Posted on

Britse geheime dienst kan internet op grote schaal manipuleren

De Britse geheime dienst GCHQ is volgens de onderzoeksjournalist Glenn Greenwald in staat om het internet op grote schaal te manipuleren. Dat blijkt volgens Greenwald uit documenten van de voormalige NSA-medewerker Edward Snowden.

Het zou gaan om programma’s die online stemmingen kunnen manipuleren, websites plat kunnen leggen en informatie aan sociale netwerken en veilingsites kunnen onttrekken. De onderzoeksjournalist spreekt van “enkele van de meest verbazende propaganda- en misleidingsmethodes van het internet”. Uit de documenten van de Amerikaanse geheime dienst NSA van juli 2012 blijkt verder dat de programma’s “volledig functionerend, getest en betrouwbaar” gebleken zijn.

[note color=”#F4FDFF”] Blijf op de hoogte van nieuws, opinie en achtergronden met een internationale focus: Volg Novini!

[/note]

De onthullingen komen ongelegen voor de Britse regering. Vandaag debatteert juist het Lagerhuis over een wetsontwerp dat de bevoegdheden van de geheime dienst uit moet breiden. De regering van Conservatieven en Liberaal-Democraten acht deze uitbreiding van bevoegdheden noodzakelijk vanwege de aanhoudende dreiging van terroristische aanslagen.

Posted on

De politiek als huismeester: Psychologisch geweld en wetgeving

Vijf uur ’s ochtends, Europa wordt wakker. Een administratief medewerker met een nerveuze glimlach belt bij u aan :

  • Meneer, ik sommeer u om uw woning te verlaten.
  • Wablief ? Wie bent u ?
  • Ik ben medewerker van de Hoogste Autoriteit voor de Uitroeiïng van de Gender-Onderdrukking, de HAUGO.
  • …welke onderdrukking ???
  • Gender-onderdrukking, meneer. Komt u met mij mee ?
  • Maar u kunt toch niet zomaar…
  • Ik heb alle bevoegdheden, meneer, maakt u zich geen zorgen.
  • En als ik weiger ?
  • De politie staat een eindje verderop en wachten op mijn teken om in te ingrijpen als u niet meewerkt. U heeft tien minuten om uw spullen te pakken.
  • Maar… waar word ik dan van beschuldigd ?
  • U bent aangeklaagd als waarschijnlijke dader van psychologisch geweld tegen uw vrouw.
  • Wat voor geweld ? Ik heb mijn vrouw, of wie dan ook, nooit geslagen !
  • U wordt beschuldigd van psychologisch geweld, meneer.
  • Door wie ?
  • Dat kan ik u niet zeggen.
  • Maar wat is het dan waarvan ik word beschuldigd ?
  • Psychologisch geweld, meneer, zoals ik u zojuist zei. U heeft nog slechts enkele minuten voordat ik de politie laat ingrijpen.
  • Mag ik op zijn minst een antwoord geven op deze beschuldiging ?
  • Later, meneer.
  • Luister eens, ik heb ook rechten ! Laat mij ten minste mijn advokaat bellen !
  • Nee meneer. U staat niet onder arrest. Wij nemen slechts unilateraal een civiele voorzorgsmaatsregel. U kunt, uiteraard, al uw rechten laten gelden wanneer dit nodig is. Nu moet u echter uw woning verlaten.

U neemt in alle haast enkele spullen bij elkaar en volgt de HAUGO-medewerker. Terwijl u de deur achter u sluit vraagt u de medewerker :

  • Wanneer mag ik weer naar huis ?
  • Wij houden u daarvan op de hoogte.
  • Met een brief ? (op licht ironische toon)
  • Daar waar u besluit te verblijven gedurende het onderzoek.
  • Hoe lang zal dit onderzoek duren ?
  • Tussen één en vier maanden.
  • U kunt aangegeven zijn door een kantoormedewerker, de psycholoog van uw vrouw – het beroepsgeheim wordt in geval van psychologisch geweld opgeheven – uw vrouw zelf, haar moeder of haar minnaar ; het maakt niet uit : waarschijnlijk zult u het nooit te weten komen. U ben aangegeven en dat is voldoende.

 

Dit toekomstbeeld is, zonder overdrijving en in alle details, strikt conform aan het Verdrag van de Raad van Europa tegen het Gender-geweld dat in 2011 in Istanbul getekend werd: http://conventions.coe.int/Treaty/EN/Treaties/HTML/210.htm

De Waalse jurist en filosoof Drieu Godefridi levert met zijn essay « De la violence de genre à la négation du droit » een magistraal betoog over de invloed van de gender-ideologie en de opkomst van de arbitraire rechtspraak in Europa.

Psychologisch geweld

In het kader van de bestrijding van het huiselijk geweld nam Spanje in 1999 een wet aan die psychologisch geweld strafbaar stelt. Frankrijk volgde met een vergelijkbare wet in 2010 en de Raad van Europa in 2011. De woordkeus die door gender-ideologie is ontwikkeld, (“man en vrouw” worden geen biologische grond toegekend, maar slechts als conventionele begrippen beschouwd) is in deze wetten overgenomen.
In Spanje gaat de invloed van de gender-ideologie nog verder dan de woordkeus : het begrip van “man en vrouw” zou slechts een middel zijn van de patriarchale en fallocratische cultuur om de overheersing van de man in stand te houden. De wet die Spanje in 2004 promulgeerde, « Ley organica de medidas de proteccion integral contra la violencia de genero » is slechts van toepassing wanneer de auteur van het delict een man is en het slachtoffer vrouw (art. 37 vv.).
http://www.tribunalconstitucional.es/fr/jurisprudencia/Pages/Sentencia.aspx?cod=15755

Bij de totstandkoming van de Franse wet in 2010 (artikel 222-33-2-1 wetboek van strafrecht) dienden de feministische psychologe M-F Hirigoyen en de advocaat Y. Mellul als experts.
Als geëngageerde dames kan men deze experts een zekere overdrijving niet kwalijk nemen (« psychologisch geweld op psychologisch vlak komt overeen met moord », verklaarde Y. Mellul).
De onzorgvuldige definities (psychologisch geweld wordt beschreven als « herhaaldelijk handelen dat de levensomstandigheden van de partner verslechtert. ») en de juridische consequenties hiervan zijn echter problematisch.

De hulp van dezelfde experts werd ingeroepen ter voorbereiding van het Verdrag van Istanbul van 2011 dat zich tot doel stelt alle vormen van geweld tegen vrouwen tegen te gaan. Artikel 3 beschrijft het geweld als de schade of het lijden op lichamelijk, seksueel, psychologisch of economisch vlak, ofwel het bedreigen hiermee.

Politieke middelen en argumenten

De Italiaan Antonio Gramsci schreef terecht dat geen politieke strijd gestreden kan worden wanneer men niet eerst de harten heeft veroverd. Met een kwestie als het huiselijk geweld is dit eenvoudig : iedereen is het erover eens dat huiselijk geweld voorkomen moet worden. Aan de hand van selectieve statistieken met cijfers die aangeven dat huiselijk geweld tegen vrouwen voorkomt (die men, afhankelijk van de vraagstelling met resultaten kan voorzien die men wil) en ideeën die mee gaan met de tijdsgeest (vrouwen vormen een kwetsbare minderheid), kan men zonder moeite wetten laten uitvaardigen die een ideologie ondersteunen.

De Spaanse wet van 2004 vraagt in Artikel 12 vraagt aan de ondertekenaars de uitroeiing (erradicacion) van de vooroordelen, gewoontes, tradities en iedere rolbevestigende praktijk die er ten opzichte van vrouwen en mannen bestaan.

Het rapport « psychologisch geweld » van de EP-commissie voor de rechten van de vrouw en gelijke kansen van 9 november 2011 meldt dat een wetenschappelijk onderzoek uitwijst dat onevenredig veel vrouwen slachtoffer zijn van psychologisch geweld. Als bron geven zij een telefonische enquête in de VS (« The National center of victims of crime » www.ncvc.org) waarin de vragen uitsluitend over mannelijk geweld tegen vrouwen gingen ; en een studie van de Canadese regering « La violence psychologique – un document de travail » uit 2008, dat echter zwart op wit de bovenstaande bewering tegenspreekt : « Het psychologisch geweld is bijna gelijk onder mannen (17%) en vrouwen (18%). »

Daarenboven is M-F Hirigoyen zeer inconsequent in haar benadering van het probleem huiselijk geweld. Zij schrijft weliswaar in haar boek « Femmes sous emprise » dat « geweld niet eigen is aan één of andere sekse » en dat mannen slachtoffer kunnen worden van specifiek vrouwelijk psychologisch geweld (valse zwangerschapsverklaring, zelfmoord-chantage, valse verklaringen van ongewenste intimiteiten bij de kinderen, scheldwoorden tegen mannelijkheid…). Ook schrijft zij dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat mannen uit schaamte minder geneigd zijn om zich als slachtoffer te bekennen. De auteur beweert echter meermalen in haar boek dat 97% van de slachtoffers vrouw zijn. De enige bron die zij daarvoor geeft is een telefonische enquête dat in 2000 gehouden werd onder 6970 vrouwen van 20 tot 59 jaar : Enquete nationale sur les violences envers les femmes en France (Enveff).

De Enveff-enquete beschreef de volgende gevallen als voorbeelden van psychologisch huiselijk geweld :

  • verhinderen om met vrienden of familieleden te praten of te ontmoeten
  • zwijgen, weigeren van discussie
  • verhinderen om met anderen te praten, uit jaloezie
  • verhinderen om aan het huishoudgeld te komen
  • bekritiseren, weigeren naar waarde te schatten
  • onaangename opmerkingen maken over het lichaam
  • uit de auto zetten
  • geen rekening houden met haar mening

Drieu Godefridi vergelijkt deze lijst met een andere lijst uit 2012:

  • weigeren om mee te helpen met het huishouden
  • de credit card in beslag nemen
  • « d’r uit ! » schreeuwen en uit de auto zetten
  • aftuigen ten overstaan van vrienden
  • in het openbaar uitschelden, uit jaloezie
  • de draagbare telefoon in het water gooien
  • gedurende een half uur meer dan 30 keer bellen
  • het scheuren van zijn kleren
  • gedurende 8 dagen niets zeggen
  • zijn spullen door het raam de straat op gooien
  • de auto vandaliseren

De laatste lijst is afkomstig uit het vrouwenblad Cosmopolitan van augustus 2012 waarin de lezeressen zich onder de rubriek « psycho » konden uitlaten over wat zij hun partner aandeden wanneer zij het zat waren. De vergelijking mag doen glimlachen. Niettemin is het nauwelijks overdreven om te zeggen dat wanneer de vrouw slachtoffer is, het als een delict geldt, terwijl wanneer de man slachtoffer is, het geldt als een overtreding.

Arbitraire rechtspraak

De erkenning van psychologisch geweld in het wetboek van strafrecht is om verschillende reden arbitrair: De definitie van psychologisch geweld zoals deze in de wetten is opgenomen biedt veel ruimte tot interpretatie.

Bij een wettekst die op meerdere manieren te interpreteren is, wordt van de rechter een zekere coherentie ten opzichte van het delict en de gelden schade verwacht. Wanneer de concrete definitie van het delict zelf echter ontbreekt, wordt de rechtspraak arbitrair. De wetgever zadelt de strafrechter op met de taak om uitspraak te doen over een delict dat zonder juridische termen geformuleerd is. Zo kan het delict pas helder geformuleerd worden op het moment dat de rechter uitspraak doet.

Voor een uitspraak van de rechter zijn twee elementen nodig: intentie (vrijwillig of niet) en de geleden schade. Het delict van psychologisch geweld bestaat uit drie, uitsluitend psychologische, elementen: de intentie, het geweld en de schade. Terwijl lichamelijke schade objectief is, is de psychologische schade afhankelijk van de interpretatie van het slachtoffer en de waarnemer (politie, psychiater). Bovendien hangt het getuigenis af van de aanvankelijke psychologische gesteldheid van het slachtoffer : een kwetsbaar persoon vat psychologisch geweld anders op dan een sterk iemand. Bij lichamelijk geweld zijn oorzaak en gevolg objectief, in tegenstelling tot psychologisch geweld.
Daarnaast is ook het getuigenis van een dokter of psychiater een moeilijk punt in de rechtspraak. Het is bekend dat men in Brussel voor het luttele bedrag van 5 euro een medische verklaring van een dokter kan krijgen, getuige dit artikel van de publieke omroep RTBF: http://www.rtbf.be/info/regions/detail_bruxelles-un-certificat-medical-a-5-euros-qui-dit-mieux?id=7618643

Hirigoyen beschrijft de psychologische barbaarsheid van mannen als volgt : « zwijgen, met opzet heel zachtjes praten, regelmatig een kus weigeren, gedurende meerdere dagen mokken ». (Femmes sous emprise 43-45 en 77)

Betekenis en nut van een wet tegen psychologisch geweld

Sinds 2004 wordt het onderscheid tussen lichamelijk en psychologisch geweld niet meer gemaakt, waardoor het onmogelijk is de enquêtes van het ene tijdperk en land te vergelijken met het andere. De 141.222 delicten in Spanje in 2011 omvatten zowel de lichamelijke als psychologische geweldplegingen, zonder onderscheid.

« Het huiselijk geweld tegen vrouwen tussen de 16 en 44 jaar zou tegenwoordig de belangrijkste slachtoffer- en doodsoorzaak zijn, meer nog dan verkeersongelukken en kanker. » (Ignacio Ramonet, Le monde diplomatique, juli 2004)

Deze uitspraak is afkomstig van de parlementaire vergadering van de Raad van Europa, recommandation 1582, een tekst die 27 sept 2002 werd aangenomen. Geen enkele wetenschappelijke studie werd in de bron genoemd. (opmerkelijk is de voorwaardelijke wijs die hier gebruikt wordt bij een statistisch gegeven)

De officiële statistieken geven in Frankrijk voor 2004 de volgende cijfers : dood door huiselijk geweld : 162 vrouwen ; 25 mannen op een totaal van 509.408 (waaronder 246.338 vrouwen). Slachtoffers van verkeersongelukken: 24.231, waaronder 1354 vrouwen.

texquisVage en onheldere beschuldigingen vormen de instrumenten van Machtsuitoefening, zoals Bertrand de Jouvenel deze definieerde, om de opstandigen te doen buigen. Rusland veroordeelde Pussy Riot aan de hand van een vage formulering artikel 216 van het wetboek van strafrecht van de Russische Federatie, die stipuleert dat « opzettelijke aantasting van de openbare orde die een expliciet respect jegens de samenleving ontbreekt ». Voor de westerse media waren deze arbitraire beschuldigingen slechts een voorwendsel om deze politieke tegenstanders als voorbeeld te laten fungeren voor een staat die niet met zich laat spotten.
Men mag bedenkingen hebben over deze gang van zaken in Rusland. Maar het feit dat de ideologie van een handjevol radicale gender-filosofen (een filosofie die pas in de jaren 90 is ontstaan!) verregaande invloed heeft op de uitvoerende macht en de rechtspraak in Europa, is minstens zo bedenkelijk.

N.a.v. Drieu Godefridi, De la violence de genre à la négation du droit (Texquis, Brussel, 2013).

Posted on Leave a comment

DNA-databank schijnoplossing voor spookangst

Het was te verwachten: een publiek debat over het verplicht afstaan van DNA om efficiënter misdaden op te lossen. Aanleiding is een match tussen het DNA van ene Jasper S. en sperma dat werd aangetroffen bij Marianne Vaatstra, die in 1999 op 16-jarige leeftijd omgebracht werd. Naar alle waarschijnlijkheid is Jasper S. schuldig. Gerechtigheid is dan geschied: na 13 jaar weten haar ouders wie Marianne vermoord heeft.

De match kon gemaakt worden dankzij een grootschalig onderzoek in de buurt waar Marianne omkwam. 6.514 mannen stonden DNA af. ‘Ze zouden bij iedereen het DNA vanaf de geboorte moeten afnemen, dan hadden we deze ellende niet gehad’, verklaarde een deelnemer. Hij verwoorde wat menig Nederlander denkt. En aangezien de communis opinio meestal doorsijpelt naar de wet, is het waardevol om de optie van een DNA-databank te bekijken.

Privacyverlies
Wat met een DNA-databank gewonnen wordt, ligt voor de hand. Wordt DNA in redelijke staat gevonden, dan is de kans op een match groot. Daardoor kunnen meer zaken opgelost worden én worden criminelen afgeschrikt om een zware misdaad te begaan. Deze dubbele verwachting is niettemin naïef. Tegenover alle zegeningen staat dat DNA-bewijs leidt tot bijvoorbeeld tunnelvisie bij rechercheurs, en tot verwaarlozing van dure en tijdrovende methoden als verhoring.

Maar laten we for the sake of argument aannemen dat de DNA-databank veel zaken oplost en preventief werkt. Is het dan de vele nadelen waard? Het grootste verlies is onze privacy: dat is, het recht om zelf te beslissen met wie wij persoonlijke informatie delen. En DNA is bijzonder persoonlijk. Je kunt er ontdekken voor welke ziektes iemand een erfelijke aanleg heeft, en zelfs wat zijn karaktertrekken zijn. DNA is de sleutel tot kennis, kennis die (de staat) macht geeft.

ICT
Voor de argeloze voorstander geen probleem. De staat is goed. Ambtenaren werken secuur en hebben het beste met ons voor. De praktijk is anders. De Nederlandse overheid springt slordig om met onze gegevens. Een USB-stick met persoonsgegevens laat men liggen op de achterbank van een huurauto, DigiD-sessies worden gekraakt door een (klein) bedrijf. We kunnen een heel boek vullen met meer voorbeelden – en dat terwijl de overheid nog veel meer informatie krijgt als er een DNA-database komt.

Altijd al gehandicapt op het gebied van ICT, kan de Nederlandse overheid niet de bescherming bieden die zeer belangrijke gegevens als DNA nodig hebben. Met een DNA-databank is het wachten op Chinese hackers die inbreken in het bestand. Of de Amerikaanse overheid die met goedkeuring van het Europees Parlement DNA-gegevens krijgt om te weten wie er het land inkomt. Dat deze praktijken met decentrale opslag van DNA-gegevens voorkomen zouden kunnen worden, gaat voorbij aan de enorme veranderingen op het gebied van ICT.

Weinig moorden
Mijn weerstand tegen de DNA-databank komt allerminst voort uit ongevoeligheid jegens de ouders van vermoorde tienermeisjes. Wel uit een gezonde afweging tussen enerzijds gerechtigheid voor nabestaanden, anderzijds de privacy van het volk.

Feit is dat er in Nederland niet veel moorden gepleegd worden: in 2011 waren het er 163. Een groot deel daarvan was in de familiale sfeer: daden uit wanhoop of schaamte gepleegd. De dader wordt bij dat soort moorden meestal snel gevonden, hij is meestal familie en handelde in een opwelling. Dat mensen in Nederland bij bosjes zouden sterven door koelbloedige psychopaten als Jasper S. en Tristan van der Vlis, is een spookbeeld. Zij nemen jaarlijks hooguit enkele tientallen moorden voor hun rekening.

Utopie
Tegenover het oplossen of voorkomen van misschien tien moorden – niet tientallen, moordlustige psychopaten worden niet afgeschrikt door een hoge pakkans -, staat een fundamentele privacyschending bij zeventien miljoen mensen. De balans slaat hier bij ieder redelijk mens door naar de privacybescherming van het volk.

Wie blijft volharden in het idee dat het oplossen van twee handenvol moorden, het opgeven van de privacy van zeventien miljoen mensen waard is, moet eens een ander scenario bekijken. Elk jaar krijgen twintig Nederlandse kinderen een zeer zeldzame ziekte. Het ontwikkelen van een behandeling kost tien miljard euro. Gaan we dan ook de belasting met 1% verhogen? Wie privacy graag opoffert, moet volgens dezelfde logica liever vandaag dan morgen de verhoging doorvoeren.

Mentaliteit
Volledige veiligheid is de grote belofte en de grootste leugen van de moderne staat. Het is een utopie. Zelfs als het verwerkelijkt wordt, brengt het een wereld waarin alle vrijheid opgeofferd is voor de gelukzalige zekerheid dat de kans nu, zeg, 1 op de 150.000 is dat je ooit vermoord wordt, en niet 1 op de 100.000. Laten we in dat veiligheidsstreven ook maar alle auto’s verbieden, want de kans om in een verkeersongeluk om te komen is veel groter.

Laat ons constructief eindigen. Hoe kunnen we meer afschuwelijke moorden voorkomen, zonder de overheid tot Big Brother te maken? In het specifieke geval van Marianne had het geholpen als haar ouders het 16-jarige meisje verboden hadden om ‘s nachts alleen op de fiets naar de discotheek te gaan. De heersende mentaliteit dat zelfs een pubermeisje moet gaan en staan waar ze wil, heeft Marianne een weerloze prooi gemaakt. Laat ons als samenleving de zaak van Marianne Vaatstra eerder gebruiken als spiegel voor onszelf, dan als rechtvaardiging voor nog meer staatsbemoeienis met ons persoonlijk leven.

Posted on 3 Comments

Poetins filosofie

Het paradoxale ‘liberaal-conservatisme’ met een sterke staat

Stel je voor dat je een lesboek over de Amerikaanse geschiedenis zou opslaan en niets zou tegenkomen over Thomas Paine, Benjamin Franklin of Thomas Jefferson. Dit is zo ongeveer de situatie voor iedereen in het Westen die iets probeert te begrijpen van het hedendaagse Rusland. De standaard lesboeken vermelden nagenoeg niets over de conservatieve ideeën die momenteel het politieke speelveld domineren. De Sovjet-Unie onderdrukte uiteraard krachtig de belangrijkste rechtse denkers gedurende het grootste deel van de vorige eeuw, maar zelfs nu het niet langer als een misdaad wordt beschouwd wanneer Russen hun boeken lezen, blijft het Westen deze denkers negeren.

Daar is een reden voor. Historici zijn geneigd tot een teleologische focus. Ze hebben een bepalend eindpunt – de telos – en willen uitleggen hoe we daar gekomen zijn. Informatie die niet bijdraagt aan deze uitleg wordt genegeerd. In het geval van Rusland was de telos ettelijke decennia het communisme. Iedereen wilde begrijpen wat het was en waarom het er in geslaagd was de macht te grijpen. Studies van de Russische intellectuele geschiedenis concentreerden zich begrijpelijkerwijs dan ook vooral op de ontwikkeling van liberaal en socialistisch denken. Russisch conservatisme daarentegen, werd beschouwd als een historisch dood lopend spoor en het bestuderen niet waard.

Het gevolg daarvan is, dat Westerse commentatoren – die het aan enige kennis van Ruslands conservatieve erfgoed ontbreekt – heden ten dage niet in staat zijn de Russische regering in de juiste intellectuele context te plaatsen.

Analyses van Poetin neigen ernaar de nadruk te leggen op zijn verleden bij de KGB en schilderen hem als iemand die er op gebrand is democratische vrijheden te onderdrukken. Zoals de vermoordde journalist Anna Politkovskaja het stelde, Poetin “is er niet in geslaagd zijn herkomst te ontstijgen en te stoppen zich te gedragen als een luitenant-kolonel in de Sovjet KGB. Hij is nog altijd bezig om zijn vrijheidslievende landgenoten in de pas te laten lopen; hij volhardt in het vermorzelen van de vrijheid, net zoals hij dat eerder in zijn loopbaan deed.” Voor velen in het Westen is daarmee alles gezegd.

In feite staat Poetin, in tegenstelling tot het hierboven beschreven gezichtspunt, in een lange Russische traditie  van ‘liberaal-conservatisme’.  De moderne Russische auteur A.V. Vasilenko omschreef deze school van denken als volgt: “Een sterke staat is nodig, niet in de plaats van liberale hervorming, maar om die mogelijk te maken. Zonder een sterke staat zijn liberale hervormingen onmogelijk.” Dit is de basis van wat de Britse academicus Richard Sakwa “een unieke synthese van liberalisme en conservatisme” noemt en belichaamd wordt door Poetins bewind.

Boris Tsjitsjerin (1828-1904) is wellicht de grondlegger van deze ideologie. Volgens de historicus Richard Pipes, huldigde hij enerzijds “Manchester liberalisme [het klassiek-liberalisme van de Manchester School red.] en burgerrechten, en steunde hij tegelijkertijd de autocratie.” “De Russische liberaal” zo schreef Tsjitsjerin, “reist op een aantal verheven woorden: vrijheid, openheid, publieke opinie… die hij als grenzeloos interpreteert. … Hij acht derhalve de meest elementaire concepten, zoals gehoorzaamheid aan de wet of de noodzaak voor politie en bureaucratie, reeds de producten van een ongehoord despotisme.” “De extreme ontwikkeling van de vrijheid, inherent aan democratie,” zo stelde hij, “leidt onvermijdelijk tot de instorting van het organisme van de staat. Om dit tegen te gaan, is het nodig om sterk gezag te hebben.”

Een andere belangrijke figuur was de filosoof Vladimir Solovjov (1853-1900). Solovjov geloofde dat christelijke liefde, belichaamd in de Kerk, de opperste politieke waarde was en tot uiting kwam in politieke en economische regelingen die de waardigheid en rechten van individuen respecteerden. Zodoende was Solovjov, terwijl hij een nauwe band tussen kerk en staat steunde, een tegenstander van de doodstraf en ging hij tekeer tegen het officiële antisemitisme. Hij was wat alleen omschreven kan worden als een ‘liberale theocraat’.

Nog een andere centrale persoonlijkheid in de annalen van het Russische liberaal-conservatisme was Pjotr Struve 1870-1944). Oorspronkelijk een marxist, schreef Struve het eerste manifesto van de Russische Sociaal Democratische Arbeiders Partij (de voorloper van de Communistische Partij), maar uiteindelijk zwoer hij het marxisme af en in ballingschap in de jaren ’20 werd hij een prominente supporter van het oudste overlevende lid van de Russische koninklijke familie. Struve maakte deze opmerkelijke transformatie door zonder ooit de kern van zijn liberale overtuigingen aan te passen.

Wellicht het belangrijkste werk in de liberaal-conservatieve canon is een bundel uit 1909 getiteld Vechi (Bakens), dat in 2009  door een Russische regeringsfunctionaris  als “ons boek” werd aangeduid. Het bestaat uit een reeks scherpe aanklachten van de Russische intelligentsia door prominente liberalen zoals Pjotr Struve, Nikolaj Berdjajev en Sergej Boelgakov, wier weerzin gewekt was door de anarchie van de revolutie van 1905. Vechi beweerde dat de intelligentsia zich zelf had afgesneden van het Russische volk door slaafs Westerse ideeën te kopiëren en Russische te negeren en dat het geen respect had voor het recht. De auteurs concludeerden dat het fundament van de regering een sterk rechtssysteem moet zijn.

Poetin zelf lijkt vooral twee tijdgenoten van de auteurs van Vechi te bewonderen, Pjotr Stolypin (1862-1911), premier van Rusland van 1906 tot 1911, en de filosoof Ivan Iljin (1883-1954).

Stolypin nam het roer over als premier te midden van de revolutie en deinsde er niet voor terug extreem geweld te gebruiken om die te onderdrukken. Zoveel radicalen werden verhangen dat de strop bekend kwam te staan als ‘Stolypins das’. Tegelijkertijd streefde hij liberale hervormingen na in de sociale en economische sfeer, hij werd vooral bekend door het doorvoeren van hervormingen om grond aan boeren in bezit te geven, met als doel een samenleving gebaseerd op privaat eigendom te creëren.

Net als Stolypin heeft Poetin gewerkt aan de verankering van het eigendomsrecht en de liberalisering van de economie.

Poetin leidt een comité dat de realisatie van een monument voor Stolypin in Moskou beoogt. Hij heeft Stolypin “een ware patriot en een wijs politicus” genoemd, die “inzag dat zowel alle soorten van radicaal sentiment als aarzeling en weigering noodzakelijke hervormingen door te voeren, gevaarlijk waren voor het land, en dat alleen een sterke en effectieve regering vertrouwende op zakelijk en burgerlijk initiatief van miljoenen progressieve ontwikkeling zou kunnen veilig stellen.” Zoals een commentator opmerkte, “Poetin had over zichzelf kunnen spreken.”

Voor wat Iljin betreft, hij begon zijn intellectuele loopbaan als een student van Hegel. Door Lenin in 1922 uitgewezen uit de Sovjet-Unie, verhuisde hij naar Berlijn. Anderhalf decennium later, toen hij zijn baan verloor omdat hij niet wilde doceren in overeenstemming met Nazi-voorschriften, ontvluchtte hij ook Duitsland  en leefde de rest van zijn leven in Zwitserland.

Poetin haalt Iljin geregeld aan in zijn schrijfsels en toespraken. In 2005 speelde hij een rol in de terugkeer van Iljins stoffelijk overschot naar Rusland en zijn herbegrafenis in Moskou, met veel vertoon omkleed. Later betaalde hij persoonlijk voor een nieuwe grafzerk voor Iljin.

Net als Stolypin en de bijdragers aan Vechi, geloofde Iljin dat de bron van Ruslands problemen een onvoldoende ontwikkeld ‘rechtsbesef’ (правосознание) was. Gezien dit gegeven, was democratie geen gepaste regeringsvorm. Hij schreef  “aan het hoofd van de staat moet er een enkele wil zijn.” Rusland had een “verenigde en sterke staatsmacht, dictatoriaal in de scope van zijn bevoegdheden” nodig. Tegelijkertijd moesten er duidelijk grenzen aan deze bevoegdheden zijn. De heerser moet de steun van de bevolking hebben; staatsorganen moeten verantwoording afleggen; het beginsel van de legaliteit moet bewaard blijven en alle personen moeten gelijk zijn voor de wet. Vrijheid van geweten, meningsuiting en vergadering moeten gegarandeerd zijn. Privaat eigendom moet sacrosanct zijn. Iljin geloofde dat de staat het opperste gezag moest hebben op die terreinen waar zij competent is, maar geheel buiten die terreinen moest blijven waar ze niet competent is, zoals het privéleven en godsdienst. Totalitarisme, zo stelde hij, is “goddeloos”.

De realiteit van Poetins Rusland sluit vrij nauw aan op dit liberaal-conservatieve model. Poetin heeft bijvoorbeeld, net als Stolypin, belangrijke stappen ondernomen om het eigendomsrecht te verankeren, alsmede om de economie te liberaliseren. In januari schreef Poetin dat “de motor van de groei in het initiatief van de bevolking moet en zal liggen. We zijn gedoodverfd te verliezen als we ons enkel verlaten op de besluiten van ambtenaren en een beperkt aantal grote investeerders en staatsbedrijven. … Ruslands groei in de komende jaren staat gelijk aan de uitbreiding van vrijheden voor een ieder van ons.” Poetin en Dmitri Medvedev hebben een reeks van liberaal denkende ministers van financiën aangesteld, die gewerkt hebben aan het terug brengen van de regeldruk voor kleine ondernemingen. Vooruitgang op dit vlak is fragmentarisch maar tastbaar, zoals ook de recente toelating van Rusland tot de Wereld Handels Organisatie (WTO) laat zien. Westerse beschouwers neigen er naar dit over het hoofd te zien en in plaats daarvan de focus te leggen op het negatieve, zoals het terug brengen onder staatscontrole van de belangrijkste spelers in de energiesector.

Net als de liberaal-conservatieven heeft Poetin de nadruk gelegd op wat hij ‘de dictatuur der wet’ noemt. Westerse commentatoren hebben de voortdurende misbruiken in de rechtspraak veroordeeld. Maar zoals William Partlett van de Brookings Institution opmerkt, “Poetin heeft veel meer aandacht besteed aan hervorming van het recht dan zijn voorganger … en heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt in het bij de tijd brengen van het tegenstrijdige Russische rechtssysteem. … Voorts staat hij verrassend open voor de implementatie van mensenrechtennormen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in Russische rechtszalen.”

Onder de Poetin-doctrine van ‘soevereine democratie’ is de staat beperkt; ze streeft er niet naar ieder aspect van het leven te beheersen. Het ziet vrijheid terdege als essentieel voor sociale en economische vooruitgang. Maar waar de staat wel optreedt, moet ze soeverein zijn – krachtig, verenigd en vrij van de invloed van buitenlandse machten. In de ogen van Westerse critici was Poetins besluit in zijn eerste termijn als president om de bevoegdheden van de regionale gouverneurs te beperken een directe aanval op de democratie. Voor Poetin was dit echter een cruciale stap om een einde te maken aan de praktijk dat regio’s ongehoorzaam waren de federale wet en om de ‘eenheid van recht’ in de natie te herstellen.

Liberaal-conservatisme ligt ook ten grondslag aan Poetins houding ten opzichte van het maatschappelijk middenveld. James Richter van Bates College stelt: “de regering Poetin was een veel consistentere voorvechter van het maatschappelijk middenveld dan het Kremlin onder Jeltsin, ofschoon ze probeerde het concept voor haar eigen doeleinden bij te stellen.” Sinds 2004 heeft de Russische regering op alle bestuursniveaus  ‘publieke kamers’ opgezet, die moeten dienen als een forum waarin maatschappelijke organisaties en staatsorganen samen kunnen werken. Deelnemers hebben genereuze publieke financiering ontvangen. Tegelijkertijd betwijfelen sommigen in het Westen de waarde van deze kamers omdat ze er op ingericht zijn het maatschappelijk middenveld te helpen met de staat samen te werken en niet om haar uit te dagen.

Russische liberaal-conservatieven waren nooit democraten in Westerse zin en het is niet verwonderlijk dat velen hier hun ideologie verwerpen. Richard Pipes beschouwt Tsjitsjerins filosofie als een “abstracte en onrealistische doctrine.” Het idee dat de krachtige staat “de burgerrechten zou kunnen respecteren was eenvoudigweg quixotisch.” Op een vergelijkbare wijze kan Iljins visie van een beperkte, op het recht gebaseerde en verantwoording afleggende dictatuur naïef onpraktisch lijken.

Maar het punt van dit betoog is niet of liberaal-conservatisme de juiste keuze is voor Rusland. De kwestie is veeleer dat wij in het Westen er niet in slagen deze ideologie als zodanig te herkennen. Poetin heeft een heldere visie van een sterke, gecentraliseerde, op het recht gebaseerde regering met duidelijk bepaalde en beperkte competenties, consistent met inheems Russische scholen van denken. Onze betrekkingen met Rusland zouden fors verbeteren als we deze realiteit zouden erkennen en ons daartoe zouden verhouden in plaats van aan te slaan op irrelevante karikaturen van een politiestaat.

__________

Met toestemming overgenomen. Copyright 2012 TheAmericanConservative.com.
Vertaling: Jonathan van Tongeren