in de basis interessant gesprek leidde, lukte het haar helaas niet om er een coherent groepsgesprek van te maken. Het gesprek leidde niet echt tot een conclusie.

Waarschijnlijk kwam dat door Frank Westerman, dikwijls nam hij het woord en kwam dan met allerlei persoonlijke verhalen op de proppen. Interessante verhalen wellicht, maar het voegde niet veel toe aan de kernvraag: hoe vernietig je IS-idealen? Arnon Grunberg vond ridiculisering een goede optie. Alhoewel dat een verstandig idee is, verbaast mij deze opmerking van Grunberg. Grunberg trekt namelijk dagelijks in zijn Volkskrant-minicolumn “Voetnoot” hard van leer tegen iedereen, die de islam ridiculiseert. Kritiek op de islam beschouwt Grunberg steevast als kritiek op moslims en kritiek op moslims staat voor hem gelijk aan discriminatie van minderheden. Om die reden ridiculiseert hij islamcritici veel vaker dan islamfanatici. Wellicht werpt Grunberg een rookgordijn op en wil hij op een cryptische manier islamcritici prikkelen om nóg betere islam-kritische argumenten te bedenken? Tot dusver kon geen enkele kritiek of criticus hem bekoren.

Beri Shalmashi wilde IS’ videoboodschappen zélf uithollen door al hun dreigende taal en symboliek te deconstrueren. Zo merkte ze op dat, nadat Mosoel strijders uit Europa verwelkomde, de potten pindakaas en Nutella al snel uitverkocht waren; “de Peshmerga strijden op water en brood”. De intentie is natuurlijk om Syriëgangers als verwesterder te omschrijven dan ze zich zelf realiseren. Jammer genoeg voor Shalmashi, het Nutella-verhaal is fakenews. Waarschijnlijk is dit Nutella-verhaal de wereld ingekomen, omdat mensen zich niet voor konden stellen, dat IS vrouwen aantrok. Vrouwen die zich vrijwillig bij IS aansluiten, dat staat zó haaks op het linkse wereldbeeld dat de waarheid niet waar mag zijn.

Frank Westerman stelde voor om de Nederlandse aanpak te gebruiken voor IS, zoals ten tijde van de Molukse treinkaping. In plaats van soldaten moeten er psychiaters gestuurd worden naar IS, want “die kunnen luisteren”. En psychiaters kunnen terroristen aanzetten “tot het maken van een grap”, wat leidt tot zelfspot; zelfspot zou dan weer leiden tot verminderde moordlust. Westerman contrasteerde de Nederlandse aanpak met “the Russian approach”, daarmee doelend op de “meedogenloze” aanpak van Poetin in Tsjetsjenië. Westerman gaf wel toe dat je hier niet alle terroristen mee kon bereiken. Dat is nogal een understatement, volgens de Vlaamse anti-terreurexpert Christophe Busch kun je van de 100 terroristen, er maar hooguit 10 tot 20 deradicaliseren. Aangezien dus 80-90 van de 100 terroristen niet bereikt kunnen worden met psychiaters, en Westerman de Russische aanpak expliciet afwijst, is het de vraag wat er dan nog voor opties over blijven. Soms blijft er simpelweg geen andere optie over dan geweld.

Derde les van de avond: beschavingsconflicten kunnen altijd geweldloos opgelost worden, als ze al niet vanzelf oplossen. Andere benaderingen spelen juist in op een verergering van het conflict, want die vergroten het wij-zij gevoel.

De lessen van de avond, opgesomd:

  • Trump en populisme zijn regressieve krachten en zij staan vooruitgang in de weg;
  • Politieke vooruitgang gaat via het nastreven van idealen en universalisme, in plaats van landsbelangen en cohesie;
  • Beschavingsconflicten lossen met de tijd op, waarschijnlijk vanzelf; geweld is niet nodig.

Als ik die lessen zo eens op me in laat werken, begrijp ik waarom gevestigd links zo boos en ontredderd is na Brexit en Trump. Het ziet er naar uit dat er, figuurlijk, een tweede muur is gevallen. Ditmaal is er geen links bewind gevallen, maar is het linkse wereldbeeld stukgelopen op de realiteit. Dat laatste doet erg denken aan de hongerige Russen, die in 1990 huilend brood en kleding aannamen van de (vroeger vijandige) Duitsers. Alles waar ze in geloofden, bleek op drijfzand gebaseerd te zijn.

Posted on

De islam als gesel van het decadente Westen

Frankrijk, 2022. In verrassend verlopen presidentsverkiezingen weet de partij van de Moslimbroederschap de meerderheid te halen. De politiek, de maatschappij en de diplomatie van Frankrijk staan op hun kop. Dat is, in het kort, het scenario in de laatste roman van Michel Houellebecq, ‘Onderworpen’ (Soumission).

Houellebecq is ongetwijfeld de beste romanschrijver van dit moment in Europa. Al zijn romans bevatten, zij het verborgen, scherpe maatschappijkritiek. De hoofdpersonen zijn eenzame, geïsoleerde mannen, die anoniem hun leven leiden in een volstrekt onpersoonlijke samenleving. Vluchtige, vooral lichamelijke contacten, internet en magnetronmaaltijden houden hen in leven. Zo is het ook in deze laatste roman, die de (toekomstige) politieke actualiteit volgt.

Om het Front National van de overwinning te houden, sluiten de socialisten, samen met centrumrechts, een alliantie met de leider van de Moslimbroeders. De moslimpartij mag de president leveren en de linkse en centrumpartijen krijgen een aantal departementen. In de aanloop naar de verkiezingen vinden er voortdurend rellen plaats en de tweede ronde wordt zelfs geannuleerd omdat stembureaus zijn overvallen door mysterieuze activisten. François, de hoofdpersoon van het boek, docent aan een vooraanstaande Parijse universiteit en geroemd kenner van Joris-Karl Huysmans, volgt dit allemaal wat op afstand. Hij houdt wel van de politieke debatten op televisie, maar verder leidt hij zijn wat eenzame leven (een typisch Houellebecq-personage). Via Alain Tanneur, de man van een vrouwelijke collega van hem, krijgt hij een kijkje achter de schermen van wat er werkelijk plaatsvindt in het Frankrijk van het derde decennium van de 21ste eeuw. Tanneur heeft een hoge functie bij de Franse geheime dienst en volgt extremistische bewegingen (waaronder de Identitairen en islamitische extremisten). Hij waarschuwt François voor wat Frankrijk staat te wachten en adviseert hem de hoofdstad te verlaten. François komt uiteindelijk in het Franse stadje Rocamadour terecht, beroemd vanwege de kapel met de Zwarte Madonna. Het ligt in het gebied waar Karel Martel strijd voerde met de moslimlegers die vanuit het Iberisch schiereiland naar het noorden optrokken. Hij ontmoet daar Tanneur weer, die op non-actief is gesteld omdat hij in een rapport had gewaarschuwd voor allerlei ongeregeldheden in het land tijdens de tweede ronde van de presidentsverkiezingen. De overheid heeft het rapport genegeerd, legt hij uit, en heeft zelfs de rellen toegelaten.

Dat François in Rocamadour terechtkomt is geen toeval. Zijn leven spiegelt dat van J.-K. Huysmans, de auteur waarover hij een omvangrijk proefschrift heeft geschreven. Huysmans sloot zich, na zijn door Zola beïnvloedde naturalistische periode, aan bij de decadente stroming, maar bekeerde zich vervolgens tot het katholieke geloof. Net als Huysmans bezoekt François prostitueés. In de kapel waar de Zwarte Madonna staat ondergaat hij een mystieke ervaring, maar in tegenstelling tot zijn grote voorbeeld – die zich als oblaat verbonden had aan de Abdij van Ligugé – bekeert hij zich tot de islam. Als docent aan een universiteit is hij dat bijna verplicht, wil hij zijn onderwijsbetrekking behouden. De moslimpartij heeft namelijk het hele onderwijs hervormt. De buitenlandse politiek richt zich met name op de moslimlanden; onderhandelingen met Turkije, Marokko en Tunesië voor toetreding tot de EU zijn geopend. Het straatbeeld in de Franse steden is veranderd: geen minirokken en schaarse kleding meer. Vrouwen worden langzamerhand uit het arbeidsproces geweerd.

De vraag is in hoeverre Houellebecq een ironische roman heeft geschreven. Het bevat geen anti-islam boodschap, integendeel. Eerder bevat het een aanklacht tegen de anonieme antireligieuze maatschappij. Alain Tanneur neemt het in een van de gesprekken zelfs op voor de nieuwe regering: “Voor Frankrijk ben ik er absoluut van overtuigd – ik durf erom te wedden – dat de christelijke eredienst niet alleen op geen enkele manier zal worden belemmerd, maar dat de subsidies voor katholieke verenigingen en voor het onderhoud van kerkgebouwen zelfs zullen worden verhoogd – dat kunnen ze zich veroorloven, de subsidies van de oliestaten voor moskeeën zullen nog altijd veel hoger zijn. En vooral, de ware vijand van de moslims, die ze erger vrezen en haten dan wat dan ook, dat is niet het katholicisme: het is het secularisme, de laïciteit, het atheïstisch materialisme.”

onderworpenIn deze zin past ‘Onderworpen’ in de romanreeks die Houellebecq nu sinds de jaren negentig van de vorige eeuw publiceert. Hij spreekt zich met regelmaat uit tegen de consumptiemaatschappij en bekritiseert veel van de zogeheten westerse verworvenheden. De recensent van De Groene Amsterdammer bespeurt een dubbele bodem, en ziet in de “vileine ironie” een felle aanklacht tegen de islam. Zolang je de satire en ironie maar begrijpt. Het Westen laat zich, als een mak schaap, de “verworvenheden van de Verlichting en het feminisme” ontnemen en gaat geruisloos over naar een samenleving waarin de sharia heerst. Maar is dat islam-kritiek? Overtuigender is de diagnose die Houellebecq stelt van de westerse beschaving. Deze is niet langer ziek, zij is terminaal (om de Groene-recensent te citeren). Houellebecq laat de geestelijke leegte van de verweesde en verweekte westerse beschaving zien. Juist omdat onze anonieme en hyper-individuele maatschappij geen identiteit – behalve die van het consumentisme – heeft en religie tot ver achter de voordeuren heeft verbannen, schokken en scheuren de fundamenten van het westen. De islam is in deze roman eerder de stok waarmee de auteur de verwende, brave en tandeloze lezers geselt. De links-liberale intellectuelen en hun media hebben het hier moeilijk mee. Waren we eindelijk verlost van dat ‘achterlijke christendom’ (en dan specifiek de katholieke variant), komt via de achterdeur de islam binnen. Maar in plaats van in te gaan op de holle frasen als ‘onze manier van leven’, is het makkelijker om de auteur weg te zetten als ‘islam-criticus’; als linkse lezer besteedt je immers geen aandacht aan Le Pen of Wilders-adepten.

Posted on Leave a comment

De staat van de Unie

Donderdag 7 maart jongstleden vond in de Tweede Kamer een debat plaats over de staat van de Europese Unie, waarbij ook diverse Nederlandse europarlementariërs zich tot de kamer richtten. Zo ook Peter van Dalen, europarlementariër voor de ChristenUnie (Europese Conservatieven en Hervormers, ECR). Hieronder zijn speech:

Hoe staat de Europese Unie ?

Mijn favoriete schrijver is Erich Maria Remarque. Zijn bekendste boek is “Im Westen nichts Neues”. Dit boek is door de nazi’s verbrand. Het boek bericht over een generatie die door de oorlog werd vernietigd. Èn het boek bericht over de generatie die ontkwam aan de granaten!

erich-maria-remarque-1898-1970-german-everettEr bleef immers ook een generatie in leven. Maar hoe? In een Europa zonder werk; een Europa met honger; een Europa vol vluchtelingen; een Europa waar het bezit van een paspoort het verschil maakte tussen leven en dood.

Dàt Europa kennen we niet meer. Daar mogen we God voor danken. Ons Europa is al meer dan 65 jaar verschoond van een grote oorlog. In ons Europa kunnen personen, goederen, diensten en kapitaal vrij reizen. In ons Europa werken we samen om te kunnen eten en in vrijheid te leven.

Maar ons Europa staat onder grote druk. We hebben een munt die ons de kop kan gaan kosten. Euroleiders als Draghi bedenken constructies die nauwelijks nog te begrijpen zijn. Schuldenbergen worden tot onvoorstelbare hoogten opgetast. En Van Rompuy, Barroso en Verhofstadt roepen: meer, méér Europa, dan komt alles goed.

Erich Maria Remarque wees in zijn béste boek op “Der schwarze Obelisk”. Een concentratiepunt van macht. In zijn tijd een concentratiepunt van donkere, zwarte macht.

Ik trek de parallel met “ein weisser Obelisk”. Een concentratiepunt van witte macht in Brussel. Op het oog liefelijk en aantrekkelijk. Maar toch: geconcentreerde macht.

Hamvraag is dan: “Waar is de tegenmacht?” Ik zeg u: zéér zeker níet in het Europese Parlement. Daar lopen de grote fracties als duffe schapen achter die witte macht aan. Ze willen niets liever dan hun dorst lessen bij die macht.

Ik richt mij tot dìt parlement. En op de Kamer aan de overzijde. Wees die tegenmacht!  Gebruik die gele- en oranje kaart procedure. Wees kritisch!

En tegen dit Kabinet zeg ik: draag David Cameron voor de Karelsprijs voor! Dat zeg ik niet omdat ik met zijn partijgenoten in één en dezelfde Europese fractie zit. Ik zeg dit omdat Cameron de juiste vragen stelt. Hij vraagt: hoe staat de unie? Wat moet Brussel doen, wat kan Brussel minder doen, wat doen de hoofdsteden zelf? En hij geeft antwoord op die vragen.

Waarom zijn die vragen en antwoorden nodig? Om die witte obelisk van tegenmacht te voorzien, en om burgers weer te betrekken bij Europa. Opdat burgers zien dat Europa een zegen kan zijn, en geen vloek wordt! Ja dàn stáát de unie!

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.