Posted on

Woede – een gevolg van angst?

Laatst werd in een artikel in het RD een uitspraak aangehaald van Beatrice de Graaf, professor en specialiste in het terrorisme. Tijdens een debat met Adriaan van Dis in de Jacobikerk te Utrecht zou ze hebben opgemerkt dat woede voortkomt uit angst. De uitspraak had blijkbaar indruk gemaakt – ze werd gebruikt als titel. Gegeven haar christelijke achtergrond, is het vreemd als ze deze uitspraak inderdaad gedaan heeft. Wellicht heeft de verslaggever iets niet goed begrepen of uit het verband gerukt.

Woede is geen dierlijke instinctieve reactie op gevaar en geen uiting van een pathologische angst voor een niet werkelijk bestaande bedreiging. Met andere woorden, het is geen gevolg van angst. Woede is een rationele reactie op een duidelijk onrecht, waar bovendien anderen geen of onvoldoende aandacht voor hebben. Woede trekt aandacht en wil onrecht bestrijden. De mens heeft het recht om tegenover veronachtzaamd onrecht woedend te zijn, of eigenlijk: hij heeft de plicht.

Over woede is door denkers in de klassieke oudheid en door christelijke schrijvers veel nagedacht. Het verband tussen verstand, emoties en moreel handelen heeft altijd gefascineerd. Woede is binnen het driftleven van de mens de extreme tegenpool van begeerte. Immers, begeerte kan ontaarden in een dwang om egocentrische lusten te bevredigen, terwijl woede kan verworden tot zelfdestructieve agressie. Overigens, die twee extremen versterken elkaar; overgevoelige sentimentaliteit en erotiek gaan vaak samen met wreedheid en gewelddadige tirannie.

De relatie tussen de rede en het driftleven is belangrijk, met name tussen de rede en de woede. De rede moet begeerten beheersen, die voortkomen uit de lichamelijke natuur van de mens, oftewel uit ‘het vlees’. Maar de woede komt voort uit de rede zélf, ze hoort bij een rationele conclusie, terwijl vervolgens de rede de uitingen van woede niet alleen moet controleren, maar ook moet richten. Met name Romeinse stoïcijnen en Roomse scholastieken hebben uitgebreid hierover nagedacht. Met name binnen het christendom raakt dit onderwerp ook de discussie over de rechtvaardige oorlog en de doodstraf.

Woede als zodanig is in eerste instantie geen object van politiek, maar van het persoonlijke morele leven en de vorming van een mens tot een verantwoordelijk handelend individu. Opvoeding is nodig voor een mens om rekenschap te kunnen afleggen voor zijn woorden en daden. Verstandelijke vorming én lichamelijke training zijn nodig om tot adequate en doeltreffende uitingen van woede te komen. Zelfbeheersing én doortastendheid moeten worden aangeleerd om de ‘juiste’ oftewel redelijke woede te doen ontstaan, proportioneel te houden en tot voltooiing te brengen.

Door haar nauwe band met de rede is de woede een toetssteen van de menselijke waardigheid. De woede kan een ultieme test zijn voor het natuurlijke vermogen van de mens om rekenschap af te leggen voor zijn daden. Woede roept ter verantwoording en is tegelijkertijd een antwoord. Ze getuigt van de waardigheid van de menselijke persoon en openbaart de noodzaak om rekenschap af te leggen, eventueel met inzet van eigen leven. Woede verwijst daarmee naar de onvermijdelijke en onontkoombare waarheden van het bestaan, die niet ontkend kunnen worden. Ze is de meest ‘transcendente’ drift.

Zo is te verklaren waarom de Kerk door de eeuwen heen nooit heeft willen ontkennen dat doodstraf de ziel tot het besef en de aanvaarding kan brengen dat ze rekenschap moet afleggen en de doodstraf kan ondergaan om haar waardigheid te herstellen. Dit standpunt komt dus voort uit de onverwoestbaarheid van de menselijke waardigheid, niet uit het ontkennen of uit de teloorgang daarvan (zoals de nieuwe versie van artikel 266 van de Katechismus van de Katholieke Kerk ten onrechte suggereert). Verder kan men ook inzien dat de uitspraak ‘religie is een oorzaak van oorlog’ niet klopt. Het is precies andersom: oorlog en collectieve oncontroleerbare uitingen van agressie hebben door de eeuwen heen vele zielen tot rede en religie gebracht. Oorlog is een oorzaak van religie. Juist in de areligieuze of antireligieuze conflicten van de laatste twee revolutionaire eeuwen, die miljoenen levens hebben geëist, bestaan veel voorbeelden van dit opmerkelijke verschijnsel.

Tenzij we aan de term een geheel andere betekenis geven, is het niet moeilijk in te zien dat woede in het geheel niet uit angst voortkomt. Angst en bangheid kunnen wel leiden tot tegennatuurlijke  irrationele karikaturen van woede, zoals agressie en vooral wreedheid. Ook onverschilligheid kan een verdekte vorm van angst zijn, een ultieme uiting van lafheid.

De stelling, dat woede een gevolg is van angst, kenmerkt een gedachtegoed dat zijn eigen uitgangspunten en hypotheses niet onderkent, oftewel een gesloten principeloos ‘paradigma’. Terwijl echte wetenschap altijd zijn eigen principes kritisch onderzoekt en toetst, en wijsheid altijd blijft vragen naar de ultieme zin van menselijk leven en sterven, doen en laten, en zelfs weten en niet weten, produceert een paradigma een totaal en volledig ideologisch geheel van conclusies die vaak verwarrend zijn en strijdig met elkaar. Om de chaos te vermijden en een eenheid te creëren moet dan dwang worden gebruikt – met name bureaucratische, immers het geschreven woord lijkt waarheden definitief en onomkeerbaar te maken, ook al zijn het leugens of absurditeiten.

Binnen het paradigma waarin woede uit angst voortkomt en niet uit de rede, is woede eerst een zonde, een verzet tegen de massa en de waarheid – een onrecht dat bestreden moet worden omdat ze het paradigma bedreigt. Dit vormde de basis van de totalitaire nationaalsocialistische (nazi-) staat en multinationale socialistische (sovjet-) staten van de 20e eeuw, die beide ontstonden als synthese, nadat als these en antithese het nationalisme en het internationale socialisme in de Eerste Wereldoorlog hun verleidelijkheid hadden verloren. Na de Tweede Wereldoorlog en de ineenstorting van het multinationale socialisme veertig jaar daarna was woede ineens geen schadelijke zonde meer, maar een zielige ziekte, een fobie.

Inderdaad, in het huidige ‘postideologische’ paradigma is woede en daarna de rede zélf een gebrek of een aandoening geworden. Ze moeten niet bestreden, maar genezen worden. De valse rechtvaardigheid heeft plaatsgemaakt voor een geperverteerde vorm van barmhartigheid. Alles wat aanspraak maakt op rationele argumenten mag worden vergeven en worden betiteld als fobie. Objectiviteit wordt als een kwetsende maar gelukkig geneesbare vorm van intolerantie beschouwd. Verantwoordelijkheid is dan irrelevant, volwassenheid en zelfstandigheid worden onnozele ideeën van een onvolwassen mensheid, of eventueel onnavolgbare idealen uit een mythisch verleden. Niemand hoeft nog volwassen te worden. De wereld wordt een universele buik waaruit niemand geboren hoeft te worden. Mensen verblijven en moeten blijven in een eeuwige kleuterschool, zonder fysiek geweld, maar bijeengehouden door een psychologische dwangmatigheid van commerciële verleidingen en ideologische indoctrinatie. Nog nooit in haar geschiedenis heeft de mensheid over middelen beschikt om zich in een dergelijke machtsstructuur op te sluiten. Het is nauwelijks mogelijk in deze tirannie een verworden patriarchaat te herkennen. De term matriarchaat lijkt me meer op z’n plaats.

Posted on

De welkomscultuur als white man’s burden

Op zaterdag 2 juni vond ‘Europe on Trial’ plaats (mijn deel begint op 2:55:00): een bijeenkomst over Europa en migratie. Het werd georganiseerd in De Balie te Amsterdam – ondergetekende was uitgenodigd om kritische vragen te stellen.

Helaas hadden de meeste sprekers nauwelijks iets nieuws te melden: velen kwamen weinig verder dan de moralistische statements die we wel kennen van de NPO. Omdat er zoveel sprekers op het menu stonden, werden argumenten die al eerder waren neergezet ook continu herhaald. Zo werd ik gedwongen om hier drie uur zonder pauze naar te luisteren (ik hoop vurig dat u mijn inspanningen voor het rationele geluid zult belonen via crowdfunding).

Tegenstrijdigheden

Een perfecte illustratie van de bevooroordeelde linkse tunnelvisie was Ogutu Muraya, een zwarte spreker die een groepsgevoel opwekte. Om dat groepsgevoel te vestigen riep hij het publiek op om met hem mee te juichen bij elke beschuldiging die hij over Europa uitsprak. Dat er daarbij tegenstrijdige argumenten en onwaarheden werden gebruikt, leek niet uit te maken.

Zo zei hij dat het Europese migratiebeleid is gebaseerd op de nazistische rassenleer van de blanke suprematie. Om in één adem door de braindrain in Afrika aan te halen, waarbij Europa de meest succesvolle en slimste mensen van Afrika zou stelen. Ook zou Europa de hoofdschuldige van milieuvervuiling zijn, terwijl dat in China en India toch gradaties erger is.

Blank schuldgevoel

Terwijl ik hem hoorde spreken realiseerde ik me dat het zijn enige wapen is om in te teren op het schuldgevoel van de blanke Europeaan. Maar zodra ik toegeef dat ik me niet schuldig voel, heeft hij geen enkel middel om op mij in te werken en vervalt zijn hele betoog als irrelevant. Zijn werkwijze is namelijk het opwekken van groepsemoties, zonder enig argument waar ík wat aan heb of waar ik in rationeel opzicht wat mee kan. Dit is vergelijkbaar met het debat over diversiteit, identiteit en verplichte quota’s om een veranderende bevolkingssamenstelling te weerspiegelen. Als dat dan het uitgangspunt moet zijn – en niet meritocratie – dan geef mij maar zoveel mogelijk blanke heteroseksuele mannen op topposities. Want dat weerspiegelt mij het meest.

Als zwarte activisten zich dan mogen beroepen op het gegeven dat alles een machtsstrijd is tussen concurrerende identiteiten, dan zal een ander zich ook op zijn of haar identiteit beroepen. Immers, Europa kon het zich enkel veroorloven om zich door schuldgevoel te laten chanteren, toen het nog de leidende geopolitieke kracht was. Zodoende zien we dankzij Muraya hoe makkelijk de linkse logica tegen zichzelf kan worden gekeerd; want als ik mijzelf niet schuldig voel dan bevat zijn vertoog geen enkel handvat om mij te beïnvloeden. Daarom zal links een nieuw kunstje moeten leren nu het blanke schuldgevoel als gevolg van de massa-immigratie begint te verdwijnen. Het zal nog moeilijk blijken omdat zij zijn geconditioneerd om te werken via subsidies: dat zijn de aflaten van dit schuldgevoel.

Links activisme

Thomas Spijkerboer sprak in positieve zin waarderend en sympathiserend over “links activisme”, terwijl hij daar stond te oreren als professor. Het punt wat hij maakte was echter niet vernieuwend: een mensenrecht wordt opgeëist tegenover een staat, maar het gerechtshof dat het mensenrecht moet verdedigen is zelf een staatsorgaan.

Robert Bor (bekend als medeorganisator van De Nederlandse Leeuw) vatte het niveau samen toen hij zei: “Er komen geen intellectueel verfrissende ideeën los. Links is dood.” Inderdaad kwam men niet verder dan het benadrukken van schuldgevoel en boetedoening, om het morele falen van Europa er nog eens in te wrijven. Het bevestigt één van de twee hoofdstellingen van mijn boek Avondland en Identiteit: wat zich ‘links’ noemt is feitelijk de masochistische kant van de christelijke religie in een ontkerkelijkt jasje.

Narcisme versus tastbare verandering

Niettemin waren er een paar die er positief uitsprongen. De theatermaakster Rebekka de Wit kwam met een punt dat intrigerend is, mits we het losweken uit de inbedding van het migratieactivisme. Mensen zijn teleurgesteld omdat ze zich voelen als een druppel in een oceaan: dat is omdat ze zich laten domineren door hun ego – ze willen zien dat zijzelf in het centrum van de wereld staan. Wie daadwerkelijk wat wil veranderen moet echter héél lang doorploeteren en ziet pas later het effect van de eigen daden. Dikwijls is het dan zelfs te laat om er persoonlijk nog profijt van te hebben. In die zin is het veranderen van de wereld net zoals liefde: wie de liefde van de ander bewezen wil zien, maakt die liefde stuk.

Cliteur & Baudet

Wat ze zei raakte mij persoonlijk, omdat ik de vorige avond aanwezig was bij een presentatie door Paul Cliteur en Thierry Baudet over het boek Cultuurmarxisme. Nu heb ik dit natuurlijk zelf tot onderwerp van het publieke debat gemaakt in Avondland en Identiteit: het is boeiend om te zien dat anderen daarop voortborduren. Wierd Duk schreef er bijvoorbeeld over in de Telegraaf.

Als ik vanuit een honger naar erkenning nu boos zou worden omdat zij mijn ideeën gebruiken, dan zou men het begrip cultuurmarxisme loslaten: zodoende zou ik uiteindelijk minder impact hebben, los van het feit dat ik zelf niet van die impact profiteer. Baudet heeft zijn Kamerzetel, Cliteur is directeur van het Renaissance Instituut en Aspekt krijgt de opbrengst van de boekverkoop.

De moraal van het verhaal is precies wat De Wit zegt: soms moet je kiezen tussen óf invloed hebben óf profiteren, en is beiden tegelijk onmogelijk. Dan is het bepalend hoezeer je jezelf laat leiden door ego. Toch is het mooi om van een afstand te zien wat er allemaal in werking is gezet, zoals dit ook zo is met het debat over linkse universiteiten.

Met zoveel herhaling in de verhalen van de migratieactivisten zult u het mij vergeven dat mijn gedachten afdwaalden naar de bovenstaande overpeinzing. Er kwamen ook vluchtelingen aan het woord: helaas hielden sommigen van hen een langdradig en incoherent verhaal (terwijl de tijd voor zoveel sprekers al veel te krap was).

Paul Scheffer & Herman Vuijsje

Paul Scheffer en vooral Herman Vuijsje sprongen er positief uit. Scheffer stelde dat migratie ook een gevolg is van stammenoorlogen: het zou een vorm van “white man’s burden” zijn om te menen dat Europa de verantwoordelijkheid moet nemen voor de onderlinge conflicten van niet-Westerse volken. Ook kan men de Europese wapenhandel niet eenzijdig de schuld geven van migratie als we zien dat Rusland, Iran, Turkije, Amerika en Israël allen bombarderen in Syrië.

Vuijsje voegde toe dat China deals sluit met de corrupte regimes van voormalige Europese koloniën. Deze roofzuchtige deals zouden érg slecht zijn voor de toekomst van die landen: desondanks blijft de bevolking die regimes herkiezen. Wegens deze punten werden beide sprekers echter uitgejouwd door het publiek. Het bewees opnieuw dat de motor van het migratieactivisme draait op morele verontwaardiging en niet op rationele analyses.

Minstens één miljoen migranten naar Europa

Márton Gulyás kwam afsluitend aan het woord: hij is een activist die demonstreert voor meer Soros-universiteiten en meer migranten in Hongarije. Hij wil er minstens een miljoen per jaar. Hier bracht ik tegenin dat hij zijn verhaal baseert op een zwart-wit tegenstelling tussen ‘inclusiviteit’ en ‘xenofobie’, alsof dit de enige smaken zijn.

Ook leidt het spreken in termen van “jaarlijks minstens een miljoen migranten opnemen in Europa”, tot een beleid dat niet vertrekt vanuit een realistische afweging die ook de onvrede van de inheemse inwoners meeneemt. Een miljoen migranten brengt al merkbare cultuurveranderingen teweeg en is nog niet eens één procent van de totale armen in de wereld. Het voert tot een ongestructureerd beleid gebaseerd op willekeur. Wat tot de overweging leidt of het niet veel humaner is om de groei van de wereldbevolking te beperken, dan om grenzeloos mensen in Europa te absorberen.

Als we doen wat Gulyás wil, dan raakt het systeem overbelast door de enorme toestroom en dan zullen willekeurige emoties en het blinde lot bepalen wie wel en niet wordt toegelaten: dat is voor helemaal niemand eerlijk.

Nationaalconservatisme is in opkomst

Daarom stelde ik hem de vraag: “Wat is jouw verhaal naar seculiere minderheden die vluchten uit niet-Westerse landen? Zij willen hier een vrij leven beginnen, maar worden nu geconfronteerd met groeiende enclaves en subculturen waar dezelfde repressieve gebruiken heersen die ze om te beginnen probeerden te ontvluchten. In West-Europa stellen de seculiere en goed-geïntegreerde minderheden zich langzaam maar zeker achter de nationaalconservatieven. Je kunt hen toch moeilijk van xenofobie beschuldigen, of wel soms?”

Omdat de discussie al zover over tijd was heb ik mijn deel van het debat zeer bondig en to the point gevoerd, zoals ik dit heb geleerd tijdens lange vergaderingen in de gemeenteraad. Gulyás praatte over mijn observaties heen door te zeggen: 1. er zijn inderdaad teveel armen in de wereld – hierom is er meer globale nivellering nodig, en 2. er zijn ook Chinese enclaves in Hongarije en dit heeft nooit problemen opgeleverd. Dat raakte verreweg niet aan het punt, maar wat anders valt er te verwachten van iemand die steun van Soros ontvangt? Uiteindelijk vond de aanwezige massa dat Europa tóch schuldig was: dit was tegelijk het einde van de bijeenkomst.

Posted on

Vuurwerk is niet leuk

Een van mijn grootste angsten is dat secularisatie niet alleen geloof en kerk aantast, maar ook de alledaagse dingen in het leven. Geloof het of niet, maar de discussie over vuurwerk is door en door geseculariseerd en keert zich tegen het diep menselijke aspect van de beleving van Oud en Nieuw. De argumenten tegen vuurwerk slaan wat mij betreft de plank mis, omdat weinig mensen in deze tijd kunnen peilen waarom er eigenlijk vuurwerk juist op dat punt in de tijd wordt afgestoken. Mensen die betogen tegen vuurwerk afsteken veronderstellen een lineaire tijdsdimensie, met andere woorden een geseculariseerde, platte tijd die niks anders is dan de voortgaande opsomming seconden, minuten, uren, zonder onderling verschil.

Dit blijkt vooral uit de argumenten die worden gebruikt, vuurwerk zorgt voor overlast, het is geldverspilling, slecht voor het milieu en huisdier. Zelfs christenen betogen dat vuurwerk afsteken een teken is van slecht rentmeesterschap, en dus zonde. Ook de jaarlijkse gewonden door ongelukken met vuurwerk worden aangedragen. Kortom, laat vuurwerk achterwege of laat het afsteken door professionals op een afgezonderd terrein, maar zorg er in vredesnaam voor dat Oud en Nieuw leuk is voor zoveel mogelijk mensen. Alsof Oud en Nieuw een moment is als ieder ander.

Het idee van vuurwerk is juist dat het past bij Oud en Nieuw omdat dit tijdstip een kwalitatief andere tijd is. Het tapt in een diepere tijdsdimensie, die niet zozeer chronologisch iets uitmaakt, maar wel de kwaliteit van het huidige moment verandert.

Nieuwjaarsduik bij Scheveningen (foto: Alexander Fritze)

En op zo’n moment breekt er een chaos door die alle orde en gevestigde regels op losse schroeven zet. De normale gang van zaken geldt niet meer, nu zijn er andere verhoudingen en regels. De straten zijn chaotisch met veel volk en overal wordt geknald. In de breuklijn van de kalender dringt een diepere tijd door, een tijd van overgang van de ene status naar een andere status, een liminale tijd. Dit wortelt diep in de menselijke tijdsbeleving, het is een fout om te denken dat deze chaos en plotselinge speling in alledaagse regels slechts fungeert als een soort veiligheidsventiel. Het komt voort uit de beleving dat tijd meer is dan het ene inwisselbare moment na het andere inwisselbare moment. Het moment van Oud en Nieuw is speciaal  en er is niets passender bij het moment om vuurwerk af te steken. Daarom is het fout om te betogen dat Oud en Nieuw, en in het bijzonder, vuurwerk afsteken leuk moet zijn voor ieder moment. Vuurwerk is niet leuk, het is chaotisch, gevaarlijk, ondermijnend.

In zijn boek A Secular Age behandelt Charles Taylor dit soort tijden, voornamelijk bij de viering van Carnaval. Daarin breekt de anti-orde sterker en duidelijker door. Naar analogie kunnen we ook deze liminale en chaotische tijdsperiodes terug herkennen in ontgroeningen bij studentenverenigingen, zelfs de examenstunt op een middelbare school wordt in een nieuw licht gezet door het besef van een diepere tijd. Oud en Nieuw met het bijbehorende vuurwerk valt ook onder dit soort tijden van een andere orde, juist omdat zo duidelijk wordt waar het fout gaat. Menselijk welzijn is de enige waarde die geldt, er is niks wat er tegenover staat en menselijk welzijn overstijgt. Het is te zien in de utilistische argumenten tegen vuurwerk. Vuurwerk moet leuk en ongevaarlijk zijn. Vuurwerk is niet leuk en het is niet ongevaarlijk. Het hoort bij een tijd van chaos die de bestaande orde onder een bedreigende spanning zet. Wie betoogt dat vuurwerk leuk en ongevaarlijk moet zijn  is bezig met domesticerende secularisering van de mens in zijn alledaagse leven.

Posted on

Christendom heeft diepe wortels in Oost-Europa

Op dit moment reis ik door Midden- en Oost-Europa. Ik heb onder andere Hongarije, Roemenië, Servië, Macedonië en Griekenland bezocht. Zelf ben ik van Roemeense afkomst en Roemeens-Orthodox christen, maar kijk ik toch met Nederlandse ogen naar de samenlevingen hier. En met West-Europees christelijke ogen is het hier een wonderlijke wereld.

Enige tijd geleden kwam ik een aantal organisaties tegen die evangeliseren in het Oost-Europa. Ze gaan kleine dorpjes in, helpen met het bouwen van huizen, het zorgen voor schoolboeken en het verspreiden van Bijbels. Dat laatste is eigenlijk een overbodige zaak. Al is het helpen van mensen in minder rijke landen dan Nederland alleen maar goed.

Waarom is het verspreiden en het evangeliseren een geheel overbodige zaak? Dat heeft te maken met de geschiedenis van Oost-Europa en met de kerkgeschiedenis. In het kort gezegd zijn de mensen hier langer christenen dan in het westen. Er komt dan nog wat kerkgeschiedenis bij kijken waarom en hoe.

In Oost-Europese samenlevingen overheersen twee religieuze stromingen, de oosterse orthodoxie  en het katholicisme. Qua kerkgeschiedenis is dit niet meer dan logisch, want tot 1054 was er praktisch nog sprake van één moederkerk.

[note color=”#F4FDFF”] Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden met een internationale focus: Volg Novini!

[/note]

Beide kerken hebben in Oost-Europa diepe wortels zitten, zo diep dat zelfs tijdens de communistische overheersing (tijdens het communisme was elke vorm van religie verboden) mensen in het geheim gedoopt werden, gingen biechten en in het geheim een priester bezochten voor raad. De maatschappij is immers meer dan 1400 jaar gebouwd op het christendom.

De percentages liegen er dan ook niet om. In Servië is 84,6% Servisch Orthodox en 5% katholiek met een kleine 1% aan protestanten. In Roemenië is 87% Roemeens Orthodox, gevolgd door 3,8% katholiek en 2,6% protestants.  In Griekenland, om nog een voorbeeld te noemen, is maar liefst 98% Grieks-Orthodox. Dat zijn enorme percentages vergeleken met Nederland waar 42% atheïstisch is.

De kerken in Oost-Europa worden steeds voller. Niet zelden heb ik meegemaakt dat ik in Roemenië op een terrasje zat en jongeren op zaterdagavond om elf uur naar huis gingen zodat ze de volgende morgen naar de kerk konden gaan. Het christendom zit diep geworteld, zelfs bij de jeugd.

Terugkomend bij de evangelisatie. Met de enorme percentages aan christenen lijkt het mij niet nodig om Oost-Europa in te gaan. De overgrote meerderheid van de mensen daar is immers al christen. In Nederland wordt er nog wel eens gevraagd of je echt kerkgaand bent. In Oost-Europa betekent christen zijn dat je naar de kerk gaat. Dit maakt de percentages alleen maar groter.

Het christendom leeft in het voormalig Oostblok en dat zal ook zo blijven. De hele maatschappij leeft ernaar en de kerk heeft een centrale rol in het leven. De geschiedenis heeft al aangetoond dat zelfs oorlog, misère en armoede (of rijkdom) mensen niet weghoudt bij de kerk. Het is fantastisch om te zien dat de kerk leeft. En met mijn westers-christelijke ogen is dit een wonderbaarlijke wereld. Een wereld waar wij volgens mij in het westen nog veel van kunnen leren. Leren over respect voor de kerk, respect voor traditie en regels. En misschien dat als we dat respect in Nederland weer krijgen, ook het christendom weer zal floreren.

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.

Posted on 2 Comments

Secularisatie en Revolutie? Groeiende seculiere intolerantie in West-Europa

Voor Zijn hemelvaart zei Jezus tegen Zijn discipelen dat ze om hun geloof vervolgd zouden worden. In Nederland kunnen vandaag de dag steeds vaker belemmeringen worden waargenomen in de vrije uiting van het christelijke geloof en de algemene acceptatie daarvan in de samenleving. Voorbeelden hiervan zijn de discussies over het vrouwenstandpunt van de SGP, “weigerambtenaren” en homoseksuele docenten op confessionele scholen.

De bron van deze belemmeringen, zo blijkt uit sociologische en historische onderzoeken, is een steeds radicaler secularisme, gestoeld op de overtuiging dat religie en geloof geen invloed mogen uitoefenen op de maatschappij. Deze overtuiging gaat veelal gepaard met een grote intolerantie voor diegenen – voornamelijk christenen – die dat niet delen. Ook ontstaat er grote spanning tussen fundamentele grondrechten die in de praktijk neerkomt op inperkingen van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Dit fenomeen kan aangeduid worden als “seculiere intolerantie” of “radicaal secularisme.”

Radicaal secularisme zou in zekere zin gezien kunnen worden als een “moderne” vorm van christenvervolging, met eigen mechanismen en uitingen. Europarlementariër Mario Mauro (2010) typeert seculiere intolerantie dan ook als “bloodless persecution.” Vanuit staatkundig gereformeerd perspectief kan seculiere intolerantie gezien worden als een exponent van het immer aanwezige verlichtingsdenken in de samenleving. Anderhalve eeuw geleden analyseerde Groen van Prinsterer het gevaar van een onjuiste visie op de scheiding van kerk en staat en van de grote invloed van het gelijkheidsdenken.

Het is noodzakelijk om meer tegenwicht te bieden aan de toenemende druk op christenen en christelijke instituties in Nederland vanuit de ‘motor’ van seculiere intolerantie. Dat kan door helder te krijgen hoe dat mechanisme van de seculiere intolerantie verloopt en door strategieën op af te stemmen.

Het werk van Groen van Prinsterer over de verhouding tussen ongeloof en revolutie en de daaronderliggende humanistische overheidsvisie is nog steeds actueel. De secularisering van de samenleving heeft niet alleen gevolgen gehad voor de rol van religie in het publieke debat, maar gaat ook gepaard met een groeiend onbegrip voor christelijke waarden. Boyd-McMillan (2006) toont aan dat seculiere intolerantie in de samenleving zich uit doordat geloofsovertuigingen steeds vaker worden aangemerkt als een kwestie van smaak (godsdienst wordt gerelativeerd). Op politiek gebied gebeurt dat door godsdienst te privatiseren.

Vanuit die gedachte kan gesteld worden dat seculiere intolerantie een direct gevolg is van de secularisering. Dit kan zowel vanuit theoretisch (politiek-filosofisch) perspectief geanalyseerd worden, als vanuit een praktische beschrijving van de mechanismen van seculiere intolerantie.

Ondanks het feit dat er in West-Europa formeel godsdienstvrijheid is, worden de rechten van christenen op subtiele wijze ondermijnd en fundamentale grondrechten opzij geschoven. De “revolutionaire” geest die Groen van Prinsterer een anderhalve eeuw geleden al uitvoerig aan de kaak stelde, nog steeds aanwezig is, maar nu in de vorm van “seculiere intolerantie.” Van Ruler waarschuwde in 1948 dat het einde van de neutrale verhouding van kerk en staat in zicht was, omdat een kerk die de soevereiniteit van God uitdraagt over alle aspecten van het leven, maar in het bijzonder over de staat, een groot risico loopt om uitgeroeid te worden.

Dit ondervindt niet alleen de Kerk maar ook politieke organisaties. In de naam van mensenrechten en principes als “gelijkheid”, “non-discriminatie” en “respect van het pluralisme” worden fundamentele rechten als godsdienstvrijheid en vrijheid van meningsuiting steeds vaker opzij geschoven, voor een vaag begrip van tolerantie. Het is daarom relevant om de verschillende vormen die seculiere intolerantie aanneemt te onderzoeken en te begrijpen hoe die de grondslagen van de Nederlandse rechtstaat aantasten.

De combinatie van radicaal secularisme, politieke correctheid en discriminatie (verminderde juridische bescherming voor de christelijke minderheid) perken de fundamentele vrijheden in.

Mogelijk vormt seculiere intolerantie in het Westen een grotere bedreiging voor getuigende christenen dan de “klassieke” vormen van christenvervolging, door haar subtiele infiltratie in maatschappelijke en politieke instituties. De Belgische hoogleraar Vanbeckevoort (2008) ziet met name dat de onderwijssector langzaamaan wordt overgenomen door seculier-humanistische ideeën en hoe dit zijn doorwerking heeft op andere gebieden van de samenleving. Zo worden instituties die voor christenen belangrijk zijn steeds vaker gemarginaliseerd. Een voorbeeld hiervan is de zondagsrust omdat de 24-uurseconomie die in grote delen van Europa een gezond gezinsleven ondermijnt.

Ruse (2009) toont aan dat VN-instrumenten worden gebruikt om een humanistische agenda te bevorderen. Het verbieden of anderszins beperken van abortus wordt politiek en steeds vaker ook juridisch aangemerkt als “discriminatie tegen vrouwen” en zelfs als een vorm van “geweld.” Vanuit VN-instellingen wordt actief beleid gevoerd om “alle soorten gezinnen gelijke rechten” te geven, om de mogelijkheden voor euthanasie te verruimen en om stamcelonderzoek te bevorderen. De Raad van Europa oefent druk uit op alle Europese landen om abortus te legaliseren. Politici die in het openbaar getuigen van hun geloof worden in de media verguisd. Auteur Hans van Dam pleit er in zijn boek Euthanasie, de praktijk anders bekeken voor om artsen strafrechtelijk te vervolgen als ze verzoeken voor hulp bij zelfdoding afwijzen.

Het is meer dan ooit noodzakelijk om onderzoek te doen naar de betekenis van het fenomeen seculiere intolerantie vandaag de dag, opdat Nederlandse politieke partijen en organisaties hier daadkrachtig op kunnen reageren.

Relevante literatuur (selectie):

– Boyd-MacMillan, R. Faith That Endures: The Essential Guide to the Persecuted Church (2006)
– Burke, E. Reflections on the Revolution in France (1987)
– Casanova, J., Public Religions in the Modern World (1994)
– Couwenberg, S.W. (red.), Opstand der burgers. De Franse revolutie na 200 jaar (1988)
– Dekker, G., Van centrum naar de marge. De ontwikkeling van de christelijke godsdienst in Nederland (2006)
– Dekker-Bijsterveld, S.C., De verhouding kerk en staat in het licht van de grondrechten (1988)
– Groen van Prinsterer, G., Ongeloof en Revolutie (1847, tweede herziene druk 2011)
– Hoedemaker, P.J., Een Staat met de Bijbel. Vier lezingen (1902)
– Holdijk, G. ‘Christendom en cultuur in het gereformeerd protestantisme: De les van de geschiedenis. De opdracht van de kerk en de christen in de hedendaagse cultuur’, in: G. van den Brink en E. van Burg (red.), Strijdbaar of lijdzaam. De positie van christenen in het publieke domein (2006)
– Jackson D., Constructing European Secularity (in press)
– Jaeghere, M. de, Enquete sur la christianophobie (2006)
– Kennedy, J., Stad op een berg. De publieke rol van protestantste kerken (2010)
– Kuyper, A., De gemeene Gratie (1902)
– Marshall, P. Religious Freedom in the World (2000)
– Mauro, M., War against Christians (2010)
– Middelkoop, E. van, Reformatie en tolerantie (1985)
– Mulder, H.W.J., Groen van Prinsterer, staatsman en profeet (1973)
– Observatory on Intolerance and Discrimination, Shadow Report on Intolerance and Discrimination Against Christians in Europe, 2005-2010
– PEW, Global Restrictions on Religion (2009)
– Ruler, A.A. van, Religie en Politiek (1945)
– Ruse, A., Remarks at the World Congress of Families Amsterdam 2009
– SCP, Godsdienstige verandering in Nederland. Verschuivingen in de binding met de kerken en de christelijke traditie (2006)
– Staaij, K. van der, Bavincklezing Theocratie en democratie, 27 april 2005, opgenomen in: Religie en democratie (2006)
– The Christian Institute, Marginalizing Christians (2009)
– Vanbeckevoort, E., Secular Humanism and Biblical Christianity (in press)
– Woldring, H.E.S., De Franse revolutie. Een aktuele uitdaging (1989)

Posted on 1 Comment

Islamisering en de identiteitscrisis van Europa

Na mijn artikels over hoe het christendom in Europa en in het Midden-Oosten onder druk staat, gaat dit artikel over de islamisering van Europa. Met het oog op de huidige trends is het zonneklaar dat islamitische bevolkingsgroepen een meerderheid kunnen worden in 20 of 30 jaar en in in veel West-Europese steden en landen is er reeds een groter aantal praktiserende moslims dan er praktiserende christenen zijn. Nadat ik het rapport van het Barnabas Fund over de islamisering van Europa had gelezen, besloot ik over dit onderwerp te schrijven.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en heeft haar twee maal weer verlaten… Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers (..)”, aldus Youssef el Qaradawi, hoofd van de Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek, op Al Jazeera, 24 januari 1999.

“De islam heeft twee maal voet op Europese bodem gezet en haar weer verlaten.” Dat is juist, de islam is tweemaal gekomen, beide keren met legers en heeft twee maal weer moeten vertrekken onder druk van christelijke legers.

Eerst zetten ze voet op Spaanse bodem aan het begin van de 8e eeuw, arriveerden in Frankrijk en werden verslagen bij Poitiers in 732 na Christus. Tweeëneenhalve eeuw later begon de Reconquista van het Iberisch schiereiland, die eind 15e eeuw voltooid werd. Terwijl de christelijke bevolking als slaven was behandeld, werden resterende moslims bekeerd tot het christendom of verbannen en moskeeën werden veranderd in kerken.

Later, aan de andere kant van Europa,  werden Ottomaans-Turkse stammen islamitisch in de 9e eeuw en vestigden zich in Klein-Azië. Ze werden een regionale grootmacht tegen het einde van de 13e eeuw. Territoria die eens geregeerd werden door het Oost-Romeinse rijk vielen een voor een in Ottomaanse handen. De Turken betraden Europa in het midden van de 14e eeuw, ondanks vele glorieuze overwinningen door Europeanen was het grootste deel van Zuidoost Europa tegen het einde van de 16e eeuw onder Ottomaanse heerschappij gebracht.

De Poolse koning Jan Sobieski III drijft de Turken terug bij het Beleg van Wenen, schilderij van Jan Mateiuko.

De onsuccesvolle belegering van Wenen in 1683 leidde tot een zichtbare verzwakking van de Turkse aanwezigheid in Europa en de kruisvaarders bevrijden Boedapest (1686) en de rest van Centraal-Europa in de jaren daarna. Wie zich bekeerd hadden tot de islam bekeerden zich weer tot het christendom. Tegen het begin van de 20e eeuw namen de nationale gevoelens op de Balkan toe en verloor Turkije de meeste van zijn Europese gebieden, Constantinopel (nu Istanbul) bleef echter in Turkse handen, tot op de dag van vandaag. Helaas waren politieke belangen sterker dan godsdienstige solidariteit voor veel Europese leiders. Het islamitisch bestuur werd in 1923 afgeschaft, maar de erfenis van het bewind bleef sterk in diverse gebieden zoals Bosnië, Albanië en de Kaukasus en gebieden rond de Zwarte Zee die in handen van de Tataren waren.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden… Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Rond de Eerste Wereldoorlog was de islam verzwakt, een zwak islamitisch (Ottomaans) rijk, islamitische landen die door Europese landen gekoloniseerd waren, socialistische/communistische ideologie die zich snel verspreidde onder de lagere klasse en pan-Arabische bewegingen die aanhang begonnen te verwerven in Arabischtalige landen.

Na de Tweede Wereldoorlog besloten Europese leiders een economische unie te creëren om onderling oorlog onmogelijk te maken. Het Oude Continent was verwoest na de vernietigende oorlog en in de jaren ’60 kwam hier nog een verandering in denken en levensstijl overheen. De gemiddelde religiositeit nam af, vrouwen kregen minder kinderen naarmate hun rol op de arbeidsmarkt toenam.

Er ontstond behoefte aan goedkope arbeiders; arbeidsmigranten kwamen, eerst uit Italië en Joegoslavië, daarna uit het Midden-Oosten en voormalige kolonies (gemeenschappelijke geschiedenis en taal). Turken gingen naar Duitsland, Algerijnen, Marrokanen en zwarte Afrikanen naar Frankrijk, Indiërs, Pakistanen en zwarte Afrikanen naar het Verenigd Koninkrijk.

In de jaren ’60 waren er enkele honderdduizenden moslims in West-Europa, wat toentertijd geen probleem was. Het geboortecijfer was laag, maar Europeanen waren nog in staat de groei van de samenleving in stand te houden, immigranten brachten nog niet hun gezinnen mee en de verzorgingsstaat was nog niet zo genereus.

Tegen het einde van de jaren ’60 zijn er twee data die als begin van een nieuw tijdperk beschouwd kunnen worden:

  • 1967: 3e Arabisch-Israëlische oorlog. Israël versloeg de Arabische legers die veel groter waren in aantal soldaten en uitrusting en dit veroorzaakte een gigantische publieke verontwaardiging onder Arabische bevolkingen. De Arabische leiders en zelfs de Arabische militaire leiding waren niet in staat een gedisciplineerde strijd te voeren. Rond die tijd realiseerden de mensen zich dat de Arabisch-Nationalistische idee niet in staat is de Arabischtalige naties te verenigen en zelfs niet om een zwakke staat, zoals Israël toen nog was, te verslaan. Dit kan beschouwd worden als de start van een hernieuwde opkomst van de politieke islam.
  • 1968: In Frankrijk breken rellen uit tegen het traditionele maatschappelijke model. Onder andere Daniel Cohn-Bendit leidt een opstand die seksuele vrijheden eist en ‘een betere wereld’, zoals ik in mijn eerdere artikel besprak.

Tegen het einde van het millenium was de Sovjetdreiging niet langer aanwezig, Europese regeringen hadden de gelegenheid zich te concentreren op economische groei en ze zagen immigratie als een oplossing voor het demografische tekort. Met de introductie van de Euro was er een breed gedeelde overtuiging onder politieke elites dat er nooit meer oorlogen uit zouden breken en dat culturele en politieke eenheid in enkele decennia tijd vanzelfsprekend zou worden en dat de multiculturele samenleving, zoals de Verenigde Staten die kennen, sowieso een nastrevenswaardig ideaal is.

Het verschil is dat de immigratie naar Europa geen selectieve immigratie is, en dat er meer rechten dan plichten zijn, immigranten werden aangemoedigd hun eigen tradities en gebruiken te bewaren, in plaats van de taal en de gewoonten van het land van aankomst te leren.

Heden ten dage heeft het aantal moslims 5,5 miljoen bereikt in Frankrijk alleen. In heel Europa tellen zij circa 30 miljoen. De graad van radicalen binnen de islamitische gemeenschap is relatief veel hoger dan in andere gemeenschappen en dit is de bron van conflicten tussen hen en de  samenlevingen waarin zij verblijven.

De spanningen tussen islamitische immigranten en lokale mensen en de opkomst van extreem-rechtse of rechts-populistische bewegingen in Europa hebben vele oorzaken. Ik noem een aantal voorbeelden voor een beter begrip:

  • Demografie: hun aantal groeit veel sneller dan dat van andere gemeenschappen, omdat islamitische vrouwen 2,5 keer zoveel kinderen baren als de gemiddelde vrouw in Europa. Immigranten ontvangen meer subsidie dan dat zij werken en belasting betalen, aldus extreem-rechtse bewegingen en diverse statistieken.
  • Islamisering: In Europese steden worden honderden moskeeën gebouwd, vele financieel bijgestaan door de ‘ a-confessionele’ staat. Olierijke landen financieren islamitische zendingsorganisaties om de islam te verspreiden onder niet-moslims, in plaats van de bestrijding van armoede in eigen land. Ze willen niet-moslims bekeren tot hun religie en een groot, zichtbaar aandeel van de vrouwen draagt een hoofddoek, in het straatbeeld verschijnen geleidelijk meer vrouwen in hijab of niqab, een groot aantal mannen draagt een baard of een djellaba, waardoor het beeld van de bevolking in het algemeen verandert. Mohammed is inmiddels de meest voorkomende naam voor pasggeboren jongens in Brussel, Londen en Milaan.
  • Sociaal: werkloosheid wordt een steeds groter probleem, naarmate goedkope arbeiders worden aangenomen in plaats van lokale mensen in dienst te nemen. In Frankrijk hangt de opkomst van het Front National vooral samen met het grote aantal werklozen in de arbeidersklasse. Een ander punt is het terug sturen van geld door immigranten naar hun land van herkomst, in Frankrijk wordt het jaarlijkse bedrag dat naar buitenlandse familie wordt overgemaakt op 20 miljard euro geschat.
  • Veiligheid: in Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, bestaan de meeste bendes uit 2e of 3e generatie immigranten. Een deel van hen die niet in staat waren zich goed te integreren in de samenleving en geen werk hebben, voelen zich gediscrimineerd door de samenleving. Er is hoe dan ook wel enige mate van discriminatie en angst voor hen. Op Duitse scholen zijn Turkse bendes de oorzak van een groot probleem voor hen die zich graag zouden willen richten op het lesgeven en het leren. In het Verenigd Koninkrijk worden groepsverkrachtigen een ernstig probleem dat snel toeneemt.
  • Politieke lobby: islamieten beïnvloeden de binnenlandse en buitenlandse politiek van het land van aankomst. Naarmate hun aantal toeneemt vormen ze een steeds belangrijkere groep kiezers. Veel politici, bijvoorbeeld Jacques Chirac en Gerhard Schröder, spraken zich uit voor toetreding van Turkije tot de EU, om islamitische kiezers voor zich te winnen. Parlementen en gemeenteraden introduceren bestuurlijke maatregelen om de islam gelijke institutionele rechten te geven, ook al zijn ze een nieuwe factor in de publieke samenleving en is hun aantal op het geheel van de bevolking vooralsnog klein.

Om terug te komen op het rapport, de islamisering van Europa wordt op de volgende wijze bereikt. Moslims immigreren op grote schaal naar Europa, krijgen meer kinderen en bekeren niet-moslims met diverse middelen.

Extreem-links, dat zich verzwakt wist na de val van de Sovjet-Unie heeft in de radicale islam een nieuwe bondgenoot gevonden om het christendom en de vrije markteconomie te bevechten. Ze delen een haat voor de Verenigde Staten van Amerika. In de campagne voor de Franse presidentsverkiezingen van 2012, nodigde het Front de Gauche, dat zijn campagne opbouwde rond ‘ sociale gerechtigheid’  en “confiscatie” van het vermogen van de rijken, radicale islamieten uit voor zijn bijeenkomsten.

Moslims hebben een missie: wat veel bekeerlingen in de islam zien is dat zij een strijd hebben en vechten voor hun recht (Palestina, Tsjetsjenië, imperialisme etc.). Islamitische zending (Da’wa) bestaat uit 2 delen: interne en externe zending. Interne da’wa betekent het doen herleven van de praktisering van de religie, externe da’wa betekent het verkondigen van de religie en niet-moslims ertoe brengen haar te aan te nemen.

Ze bouwen steeds meer en steeds grotere moskeeën om hun zelfverzekerdheid en kracht te laten zien, extreem-rechtse bewegingen beschuldigen islamieten dan ook vaak van het demonstratief laten zien van hun kracht door grotere huizen van samenkomst te hebben dan christenen.

Islamieten bidden op straat in Parijs.

Ze willen de islamitische sharia introduceren, terwijl Europese samenlevingen voornamelijk hedonistisch zijn geworden en gebaseerd op consumptie; ze zien hun levensstijl als een antwoord op de problemen van drugsgebruik, alcoholisme en prositutie. Islamitische groepen doen in sommige gevallen een openlijk beroep op het publiek hun sharia te accepteren. In Oost-Londen zijn er enkele wijken waar radicalen de sharia tot de officiële bron van wetten hebben uitgeroepen (inclusief een verbod op gokken, muziek of concerten, prostitutie en drugs).

Naarmate Europese overheden deze interpretaties van de sharia erkennen als representatief voor de gehele islam, versterken zij de positie van radicalen en verzwakken ze die van gematigde moslims. Er bestaan shariarechtbanken in Groot-Brittannië en ze worden ook geïntroduceerd in België, ze worden bestuurd vanuit moskeeën. Dit legt de zwakte bloot van het nationale ‘seculiere’ rechtssysteem.

Ze bedreigen de vrijheid van meningsuiting en dreigen met geweld, hierin zijn ze vergelijkbaar met radicale secularisten en Holebi-organisaties, aangezien ze respect, tolerantie en objectiviteit eisen, maar die niet altijd aan anderen geven.

De fatwa tegen Salman Rushdie (1989) en de moord op Theo van Gogh (2004) laten zien dat radicale moslims een bedreiging vormen voor een ieder die zich openlijk tegen hen uitspreekt. Ze vormen een bedreiging voor de vrijheid van godsdienst, er zijn veel recente voorbeelden waarin bekeerlingen van islam tot christendom werden beledigd, bedreigd en achtergesteld.

Islamisering wordt gefinancierd op uiteenlopende manieren en vanuit diverse landen:

  • Individuen: islamieten doneren intensiever, aangezien zij de moskee vaker bezoeken dan christenen hun kerken. Er zijn gevallen bekend in het Verenigd Koninkrijk en in Denemarken, waarin mensen geld verkregen uit belastingfraude.
  • Islamitische organisaties: overwegend liefdadigheidsorganisaties die zich specialiseren in het helpen van de armen, maar tegelijkertijd de islamitische leer verspreiden en vrouwen aanmoedigen een hoofddoek te dragen.
  • Islamitische staten: veel van deze staten zijn olierijk, de Golfstaten hadden een begrotingsoverschot van bijna 500 miljard USD door hoge olieprijzen, ze geven meestal het geld uit dat verkregen is door beleggingen van hun fondsen en aan liefdadigheidsprojecten. Deze fondsen worden voornamelijk toegekend aan islamitische organisaties. De grootste bijdragers zijn Saoedi-Arabië, Koeweit, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Iran, Algerije en Libië.
  • Gemeentebesturen: een voorbeeld, Alain Juppé, de huidige minister van Buitenlandse Zaken van Frankrijk en tevens burgemeester van Bordeaux, verkocht 8500 vierkante meter land aan de lokale moslimraad voor een symbolisch bedrag van 1 euro. Bordeaux had conform marktprijzen 677.000 EUR kunnen verdienen.
  • West-Europese staten: In 2004 pleitte Nicolas Sarkozy voor staatsfinanciering voor moskeeën, ondanks het formele secularisme van de Republiek. Volgens een rapport was 30% van de jaarlijkse inkomsten van moskeeën afkomstig van de staat.
  • Islamitisch bankieren: islamitische bankieren is wijdverbreid, zowel in West-Europa als in de Golfstaten. Europa zou graag Arabische investeerders aantrekken. Van Londen wordt wel gezegd dat het de meest shariavriendelijke investeringsbestemming is in Europa.

Ze leggen beslag op onderwijsinstellingen en radicale predikers zijn zeer actief aan Europese universiteiten. Ze vragen om speciale gebedsruimten in scholen en universiteiten en radicale imams worden toegelaten aan universiteiten, veel islamitische terroristen hebben aan Europese universiteiten en hoge scholen gestudeerd. Islamitische meisjes wordt gevraagd een hoofddoek of gezichtssluier te dragen.

Een andere kwestie verwant aan dit onderwerp is de druk op onderwijsinstellingen om onderwerpen gerelateerd aan de islam op zo’n wijze te doceren dat een positief beeld wordt gegeven van hun religie. Regeringen, onderwijzers en uitgevers die willen voorkomen beschuldigd te worden van racisme en islamofobie geven dikwijls aan zulke verzoeken toe.

Hun isolatie en afscheiding bemoeilijkt integratie en assimilatie. Er zijn veel voorbeelden, zoals de zogenaamde ‘homovrije zones’ in het Verenigd Koninkrijk en Kreuzberg in Berlijn. Kreuzberg was een wijk die werd bevolkt door mensen uit de arbeidersklasse en linkse jongeren in de jaren ’20, heden ten dage bestaat de bevolking van de wijk die ongeveer een half miljoen beslaat voor 80% uit Turkse immigranten. In Frankrijk kunnen de voorsteden beschouwd worden als de ghetto’s van de werkloze 1e, 2e en 3e generatie immigranten, de islamisering verspreidt zich daar het snelst.

En alles dat ik hierboven heb beschreven gaat slechts over de islamisering van Europa. Eerder schreef ik al over de vervolging van christenen in islamitische landen.  Om de opsomming van voorbeeld af te sluiten, zou ik nog willen noemen dat het bestuur van een van de meest prestigieuze voetbalclubs van Europa, Real Madrid, recent besloten heeft het kruis uit haar logo te verwijderen om investeerders uit Qatar terwille te zijn (formeel vanwege islamitische fans).

Aangezien het Wereldkampioenschap Voetbal in 2022 in Qatar plaats vindt: ‘Zullen Engeland, Zweden en Denemarken nu moeten kiezen tussen de verticale en de horizontale lijn in hun vlag?’, zoals een Hongaarse blogger zich afvroeg in zijn artikel waarin hij sprak van een ‘re-reconquista’.

“Misschien zal de volgende verovering, zo Allah het wil, door middel van verkondiging en ideologie plaats vinden.”

Nu, het gaat inderdaad om ideologie, verkondiging, geld (misschien wel het belangrijkste) en de identiteitscrisis van West-Europa zelf.

“Misschien zullen we deze landen veroveren zonder legers”

Het lijkt zeer goed mogelijk, maar misschien is er nog een christelijke minderheid in Europa die een missie heeft deze trend te keren.

 

Wat zou dan de oplossing zijn?

“Who wants to avoid suffering, suffers twice” (Wie lijden wil vermijden, lijdt twee maal), zegt een Engels spreekwoord.

Veel Europese leiders denken door het binnenhalen van immigranten in hun landen, zich te verzekeren van genoeg goedkope arbeidskrachten voor de economie en de pensioenen te kunnen redden, dit is volstrekt onverantwoord. Velen geloven dat ze immigranten moeten toelaten in hun land, omdat gekoloniseerde naties veel geleden hebben onder de kolonisatie. Dit denken is wijdverbreid in Frankrijk en is deels waar, maar we moeten wel weten dat het aantal inwoners (Arabieren en Berbers) in bijvoorbeeld Algerije  enkele honderdduizenden besloeg in 1830 en dat deze bevolking 9 miljoen (!) telde in 1960. De meeste infrastructuur en veel monumentale gebouwen in het land zijn door Fransen en andere Europeanen gebouwd. Europeanen onttrekken zich in feite van hun verantwoordelijkheid nu hun samenlevingen vergrijzen en niet in staat zijn hun pensioensysteem in stand te houden en vele anderen accepteren de stelling dat de kolonisatie alleen maar slechte effecten had en christendom een instrument was om mensen te onderdrukken.

Wij Europeanen moeten ons zelfvertrouwen herwinnen, we moeten trots zijn op ons verleden, onze geschiedenis, voorouders en wat onze culturen bereikt hebben en we moeten onze godsdienst en haar heiligen weer leren waarderen. We moeten proberen onze oudere gewoonten weer te doen herleven, respect voor grijze haren, het huwelijk, familie- en burenhulp en algemene solidariteit.

De meeste immigranten komen voor betere carrières, een hogere levensstandaard, maar ze zien dat Europeanen geen sterke overtuiging of identiteit hebben; er zijn te veel scheidingen, drugsproblemen, prostitutie en vereenzaming, ze geven er dan ook de voorkeur aan hun eigen gebruiken te conserveren in plaats van te integreren. De meeste moslims conserveren hun levensstijl, maar islamisten eisen veel van hun omgeving, dat zij zich aanpassen aan hun opvatting van het geloof en de gebruiken die daar bij horen en dit is onacceptabel. Immigranten zouden zich aan moeten passen aan de Europese levensstijl, maar wij moeten dan wel onze godsdienst en ons verleden waarderen, zodat wij een goed voorbeeld geven.

De financiering van de islamisering door Europese staten en instellingen en door buitenlandse mogendheden moet gestopt worden en moslims moeten zelf hun financiën regelen zoals ook andere gemeenschappen dat gewoon zijn. Dit zal spanningen doen afnemen. Moslims moeten zich realiseren dat ze niet bevoordeeld zouden moeten worden, ook niet als hun aantal nog toeneemt. Er zijn maar weinig politici die de moed hebben de verantwoordelijkheid op zich te nemen in deze kwestie, aangezien de druk groot is, zowel van binnen Europa als van buiten. Maar wij zouden ook een georganiseerde en vastberaden drukkingsgroep moeten vormen.

Europeanen moeten leren de kwestie van identiteit te begrijpen. Een immigrant zal nooit Frans of Engels of Duits worden als hij als volwassene aankomt in een land en daar 30 tot 40 jaar kan wonen zonder in te burgeren. Als slechts één van de ouders van een kind Europees is, zal het kind half Europees zijn. In de Verenigde Staten heeft 99% van de bevolking een tweede identiteit, voor of na dat men zich als Amerikaan beschouwt.

In Frankrijk zijn er geen minderheden, op papier althans. Een immigrant heet officieel Frans wanneer hij het paspoort bezit, er zijn echter honderdduizenden kinderen die geboren worden in Frankrijk en Duitsland en de taal van het land niet of zeer gebrekkig spreken en niemand tegen komen van de nationaliteit van het land waarin zij verblijven, behalve op school.

Ten slotte, religie maakt deel uit van de identiteit; dit is iets dat linksen niet willen horen of begrijpen. Een andere religie betekent andere gebruiken, andere feestdagen, een andere liturgische taal, een andere rol van de clerus en een andere visie op het leven, op de mens en de wereld.

Europa moet eindelijk wakker worden, politieke correctheid terzijde schuiven en zich realiseren dat het Christendom haar godsdienst is.