Posted on

Eerste Wereldoorlog politiek vervormd en misbruikt

De herdenkingen van de Eerste Wereldoorlog zijn nu ten einde. 1914-1918 is 100 jaar geleden
uitgevochten en beëindigd in een treinwagon in Frankrijk op 11 november 1918. Gepast dus om grote herdenkingen te houden, en stil te staan bij de gevolgen en oorzaken en uiteraard om lessen te trekken voor het hier en nu.

Op 11 november mochten de hoge meneren en mevrouwen allemaal  hun zegje komen doen over wat zij dachten over WO1. Zoals we van politici en politiek activisten kunnen verwachten, laten ze de kans zelden onbenut om te proberen te scoren voor hun eigen publiek.

Er was een leidraad: het vreselijke ‘nationalisme’ dat de oorzaak was van de Grote Oorlog en dat we nu de lessen moesten trekken om vrede te kunnen bewerkstelligen. Zonder één kritische vraag of opmerking geraken ze hier mee weg, want niemand die één van die figuren hun durft te onderbreken, laat staan tegenspreken.

Nationalisme als oorzaak van WO1?

Ik probeer 3 oorzaken boven te halen om een verband te schetsen tussen nationalisme en WO1. We beginnen met de geschiedenis die vooral eigen is in Vlaamse context. De frontbeweging ontstond in de loopgraven, uit frustratie over hoe de Franstaligen het Vlaamse voetvolk behandelden in de loopgraven. Een culturele Vlaamse beweging die streefde naar een gelijkwaardigheid binnen Belgische context, werd een anti-Belgisch nationalisme. Deze had echter zijn ontstaan pas in WO1, iets wat bezwaarlijk een oorzaak of zelfs katalysator kan zijn voor de oorlog.

Een tweede oorzaak kan liggen in de eenmakingsbewegingen en afscheidingsbewegingen, en dus de aanslag op de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije door een Servisch nationalist. Wat men vergeet is dat er een reden was om het congres van Wenen van 1815 ter discussie te stellen. De belangen waren zeer groot. De schuldenopbouw die zeer groot was, was al een motief voor spanning op politiek vlak tussen verschillende machtsblokken.

Destabilisatie

Zo was er vanuit Groot-Brittannië ook zeer actief een politiek van destabilisatie in bv de Balkan en ten aanzien van het Ottomaanse rijk. Verschillende oppositiebewegingen werden ondersteund, door onder andere het geld van de Rothschild familie. Zo was er de steun voor de Servische nationalisten vanuit Groot-Brittannië omdat men zo hoopte Oostenrijk-Hongarije te verzwakken.[1]

Dit was trouwens in het nadeel van de Serviërs, aangezien Frans Ferdinand er een voorstander van was om het rijk om te vormen naar een tripel monarchie. Dat dergelijke afscheidingen of eenmakingen van naties gebeurden onder louter ideologische overwegingen klopt dus niet en is ofwel gezegd door een fundamenteel gebrek aan kennis, of door hypocriete bedoelingen voor politiek gewin.

Fré Morel ~ Oorlog is misleiding en bedrog (2e druk)

Een laatste verband is dat met de mobilisatie. Er werd inderdaad zonder twijfel patriottisme gebruikt om vrijwilligers te mobiliseren. Maar mobilisatie en een oorzaak van de oorlog zijn twee verschillende dingen. Wanneer een oorlog is ontketend, of men wil er naartoe werken, zal men alles gebruiken als mobilisatiekracht.

‘Making the world safe for democracy’

Hoeveel oorlogen worden er vandaag niet uitgevochten onder het mom van ‘Vrijheid en Democratie’ te brengen? We hoeven maar naar de Arabische lente te kijken. Het Westen heeft er een patent op overal ter wereld de goede boodschap te verspreiden door actief obscure oppositiebewegingen te ondersteunen.

Of deze nu vredevolle bedoelingen hebben of niet is nooit aan de orde. We denken maar aan het ondersteunen van organisaties als de Taliban in Afghanistan tegen de Soviet Unie [2], de inval van Israël tegen Nasr in Egypte voor het Suezkanaal [3] en nog veel actueler de steun aan jihadistische organisaties in Syrië en Libië [4]. Is deze mobilisatie minder kwalijk, of zijn de slachtoffers van drone-aanvallen minder dood?

Of is de constante mobilisatie en het bijbouwen van militaire basissen tegen Rusland misschien minder risicovol? Of de greep van de militaire industrie op het Witte Huis, die steeds miljoenen verdienen aan de verkoop van wapens en munitie, is dit dan iets waar we zijn op vooruitgegaan?

Oorlog is steeds misleiding en bedrog, en dat globalisten vandaag aan het woord komen om de vinger te wijzen naar hun grote vijandsbeeld ‘nationalisten’ is bijzonder wrang. Het is dansen op de lijken van de miljoenen slachtoffers onder de bevolking. Dat we vandaag iets geleerd hebben sinds 1918 is dus jammer genoeg ‘wishfull thinking’ om het op zijn Engels te zeggen.


  1. Fré morel, Oorlog is misleiding en bedrog (Groningen: De Blauwe Tijger, 2018).
  2. https://www.hln.be/nieuws/buitenland/westen-snel-akkoord-over-steun-aan-taliban-in-1980~a6e4f707/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.be%2F
  3. http://users.ox.ac.uk/~ssfc0005/The%20Protocol%20of%20Sevres%201956%20Anatomy%20of%20a%20War%20Plot.html
  4. https://www.ad.nl/politiek/onderzoek-naar-nederlandse-steun-aan-jihadisten-syrie~ada7f9a4/
Posted on

Is er nog een toekomst voor christenen in Irak?

Vier jaar na de inval van IS in Irak trok onderzoeksjournalist Jens De Rycke in samenwerking met VOS Vlaamse Vredesvereniging naar Noord-Irak om te zien wat de toestand daar is voor de Iraakse christenen en of zij nog een toekomst in hun thuisland hebben. 

De kerk in het Oosten heeft gedurende haar hele geschiedenis al te maken gehad met onderdrukking en vervolging maar het afgelopen decennium was rampzalig voor het christendom in Irak. Voor de Amerikaanse invasie van 2003 leefden er nog ongeveer 1.5 miljoen christenen in Irak. Vijftien jaar laten is daar ongeveer 2/3 van verdwenen. Het verwijderen van de dictator Saddam Hoessein bracht het land in een toestand van chaos waarbij de etnische en sektarische spanningen losbarstten die zorgden voor een spiraal van geweld en terreur. Bomaanslagen door extremistische organisaties zoals Al-Qaida viseerden o.a. de christelijke gemeenschap en creëerden met hun terreur een angstklimaat. Deze terreurgolf was de voornaamste reden waarom veel christenen vanuit de Iraakse grootsteden zoals Bagdad en Mosoel vluchtten naar de christelijke dorpen op de vlakte van Nineveh die op dat moment een veilige haven waren.  Maar dat alles veranderde toen IS in 2014 de stad Mosoel veroverde en nadien ook de vlakte binnenviel. Dorpen en kerken werden verwoest en ook deze keer moesten de christenen van Irak vluchten voor terreur.

Was het voor de christenen dan allemaal beter tijdens het tijdperk van dictator Saddam Hoessein? De rode draad in mijn interviews ter plaatse was dat niemand met heimwee terugkeek naar het tijdperk Saddam. Veel Irakezen – zowel christenen als personen uit andere gemeenschappen – stierven in zijn zinloze oorlogen alsook door zijn vervolgingen. Zo werden bijvoorbeeld naast Koerden ook veel Iraakse christenen slachtoffer van de Anfal-genocide. Maar ze maakten wel een belangrijke kanttekening bij zijn bewind: Saddam viseerde individuen en niet de christenen in het algemeen als geloofsgemeenschap. Zijn bewind was wreed en onderdrukkend maar zorgde daarnaast ook voor een zekere interne stabiliteit. En het is vooral deze stabiliteit waar naar terug wordt verlangd.

Is er een toekomst voor hen?

Het Amerikaanse leger is erin geslaagd te doen wat anderhalf millennium islamitische vervolging niet is gelukt. Het christendom in Mesopotamië bevindt zich in een ernstige toestand en kan zelfs deze eeuw nog verdwijnen. Vaak wordt de hedendaagse toestand voor christenen vergeleken met de Mongoolse invallen en de daaropvolgende vervolging in de 13de eeuw. Dit was naast de Ottomaans/Koerdische genocide van begin 20ste eeuw één van de grootste rampen in de geschiedenis van de Oosterse kerk. Maar wat is dan nu het verschil met deze dramatische periode en andere vergelijkbare periodes van vervolging uit het verleden?

Het antwoord daarop zijn de moderniteit en het globalisme. De mogelijkheid om buiten de eigen regio te vluchten heeft een andere dimensie gegeven aan de emigratie van (christelijke) vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Christenen vluchten nu niet meer (of in veel mindere mate) binnen de regio om zich elders in de regio te vestigen of om later terug te keren. Als ze er de mogelijkheid toe hebben vluchten ze nu buiten de regio en dan vaak naar westerse landen. De reden hiervoor is duidelijk: het Westen wordt bij hen nog steeds met het christendom geassocieerd en dus als een plaats gezien waar zij welkom zijn. Een plek waar zij zonder angst voor vervolging openlijk hun geloof kunnen belijden. De teleurstelling om te zien dat de huidige seculiere westerse maatschappij ver van hun denkbeelden staat is dan ook groot bij veel lokale oosterse kerkgemeenschappen wanneer ze zich eenmaal hier vestigen. Daarnaast worden ze in de buurten waar ze terecht komen ook vaak geconfronteerd met dezelfde islamitische gemeenschappen die ze trachtten te ontvluchten.

Een Midden-Oosten zonder christenen?

Als ik al de individuele verhalen hoor kan ik niets anders dan begrip opbrengen voor de redenen waarom deze christenen de regio ontvluchten. En het is dan niet meer dan begrijpelijk dat we hen om humanitaire redenen willen helpen door hen de conflictgebieden van het Midden-Oosten te helpen ontvluchten. Maar onbewust voeren we op deze manier ook de agenda uit van religieuze extremisten die een Midden-Oosten zonder christenen en andere religieuze minderheden willen creëren.

[pullquote]Het Westen moet eindelijk leren uit zijn fouten en inzien dat door middel van regimewissels onderdrukkende dictators wegwerken altijd nefast is voor de bevolking van die landen.[/pullquote]

Als we het christendom in het Midden-Oosten willen helpen overleven zullen we voor hen duidelijker in de regio iets moeten betekenen door hen ter plaatse meer te helpen. De emigratiecijfers van de christenen zullen zich waarschijnlijk op een bepaald moment stabiliseren. De personen die wilden en konden vertrekken zijn weg.  Zij die de financiële middelen voor emigratie niet hebben of er bewust voor kiezen om te blijven zullen de christelijke gemeenschap in Irak vertegenwoordigen. Een kleinere kudde die met grote uitdagingen zal worden geconfronteerd. Enerzijds zullen ze in hun land met economische instabiliteit en conflicten blijven worden geconfronteerd. Daarnaast proberen de Koerden hen met discriminerende wetgeving en door middel van demografische druk van hun landen te verdrijven. Daarenboven blijft zelfs na de nederlaag van IS het gevaar dat religieuze extremisten de gemeenschap zullen blijven viseren.

Wat is er dan nodig om hen een toekomst te bieden? Vrede en stabiliteit zijn alvast een eerste voorwaarde.  En hiermee wil ik niet als een naïeve vredesactivist klinken die de dynamiek van het Midden-Oosten en de heersende machtsconflicten niet kent maar wil ik wel een oproep lanceren aan onze politici. Het Westen moet eindelijk leren uit zijn fouten en inzien dat door middel van regimewissels onderdrukkende dictators wegwerken altijd nefast is voor de bevolking van die landen. De grootste slachtoffers van deze chaos zijn vaak ook de religieuze minderheden. Maar zelfs na de invasie van Irak werd deze les niet geleerd. Zo getuigt het beleid ten aanzien van Syrië…

Irakese en Syrische christenen

Het is politiek correcter om Irakese christenen te verdedigen dan Syrische christenen, maar in beide landen zijn ze slachtoffer van oorlogsgeweld. Beide zijn ze slachtoffer van vervolging door islamitische extremisten. Maar dan met het verschil dat veel Syrische christenen – omdat velen uit zelfbehoud de Syrische regering steunen – volgens sommigen niet dezelfde slachtoffer-status kunnen opnemen als hun geloofsbroeders in Irak. Uiteraard speelt hierin een geopolitieke dimensie mee. Extremistische soennitische groeperingen werden in Syrië door het Westen gesteund om een regimewissel te bewerkstelligen tegen dictator Bashar al-Assad. Dus werden de (oorlogs)misdaden die door deze extremisten ten aanzien van christenen en andere religieuze minderheden in Syrië werden uitgevoerd gebagatelliseerd. Of er werd de andere kant opgekeken…

Vorig jaar vroeg staatssecretaris Theo Francken tijdens de Paasviering bij de Assyrische gemeenschap in Mechelen om aandacht voor de christenen in de Syrische stad Mhardeh nabij Hama. Zij worden nog steeds door Jaysh al-Izza – een ‘gematigde’ soennitische rebellengroepering – met door de Amerikanen geleverde anti-tank raketten belegerd. Maar als hij tegelijkertijd tweetend juicht over de Amerikaanse luchtaanvallen in Syrië dan klopt zijn positie niet. In 2017 was de Amerikaanse luchtaanval in Homs één van de redenen waarom deze ‘gematigde rebellen’ een offensief tegen dit christelijke stadje konden uitvoeren. Politici die willen opkomen voor de christenen in het Midden-Oosten moeten zich dus afzetten tegen de nefaste westerse interventies die de regio destabiliseren. Wie wil bouwen aan een toekomst voor de christenen in deze regio zal een stem voor vrede moeten zijn.

‘Hungary helps’

Daarnaast hebben ze ook directe steun nodig om te blijven. De Koerdische en Iraakse autoriteiten helpen niet met het herbouwen van hun kerken en steden. Zij hebben dus onze steun nodig om dit samen met hen te doen. In het christelijke stadje Teleskuf zag ik tussen de nieuwbouw en de ruïnes van de vernielde gebouwen affiches met ‘Hungary helps’. Maar nergens zag ik in de dorpen die ik bezocht iets vergelijkbaars van een ander Europees land. Westerse landen bombardeerden deze plaatsen om IS te verdrijven en het is dan ook ontzettend jammer om te zien dat het Westen de ruïnes die ze heeft gecreëerd niet helpt weer op te bouwen.

Met het opnieuw opbouwen van kerken valt geen geld te verdienen en wapenhandel is voor veel politici lucratiever dan ontwikkelingshulp. Daarbij voelt voor de geseculariseerde elite van West-Europa steun aan christenen niet correct aan omdat ze Europeanen aan hun culturele wortels herinnert. Maar wie wel wil dat het christendom in de 21ste eeuw niet uit het Midden-Oosten verdwijnt moet zelf actief steun bieden. Help hen hun vernielde huizen en kerken weer op te bouwen, oefen druk uit op regeringsleiders om discriminerende wetgeving op te heffen en zorg voor economische ondersteuning zodat zowel zij als hun kinderen in hun thuisland een toekomst kunnen opbouwen.

VOS heeft een tentoonstelling gemaakt van het materiaal dat Jens De Rycke op zijn reis naar Irak verzamelde. Wij hopen u te mogen ontvangen bij de opening van deze tentoonstelling op zondag 7 oktober 2018 om 11.30u. in de Sint-Pieters-en-Pauluskerk (Veemarkt 44, 2800 Mechelen), na de misviering van de Chaldeeuwse gemeenschap. De tentoonstelling zal vervolgens nog tot 11 november 2018 te bezoeken zijn.

Posted on

Turkse campagne tegen Moeder Teresa in Macedonië

Met een reeks bekladdingen op de Moeder Teresa-gedenktekens en acties met strooibiljetten probeert de Turkse ambassade in Macedonië onder de etnische Albanezen de geliefde christelijke symboolfiguren Moeder Teresa en Gjergj Kastrioti ‘Skanderbeg’ van hun sokkel te stoten.

Moeder Teresa, de heilige van de armen van Calcutta, drager van de Nobelprijs voor de Vrede van 1979, geniet wereldwijd groot aanzien bij mensen van allerlei godsdiensten en kerken. Bijzonder vereerd wordt ze echter door de Macedonische Albanezen, want de uit een katholieke familie uit Noord-Albanië stammende Anjeze Gonxha Bojaxhu werd in 1910 in de huidige hoofdstad van Macedonië geboren.

Toen Moeder Teresa voor haar weergaloze inzet in Calcutta de Nobelprijs voor de Vrede ontving, verkeerden de door Albanezen bewoonde gebieden in Macedonië, Kosovo en Abanië nog onder communistische heerschappij. Niemand was destijds geïnteresseerd in haar Albanese afkomst. Dat veranderde vanaf de jaren ’90 echter, toen de landen en bevolkingsgroepen in kwestie nieuwe symboolfiguren nodig hadden.

Haar dood 21 jaar geleden, op 5 september 1997, haar zaligverklaring op 19 oktober 2003 en haar heiligverklaring op 4 september 2016, grepen alle Albanezen aan, ongeacht waar ze woonden. De datum van haar zaligverklaring werd in Albanië tot nationale feestdag verklaard, de luchthaven van Tirana werd naar haar vernoemd. In de hoofdstad van Kosovo, Pristina werd in 2010 een Moeder Teresa-kathedraal geopend en in haar geboorteland Macedonië herinneren in Skopje een Moeder Teresa-gedenkteken en een gedenkhuis aan haar en zijn er in zo ongeveer alle door Albanezen bewoonde plaatsen wel gedenktekens voor haar.

Juist in haar geboorteland Macedonië zijn er echter toenemende aanwijzingen van een campagne tegen de ‘Moeder van alle Albanezen’. Sinds het voorjaar wordt haar gedenkteken in Skopje keer op keer bekladt met radicaal-islamitische leuzen. Als de bekladdingen verwijderd worden, wordt het gedenkteken steeds weer opnieuw besmeurd. Strooibiljetten die in Skopje verspreid werden, eisten dat het Moeder Teresa-huis in de Macedonische hoofdstad gesloopt wordt en dat de verering van deze “ongelovige” gestaakt wordt. “Alleen een islamitische Albanees is een ware Albanees”, zo heette het op aanplakbiljetten.

Turkse propaganda

De uit Kosovo stammende onderzoeksjournaliste Arbana Xharra heeft deze campagne na lang onderzoek weten te herleiden tot de Turkse ambassade en Turkse scholen in Macedonië. Deze verspreiden sinds enkele jaren onderhands propagandamateriaal tegen de Albanese christenen, die ongeveer een kwart van de bevolkingsgroep uitmaken. Turkse diplomaten en leraren propageren daarin de gedachte dat de Abanezen altijd islamitisch zouden zijn geweest. Hoewel historisch duidelijk is dat de Albanezen pas vanaf de Ottomaanse veroveringen in de 14e en 15 eeuw met de islam in aanraking kwamen. Voor het atheïstische bewind van Enver Hoxha goldt voor Albanië de vuistregel dat een derde van de bevolking katholiek, een derde orthodox en een derde islamitisch was.

De Turkse propagandisten lijken de Albanezen echter te willen gebruiken als een instrument voor het vergroten van de islamitische en Turkse invloed op de Balkan. De hetze tegen Moeder Teresa is zo bezien slechts het topje van de ijsberg.

Hoe sterk de Turks-islamitische invloed in Skopje reeds geworden is, merkte de onderzoeksjournaliste toen ze de uitkomsten van haar onderzoek in Macedonische media wilden publiceren. Geen enkele krant of radiozender wilde zich aan het onderwerp wagen. Zodoende werd het materiaal uiteindelijk door het Griekse dagblad Kathimerini gepubliceerd.

Skanderbeg

Naast Moeder Teresa richt de Turkse campagne zich ook tegen een andere nationale held van de Albanezen, Gjergj Kastrioti ‘Skanderbeg’. De van 1405 tot 1468 levende vorst uit het adellijke geslacht van de Kastrioti leidde in de 15e eeuw als eerste een opstand van de toen nog christelijke Albanezen tegen de Ottomaanse overheersers en gold zelfs in de communistische tijd nog als een Albanese nationale held. Radicaal-islamitische Albanezen in Macedonië willen echter niets van hem weten, omdat hij slecht aansluit bij hun ideaal van totale islamisering van de Albanezen.

Wat de Albanezen in Macedonië in 2001 met een korte burgeroorlog niet konden bereiken, namelijk meer rechten voor hun minderheid die een kwart tot dertig procent van de bevolking uitmaakt, lukt nu langs democratische weg alsnog. Ze waren namelijk nodig om de sociaaldemocraten aan een regeringsmeerderheid te helpen. Zo is het Albanees sinds mei 2018 de tweede officiële taal in geheel Macedonië.

Posted on

Noem wat de Armeniërs overkwam wél genocide!

In een artikel van 24 april jongstleden uit Mirjam Ates-Snijdewind haar kritiek op een recente beslissing van het Nederlandse parlement. De Tweede Kamer spreekt niet langer van ‘de kwestie van de Armeense genocide’ maar van de Armeense genocide. Een betreurenswaardige beslissing aldus Ates-Snijdewind, die er voor pleit het woord genocide in dit geval niet zomaar te gebruiken en deze situatie van meerdere zijden te belichten. Wat volgt is een opsomming van enkele ‘historische feiten’ en een pleidooi voor een objectief onderzoek door de Verenigde Naties.

Vrijwel alle partijen die deelnemen aan dit brisante debat erkennen de massale sterfte van vele duizenden Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog. De verschillende posities in deze discussie ontstaan echter wanneer de betrokken partijen de volgende vraag met een ja of nee moeten beantwoorden: “gaf de Ottomaanse overheid de opdracht om de Armeniërs in zijn geheel of gedeeltelijk te vernietigen?” Indien dit het geval is dan definieert de VN dit als een genocide. Volgens Ates-Snijdewind bestaan er echter geen overtuigende bewijzen waaruit blijkt dat de Ottomanen hiertoe de opdracht gaven. De beslissing van het Nederlandse parlement is volgens haar dan ook gebaseerd op eenzijdige en onvoldoende informatie, maar de argumenten die Ates-Snijdewind gebruikt om haar betoog te ondersteunen zijn dat ook.

Ates-Snijdewind benadrukt ten eerste de historische context. In 1914 viel het Rusland van de Tsaar het Ottomaanse rijk aan, en bewapenden de Armeniërs zodat zij zich konden verzetten tegen dezelfde Ottomaanse overheid. De Armeniërs waren een vijfde colonne die de boel saboteerden. Dit is niet alleen onjuist, dit zogenaamde ‘feit’ heeft ook een ander gevolg. De Armeniërs worden hierdoor voorgesteld als een legitiem oorlogsdoelwit en de maatregel overplaatsing was dus gepast. Ates-Snijdewind erkent de verschrikkingen die toen hebben plaatsgevonden, maar de slachtoffers worden voorgesteld als een soort collateral damage in een oorlog die voor iedereen verschrikkelijk was.

De directe relatie die wordt gelegd tussen de opstand en de deportaties is écht feitelijk onjuist. Wat klopt is dat Turkse bronnen inderdaad melding maken van een opstand, maar de herkomst van deze informatie verklaart een hoop. De inhoud van sommige bronnen is gewoon simpelweg verzonnen, andere zijn afkomstig van Armeniërs die na langdurige martelingen eindelijk ‘bekenden’, maar in sommige gevallen is het gewoon propaganda en in scene gezet om de maatregelen tegen de Armeniërs te kunnen rechtvaardigen.[1] Vooral dit laatste punt is niet onbelangrijk. De propaganda van toen wordt door sommige ‘historici’ tot op de dag van vandaag gebruikt om de deportaties te verklaren.

Ook de door Ates-Snijdewind aangehaalde historicus Justin McCarthy is van mening dat de deportaties het gevolg waren van de Armeense opstand die veroorzaakt was door de Russen, en van genocide was dan ook geen sprake. In zijn boek The Ottoman Peoples and the end of Empire licht hij zijn zienswijze op deze historische gebeurtenis uitgebreid toe. Maar ook het bronnengebruik van McCarthy is dubieus. Zijn analyse is gebaseerd op niet één bron![2]

Ook Ates-Snijdewind is bijzonder creatief in haar bronnengebruik. Volgens haar zijn er na de oorlog meerdere personen vervolgd vanwege hun rol in de verschrikkelijke deportaties, onder andere een gouverneur uit Midden Anatolië. Dit argument wordt vaker opgevoerd binnen dit debat, maar het is gebaseerd op een zeer gebrekkige interpretatie van het bronnenmateriaal.  Ates-Snijdewind doelt vermoedelijk op de processen tegen Aide Halil Bey en Sirozlu Cerkez Ahmed. Zij werden inderdaad vervolgd, maar niet vanwege hun gewelddadige optreden tegen de Armeniërs. Volgens Talaat Pasja was het gedrag van beide heren een serieus gevaar voor de vrede en stabiliteit in de regio. Per telegram heeft Pasja bevolen Bey en Ahmed te executeren, hun gruweldaden tegen de Armeniërs speelden hierin geen enkele rol.[3]

Ates-Snijdewind vervolgt haar betoog door er op te wijzen dat enkele belangrijke Armeense archieven niet te raadplegen zijn. Dit is juist, maar het vermelden hiervan is nogal suggestief. De toegang tot het Dasnak-archief in Boston en dat van het Armeense Patriarchaat in Jeruzalem is inderdaad vrijwel onmogelijk. Er is echter genoeg bronnenmateriaal toegankelijk om de gebeurtenissen van toen goed en betrouwbaar te reconstrueren. De bronnen bestaan uit verschillende documenten opgesteld door de verschillende partijen die bij dit conflict in de regio betrokken waren. Het gehele corpus bestaat onder andere uit notulen, brieven, manuscripten, rapporten, telegrammen, dagboeken, oral histories, foto’s en memoires, en zijn te raadplegen in archieven over de hele wereld. Onder andere in Moskou, Freiburg, Berlijn, Washington, Parijs en dat van de League of Nations in Geneve.[4]

Eén van deze bronnen is de correspondentie tussen Paul Wolff-Metternich, de toenmalige Duitse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk en de Duitse rijkskanselier Theobald von Bethmann-Hollweg. Vanwege het toenmalige bondgenootschap tussen het Duitse Keizerrijk en het Ottomaanse gelden deze bronnen als gezaghebbend. Het ontbreekt hierdoor aan anti-Turkse sentimenten en propaganda, ook had Wolff-Metternich toegang tot alle gebieden. Een ander belangrijk aspect is dat de Duitse militaire autoriteiten de noodzaak van waarheidsgetrouwe informatie in een oorlog benadrukten.[5] Wolff-Metternich beschrijft in meerdere gevallen de betrokkenheid van de Ottomaanse regering en haar ambtenaren. Maar hij benoemt ook enkele argumenten die de Ottomanen in de toekomst zullen gebruiken om zichzelf vrij te kunnen pleiten.[6]

Het besluitvormingsproces met betrekking tot de Armeense genocide is bijzonder complex. Overeenkomend met de Holocaust kan er geen document of exacte datum worden aangewezen waarop definitief een besluit werd genomen. De ongekende hoeveelheid literatuur die hierover is verschenen kan onmogelijk tot één alinea worden samengevat, maar een belangrijk gegeven is dat veel analyses worden ondersteund door middel van primair bronnenmateriaal afkomstig uit het bestuurlijke apparaat van het toenmalige Ottomaanse Rijk.[7] Ates-Snijdewind blijkt echter niet op de hoogte te zijn van de relevante literatuur over dit onderwerp.

Dit historisch debat wordt ondertussen overschaduwd door diplomatieke en politieke belangen en de morele weerzin van de Turken om deze zwarte bladzijden te erkennen. Al deze factoren beïnvloeden de geschiedenis als wetenschap en binnen dit spanningsveld is de waarheid één van de eerste slachtoffers. Met haar betoog presenteert Ates-Snijdewind zich als politiek activist, en rijst de vraag of zij zich wel door de waarheid kan laten overtuigen.


[1]Taner Akcam, De Armeense Genocide. Een reconstructie (Amsterdam 2006) 214-215.

[2]Justin McCarthy, The Ottoman Peoples and the End of Empire (New York 2001) 106-112.

[3]Taner Akcam, The Young Turks’ Crime against Humanity. The Armenian Genocide and Ethnic Gleansing in the Ottoman Empire (Princeton 2012) 395.

[4]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 21-22.

[5]Ibidem, 23.

[6]http://www.armenocide.de/armenocide/armgende.nsf/$$AllDocs-en/1916-01-31-DE-003?OpenDocument

[7]Ugur Ümit Üngör, Vervolging, Onteigening en Vernietiging. De deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (Soesterberg 2007) 65. en Taner Akcam, A Shameful Act. The Armenian Genocide and the Question of Turkish responsibility (New York 2006)

Posted on

Waarom de ‘Noord-Syrische’ staat er niet zal komen

Op dinsdag 10 april jongstleden was er op het initiatief van ‘Sallux’, de denktank van de pan-Europese partij ECPM, een conferentie plaats onder de naam ‘A future for democracy in Syria’.

Meer specifiek ging het over de toekomst van DFNS, Democratic Federation of Northern Syria. Een bestuur dat zichzelf heeft gevormd in het Noord-Oosten van Syrië. In dit gebied leven Koerden, Assyriërs, Turkmenen, Syriërs, … en staat onder controle van de Syrian Democratic Forces. Zij vroegen aandacht voor de humanitaire crisis die dankzij de Turkse agressie (Afrin, Idlib,…) is ontstaan.

In het panel zaten onder ander Branislav Skripek (ECR-fractie Europees Parlement), Sanharib Barsom (Co-president van DFNS), Sanharib Barsom (Co-president van het kanton Jazira) en een aantal leden van de bestuursraad van DFNS. Het Geopolitiek Instituut Vlaanderen – Nederland was uitgenodigd op dit congres.

De vragen gingen om een halt toe te roepen aan de Turke militaire interventie in de regio, te helpen aan de heropbouw van de regio, een zetel bij de VN, hulp bij het onderwijs en hulp voor een veilige terugkeer van vluchtelingen. Buiten ogenschijnlijk nobele doelstelling rest de vraag wat de slaagkansen zijn van een zelfstandige regio in het Noordoosten van Syrië.

Turkse agressie

Het Turkse militaire offensief is nog volop bezig, en de vraag is of ze bij de Europese Unie gehoor krijgen op hun vraag om deze interventie te stoppen. De Europese Unie is natuurlijk al lang specialist in met een moreel vingertje te wijzen als het gaat om landen te veroordelen. Maar handelen is nog iets anders, laat staan dat ze militair iets gaan doen om het Turkse leger tegen te houden.

Bovendien heeft de EU Turkije momenteel nodig. De honderdduizenden vluchtelingen die zich momenteel in Turkije bevinden, zouden geen goed nieuws zijn voor de publieke opinie in Europa, als die plots richting het Europese continent zouden komen.

De grootmacht die wel een rol van betekenis zou kunnen spelen, of moeten spelen voor de Syrian Democratic Forces, zijn de Verenigde Staten. Echter heeft Afrin al wel bewezen dat wanneer NAVO-bondgenoot Turkije in het spel komt meespelen, de bescherming wegvalt voor de Koerdische milities. Als de Verenigde Staten moeten kiezen tussen Turkije en DFNS gaan de VS niet riskeren dat Turkije zich verder afkeert van de NAVO.

De Amerikanen hebben de Koerden met andere woorden gebruikt voor hun eigen geopolitieke doeleinden, terwijl de Koerden het tegenovergestelde dachten te kunnen doen. Eerst heette het immers dat de Amerikanen de SDF (die in feite vooral bestaan uit de aan de PKK gelieerde YPG)  slechts ondersteunden in de strijd tegen ISIS, maar nu lijkt het er op dat de Amerikanen zich ingegraven hebben met ettelijke militaire bases. De Koerden dachten van de strijd tegen ISIS gebruik te kunnen maken om een veel groter gebied dan het traditionele vestigingsgebied van de Koerden in Syrië te bezetten. So far so good, maar nu Turkije in het spel komt, kan men niet zonder meer op Amerikaanse ruggensteun rekenen.

Onzekere toekomst

Zolang de militaire veiligheid niet gegarandeerd is, kan er moeilijk sprake zijn van heropbouw. Op de lange termijn is een conflict tussen Syrië, dat zich vermoedelijk niet zal neerleggen bij een onafhankelijk DFNS, niet uit te sluiten.

De situatie is ook niet vergelijkbaar met Noord-Irak, waar er Irakese troepen mee de bescherming opnemen voor de Koerden. Een rechtstreekse bescherming van Syrië, en vooral van bondgenoten Rusland en Iran, zouden Turkije mogelijk wel een voorzichtigere houding doen aannemen.

Tegen welke prijs zouden de Verenigde Staten en de Europese Unie een onafhankelijk DFNS willen faciliteren is dus maar de vraag. Zeker gezien ze beide voorlopig geen openlijk militair conflict riskeren met zowel Turkije als Rusland. Turkije heeft de afgelopen jaren meer toenadering gezocht met  Rusland. Die Russen hebben al eerder laten zien, na het incident met een neergeschoten vliegtuig, dat ze de nodige druk kunnen opleggen aan Turkije. Turkije zal niet gratis uit Syrië vertrekken, maar de Russen maken zich op termijn minder druk om de Turken dan om een blijvende aanwezigheid van Amerikaanse troepen. Het is niet voor niets dat er voortdurend gesprekken plaatsvinden tussen Moskou, Teheran en Ankara.

Een nieuwe staat lijkt ondenkbaar

Bovendien is de erkenning van DFNS niet zomaar een gegeven. Er is geen enkel mandaat gegeven door een verkiezing en een referendum, laat staan sprake van een degelijk staatsapparaat, en de buurlanden staan er niet op te wachten.

Er lijkt ook geen legitieme basis te zijn voor het oprichten van een nieuwe staat. Hoewel in de naam Democratic vermeld staat, is er geen sprake van een democratische afscheiding die erkend kan worden. Er is enkel de militaire situatie dat een militie daar grotendeels de macht tijdelijk in handen heeft. Dit tijdelijke zal vluchtig weg zijn als de Verenigde Staten hun troepen terugtrekken uit Syrië.


Het Geopolitiek Instituut Vlaanderen Nederland (GIVN) houdt op zaterdag 5 mei aanstaande in Leuven een congres onder het thema ‘Wereld in conflict? Weg naar stabiliteit’, waar onder andere pater Daniël Maes zal spreken over de heropbouw van Syrië na 7 jaar oorlog.

Meer informatie is te vinden op facebook of op de website van het GIVN.

Lees ook onze interviews met respectievelijk pater Daniël Maes en Sacha Vliegen, voorzitter van het GIVN:

Posted on

Noem wat Armeniërs overkwam niet te snel ‘genocide’

Niemand ontkent dat Armeniërs zeer geleden hebben onder gruwelijkheden in de jaren 1915-16. Toch heeft de recente keuze van het Nederlandse Parlement om vanaf nu te spreken over ‘Armeense genocide’ in plaats van ‘Armeense genocide kwestie’ mij verbaasd en teleurgesteld.

Voor een evenwichtige beoordeling van de vraag of er in die jaren al dan niet sprake is geweest van genocide is het nodig om van meerdere zijden de situatie te belichten. Genocide is een juridisch zeer zwaar woord waar niet licht mee mag worden omgegaan. Niet voor niets stemde de Israëlische regering eerder dit jaar nog tegen deze benaming.

Bij de afweging in ons Parlement is de historische context echter achterwege gebleven en is eenzijdig geluisterd naar Armeense organisaties. Turkse organisaties waren niet uitgenodigd voor de extra Commissie Buitenland.
Ten aanzien van de gebeurtenissen in Oost-Anatolië in 1915 is de rol van Armeniërs zelf, evenals de rol van Engeland, Frankrijk en Rusland (de grote imperialisten uit die tijd) buiten beschouwing gelaten.
De keuze van ons parlement is daardoor gestoeld op eenzijdige en onvoldoende informatie en valt feitelijk moeilijk serieus te nemen.

Historische context

De overplaatsingen van Armeniërs door het Osmaanse Rijk kwamen niet uit de lucht vallen. Het Osmaanse Rijk werd van diverse zijden aangevallen omdat het onder de sultan ernstig verzwakt was geraakt. In het Oosten viel Rusland het rijk aan rond het begin van WOI. De Russen bewapenden Armeniërs en zetten hen op tegen de Osmaanse overheid. Armeense milities werden gevormd, gekleed in Russische uniformen. Zij plunderden dorpen, brandden deze plat en verkrachtten en vermoordden vrouwen. Ook kinderen werden gedood. Armeniërs, die niet wilden meewerken, werden zelf slachtoffer. Communicatie- en transportlijnen van de Osmaanse regering naar dit front werden door Armeniërs gesaboteerd.

Hierop is besloten de Armeense bevolking uit dit gebied over te plaatsen naar andere delen van het rijk. In die tijd hebben er ook zeer ernstige gewelddadigheden tegen de Armeniërs plaatsgevonden.
De transporten kennen veel dramatische gevolgen. Na de oorlog zijn er processen geweest waarna o.a. de gouverneur uit Midden Anatolië is opgehangen wegens nalatigheid en het onvoldoende hulp en bescherming bieden aan de Armeniërs.

Archieven openen

Tot nu toe zijn er geen bewijzen gevonden in de geopende Osmaanse- en wereldwijde archieven, dat er opdracht zou zijn gegeven om het Armeense volk uit te roeien. En tot nu toe mogen internationale wetenschappers niet de belangrijkste Armeense archieven inzien en bestuderen.
De Armeense archieven die geopend dienen te worden, en liefst zo spoedig mogelijk i.v.m. het achteruitgaan van de kwaliteit van sommige ervan, zijn:

  • Het Nationale Staatsarchief van Armenië (niet te verwarren met het Armeense museumarchief met persoonlijke verhalen van/over slachtoffers, waar Armeniërs in Nederland op wijzen en waar bv. ook bij de film de Bloedbroeders gebruik van is gemaakt.)
  • de Dashnak Archieven in Boston en
  • het archief van de Armeense Patriarch in Jeruzalem.

Nog enkele ontbrekende feiten

  • Op internet is vrijwel alleen pro-Armeense informatie te vinden.
  • Boeken van K.S. Papazian: ‘Patriotism Perverted’ en van Hovhannes Kajaznouni: ‘The ARF Has Nothing To Do Anymore’ zijn uit bijv. Amerikaanse bibliotheken verwijderd en vernietigd.
  • Tientallen, wereldwijd verspreide historici van universiteiten als Yale, Princeton, Harvard, Oxford en Cambridge zijn van mening dat de term ‘genocide’ niet toepasbaar is bij de gebeurtenissen in 1915. O.a. Gwynne Dyer, Norman Stone, Bertil Dunér, Jeremy Salt, Gilles Veinstein, Andrew Mango, Justin McCarthy, Malcolm Yapp en vele anderen;
  • Veel jonge Turken hebben deels Armeense wortels, door vroegere huwelijken tussen Armeniërs en Turken en zoeken de volledige waarheid;
  • In het Turkije van nu gaan Turken en Armeniërs veelal als goede buren met elkaar om;
  • Er hebben zich de laatste jaren meer dan 100.000 Armeense gastarbeiders in Turkije gevestigd.

Internationaal Strafhof
Om op een verantwoorde wijze te kunnen beoordelen wat zich nu precies heeft afgespeeld in het noordoostelijk deel van het Osmaanse Rijk, meer dan een eeuw geleden, en of de juridische term ‘genocide’ hierbij van toepassing is, dient er een commissie te worden ingesteld door de VN, die bestaat uit internationale, objectieve, wetenschappelijke onderzoekers en onbevooroordeelde historici, die alle archieven over deze periode in het Osmaanse Rijk kunnen bestuderen, waarna het Internationaal Strafhof een oordeel velt over de bevindingen. Pas dan kan er met recht gesproken worden van een verantwoord oordeel.

Volledige waarheid
Zolang een deel van wat er heeft plaats gevonden niet gekend, laat staan erkend wordt, zal blijven wringen dat de herinnering van velen ontkend wordt.

Zoeken naar de volledige waarheid is voor iedereen een uiterst moeilijke weg, maar tevens de enige mogelijkheid om te kunnen komen tot een duurzame verwerking. Daarvoor is nodig dat recht wordt gedaan aan íedereen die wonden heeft door leed, dat meer dan honderd jaar geleden is veroorzaakt. Wanneer recht wordt gedaan kan een klimaat ontstaan waarbinnen vergeving mogelijk is en waar rust en vrede kan komen.

Posted on

Wat is chaos? Een cultuur-filosofisch gesprek

Na eerder de vraag ‘Wat is cultuur?‘ uitgediept te hebben, voerden Wim van den Bergh van de Batavieren Podcast en uitgever en filosoof Tom Zwitser onlangs opnieuw een uitgebreid gesprek met elkaar. Nu vanuit de tegenovergestelde benadering: ‘Wat is chaos?’ Dit mede naar aanleiding van dingen die de Canadese hoogleraar psychologie en cultuurcriticus Jordan Peterson daar enige tijd geleden over zei op de conferentie van De Nederlandse Leeuw.

“De vraag wat chaos precies is”, aldus Zwitser “is heel interessant, want niemand heeft daar direct een beeld bij. Hooguit zou je kunnen zeggen: chaos is een gefragmenteerde orde of datgene wat eerst ordelijk in elkaar zat, maar versplinterd is of kapot is. En dat ervaar je als chaos. Maar chaos zelf? Wat kan chaos nou zelf zijn? Dat is eigenlijk veel lastiger.”

Het gesprek van zo’n anderhalf uur is hier te bekijken:

Tom Zwitser ~ Heerlijke platte wereld

 

Posted on

Britse en Duitse militaire missies in Constantinopel en de Eerste Wereldoorlog

De bemoeienissen van de Duitse generaal Otto Liman von Sanders met het Turkse leger in de aanloop tot én tijdens de Grote Oorlog heeft in de geschiedschrijving een bijzondere plaats gekregen. De militaire missie onder zijn leiding is door de Anglo-Amerikaanse geschiedschrijvers gebruikt om de aan Duitsland toegeschreven c.q. nagestreefde Weltmacht te illustreren. Ze werd gepresenteerd onderdeel te zijn van een bewust gevoerde agressieve koers met de oorlog van ’14-’18 als logisch resultaat.

Wát was er zo bijzonder aan deze missie en wat was de reden dat vooral de eerder genoemde historici zo gebeten waren op Liman von Sanders? Duitsland was namelijk niet het eerste of enige land dat activiteiten ontplooide binnen de Ottomaanse krijgsmacht. Engeland was bijvoorbeeld al sinds al sinds 1868 nauw betrokken bij de opbouw en ontwikkeling van de Ottomaanse vloot. De Engelse admiraal Hobart Hamden vervulde vanaf dat jaar een belangrijke rol binnen de Ottomaanse marine en zou in 1885 zelfs opklimmen tot persoonlijk adviseur van de Sultan. Ook Frankrijk was nauw betrokken bij het rijk der Ottomanen, met name door middel van haar grote betrokkenheid met de douane en het bankwezen.

Achtergrond

Mede door haar grote militair-economische strategische positie werden de grenzen van het Ottomaanse Rijk constant bedreigd door de gebiedshonger van haar Engelse, Russische en Franse tegenstrevers. Nadat in 1871 Duitsland als overwinnaar uit de Frans-Pruisische oorlog tevoorschijn was gekomen en daaruit het Tweede Duitse Rijk tevoorschijn kwam, richtten de Ottomanen zich tot dit nieuwe rijk voor o.a. militaire ondersteuning. Om minder van de Engelse en Franse wapenleveranties afhankelijk te zijn, werd op verzoek van de Turken het leger gereorganiseerd met Duitse ondersteuning. Onder toezicht van de Duitse generaal Colmar Freiherr von der Goltz werden in de periode van 1883 tot 1895 grote hoeveelheden Krupp-geschut en aanzienlijke hoeveelheden diverse vuurwapens geleverd. Het Duitse Rijk werd een nieuwe speler in het militair-strategische gebied van de Bosporus.

Russische militairen steken de Donau over in juni 1877 (schilderij van Nikolai Dmitriev-Orenburgsky)

Na enkele bloedige conflicten – zoals de Russisch-Turkse oorlog van 1877-1878, een oorlog met Griekenland in 1897 en de Eerste- en de Tweede Balkanoorlog van 1912 en 1913 – zette het Ottomaanse Rijk zich schrap voor een volgend conflict. Een oorlog die naar alle verwachting gevoerd zou worden met haar rivaal en buurland Griekenland met alle mogelijke consequenties die voortvloeiden uit de sleutelpositie die ze in de regio vervulde. De andere grootmachten uit die tijdsperiode – Engeland, Rusland en Frankrijk – aasden als roofgieren op elke mogelijkheid de scepter over te kunnen nemen van de Zieke Oude Man. Elk van hen was gebrand op een zo groot mogelijke invloed binnen het Ottomaanse Rijk dat zijn beste tijd al achter zich had.

Engels – Ottomaanse bemoeienis

Door een van buitenaf bewust gevoede verdeel-en-heers politiek heerste er grote instabiliteit binnen het rijk. Angst bij het staatshoofd om door kringen binnen het eigen militaire apparaat van de troon gestoten te worden, leidde er onder andere toe dat de Ottomaanse krijgsmacht in een deplorabele toestand verkeerde. Ondanks dat werden binnen legerkringen constant pogingen ondernomen de krijgsmacht naar een hoger plan te tillen. In 1904 werden twee Amerikaanse officieren – admiraal Bucknam en Captain Ledbetter – aangetrokken om de marine onder handen te nemen, zonder zichtbaar resultaat. Daarop verzocht de Ottomaanse regering in 1908 Engeland haar te assisteren de marine te moderniseren en 2 februari 1909 maakte admiraal Douglas Gamble zijn opwachting in Constantinopel. Hij zou zich – overigens zónder merkbaar resultaat – tot maart 1910 bezig houden met de sterk verouderde marine. In april 1910 werd hij opgevolgd door admiraal Hugh Williams die tot april 1912 – net als zijn voorganger Douglas Gamble – weinig vorderingen maakte met de modernisering van de vloot. De Ottomanen waren over de Engelse inspanningen dan ook niet tevreden.

De vlootopbouw: gecontroleerde modernisering

De Ottomaanse vloot bestond in die periode uit een samenraapsel van 52 oude en nieuwe schepen, sterk verschillend in grootte en sterkte, waarvan er 24 in zo’n slechte technische staat verkeerden dat ze niet inzetbaar waren. De aankoop van twee – 20-jaar oude – Duitse oorlogsschepen uit de Brandenburgklasse in augustus 1910 moest de Turkse vloot in staat stellen enig tegenwicht te bieden aan het op een Italiaanse werf op stapel staande Griekse oorlogsschip Averoff. Tussen deze beide rivalen was een heuse wapenwedloop gaande. De Ottomaanse wens om moderne(re) Engelse oorlogsschepen aan te schaffen, werd echter stelselmatig getorpedeerd, zoals op 10 juli 1910 toen Engeland weigerde de Swifture en Triumph te verkopen. Daarvoor in de plaats bood ze twee kleinere schepen aan met beduidend minder vuurkracht. Van Duitsland werden toen wél passende oorlogsbodems betrokken. In mei 1911 stemde Engeland uiteindelijk in met de bouw van twee Dreadnoughts (gepantserde slagschepen) wat in Griekenland tot grote irritatie leidde. Op 6 december 1911 werd de kiel van één van de bestelde schepen – de Reshadiye – gelegd. Frankrijk raakte op haar beurt ook geïrriteerd, omdat zij van mening was dat Engeland bovenmatig profiteerde van de economisch aantrekkelijke wapenwedloop tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk.

De SMS Kurfürst Friedrich Wilhelm die later in Ottomaanse dienst zou komen.

Dat de beide Engelse admiraals niet bijzonder succesvol waren, was niet in de laatste plaats te wijten aan de opdracht om vooral de Engelse belangen in het oog te houden. Een moderne, slagkrachtige marine was iets waarvoor Good Old Albion het minste belangstelling had. Een strijdmacht die ze mogelijk in de toekomst als tegenstander op haar pad zou kunnen vinden. Een militair krachtige natie vormde – in dat voor haar zo belangrijke deel van de wereld – een forse bedreiging en een sterke marine was evenmin in het belang van haar Entente-genoot Rusland. Zich afzijdig houden van de vlootmodernisering zou betekenen dat ook haar invloed minimaal zou zijn, iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen.

„If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”, zoals het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken aan Rusland liet weten.

Toen het mandaat van admiraal Hugh Williams op zijn eind liep, werd op 11 maart 1912 admiraal Arthur Limpus tot zijn opvolger benoemd. Deze admiraal met één jaar ervaring werd door Winston Churchill aangeprezen als een „fine fellow’ who would make a good personal impression”. Begin mei 1912 arriveerde Limpus met zijn staf in Constantinopel. Ook Limpus was gehandicapt door het mandaat dat hij meegekregen had. Tóch slaagde hij er in een opdracht voor een drijvend reparatiedok binnen te halen, dat door de Vickers Armstrong Company gebouwd zou worden. Limpus liet weten dat met deze opdracht de invloed binnen de Ottomaanse marine een onaantastbare voorsprong voor Engeland betekende. Zoals hij het omschreef was het een practical monopoly of naval construction and repairs for thirty years.’ Het Ottomaanse Rijk bleef intussen onverkort vasthouden aan haar koers om haar vloot uit te bouwen en te moderniseren met grote oorlogsbodems, maar ondervond een zeer terughoudend Engeland op haar pad.

Duitse inmenging

Het succes van Limpus met het reparatiedok werd overschaduwd door de komst van de Duitse generaal Liman von Sanders die niet zoals de Engelse missies door een mandaat gehinderd werd. Het lokte nogal heftige Engelse en Russische reacties uit. Met name Rusland stond nogal wat drastische maatregelen voor: “the three powers must be prepared to take active steps such as the occupation of Turkish Ports”, aldus minister Sazonov. Maar de Engelse en Russische protesten haalden niets uit. De Groot-Vizier reageerde daarop door mee te delen de Duitse missie gelijkwaardig aan die van Engeland te beschouwen, “Limpus had a similar if not more extensive command. Admiral Limpus had command of the whole Turkish fleet, whereas the German general was to have command of one army corps only … the two commands could hardly be compared in importance”.

Eind 1912 polste het Ottomaanse Rijk het Duitse Keizerrijk hoe het dacht over het zenden van een militaire missie om haar leger te reorganiseren. Terwijl verkennende besprekingen daarover gaande waren, bracht de Russische tsaar in mei 1913 een bezoek aan Berlijn waar de Duitse keizer hem op de hoogte bracht van het Turkse verzoek, een verzoek waartegen hij geen bezwaar aantekende. Op 22 mei 1913 volgde daarop het officieel Turkse verzoek en benoemde Duitsland op 30 juni 1913 generaal Liman von Sanders tot leider van de Duitse militaire missie naar Constantinopel. In de formele overeenkomst liet de Turkse regering in augustus 1913 vastleggen dat Liman von Sanders in de functie van Ottomaans generaal het in Constantinopel gelegerde 1legerkorps zou omvormen tot een elite-eenheid. Toen in december 1913 de Duitse missie in Constantinopel arriveerde en haar specifieke taak naar buiten gebracht werd, stuitte dat op hevige Russische protesten. Ook in Engeland was men ‘not amused’ en de Amerikaanse ambassadeur Henry Morgenthau was eveneens niet bepaald enthousiast. De critici meenden het zenden van de missie als een stap te moeten presenteren van Duitsland om de macht in die belangrijke regio naar zich toe te trekken en de Turkse geest te vergiftigen (poisoning the Turkish mind).

De grootmachten vergaten daarbij voor het gemak de eigen belangenverstrengeling binnen zowel het Ottomaanse leger áls de marine. Om aan de bezwaren enigszins tegemoet te komen werd besloten een cosmetische aanpassing aan te brengen in rang en titel van Liman von Sanders. In januari 1914 werd hij tot Ottomaans maarschalk benoemd en kreeg hij de opdracht mee om zich in de minder belangrijke functie van Inspecteur Generaal te belasten met de meer algemene reorganisatie van het Ottomaanse leger.

Vlootpolitiek en Britse belangen

Terwijl Liman von Sanders zich met de modernisering van het leger bezig hield, hield het Ottomaanse Rijk nauw contact met de Engelse marinemissie om haar marine te versterken.

Door geldgebrek was in 1912 de bouw van het tweede – in 1911 bestelde – slagschip, de Mahmud Resad V geannuleerd. In januari 1913 liet Sir Gerard Lowther – de Engelse ambassadeur in Constantinopel – aan zijn regering weten dat het Ottomaanse Rijk grote belangstelling had voor de Rio de Janeiro, een Dreadnought welke in opdracht van Brazilië op een Engelse werf gebouwd werd. Behalve van Ottomaanse zijde was er ook van Russische en Italiaanse kant interesse in dit schip dat Brazilië door financieringsproblemen van de hand wilde doen, maar nog niet officieel op de markt gebracht was. Het schip zou niet eerder dan in de zomer van 1914 van stapel lopen wat Turkije wel als een handicap beschouwde. Duitsland bood daarop twee 19-jaar oude schepen aan, die wel direct ter beschikking waren. In reactie op het Duitse aanbod liet Limpus in een bericht van 12 maart 1913 aan Winston Churchill weten dat zo’n aankoop de Ottomanen steviger in Duitse armen zou drijven en hij drong er op aan dat Engeland een tegenbod moest doen door bijvoorbeeld 2 oudere types Dreadnought aan te bieden. In antwoord hierop liet Winston Churchill op 3 april 1913 aan Limpus weten niets anders dan twee oude en afgedankte Royal Sovereigns in de aanbieding te hebben, een aanbod dat van Turkse zijde werd afgeslagen.

Ondertussen ging het getouwtrek om de Rio de Janeiro stug door. Italië leek de koop rond te hebben, wat Frankrijk weer in allerhoogste alarmfase bracht. Een oorlogsbodem met zulke formidabele vuurkracht als onderdeel van de marine van de Italiaanse buurstaat, was iets dat niet in Frans belang kon zijn. Frankrijk deed daarop Griekenland het voorstel het schip te financieren en leek daarin succesvol te zijn. Op 22 november 1913 informeerde het Engelse ministerie van Buitenlandse Zaken Churchill dat Griekenland de financiering rond had waarna deze zijn goedkeuring gaf en de werf de waarschuwing kreeg het schip niet aan een andere partij dan Griekenland te verkopen. Uiteindelijk ging het schip tóch aan de Griekse neus voorbij. Op 15 december 1913 werd bekend dat het Ottomaanse Rijk alsnog de nieuwe eigenaar geworden was van de Rio de Janeiro. Ze was aangekocht met behulp van een Franse lening…..[!] en hernoemd in Sultan Osman I. Het financiële belang had gewonnen. Als bonus bij de verkoop was namelijk bedongen dat ook de renovatie van de Ottomaanse scheepswerven door Armstrong Whitworth bij de deal waren inbegrepen, eveneens door Frankrijk gefinancierd.

Engelse confisquatie en publieke opinie

Op 3 september 1913 werd de eveneens in 1911 bestelde Reshadiye te water gelaten en begon de verdere afbouw van het schip. De Turken waren er op gebrand om de Reshadiye en de Sultan Osman I zo snel als mogelijk in eigen wateren te hebben, niet in de laatste plaats vanwege de ontwikkelingen op maritiem gebied in de Griekse buurstaat. Een Turkse bemanning was al in Engeland om de Reshadiye naar eigen wateren te varen en admiraal Limpus werd op 27 juli 1914 naar Engeland gezonden om de levering te begeleiden van de Sultan Osman I. Bij het ontbreken van een voldoende opgeleide Turkse bemanning kreeg hij de opdracht mee dit schip te laten bemannen met Engelse marineofficieren ‘in ruste’. Het zou vergeefse moeite zijn. De Armstrong Whitworth werf kreeg op 31 juli 1914 van Winston Churchill de opdracht het schip vast te houden en niet te overhandigen, in de middag gevolgd door een bestorming van het schip door Engelse mariniers die het in bezit namen. De actie kwam voor Enver Pasha niet onverwacht. Ook de Reshadiye werd door Engelse mariniers bestormd, haar Ottomaanse bemanning gevangen genomen en het schip geconfisqueerd.

De Reshadiye in Britse dienst als HMS Erin

Zowel de Sultan Osman I als Reshadiye werden na een verklaring van Winston Churchill op 3 augustus 1914 in de Engelse vloot opgenomen en omgedoopt tot respectievelijk HMS Agincourt en HMS Erin. Op 22 augustus werd HMS Erin officieel in gebruik genomen. Beide schepen zouden in de zeeslag bij Jutland in 1916 slag leveren met de Duitse vloot. Een ander – nog in 1914 bij de Engelse Vickers-werf besteld – schip dat de naam Fatih had moeten dragen, werd bij het uitbreken van de oorlog niet meer in productie genomen. In totaliteit zou het Ottomaanse Rijk in elf jaar (tot 1914) 40 schepen van Engelse werven aanschaffen. Door de annexatie van de schepen beroofde Engeland het rijk tegelijk van een investering van £ 4.000.000; een bedrag dat voor een groot deel door haar burgers in een nationale schooi- en bedelcampagne bij elkaar gebracht was. De Engelse actie zorgde ervoor dat de Turkse publieke opinie omsloeg in haar nadeel.

Duitse compensatie en Griekse bewapeningswedloop

De Engelse actie zou er mede voor zorgen dat het Ottomaanse Rijk zich aan de kant van de Centrale Mogendheden stelde. Ze ontving ter compensatie van de door Engeland in beslag genomen schepen, reeds op 12 augustus 1914 de volledig bemande Duitse oorlogsbodem SMS Goeben (omgenoemd tot Javuz Sultan Selim) en de SMS Breslau (omgedoopt in Midill). Admiraal Limpus werd op 15 augustus 1914 van zijn functie ontheven waarna hij naar Malta vertrok om in september zijn nieuwe post te betrekken: Superintendent of the dockyard’. De Duitse admiraal Souchon werd daarop door de Sultan tot opperbevelhebber van de Ottomaanse vloot benoemd.

Ook de Griekse marine kende onder soortgelijke condities als het Ottomaanse Rijk ondersteuning door Engelse militaire missies, zoals onder admiraal Lionel Tufnell die Griekenland moest adviseren. De Grieken bevonden zich in een wapenwedloop met het haar Turkse buurnatie en was druk doende haar vloot op oorlogssterkte te brengen. Begin 1910 wist ze een – oorspronkelijk voor de Italiaanse marine geplande – kruiser aan te kopen. Op de Orlando-werf in het Italiaanse Livorno was begin 1910 de kiel gelegd van deze £ 950.750,- kostende kruiser die om budgettaire redenen al spoedig stilgelegd werd. Op 27 februari 1910 zag Griekenland kans de kruiser voor 30% van de originele kostprijs aan te kopen en volgde er op 12 maart 1910 de officiële bekrachtiging. Het aankoopbedrag werd voor een deel betaald uit de nalatenschap van de Griekse zakenman Giorgios Averoff; het overige deel werd via buitenlandse credieten gefinancierd. De nieuwe kruiser zou de naam van de ‘gulle gever’ gaan dragen Giorgios Averoff.

Tewaterlating van de Averof in het Italiaanse Livorno in 1910

En bij de Vulcan-werf in het Duitse Hamburg plaatste Griekenland de bouw van een kruiser die oorspronkelijk de naam Vasilfs Georgios zou meekrijgen. Onder de uiteindelijke naam Salamis zou deze slagkruiser voorzien worden van geschut van Amerikaanse makelij, maar ze werd nooit opgeleverd. Het uitbreken van de oorlog in 1914 zorgde ervoor dat de bouw werd opgeschort.

Admiraal Mark Edward Frederick Kerr

Begin 1913 diende Griekenland een verzoek in de militaire missie te vernieuwen; en dan niet geleid door naval pensioners zoals Tufnell, maar onder commando van een officier in actieve dienst. Op 2 juni 1913 liet Winston Churchill per brief aan de Griekse minister van marine weten dat door de snelle groei van de Engelse marine moeilijk aan die wens tegemoet kon worden gekomen, maar dat hij er tóch in geslaagd was een geschikte kandidaat te vinden. Admiraal Mark Edward Frederick Kerr – een protégé van Louis Alexander von Battenberg (ná 1917 Lord Mountbatten genoemd) – werd uitgezonden en op 17 september 1913 nam hij het commando over de Griekse marine op zich. Kerr zag zijn benoeming niet zozeer als een promotie, eerder als een belemmering van zijn marinecarrière en dat zou hij op een nogal bijzondere manier laten gelden.

Kerr kreeg van Churchill de opdracht mee niet té meegaand te zijn en vooral toch het Engelse belang boven het Griekse belang te stellen. Een slagkrachtige Griekse marine was – net als een moderne Ottomaanse vloot – niet in het belang van het British Empire. Ook hier gold dat afzijdigheid bij de vlootmodernisering gelijk zou staan aan minimaal invloed. Iets wat de heersers van Albion tegen elke prijs wilden voorkomen. Om de regie te kunnen voeren in de modernisering nam ze een ‘actieve’ rol op zich, want ook hier gold “If a British Admiral does not organize the fleet, a German admiral will be called in, who will push matters with greater speed”..

Engels Mandaat en Kerrs verzoek

Kerr kreeg van Winston Churchill een gelijksoortig mandaat mee als zijn tegenhangers in Ottomaanse dienst:

“It is not intended that the instruction and assistance we are giving to the Greek Navy should place them on the same level of naval science as the British. The refinements of our gunnery, torpedo, and submarine courses should not be disclosed but only that general information such as would be appropriate to foreign officers allowed for instructional purposes to attend certain courses”.

Gehinderd door dit mandaat kreeg Kerr het herhaaldelijk aan de stok met minister-president Eleutherios Venizelos die – evenals de Ottomaanse Sultan – zijn zinnen had gezet op zwaar oorlogsmaterieel. Zijn verstandhouding met de Griekse koning Constantijn was daarentegen zeer bijzonder en intens. Dit vertaalde zich in grote sympathie en loyaliteit, iets dat hem in een moeilijke positie bracht. Door het mandaat gehinderd kon Kerr niet anders dat elk verzoek tot levering van grote en zware slagschepen saboteren. Door te lobbyen via zijn beschermheer Lord Mountbatten probeerde hij ter compensatie ondersteuning los krijgen – indien er daadwerkelijk tussen Griekenland en het Ottomaanse Rijk oorlog uitbrak – in de vorm van Engelse onderzeeërs destroyers en kruisers. Hij verbond daaraan verregaande persoonlijke consequenties:

“If war breaks out in the spring or summer when we are so weak, I feel I should change my nationality and fight for these people. I know it means ruin for me afterwards, but I have a strong feeling that I should do so. I would not feel so, except for the fact that they will be so weak, having no one who knows how to work a flotilla and I may make the difference of victory or defeat”.

…. in zijn verzoek dat geen Engels belang diende en bij voorbaat kansloos was.

Uitbreiding van de Griekse vloot

Griekenland bleef naarstig op zoek naar aanvulling op haar vloot. Ze bood Japan een fors bedrag voor haar kruiser Kongo, maar de deal ging niet door. China bood een kleine kruiser aan, die op het punt stond de Amerikaanse scheepswerf te verlaten; het woog allemaal niet op tegen de komst van de twee Ottomaanse Dreadnoughts de Reshadiye en de Sultan Osman I. In haar wanhoop bood ze begin 1914 met gulle hand op twee afgedankte Amerikaanse oorlogsschepen, de Idaho en de Mississippi, die de New York Times omschreef als: “In the ordinary course, the ships would be consigned to the scrap heap, or be used as targets”.

Op 28 mei 1914 gaf de Amerikaanse Senaat hieraan haar goedkeuring, maar even leek het nog dat het de Ottomanen gelukt was roet in het eten gooien. Zij boden een hoger bedrag voor de dodelijke schroot. Tijdens een Senaatszitting van 23 juni 1914 werden de afdankertjes alsnog aan Griekenland gegund. De afgeschreven schepen brachten meer op dan de originele bouwkosten! Admiraal Kerr was woedend over de aankoop die Venizelos achter zijn rug om gedaan had: “The deal ruined the progress of the Greek navy for the rest of the time I was there, and afterwards”.

De Idaho – die (héél comfortabel) op oefening was in de Middellandse Zee – kon snel worden overgedragen zodat Griekenland haar mogelijk nog kon inzetten voordat de Sultan Osman I van de Engelse werf zou glijden. Het Griekse schip kreeg daarbij de naam Limnos.

Een afhoudende koers: Kerrs rol uitgespeeld

Toen de Groote Oorlog op het punt van uitbreken stond, ontving admiraal Kerr van de kant van de First Lord of the Admiralty – Winston Churchill – het verzoek de Griekse marine aan geallieerde zijde te plaatsen. Kerr stelde daaraan dusdanige eisen dat van een samengaan geen sprake kon zijn. De gevraagde Griekse maritieme ondersteuning van een Engelse campagne in de Dardanellen kwam niet tot stand. Kerr wilde zijn Griekenland zo lang als mogelijk buiten de gevechten en zo mogelijk neutraal houden. Zo nam hij radiostilte in acht rondom de beide Duitse oorlogsschepen de Breslau en de Goeben die onder commando van admiraal Wilhelm Anton Souchon richting Griekenland opstoomden. De exacte locatie van beide schepen was hem bekend, maar hield hij deze informatie 3 dagen voor zich vóórdat hij ze via prins Sdemidoff – de Russische ambassadeur in Athene – doorspeelde. Sdemidoff telegrafeerde deze strategisch belangrijke informatie naar de admiraliteit in St. Petersburg, die op haar beurt de Engelse admiraliteit op de hoogte bracht. De goede verstandhouding die Kerr had met de Duitse keizer, zal zeker meegewogen hebben in de door hem gemaakte keuze. Kerr kende de keizer persoonlijk. Hij had hem meerdere keren ontmoet, zoals in 1889 toen prinses Sophie – zuster van de keizer – met de Griekse prins Constantijn trouwde en in april 1908 op het eiland Corfu waar hij een lange ontmoeting met hem gehad had.

Admiraal Souchon (rechts) met Otto Liman von Sanders en zijn dochter aan boord van de Goeben

Al met al was de houding van Kerr voor de de First Lord of the Admiralty reden op hem in 1914 van zijn Griekse post te ontheffen. De carrière van Kerr binnen de Engelse marine was definitief voorbij en hij moest zijn heil elders zoeken. Kerr nam vlieglessen en kreeg via zijn machtige connecties uiteindelijk een aardig betaalde positie binnen de Engelse luchtmacht. In 1919 wist Kerr voor een moment terug te komen in de wereldaandacht. Samen met Air Commodore H.G. Brackley wist hij de eerste lucht-post vlucht te maken van New Foundland naar New York.

Duits commando tijdens de oorlog

De talloze verzoeken van zowel Griekenland als het Ottomaanse rijk tot een met Engeland af te sluiten alliantie of bondgenootschap, waren al die jaren stelselmatig afgewezen. Terwijl Griekenland zich neutraal probeerde op te stellen, sloot het Ottomaanse Rijk op 1 augustus 1914 een overeenkomst met het Duitse Keizerrijk. Ze zette admiraal Souchon aan het hoofd van haar marine en benoemde generaal Liman von Sanders in augustus 1914 tot bevelhebber van het vijfde Turkse leger in de Bosporus.

Diens invloed was in eerste instantie beperkt en tegen zijn uitdrukkelijk advies in ging Enver Pasha op 22 december 1914 over tot een stoutmoedig plan om met het 3e Turkse leger de aanval te openen op het Russische Kaukasus-leger. Hij had daarmee de bedoeling om daar alle in de Russisch-Turkse oorlog van 1877 verloren gebieden terug te veroveren. Het zou een militaire blunder van de eerste orde zijn met catastrofale gevolgen. Het Turkse leger werd in de Slag van Sarikamish vernietigend verslagen en op 17 januari 1915 waren van de 95.000 manschappen slechts 20.000 over! Na deze mislukte operatie droeg Enver het commando over aan generaal Hafiz Hakki en gaf collaboratie door Armeniërs als reden voor het mislukken van de veldtocht.

Na een volgende mislukte operatie eind januari 1915 in Egypte om het Suezkanaal in handen te krijgen, onder aanvoering van de al even ondeskundige Djemal Pasha, kwam het commando in handen van Liman von Sanders. Het was onder zijn leiding dat de geallieerde aanvallen op de Dardanellen in maart 1915 stukliepen tegen het door hem gecommandeerde 5e Turkse leger. Anders dan zijn Engelse tegenhangers in buitenlandse dienst, die jarenlang de militaire opbouw frustreerden, was Liman von Sanders niet gehinderd door beperkende mandaten. Kampend met dezelfde problemen binnen het militaire apparaat wist hij wél – en dat binnen ettelijke maanden – het Ottomaanse leger te hervormen tot een slagvaardig leger. Dit alles was er de oorzaak van dat Liman von Sanders zich bij de geallieerden weinig geliefd maakte.

Naspel

Nadat de Grote Oorlog in het voordeel van de geallieerden was beslecht, werd Liman von Sanders door zijn rancuneuze tegenstanders op 3 februari 1919 als oorlogsmisdadiger op Malta vastgezet. Hij werd beschuldigd van betrokkenheid bij de Armeense genocide door Turkije, een beschuldiging die niet hard gemaakt kon worden. Het was juist mede door de persoonlijke tussenkomst van hém geweest dat de Armeniërs van Constantinopel en Smyrna enigszins gespaard bleven! Nadat ook Sir Ian Hamilton – zijn Engelse opponent in de slag om de Dardanellen – zich voor hem ingezet had, werd hij op 26 juli 1915 uit zijn eenzame opsluiting vrijgelaten waarna hij in augustus 1919 arriveerde in Berlijn.


Bronnen

Ursachen und Ausbruch des Weltkrieges, G. von Jagow, Reimar Hobbing Verlag, Berlin, 1919
Manuscript ‘Schaakspel om de Wereldmacht’- Fré Morel
net.lib.byu.edu/estu/wwi/comment/morgenthau/Morgen08.htm
www.kcl.ac.uk/lhcma/locreg/LIMPUS.shtml
en.wikipedia.org/wiki/Otto_Liman_von_Sanders
www.gallipoli-association.org/contentpage.asp?pageid=35
www.firstworldwar.com/bio/liman.htm
en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Sarikamis
en.wikipedia.org/wiki/First_Suez_Offensive
 de.wikipedia.org/wiki/Colmar_Freiherr_von_der_Goltz
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 de.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Milit%C3%A4rmission_im_Osmanischen_Reich
 www.stahlgewitter.com/14_10_30.htm
 www.historyhouse.com/in_history/turkey_boat
 www.superiorforce.co.uk
en.wikipedia.org/wiki/Mark_Kerr_(admiral)
 www.manorhouse.clara.net/main/straits.htm
 www.superiorforce.co.uk(externe link)
 en.wikipedia.org/wiki/HMS_Agincourt_(1913)
 de.wikipedia.org/wiki/HMS_Erin
 hnsa.org/ships/averoff.htm
 www.bsaverof.com/uk/history.htm
 www.geocities.com/roynagl/handleypage.htm
 www.knerger.de/Die_Personen/militar_14/militar_15/militar_16/hauptteil_militar_16.html

Posted on

Turkse inval in Syrië onderstreept westerse hypocrisie rond Koerden

Met de inval door het Turkse leger in het door de Koerdische PKK/YPG bezet gebied rond de stad Afrin lijken ook de ambities van de Koerdische PKK en YPG (1) richting de vuilnisbak te gaan. Te hoog gevlogen, Icarus achterna. Aan de grote ambities van de door de VS opgeporde Turks-Syrische Koerdische groepen lijkt, zoals ook in Irak met de Koerdische Democratische Partij (KDP) van gewezen ‘president’ Massoed Barzani, een einde te komen.

Barzani achterna

Deze laatste nam na het referendum voor de onafhankelijkheid en de tegenmaatregelen van Iran, Turkije en Irak ontslag en liet zijn ‘onafhankelijk’ Koerdistan achter in een totale chaos. Het is nu zoals voorheen een gewone provincie van Irak geworden met maar beperkte autonomie en amper geld.

De VS en Israël lieten de KDP vallen als een baksteen en konden feitelijk ook niet anders. Anders reageren betekende een nieuwe oorlog voor de VS en dat wilde Washington niet. En Israël of de Europese bondgenoten, waaronder België, konden alleen maar toezien hoe hun drijverijen mislukten. Manipulaties die de Koerden en andere bevolkingsgroepen slechts miserie hebben gebracht.

Op deze kaart is duidelijk te zien dat het inderdaad de strategie van de VS en de PKK/YPG was om westwaarts op te rukken tot aan de Middellandse Zee. De groene vlek tussen de gele vlekken is het door Turkije tijdens de operatie Schild van de Eufraat bezet gebied. Ook dat gele gebied ten westen van de Eufraat is een Turks doelwit geworden. Rood is in handen van de Syrische regering.
De kaart is wel al enkele maanden oud en sindsdien is een 20 à 25% van de grote groene vlek door het leger veroverd. Zo werd dit weekend de luchtmachtbasis van Aboe al Duhur veroverd op al Qaeda en haar bondgenoten. Het gebied ten oosten van de lijn naar Aboe al Duhur is of bevrijd of door het leger omsingeld. Zwart is gebied dat nog onder controle valt van ISIS.
Deze ochtend werd ook de vlakbij gelegen gelijknamige stad door het leger ingenomen. Een erg zware nederlaag voor Al Qaida en haar bondgenoten die er al hun middelen hadden ingezet.

Hetzelfde is nu aan het gebeuren in Syrië, zij het gezien de omstandigheden op een andere wijze. De PKK/YPG had, geil gemaakt door de zoals altijd waardeloze Amerikaanse beloften, het ganse gebied ten oosten van de Eufraat plus een groot stuk ten westen ervan aan de Turkse grens bezet. Veel meer dan ze militair ooit aan zouden kunnen. Hebzucht dus, ongebreidelde hebzucht zelfs.

Sykes-Picot II

Het is duidelijk dat de alliantie van de EU, de VS, Israël en Saoedi-Arabië rekende op een Groot-Koerdistan dat grote delen van Turkije, Irak, Syrië en Iran zou omvatten. Het nog maar eens amputeren van Turkije en het nog maar eens hertekenen van de grenzen van de regio door de westerse grootmachten. Sykes-Picot II dus. Een remake van het Brits-Frans akkoord uit 1916 over het opdelen van het Ottomaanse rijk.

Maar dit is 2018, meer dan honderd jaar na 1916 en de machtsverhoudingen zijn dan ook niet meer hetzelfde. Een besef dat in de EU en de VS maar niet wil doordringen. De Arabische staten hebben nu eigen structuren en georganiseerde legers en Iran is een middelgrote mogendheid geworden die niet meer met zich laat sollen. Hetzelfde geldt voor de andere landen daar en Hezbollah.

Pogingen vanuit Israël, Brussel en Washington om die staten definitief te vernielen geraakten uiteindelijk en ondanks de massale inzet van geld en wapens nergens en zullen ook nergens geraken. Het wekt dan ook verbazing en getuigt van grote onkunde dat de PKK/YPG na eerdere weigeringen om Oost-Syrië te bezetten uiteindelijk toch viel voor de Amerikaanse en Europese sirenenzang.

Middellandse Zee

Uit de getuigenis van een naar Turkije overgelopen topman van de Syrische Democratische (1) Krachten (SDF), de door de VS aan de PKK/YPG gegeven naam, blijkt dat het originele plan was om geheel de Syrische-Turkse grens te bezetten tot aan de Middellandse Zee. Strategisch erg interessant. Het zou de PKK/YPG een doorgang hebben gegeven naar de zee en zo hun omsingeling door Turkije, Syrië, Iran en Irak hebben doorbroken.

Wie de illusie heeft dat de YPG los staat van de Turkse PKK dient deze foto goed te bekijken. Het toont het centrale plein in de Syrische provinciehoofdstad Rakka waar de YPG en de zogenaamde Syrische Democratische Krachten (SDF) een feestje bouwen na het verjagen van ISIS. En dit onder een heel grote spandoek met daarop een glimlachende Abdoellah Öcalan, de Grote Leider van de PKK. Men kan zich zo inbeelden hoe men bij het zien van dit beeld hierop in Ankara, Teheran, Damascus en Bagdad reageerde.

 

Niemand zou dan nog die nieuwe staat hebben kunnen dwarsbomen want ze zou zonder vrees voor een blokkade eigen handel kunnen drijven. Het mislukte al snel, vooral door het optreden van Turkije, dat een groot gebied ten westen van de Eufraat en aan de Turkse grens wist te bezetten. Met feitelijk alleen maar symbolisch officieel Syrisch verzet.

Niet verbazend natuurlijk want in Damascus is men woedend op de PKK/YPG wier optreden steeds agressiever wordt. In het publiek belijden zij wel de Syrische eenheid en eisen zij alleen maar een federaal bestuur, maar je moet al stekeblind zijn om niet te zien dat men gewoon een opsplitsing van Syrië nastreeft. De natte droom van de EU, de VS, Saoedi-Arabië en zeker Israël. Lukt het niet met ISIS/Al Qaida dan maar met de PKK/YPG.

En dus steunt Damascus feitelijk onderhuids Turkije zelfs al is er daar een diepe haat omwille van wat Turkije al tegen Syrië deed. Van de annexatie van de provincie Antiochië/Antakya in 1939 tot het plunderen van de immens grote industriezone van Sjeik Najjar bij de stad Aleppo en de hulp aan Al Qaida en ander salafistisch tuig. Maar in de diplomatie en zeker in tijden van oorlog moet men, omdat het nu eenmaal soms niet anders kan, erg soepel zijn bij de partnerkeuze.

Turkse troepen – zie de vlag op de achtergrond – en hun salafistische vrienden bij de bezetting van de regio rond de stad Azaz in het noorden van Syrië. Dit om te verhinderen dat de PKK en de VS westwaarts naar Afrin en de Middellandse Zee zouden kunnen oprukken.

En dus is Turkije onder protest van Rusland, Iran en Syrië de aan de Turkse grens gelegen regio Afrin binnen gerukt en valt het oostwaarts de regio van Manbidsj aan. Dit samen met een beperkte groep salafistische huurlingen. In onze kranten het (sic) Vrije Syrische Leger (2) genoemd. Maar Ankara wil tegen elke prijs het gevaar van de PKK uitschakelen.

PKK als terreurorganisatie

Zeker toen Washington vorige week zonder enige schroom meedeelde dat men een grenswacht van 30.000 man in Oost-Syrië ging opleiden. De opstart naar een Koerdische staat. Dat Washington hier de PKK bewapende deerde in Washington en Europa behoudens enkelen niemand.

En nochtans is de PKK zowel voor de EU als voor de VS officieel een terreurorganisatie. En hen bewapenen is dus steun geven aan terrorisme en een criminele daad. Geen kat echter in de pers of bij de juridische en politionele autoriteiten in het Westen die daar problemen mee heeft. Het is op dit vlak muisstil.

 

Dit aspect wordt gewoon in onze media verzwegen. Bewust natuurlijk. Alsof kranten als De Standaard, The Guardian of The New York Times dat niet weten. Wie anders denkt is zeer naïef of oliedom. En dus maakt Turkije nu een einde aan die dromen van de PKK/YPG en hun westerse bazen. Dat Rusland, Iran en Syrië wel protesteren maar in de praktijk niets doen – integendeel zelfs – wekt dan ook geen enkele verbazing.

Zo was er in dat gebied op de luchtmachtbasis van Menagh een Russische militaire waarnemingspost met enkele honderden militairen maar blijkt die weggetrokken. Dit enkele dagen nadat de Turkse legerleiding en de veiligheidsdienst bij hun Russische bondgenoten gingen overleggen.

En van het stopzetten van de samenwerking tussen Iran, Turkije en Rusland is er voor zover bekend helemaal geen sprake. Eind deze maand komen ze allen trouwens samen in de badplaats Sotsji in Rusland. Het moet een cruciale bijeenkomst worden en niemand in Teheran of Moskou spreekt over het afgelasten ervan. Evenmin als Damascus of die jihadisten daarom negatief reageren.

NAVO

Ook zou Rusland of welk ander land ook al vandaag de Veiligheidsraad van de VN over de kwestie kunnen bijeenroepen. Alleen Frankrijk vroeg het, maar er lijkt amper enthousiasme voor. Het typeert het gebrek aan diplomatieke kennis van de huidige Franse regering van president Emmanuel Macron. Men laat dus behoudens wat verbaal protest Turkije gewoon doen.

Ook de VS en de EU zitten immers in een zeer lastig parket. Ze werken met Turkije namelijk samen in de NAVO, de belangrijkste militaire alliantie van het ogenblik. Waarbij artikel 5 van de NAVO de leden verplicht tot wederzijdse steun in geval van oorlogsdreiging. En wat zien wij: De VS en de EU steunen met wapens en adviseurs de PKK tegen Turkije. Een wel rare versie van artikel 5 natuurlijk.

Daarbij dient men te herinneren aan een voorval bij de Noorse stad Stavanger van enkele maanden terug. Bij gezamenlijke oefeningen van de NAVO, waaraan enkele tientallen Turkse militairen deelnamen, moesten de Turkse soldaten twee doelwitten aanvallen.

Een doelwit heette… Erdogan en een tweede … Atatürk, de Turkse vader des vaderlands. Waarna een woeste Erdogan nog bijna diezelfde minuut zijn troepen terughaalde. Met Jens Stoltenberg, de secretaris-generaal van de NAVO en gewezen Noors premier, die het had over …. een vergissing van een onderaannemer. Het zowat domste excuus mogelijk.

Amerikaanse troepen bij de stad Manbij waar ze de PKK ondersteunen. Dit gebied komt nu ook onder Turks vuur te liggen met de bedoeling er de PKK/YPG en hun Amerikaanse beschermheren te verjagen. In het kader van Artikel 5 van het NAVO-verdrag? Volgens berichten zou de VS er al wel haar troepen hebben teruggetrokken.

 

Neen, de inval in Afrin is niets anders dan een oorlog van Turkije tegen de NAVO en vooral de VS. Of Turkije uit de NAVO zal treden zoals een Turks topman toen tijdens dat Noors incident voorstelde is niet duidelijk. Moest het gebeuren zou het natuurlijk niet verbazen. Het zou wel de zwaarste geostrategische aardschok zijn sinds de val van de Sovjet-Unie.

Zeker is ook dat Turkije al aankondigde het door de PKK bezet gebied ten westen van de Eufraat rond de stad al Bab aan te vallen. En daar zitten Amerikaanse soldaten. Volgens getuigenissen zou er daar trouwens regelmatig geschoten worden tussen die Amerikanen en de Turken. In het kader van artikel 5 van de NAVO?

Zeker is dat de droom van bepaalde Koerdische groepen feitelijk een nachtmerrie aan het worden is. En het is gewoon hun eigen schuld. Of hoe hebzucht als steeds zorgt voor een grote nederlaag. Men leert het nooit.


1) Het dient nogmaals benadrukt dat de Koerden noch cultureel, noch sociaal-economisch of politiek een geheel vormen. De propaganda komende van de klassieke media poogt dat steevast voor te stellen alsof ‘de Koerden’ dit of dat willen. Maar ‘de Koerden’ willen echter niets.

Sommige Koerden steunen de PKK, sommige de Turkse AKP van Erdogan, ISIS, de Iraanse regering of de regering in Damascus. Koerden vechten dus ook dikwijls tegen elkaar. Dat de Turkse regering hun operatie Olijftak noemt wekt dan ook geen verbazing. In de ogen van de Turkse regering en de meeste politieke partijen in Ankara willen zij het gebied en de bevolking gewoon bevrijden van de bezetting door de PKK.

2) In goede Westerse traditie noemt men terreurgroepen en andere collaborateursbewegingen steevast democratisch, vrij of begaan met de mensenrechten. Zo worden de kannibalen, koppensnellers en psychopaten in Syrië daarom het Vrije Syrische Leger genoemd en heeft men het vanuit het Verenigd Koninkrijk werkende Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Cynischer kan niet.

Posted on 1 Comment

60 goed geconserveerde scheepswrakken voor Bulgaarse kust

Nabij de Bulgaarse Zwarte Zeekust heeft een team internationale onderzoekers afgelopen najaar meer dan 60 zeer goed bewaard gebleven historische scheepswrakken ontdekt. Het gaat om schepen van Romeinse, Byzantijnse, Ottomaanse en Venetiaanse oorsprong, die op een diepte van 90 tot 2000 meter op de zeebodem liggen.

Sinds de herfst van 2016 stuurden de wetenschappers op afstand bestuurbare onderzeeboten met moderne camera’s en laserscanners naar de wrakken. Onder de schijnwerpers werden duizenden foto’s gemaakt en vervolgens op de computer samengevoegd tot hoge-resolutie 3D-modellen.

Met op afstand bestuurbare onderzeeërs werden de scheepswrakken in beeld gebracht (foto: Black Sea MAP).

Het resultaat is spectaculair: Duidelijk te herkennen zijn details zoals touwen op het dek, het roer, vaten, kanonnen en kunstig houtsnijwerk. Er konden scheepstypen geïdentificeerd worden die tot nu toe alleen uit geschriften of van schilderingen bekend waren.

Drie jaar heeft het team rond professor Jon Adams van het Centrum voor Maritieme Archeologie van de Universiteit van Southampton langs de Bulgaarse Zwarte Zeekust onderzoek naar de zeebodem gedaan. De expeditie met de titel ‘Black Sea Maritime Archeology Project’ had ten doel de vroegere kustlandschappen in de Zwarte Zee in kaart te brengen. Men wil de paleo-ecologische voorgeschiedenis van het waterlichaam reconstrueren. De centrale van het team was het met de modernste onderwater-meetapparatuur uitgeruste schip Stril Explorer.

Het team opereerde vanuit de Stril Explorer (foto: Black Sea MAP).

De ontdekking van het scheepskerkhof kwam volstrekt onverwacht. Al in de Oudheid was de Zwarte Zee een veel bevaren waterweg, die Venetië, de Balkan, Griekenland en Klein-Azië met de Krim, de Euraziatische steppen, de Kaukasus en Mesopotamië verbond.

Oorspronkelijk was de Zwarte Zee een zoetwatermeer. Door stijgende waterspiegels zou op enig moment in de prehistorie echter het water doorgebroken zijn door wat nu de Bosporus en de Dardanellen zijn, waardoor een verbinding met de Egeïsche Zee ontstond. Door het verschillende gewicht van het Zwarte Zeewater en het veel zoutere Middellandse Zeewater, vloeit er zowel water de ene als de andere kant op op verschillende dieptes. Hierdoor ontstaat een zuurstofvrije laag op diepten vanaf 150 meter, waardoor de gezonken schepen met lading en al sensationeel goed bewaard zijn gebleven.

Griekse kolonies aan de Zwarte Zee (kaart: George Tsiagalakis / CC-BY-SA-4)

Aan de hand van de vondsten hoopt men bewijzen te vinden voor de import van zijde, specerijen, parfum, juwelen en zelfs boekrollen. Of er ook scheepswrakken geborgen zullen worden is nog niet besloten. De Bulgaarse minister van Cultuur heeft aangekondigd dat er op het schiereiland Sint-Quiricus bij Sozopol – in de Oudheid Apollonia genoemd – een Museum voor Onderwaterarcheologie moet ontstaan om de vondsten van de schepen tentoon te stellen.