Posted on

Thierry Baudet en de representatieve democratie

In het bevrijdingsweekend verscheen in de Telegraaf een uitgebreid interview met Thierry Baudet (FvD). Als we het interview destilleren komen we tot drie kernpunten, die licht werpen op de democratie in Nederland vandaag de dag:

  1. Kamerleden worden gerekruteerd op hun vermogen om onbewegelijk te blijven onder argumenten.
  2. Geen Kamerlid laat zich ooit overtuigen: alles is al “bedisseld” en dan slechts door een handvol centrale figuren. De rest van de Kamerleden is min of meer klapvee. Of, nog harder gesteld: stemvee.
  3. Zogezegd worden debatten gevoerd om zaken “opgehelderd” te krijgen. Echter de oppositie weet bij voorbaat dat de coalitie de regering zal steunen. De debatten die de oppositie aanzwengelt zijn dus feitelijk uitputtingsslagen, die worden gevoerd in de hoop dat iemand (in de coalitie) zich verspreekt.

Levenswijsheden ingeruild voor lobbyisme

Deze punten zijn – weliswaar op academische wijze – behandeld in mijn proefschrift De Democratie en haar Media. De drie punten zijn ook op een andere wijze te duiden: onderaan de streep blijkt helaas dat de ruimte om écht inhoudelijk van gedachten te wisselen zeer beperkt is. Vandaag is in de politiek geen ruimte meer om partijprogramma’s bij te schaven op basis van levenswijsheden en filosofische inzichten. Het zijn de belangen van lobbyisten die de politieke melodie bepalen: hierdoor is de politiek vandaag een plek van levensbeschouwelijke en ideologische leegheid.

Sid Lukkassen ~ De democratie en haar media

Vroeger was er nog zoiets als een zuil of een kerk, die op basis van een inhoudelijke visie de politiek kon bijsturen. Dit alles is vandaag echter opgelost in één overkoepelend globalistisch progressivisme, met binnenskamers een ons-kent-ons bestuurscultuur. Een debat om elkaar oprecht te overtuigen is tegen deze achtergrond onmogelijk: bij gebrek aan zuilen achter de partijen hebben spindoctors en managers van vluchtige indrukken de macht gegrepen. Een meetup van Jesse Klaver, om een voorbeeld te nemen, is feitelijk een exercitie in zenden door een populaire voorman. Politici worden tot stijliconen: esthetiek neemt het over van de inhoud. Dit is kenmerkend voor de alomvattende beeldcultuur die ik analyseerde in mijn proefschrift.

Argumenten pro- en contra

Evengoed kan men tegenwerpen dat een goed debat veronderstelt dat de partijen zich niet laten overtuigen. Deze wijze van redeneren stelt echter de ratio buiten werking: de politicus wordt dan een handpop van voorgegeven belangen. Met als gevolg dat het debat puur een showtje voor de bühne wordt. Ook toont deze opvatting minachting voor zowel het dualisme als de controlerende rol van gekozen volksvertegenwoordigers. Een fractievoorzitter van een coalitiepartij mag het debat niet ingaan met de onwankelbare mening dat de premier hoe dan ook gelijk heeft en dat hij de regering koste wat kost moet beschermen.

Men kan op de drie punten ook tegenwerpen dat partijen nu eenmaal vaste belangengroepen hebben als achterban, en dat die kiezers rechtstreeks vertegenwoordigd moeten worden.

Die opvatting van democratie gaat echter in tegen de filosofie van Edmund Burke: namelijk dat de gekozen volksvertegenwoordiger zijn rationele oordeelsvermogen nooit mag uitschakelen of laten gijzelen door een extern belang. Vandaag zien we in Groot Brittannië hoe Labour-politici nu clausules in de mediawetgeving bouwen die miljonairs beschermen tegen kritische journalisten. Denken in termen van louter belangen brengt parlementariërs namelijk tot de conclusie: ‘Ik kan niemand overtuigen – in het hele parlement is er maar een handjevol mensen met alle inside informatie. Dan laat ik mezelf maar inpalmen en fêteren door lobbyisten. Hopelijk ligt er voor mij dan een invloedrijke baan in het verschiet na mijn Kamerlidmaatschap waar ik wél impact kan maken.’

Onderwerp die handpoppen aan waarheidsvinding!

Als het uitgangspunt is dat je geen parlementariërs kunt overtuigen – omdat iedereen de handpop is van één of ander belang – dan nóg is overreding op basis van waarheidsvinding van grote importantie. Bij ieder politiek debat moet namelijk eerst worden vastgesteld wat precies het probleem is, voordat men kan bepalen wat voor de eigen achterban de beste omgang is met het probleem.

Een SP’er zal bijvoorbeeld de lijn uitdragen dat ontslagbescherming in het belang is van zijn kiezer. Maar een VVD’er kan vervolgens inbrengen dat een werkgever minder snel een werkloze zal aannemen, als hij moeilijk van deze persoon kan afkomen. Zodoende moet de politicus zich openstellen om de belangen van zijn achterban in een nieuw licht te zien. Een PVV’er kan vervolgens weer het punt maken dat mensen niet aan een gezin beginnen als er geen financiële zekerheid is, wat betekent dat een totale flexibilisering van de arbeidsmarkt een bevolkingsverandering versterkt.

Druk van de massa leidt tot slechte besluiten

Al deze argumenten zijn relevant en verdienen het om serieus genomen te worden op basis van waarheidsvinding, en niet op basis van louter retorica ofwel ‘een showtje voor de bühne’. Helaas betekent de praktijk van onze democratie dat het heroverwegen van een standpunt wordt geframed als zwakte. Dit betekent dat volharding in domheid en destructie dus meer loont dan ‘beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald’.

Democratieën drijven op kiezersdoelgroepen, en dus op groepsidentificatie wat leidt tot groepsdruk. Onder groepsdruk worden er ondoordachte besluiten doorgeramd die zijn gericht op de korte termijn. Daarin had Burke volkomen gelijk: het is een universeel bewezen feit van de geschiedenis dat het zelfstandig denkende individu betere beslissingen maakt dan mensenmassa’s. Vaak stond ik toen er een trein uitviel in een rumoerige massa te wachten op een vervangende bus. Terwijl ik op een app zag dat er ook een reguliere stadsbus naar de bestemming vertrok vanaf de andere kant van het station. “Al deze mensen kunnen er toch niet naast zitten?” dacht ik toen. Totdat ik als individu de proef op de som nam en naar de andere kant van het station liep. Daar nam ik in alle rust de lijnbus.

Moet visievorming in het parlement überhaupt meespelen?

Wat er over de conclusies van het interview met Baudet voorts nog beweerd kan worden, is dat ideologische overreding in de Tweede Kamer irrelevant zou zijn: visievorming zou namelijk al hebben plaatsgevonden in het maatschappelijk debat. Deze bewering mondt uit in twee belangrijke argumenten.

Ten eerste ben ik juist hierom bezig met de opbouw van een ‘Nieuwe Kerk’ – een nieuw levensbeschouwelijk huis van het Westen, waar verhalen uit de samenleving kunnen klinken die niet door managersjargon zijn besmet. Want de hele gang van zaken die überhaupt tot de oprichting van Forum voor Democratie leidde, is dat er in het maatschappelijke debat geen brood te verdienen is met visievorming op basis van realisme. Dit hangt weer samen met het linksliberale subsidiekartel, dat zo goed als alle betaalde talkshows, universiteiten en dagbladen beheerst. Precies hierom is het van belang dat lezers overwegen om mijn crowdfunding te steunen, om een tegenhanger te bieden.

Het tweede argument is dat Baudet in dat geval terecht redeneert (al zal hij dit niet letterlijk zo zeggen): “Ik kan al mijn energie opgebruiken om met mijn twee zetels achter ieder dossier aan te rennen en daar ons plasje over te doen. Maar omdat de maatschappelijke visievorming elders plaatsvindt, bereik ik daar weinig mee, buiten dat mijn achterban dan precies zal weten wat ik van ieder dossier vind. Mijn achterban weet echter al wat ik vind. Ik heb er meer aan om mezelf alvast te oriënteren op de toekomst en op de dossiers die zullen spelen zodra ik wél een meerderheid in de Kamer achter me kan krijgen – ook aan visievorming via boekpublicaties heb ik meer.”

Reflectie op Wilders en de PVV

Dit laat onverlet dat een andere aanpak op zijn plaats zou zijn wanneer FvD met twaalf of meer zetels in de Kamer komt. Met al deze overwegingen in het achterhoofd, is het tot slot interessant om nog kort te reflecteren op Geert Wilders.

De PVV speelt het parlementaire spel precies volgens de regels en doet mee in ieder debat. Hoewel de kiezer terecht waardering heeft voor deze plichtsbetrachting, steekt het systeem wel zo in elkaar dat de PVV-bevindingen niet terugkomen in de machinekamer van de macht. Naar verluid hebben topambtenaren zelfs geweigerd om de inbreng van de PVV in het coalitieakkoord uit te voeren, toen de PVV van 2010 tot 2012 deel was van een gedoogkabinet. De ministers en staatssecretarissen hebben dit destijds maar met de ‘mantel der liefde’ bedekt: de PVV trok haar eigen conclusies.

Tot besluit

Deze kennis maakt Baudets positie des te meer sympathiek. Het systeem is broken en in het interview komt hij daar openlijk voor uit. Hij zou zich wel helemaal kunnen identificeren met het parlementaire stelsel; daarmee zou hij echter ook verwachtingen opwekken die hij in het huidige systeem niet kán waarmaken – hij zou een agent of disillusion worden. Daarom is het goed dat hij wat mentale afstand tot het parlementswerk houdt.

De realiteit is namelijk dat een selecte groep de hoofdlijnen uitzet: de rest vangt de broodkruimels op die van de tafel vallen. Backbenchers brengen deze bijzaken onder tromgeroffel naar de achterban in de regio, in de hoop om zo weer herkozen te worden. Het is een trieste cyclus zonder uitweg. Dit is een mentale gevangenis waar Baudet met zijn intellectuele activiteiten aan ontsnapt.

Qua intellectuele activiteiten ben ik momenteel bezig met een crowdfunding, om de inhoudelijke discussies mogelijk te maken die in de politiek niet aan de orde zijn. Volg mijn project:

https://www.voordekunst.nl/index.php/projecten/7175-verhalen-uit-de-samenleving-1

Aanbieding: bibliotheek der democratie

Posted on Leave a comment

Na de Europese Unie. Culturele veranderingen: van unidimensioneel naar multidimensioneel denken en terug

Culturele veranderingen zijn hoofdzakelijk gewijzigde manieren van denken. Het denken dringt de cultuur binnen, net zoals het een manier van leven binnendringt, via de politiek.

De eis tot unidimensioneel denken, of ideologisch totalitair gedachtegoed, werd Litouwen opgelegd samen met de bolsjewistische bezetting van 1940. Op vlak van buitenlands beleid betekende dit de promotie van de socialistische wereldrevolutie; op vlak van binnenlands beleid de aanmoediging van industrialisering, de collectivisering van landbouw, en de versterking van militaire macht. In de culturele sfeer leidde het tot de invoering van een ‘correct denken’, of beter gezegd, tot het begrip van hoe de eerder genoemde strategische taken uit te voeren. Het achterliggende doel was de oprichting van het communisme, het beloofde koninkrijk, en het garanderen van de door Marx ontworpen staat van welzijn en geluk.

Dit was een krachtig idee. Het vatte een Europese spirituele queeste samen die al begon vanaf de Renaissance. Bovendien vormde het samen met het alternatief van het nationaalsocialisme de substantie van het leven in de twintigste eeuw. Het was pas na de Tweede Wereldoorlog dat, in een poging om democratisch te blijven, Europa onder de arbitrage van het Noord-Amerikaanse kapitalisme kwam.

In 1983 publiceerde ik een essay in het weekblad Literatūra ir menas(‘Literatuur en kunst’) met als titel ‘De wereld is hier’. Daarin probeerde ik de Litouwse pogingen te verduidelijken om zichzelf te ontdekken binnen de wereld van het Sovjet-internationalisme. Ik wou ook het belang aanduiden van de vreugde om het authentieke leven te ervaren hier in ons eigen land, en niet elders in een verre plaats achter de horizon. De journalist, schrijver en vertaler Juozas Keliuotis [1] noemde het essay een overtuigende analyse van de beleefde realiteit van Litouwen. Vele anderen, onder wie een lezer in een brief,  vroegen zich af: ‘Wie geeft jou het recht om zo te schrijven?’

De controle over onze levens was toen extreem en verregaand: zelfs het recht om te denken moest worden toegestaan.

Vandaag kennen we het lot van deze radicale ideeën uit de twintigste eeuw: stapels beenderen waarrond de geesten van communisme en nationaalsocialisme nog steeds dolen. Maar we weten nog steeds niet wat het lot is van de derde grote actor van de twintigste eeuw – het democratisch kapitalisme, of wat we kunnen noemen, het concept van natuurlijke sociale ontwikkeling. Algemeen gezien kunnen we het volgende aannemen: sinds de opkomst van multinationale bedrijven tijdens de Koude Oorlog verkregen die het soort budgetten welke die van de van natiestaten overstegen, en werden ze bevrijd van de sociale verantwoordelijkheid voor de oorsprong van het kapitaal. De relatie tussen kapitalisme en democratie is sindsdien moeilijk en verontrustend. Bedrijfskapitalisme en globalisering, met zijn recente financiële crisis bijvoorbeeld, doen een stap buiten de aanvaardbare grenzen. Voor dit probleem, inherent aan het kapitalisme, bestaat nog steeds geen oplossing, en op een of andere manier maken we er allen deel van uit omdat we kapitalistisch willen leven.

Litouwers kunnen trots zijn op zichzelf en hun hoofdrol in de omverwerping van de Sovjet-Unie, de hoofdvesting van het communisme.

Welke problemen, vooral problemen betreffende het denken, hebben we geërfd van het tijdperk dat het unidimensionele denken wou opleggen naar het tijdperk van het multidimensionele denken?

De gevolgen daarvan waren traumatisch in de breedste zin van het woord. De eis tot unidimensioneel denken was een harde slag voor de nationale geest, een knock-out waarvan het lange tijd onbewust bleef. De opheffing van het verbod op het denken, dat samenkwam met de onafhankelijkheid, versufte eveneens onze geest: overweldigd door de vreugde van de overwinning kregen we een overdosis vrijheid. Typische voorbeelden? De mentale leegte vanaf de Sovjet-bezetting die het einde betekende van de eerste republiek (1918-1940). Of aan het begin van de tweede republiek, na de onafhankelijkheid van de Sovjet-Unie in 1990, toen de werkgeversorganisatie opriep tot de afschaffing van alle belastingen. Vandaag vieren we in Litouwen nog steeds elk jaar een dag voor ‘Een leven zonder belastingen’.

In ieder geval, samen met het herstel van de Litouwse natiestaat kozen we voor vrijheid van denken in plaats van de gevangenis van het denken.

Gelukkig hebben we onszelf bevrijd van de gevangenis die onze geesten opgesloten hield. Maar vrijheid van denken betekent niet noodzakelijk vrij denken. Vrij denken betekent dat de mens in staat is om van feiten naar generalisaties te gaan, of vice versa, om af te dalen van grote abstracties tot specifieke realiteiten. Om het gedachteproces niet te verstoren moet de denkende mens abstracties behandelen als een gepaste manier van denken zonder empirische feiten te negeren of te verafschuwen; noch moet hij empirische feiten verkiezen boven abstracties. Dit zijn heel oude problemen waar elke cultuur mee geworsteld heeft. De Grieken deden er bijna duizend jaar over tot Aristoteles een manier vond om de balans tussen ervaring en denken te verzekeren, en uitgerust met de nieuwe wetenschap van de logica, begon hij aan de filosofische reconstructie van de wereld. Geobsedeerd als ze waren door hun aangeboren wantrouwen voor abstractie duurde het tweeduizend jaar voor de Europese barbaren deze kunst beheersten, wat zich onder andere manifesteerde in de Kritiekenvan Immanuel Kant, een scepticus van Baltische origine. Litouwers hebben in hun protest tegen de met geweld opgelegde abstracties van het christendom (Teutoonse Orde) een immens rijk opgericht, namelijk het grootvorstendom Litouwen, maar tijdens de expansie en de verdediging ervan zagen ze niet hoe ze werden overspoeld door de cultuur van hun bondgenoten de Polen.[2] In de negentiende eeuw werd Litouwen opnieuw overspoeld door modieuze, nieuwe concepten uit het Westen, namelijk positivisme en pragmatisme, twee stromingen die het klassieke Europese denken wilden deconstrueren.

Het is verrassend hoe efficient de Litouwers deze moeilijk periode van herstel  doormaakten. Op de nieuwe ideologische fundamenten herstelden ze, of beter gezegd creëerden ze, een natiestaat, namelijk de republiek Litouwen (1918), en voerden ze twee decennia politieke strijd voor de door Polen bezette hoofdstad Vilnius. Daarna  – als resultaat van grote druk op het diplomatieke front  – realiseerden ze zich dat het oprichten en in stand houden van een natiestaat inhield dat men de wereldcultuur moest vertalen binnen de nationale cultuur, vooral via zijn belangrijkste uitdrukkingsvorm de nationale taal. Gedurende twee opeenvolgende decennia legden ze daar de filosofische en ideologische fundamenten voor. Eerst was er de filosoof Stasys Salkauskis (1886-1941) met zijn pedagogie van persoonlijke opvoeding; er was de existentialistische kritiek van zijn leerling Antanas Maceina’s (1908-1987); er was Juozas Keliuotis’ moderne nationalisme; er was het manifest Naar volledige democratie; er was het ontstaan van een volledig authenthiek kunstgenre, zoals het werk van de Ars-groep; er waren de gedichten van de jonge Vytautas Mačernis (1921-1944); er was het proza van de immigrant Marius Katiliškis (1949-1980) en van Antanas Škėma (1910-1961).

Karl Marx’ empirische interpretatie van het bestaan was heel aantrekkelijk voor pragmatische geesten wegens zijn praktische benadering. Marx gaf aandacht aan de realiteit maar vermeed geen veralgemeningen over feiten. De filosofie van Marx werd echter verwerkt door de vleesmolen van het Russische massadenken, dat de ideologie van het marxisme-leninisme, met Marx’ economisch determinisme en het proletarische belang, als absolute en onbetwistbare waarheid aannam. De enige conclusie van dat denken was dat elke ontkenning van de marxistische waarheid moest worden opgeruimd. Vladimir Lenin en Jozef Stalin voltooiden dit werk op zowel theoretische als praktische wijze.

Zelfs de Middeleeuwen kenden heftige, scholastische discussies over de vraag of een idee bestaat als een ideëel object of als louter een beweging van de lucht als men het woord uitspreekt. Voor de empirische voorliefde van de Europese geest was de theorie dat een idee niet hetzelfde is als wat een woord beschrijft voor lange tijd ondraaglijk. Als Russische marxisten het woord communisme uitspraken geloofden ze niet dat communisme een abstractie was; communisme was voor hen een realiteit, een heel toegankelijke zelfs. In het na-oorlogse Europa, toen God langzaamaan stierf, werden vele Westerse intellectuelen letterlijk gek van dit marxisme.

De Litouwse naoorlogse mentaliteit wou eveneens de objecten zien achter de woorden die ze probeerde te definiëren, maar niet in marxistische termen zoals de bezetter, wel op christelijke grondslag.  Wie daar problemen mee had, moest vluchten over de Atlantische Oceaan of werd verbannen achter de Oeral.  Nadat de guerrillaoorlog (1945-1952) tegen de Sovjets was overwonnen, kon het marxisme zich rustig nestelen in Litouwen. Het verwierp zonder scrupules zowel ontologie als cognitieve theorieën, en verving de verscheidenheid van het cognitieve door de zogenaamde theorie van reflectie die stelde dat alle concepten de realiteit overheersen. Zo ontstond bijvoorbeeld de methodologie van filosoof Eugenijus Meškauskas (1909-1997) als een poging om een ideologieloos marxisme te stichten, ontdaan van zijn doctrinair en monistisch karakter.[3] Zijn theorie bekritiseerde echter niet het marxisme,  maar liet dit over aan de vrije wil van hen die met zijn ‘methodologie’ kennis maakten.

Toch was de vrije wil manifest aanwezig in de manier waarop jonge denkers de door hen gesmaakte trends uit de Westerse filosofie uitkozen. Ze analyseerden deze filosofieën en publiceerden dan hun teksten als een zogezegde Kritiek van de Westerse bourgeois- filosofie. Dus al voor de onafhankelijkheid interpreteerden de Litouwers het existentialisme. Bijna alle strekkingen van het neopositivisme – van fysicalisme tot logische taalkunde – kwamen op deze manier naar Litouwen en begeleidden Litouwse denkers van de begane treden naar de nieuwe paden van de onafhankelijkheid. Maar enkele jaren na de onafhankelijkheid was er in plaats van het marxisme ineens een afgrond waarin het denken over de staat verdween. We probeerden deze lacune in het denken over de staat op te vullen door het herlezen van de ouderen zoals Stasys Šalkauskis, Antanas Maceina, Vydūnas, enzovoort. We verwijderden het stof der geschiedenis van hun gezichten, en zij kwamen terug in ons leven. Maar al gauw werden ze naar de achtergrond verdrongen door de in Frankrijk werkende semioticus Algirdas Julius Greimas (1917-1992), de in Amerika werkende socioloog Vytautas Kavolis (1930-1996), en anderen.[4] Maar recent verloor ook hun autoriteit aan invloed.