Posted on

Avondland – Kardinaal Marx doet prinses Maxima na

De Duitse kardinaal Marx (normen est omen) smaakt de term “christelijk Avondland” niet. Tragisch, maar niet verrassend. De katholieke Kerk in Europa is al decennialang in dezelfde ideologische houdgreep als de rest van de Europese bestuurlijke elite en journalistiek.

Voorbeelden hiervan liggen voor het oprapen. Zo was er de Zweedse ambtenaar die ontkende dat er zoiets bestaat als de Zweedse cultuur en dichter bij huis hebben we prinses Maxima die zei dat “de Nederlander” niet bestaat. Nu hebben we dus ook de kardinaal die zegt dat het christelijke Avondland niet bestaat.

Zakelijk bekeken is Avondland een van de vele synoniemen van ons mooie continent Europa. Het woord “Europa” is mogelijk afgeleid van het woord “ereb”, dat “avond” betekent. Een meer etymologische verklaring is een vertaling van de term “Occident” van het Latijn “occidere” voor het ondergaan van de zon. Tegenover het Avondland staat het Morgenland, oftewel de “Oriënt”, het land van de opkomende zon.

Identiteitspolitiek

Maar deze zakelijke betekenis van het woord Avondland is niet de betekenis die aangevallen wordt. Want zegt kardinaal Marx: “Davon halte ich nicht viel, weil der Begriff vor allem ausgrenzend ist”. Zijn afkeer van de term moet dus worden begrepen in het kader van identiteitspolitiek. Ik ga kardinaal Marx natuurlijk niet overtuigen, maar voor de rest die het wil weten volgt er een kort geschiedenislesje.

Romeinse Rijk

In den beginne was er het Romeinse Rijk. Het Romeinse Rijk was woest en vol met intriges. Het gedrag van de Amerikaanse politiek, alle clowns daarin, Donald Trump, de volledige Republikeinse partij, de volledige Democratische partij, vallen in het niet vergeleken met de vulgariteit van de politiek van het Romeinse Rijk. Het Romeinse Rijk werd gekerstend en viel enige tijd later vanwege verschillende oorzaken uit elkaar.

Katholieke kerk

Ondertussen had de Katholieke kerk iets van het succes van het Romeinse Rijk (totdat het definitief mis ging) afgekeken en overgenomen. Behalve dat lag alles aan gruzelementen en zo rond het jaar 500 was het ontwikkelingsniveau van Europa zo ongeveer dat van Afrika. Maar met één duidelijk verschil. De Katholieke kerk had al wortel geschoten in Europa. Er waren verschillende kloosterordes die zich als een netwerk, beginnende rond het Middellandse Zeegebied, langzaam naar het noorden van continentaal Europa uitbreidden.

Kloosters

De kloosters hadden een zeer elementaire functie. Ze bewaarden de kennis over landbouw en pasten die zelf ook daadwerkelijk toe in hun nabije omgeving. Het beste voorbeeld hiervan is Duitsland. Duitsland was een groot bos- en moerasgebied voordat de kloosterorders hun intrede deden. Een zeer vruchtbare landmassa daarna.

Technologie

Na de landbouwfase kwam de langzame toename van technologie. Men moest vanuit een bijna absoluut nulpunt alles uitvinden. En veel dingen die we nu als primitief zien, zoals rudimentaire ijzersmelterijen en eenvoudige toepassingen van windenergie, werden toen onthaald als nieuwe technologie en door het netwerk van kloosterorders verspreid door heel Europa. Van noord tot zuid.

Wetenschap

De technologie werd vanzelfsprekend en er gebeurde bijna parallel iets anders. Men ging studeren in de kloosters. Steeds meer en meer. Niet enkel de elite kon studeren, zoals in de Klassieke Oudheid, maar ook en vooral de lokale middenstand. Vanuit de kloosters waarin gestudeerd werd groeiden vanzelf de universiteiten die we nu voor vanzelfsprekend aannemen. Wetenschap van elk denkbaar soort kon vanaf de Middeleeuwen, beginnend in Europa, enkel floreren omdat de Katholieke kerk deze basis heeft gelegd. Het christelijke geloof zelf rekende af met allerlei heidense praktijken, zodat de geestelijken in de kloosters onbevooroordeeld en ongehinderd door bijgeloof wetenschap konden bedrijven.

Zieken- en weeshuizen

Weer andere kloosterordes hielden zich bezig met goede doelen en het verzorgen van de zieken en wezen. Daaruit groeiden de ziekenhuizen die wij eveneens voor vanzelfsprekend aannemen. Allemaal vanuit een hecht netwerk van kloosters die zich specialiseerden in functies.

Expansie

Dit vormde de ruggengraat voor een tijdperk van Europese verovering van de wereld die na het jaar 1500 aanbrak. Een groot deel van de wereld buiten Europa kent de wortels van universiteiten en ziekenhuizen misschien niet, maar kopieerde ze wel en paste die met ongeveer hetzelfde succes toe.

Beschaving

Ondertussen kunnen we veilig tot de conclusie komen dat het christelijke Avondland wel degelijk bestaat en niet zoveel met identiteitspolitiek te maken heeft. Maar met instituties opbouwen en beschaving uitbreiden. Wie zegt “de term christelijk Avondland sluit mensen uit” zegt iets vergelijkbaars als “ziekenhuizen sluiten mensen uit” of “universiteiten zijn inherent racistisch” en dat is best tragisch. Ons Europa verdient ook daarom een moediger christendom.

Thomas E. Woods ~ De bouwmeesters van Europa. De geboorte van een beschaving uit de katholieke kerk

Posted on

Wat is chaos? Een cultuur-filosofisch gesprek

Na eerder de vraag ‘Wat is cultuur?‘ uitgediept te hebben, voerden Wim van den Bergh van de Batavieren Podcast en uitgever en filosoof Tom Zwitser onlangs opnieuw een uitgebreid gesprek met elkaar. Nu vanuit de tegenovergestelde benadering: ‘Wat is chaos?’ Dit mede naar aanleiding van dingen die de Canadese hoogleraar psychologie en cultuurcriticus Jordan Peterson daar enige tijd geleden over zei op de conferentie van De Nederlandse Leeuw.

“De vraag wat chaos precies is”, aldus Zwitser “is heel interessant, want niemand heeft daar direct een beeld bij. Hooguit zou je kunnen zeggen: chaos is een gefragmenteerde orde of datgene wat eerst ordelijk in elkaar zat, maar versplinterd is of kapot is. En dat ervaar je als chaos. Maar chaos zelf? Wat kan chaos nou zelf zijn? Dat is eigenlijk veel lastiger.”

Het gesprek van zo’n anderhalf uur is hier te bekijken:

Tom Zwitser ~ Heerlijke platte wereld

 

Posted on

Bier als motor van de geschiedenis

De Finse historici Mika Rissanen en Juha Tavanainen hebben een zwak voor eigenzinnige geschiedenisboeken. Met hun boek over sport in de oudheid wonnen ze de grootste non-fictieboekenprijs van Finland. Een nog interessanter thema behandelt het voorliggende boek Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Geschiedenis van Europa in vierentwintig bieren).

Wat heeft bier met geschiedenis te maken, vraag je je misschien af, maar aan dit gebrek aan kennis komen de auteurs tegemoet met interessante teksten. Al in 4000 voor Christus schilderden de Soemeriërs het bierdrinken. Uit deze tijd stammen ook de oudst bekende recepten voor het maken van bier.

De vroege christenheid volgde echter het voorbeeld van de Heilige Schrift en dronk wijn. De oudst bekende vermelding van het drinken van bier in Europa stamt uit de 7e eeuw voor Christus. Lang gold bier als drank van weinig verfijnde barbaren. Wijndrinkers keken neer op bierdrinkers.

Niettemin speelde bier bij belangrijke politieke beslissingen en sociale omwentelingen een rol. Omdat water lang als vervuild en zodoende riskant gold en bier een hoge voedingswaarde had, triomfeerde het gerstenat. Zo drink Martin Luther in Erfurt graag bier in kroegen. Peter de Grote importeerde uit Engeland het recept voor Porter-bier, dat hij bij de havenarbeiders in Londen gesmaakt had. Catharina de Grote, eveneens een liefhebber van bier, liet Duitse brouwers naar Rusland komen.

De problematiek van het transporteren van bier bespoedigde de uitbouw van nieuwe spoortrajecten in de 19e eeuw. Bier speelde een rol van de Noordpoolexpeditie van Fridtjof Nansen. Bij de legendarische Kerstviering in 1914 dronken Britse en Duitse soldaten bier. En er was tijdens de Tweede Wereldoorlog zelfs een bierslag om Engeland. Zelfs bij de Tour de France verfristen zich de sporters met het gerstenat, dat hen de kracht gaf om de Alpen te overwinnen. En Adolf Hitler hield zijn toespraken in bierkelders in München.

Op ieder hoofdstuk volgt informatie over de beschreven biersoort. Aan de hand van 24 biersoorten leert de lezer zo tussen neus en lippen door veel wetenswaardigs uit de Europese geschiedenis. Onverwacht onderhoudende en aan te bevelen lectuur!

N.a.v. Mika Rissanen/Juha Tahvanainen, Die Geschichte Europas in vierundzwanzig Bieren (Eichborn
Verlag: Köln, 2016), gebonden, 352 pagina’s.

Posted on

Assassin’s Creed: Slecht verhaal, bekende boodschap

Degenen die regelmatig naar de film gaan zullen Assassin’s creed reeds kennen van de reclame voor het computerspel, die met enige regelmaat werd vertoond. Dat liet menig filmliefhebber die niet vertrouwd is met het computerspel in verwarring of het een aankondiging was voor een nieuwe film, of een reclame voor een computerspel.

Assassins’ creed is niet het eerste computerspel waarvan een bewerking op het grote scherm verscheen. Begin deze eeuw verschenen twee films (in 2001 en 2003) op basis van het computerspel Tomb Raider met Angelina Jolie in de hoofdrol. Deze actiefilms waren een groot succes. Assassin’s creed is echter opmerkelijk minder succesvol gebleken.

Het verhaal is voor mensen die het computerspel niet kennen, moeilijk te volgen. Het gaat over een eeuwenoude vete tussen Tempeliers en Assassijnen, die in het scenario tot de dag van vandaag voortduurt. Voor de lezer: de Assassijnen waren een genootschap van Sjiitische geheim agenten – het Engelse woord voor sluipmoordenaar is afgeleid van dit genootschap. Zij ontstonden tijdens de Kruistochten en gingen ten onder gedurende de Mongoolse inval in het Midden-Oosten. In tegenstelling tot wat het computerspel en de film suggereren waren zij in werkelijkheid nooit in Spanje.

De hoofdpersoon Callum Lynch, gespeeld door Michael Fassbender, is zich aanvankelijk niet bewust van zijn afkomst, maar hij is de afstammeling van een beroemde Assassijn, Aguilar de Nehra. Hij wordt in de moderne tijd gered van de doodstraf en vervolgens ingezet via een tijdmachine – de Animus – om zijn rol te vervullen van Aguilar de Nehra. Callum weet dan nog niet dat hij in handen is van de nazaten van de Tempeliers, de doodsvijanden van de Assassijnen. De Tempeliers willen de echte ‘Appel van Eden’ bemachtigen om de menselijke vrije wil uit te kunnen schakelen.

In de film wordt de suggestie gewekt dat de Assassijnen een soort van rebelse vrijdenkers waren, en dat de Tempeliers een  totalitaire sekte zijn. De Assassijnen worden als sympathiek afgebeeld: een gemêleerd gezelschap van misfits die het toch goed menen – alle rassen zijn vertegenwoordigd onder de Assassijnen en er zijn ook sterke vrouwen. De Tempeliers zijn zonder uitzondering blank, het beeld van een club enge blanke mannen overheerst. Het is een echte trend aan het worden in Hollywood – de goodies zijn ‘divers’, de baddies zijn monocultureel, christendom is slecht, islam is verlicht.

De film wordt overheerst door de spectaculaire actie-scenes in het 15e-eeuwse Spanje, waar de Assassijnen trachtten te verhinderen dat de Appel van Eden in handen van de Tempeliers valt. Deze strijd vindt plaats tegen de achtergrond van de val van het laatste islamitische bolwerk in Spanje, Granada. De Assassijnen falen en worden bijna allen door de christenen op de brandstapel verbrand (Ja, alle clichés worden uit de kast getrokken). De hoofdpersoon slaagt er echter met zijn vriendinnetje in te ontkomen als ze al op de brandstapel staan. Uiteraard dienen de goodies te winnen, maar deze film maakt het soms wel erg absurd.

De film eindigt in de moderne tijd. Callum Lynch beseft zijn lotsbestemming en leidt de opstand tegen de Tempeliers. Deze hebben de Appel van Eden al bemachtigd en in een groot spektakel wordt deze in Londen onthuld voor de andere Tempeliers, terwijl de Assassijnen op de loer liggen. Het einde is even absurd als slecht: de Assassijnen slagen er in om binnen te dringen in de bijeenkomst van de Tempeliers en de appel te stelen. De kijker blijft beduusd achter: waarom verstopten de Tempeliers de Appel niet na de ontdekking? Waarom  moest het worden getoond met het risico dat de Assassijnen wisten waar het zich bevond, en konden stelen?

De film rust volledig op de spectaculaire achtervolgingen en het verhaal is zwak. Het verhaal is ook moeilijk te volgen en bij wijlen ronduit absurd. Persoonlijk vond ik de film dezelfde sfeer hebben als ‘Kingdom of Heaven’: christenen zijn superslecht en de moslims zijn supercool. Dat is wellicht niet de bedoeling geweest, maar zo komt het wel over. Het begint onderhand wel een patroon te worden in Hollywood-films.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.