Posted on 1 Comment

Amerika dreigt met invasie Den Haag – Kabinet “verontrust”

De Verenigde Staten dreigen sinds 2002 met militair ingrijpen tegen het Internationaal Strafhof in Den Haag. Hoe heeft Nederland hier in de loop der jaren op gereageerd? Een reconstructie aan de hand van berichten van de Amerikaanse ambassade, Kamerstukken en krantenartikelen. 

De betrekkingen tussen Nederland en de VS zijn “excellent”, liet op 30 juni 2005 toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot weten, tijdens een ontmoeting met de Amerikaanse ambassadeur in Den Haag Clifford Sobel. Hij bespeurde de laatste vier jaar zelfs een verbetering van de betrekkingen. Er waren niettemin vier “zorgen” die Bot wilde voorleggen. Het ergerde de Nederlandse regering dat de Amerikanen herhaaldelijk en openlijk kritiek uitten op het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de mensenhandel. Verder zou Nederland graag zien dat de Amerikanen samenwerkten met andere landen om de verspreiding van kernwapens te voorkomen, dus multilateraal in plaats van op eigen houtje. Ook herinnerde Bot de Amerikaanse ambassadeur aan een belofte die de VS niet waren nagekomen: mensenrechtenrapporteurs van de Verenigde Naties toegang verlenen tot het cellencomplex van Guantanamo Bay, waar krijgsgevangen werden vastgehouden. Last but not least: het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Philips, voelde zich onderbedeeld in ‘de wederopbouw’ van Irak. Franse en Duitse hadden veel meer contracten gekregen, en dit terwijl Nederland, aldus Bot, “een duidelijk veel grotere bijdrage” had geleverd aan “de stabiliteit van Irak”.

The Hague Invasion Act

Wat opvalt aan het onderhoud van de CDA-minister met de Amerikaanse ambassadeur, waarvan overigens het verslag dankzij Wikileaks op straat is komen te liggen, is dat er met geen woord werd gerept over een onderwerp waar drie jaar eerder veel ophef over was ontstaan in Den Haag: The American Service Members’ Protection Act (ASPA), bijgenaamd The Hague Invasion Act. Deze wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationale Strafhof in Den Haag gevangen worden gehouden. De wet verbiedt verder Amerikaanse deelname aan VN-vredesoperaties, tenzij latere berechting door het Strafhof uitdrukkelijk is uitgesloten voor Amerikanen. Ook mag geen militaire steun (meer) geleverd worden aan staten die het Strafhof hebben erkend, uitzonderingen daargelaten, zoals Amerika’s NAVO-partners.

De Amerikaanse Senaat nam de wet aan in juni 2002. Dat was een maand voordat het Internationaal Strafhof officieel haar deuren opende. Het Internationaal Strafhof vervolgt verdachten van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid, genocide en – sinds 2018 – ‘agressiemisdrijven’ (aanvalsoorlogen), voor zover deze verdachten nog niet vervolgd zijn in eigen land. De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof strekt zich uit tot alle 123 landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Ook burgers van landen die niet hebben geratificeerd, zoals de VS, Rusland, China, India en Israël, kunnen worden vervolgd door het Hof, als zij hun misdaden hebben gedaan in één van de landen die aangesloten zijn bij het Hof, zoals Afghanistan of Palestina.

“Verontwaardiging en verontrusting”

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen zei in de Tweede Kamer dat hij met “grote verontwaardiging en verontrusting” kennis had genomen van het feit dat de Amerikaanse Senaat akkoord was gegaan met de wet. “Nederland wordt hier als gastland van het Internationaal Strafhof direct geraakt als soevereine staat,” zo stelde de VVD-minister. “De wet gaat veel te ver en veel verder dan noodzakelijk is voor de VS om afstand te houden tot het Strafhof. Uiteraard zou die afstand in onze ogen niet moeten worden gehouden, maar dit is volstrekt onnodig. Het Statuut van Rome biedt alle waarborgen om gepolitiseerde vervolging van VS-onderdanen te voorkomen, want dat is de vrees aan de kant van de VS. De VS weten dat het Strafhof geen primaire jurisdictie toekomt.”

De Tweede Kamer deelde die analyse, bleek in een door GroenLinks aangevraagd spoeddebat. “‘Het is bizar en absurd, een wetsvoorstel dat militaire interventie in Nederland mogelijk maakt,” reageerde VVD-Kamerlid Erica Terpstra. GroenLinks-kamerlid Farah Karimi: “Schokkend en ongehoord.” CDA-kamerlid Maxime Verhagen: “Onacceptabel. Zeker van een NAVO-bondgenoot verwacht je dit niet.” D66-kamerlid Boris Dittrich: “Het is absurd dat de ene NAVO-partner wetgeving aanvaardt die in haar uiterste consequentie tot een gewapend conflict tussen NAVO-bondgenoten kan leiden.” LPF-Kamerlid Jim Janssen van Raaij: “We zijn Panama niet, waar ze zomaar zijn binnengevallen. Onze krijgsmacht moet clearance to shoot back krijgen als Amerikaanse militairen ingrijpen.”

“Bom op het Vredespaleis”

Ook de reacties in de pers waren niet mals. “Een bom op het Vredespaleis,” zo kwalificeerde Bart Tromp de invasiewet in zijn Elsevier-column. “Er is alle reden voor Nederland om deze kwestie hoog op te nemen, en in Europees en NAVO-verband aan de orde te stellen. De combinatie van macht, arrogantie en minachting voor internationale afspraken en overeenkomsten die niet alleen uit de invasiewet blijkt, is een ernstige bedreiging van het streven naar een internationale rechtsorde, waarvan het Vredespaleis het symbool vormt.”

De Volkskrant oordeelde in een hoofdredactioneel commentaar: “Het aannemen van de invasiewet is niet alleen een schoffering van het Internationaal Strafhof, maar ook van de Europese bondgenoten van de VS.” J. L. Heldring schreef in NRC: “Een land kan het niet dulden dat zijn soevereiniteit wordt aangetast door een wet van een ander land die, op z’n zachtst gezegd, de mogelijkheid van een militaire interventie niet uitsluit. Zeker onder bondgenoten is dit onaanvaardbaar.”

Oud-minister van Buitenlandse zaken Hans van den Broek in een ingezonden brief in NRC: ” Het gaat hier niet alleen om gebrek aan respect voor de internationale rechtsorde en het, naar de letter gesproken, dreigen met een oorlogsdaad, maar tevens om een aantasting van het morele gezag van de Verenigde Staten. Die verheffen hiermee, en niet voor het eerst, het recht van de sterkste tot hoogste rechtsnorm.”

Etentje met ambassadeur

Wat was er drie jaar later nog over van alle “verontrusting en verontwaardiging”? Helemaal niks, zo leek het, afgaande op de inhoud van het gesprek van CDA-minister Bot met de Amerikaanse ambassadeur Sobel. Geen van de vier zorgen die Bot aan Sobel voorlegde betrof het Amerikaanse dreigement over militair ingrijpen op Nederlands grondgebied, mocht daar ooit een Amerikaanse staatsburger worden vastgehouden op verdenking van oorlogsmisdaden.

Van de “verontrusting en verontwaardiging” waar Van Aartsen in 2002 nog van gesproken had, leek zelfs in 2003 al geen sprake meer. Twee maanden nadat de toenmalige premier Jan Peter Balkenende en diens minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer het Witte Huis hadden bezocht, trakteerde Sobel Balkenende op een etentje in diens Haagse ambassadeurswoning. Er werd bij die gelegenheid met geen woord gesproken over de invasiewet, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van die ontmoeting.

En dat was des te opmerkelijker omdat het Internationaal Strafhof wel als gespreksonderwerp ter tafel kwam. Sobel verzocht Balkenende stille diplomatie in te zetten om het verzet van de Europese Unie (EU) te breken tegen Amerikaanse pogingen om zogeheten artikel 98-verdragen te sluiten met EU-landen. Dit zijn bilaterale verdragen waarbij de ondertekenaars beloven geen Amerikaanse onderdanen uit te leveren aan het Internationaal Strafhof. De VS hadden op dat moment al met ruim 50 landen dergelijke verdragen gesloten, op straffe van intrekking van militaire steun. Balkenende greep echter de gelegenheid niet aan om te herinneren aan de The Hague Invasion Action. Hij volstond met de mededeling dat het “moeilijk voorstelbaar” zou zijn dat de Europese Raad artikel 98-verdragen met de VS zou toestaan. Diplomatiek adviseur Rob Swartbol, die Balkenende bijstond tijdens zijn diner met Sobel, voegde daar aan toe dat, aangezien Nederland gastland is voor het Internationaal Strafhof, het voor Nederland moeilijk zou zijn zich in te zetten voor acceptatie in de EU voor dergelijke verdragen.

Sussende woorden

Hoe is het mogelijk dat de The Hague Invasion Act geen gespreksonderwerp meer was in de contacten van Nederlandse bewindslieden met de Amerikaanse ambassadeur, in 2003, een jaar nadat er zoveel ophef over was ontstaan in Nederland?

Nog voordat minister Van Aartsen in 2002 zijn “verontrusting en verontwaardiging” had kunnen delen met de Tweede Kamer hadden de Amerikanen de Nederlandse regering al een argument aangereikt om zich niet al te druk te maken. De Amerikaanse regering kan zich “geen omstandigheden voorstellen waarin de VS zouden moeten overgaan tot militaire actie tegen Nederland of een andere bondgenoot,” zo verklaarde de Amerikaanse ambassade op 12 juni 2002. In het spoeddebat dat de dag erop volgde in de Tweede Kamer, waarin van Aartsen zijn “verontwaardiging en verontrusting” deelde, refereerde hij in één adem aan de sussende woorden van de Amerikaanse ambassade. Ook vertelde hij dat de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman hem had verzekerd dat de VS Nederland niet zouden binnenvallen, en slechts “diplomatieke, juridische en politieke middelen” zouden aanwenden om Amerikanen te vrijwaren van strafvervolging door het Internationaal Strafhof.

Tweede Kamerlid Maxime Verhagen (CDA) nam echter geen genoegen met deze verklaringen van de VS. “Als de Amerikanen het ondenkbaar achten dat er omstandigheden zullen ontstaan die militaire actie noodzakelijk zouden maken, moet je het ook daadwerkelijk uitsluiten, niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk en in mogelijke wetgeving,” zo gaf hij de minister te verstaan. “Daarvoor is actie nodig richting regering en de gezamenlijke vergadering van Senaat en Congres.” Tweede Kamerlid Harry van Bommel (SP) sloot zich daarbij aan. “Het gaat niet om de reikwijdte van het voorstellingsvermogen van de Amerikanen, maar om de reikwijdte van de wettekst. Deelt de minister die opvatting? De uitleg bij de wet dat daar nooit gebruik van gemaakt zal worden, maakt die wetgeving dan toch overbodig?” Farah Karimi (GroenLinks): “Na alle commotie in Nederland zeggen de VS dat zij zich zo’n situatie niet kunnen voorstellen, maar ze zeggen niet dat zij hebben begrepen dat dit voor Nederland onacceptabel is.”

Hete aardappel naar EU

Al deze bedenkingen ten spijt bleken de sussende woorden van de Amerikanen niet zonder effect. Al tijdens hetzelfde spoeddebat, waarin de Tweede Kamer zijn afkeuring uitsprak over de invasiewet, en deze zelfs bezegelde met het aannemen van een motie waarin het kabinet werd verzocht “alle diplomatieke middelen aan te wenden, zowel bilateraal als op internationaal niveau, om de bezorgdheid van de Kamer aan de Amerikaanse regering, de Senaat en het Congres kenbaar te maken”, ontstond een lacherige stemming. “Mijn woning op Scheveningen kijkt uit over zee,” sprak VVD-Kamerlid Terpstra. “Maar het is ook voor de VVD-fractie zeer onwaarschijnlijk dat deze ooit wordt gebruikt als een vooruitgeschoven post om te kijken of de invasie een feit wordt. Ik zal waarschuwen als het zover is.” PvdA-Kamerlid Bert Koenders: “Gelukkig woont mevrouw Terpstra in Scheveningen en dat geeft extra vertrouwen.”

Mogelijk beschouwde de Nederlandse regering de invasiewet als symboolwetgeving, bestemd voor binnenlands gebruik in de VS – en was dat de reden dat Nederlandse bewindslieden, al snel nadat de wet was aangenomen, deze niet meer ter sprake brachten in contacten met Amerikaanse ambtsdragers en bewindslieden. Zeker is dat de Nederlandse regering al in een vroeg stadium besloot de hete aardappel door te schuiven naar Brussel. “Wij hebben vooral getracht te opereren in EU-verband, omdat dat ons de meest effectieve manier leek,” antwoordde Van Aartsen op 13 juni 2002 op de vraag van Kamerlid Karimi wat de Nederlandse regering had gedaan om te voorkomen dat de Senaat de wet zou aannemen. Zo zou op aandringen van Nederland de EU bij meerdere gelegenheden haar zorgen hebben overgebracht aan de Amerikanen over het – toen nog – wetsvoorstel. Ook zou Nederland bij de EU hebben gelobbyd voor een waarschuwing aan het adres van de VS, dat de tweespalt over het Internationaal Strafhof, “een negatieve invloed” kon gaan hebben op “het gezamenlijk optrekken bij het Midden-Oosten conflict.”

De meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met de uitleg van de minister, en stelde zich gerust met diens belofte dat Nederland er “uiteraard alles” aan zou blijven doen om de VS te ontmoedigen “een actieve, obstructieve politiek tegen het Strafhof te voeren, samen met onze partners in de Europese Unie en de overige landen die het statuut van Rome van het Internationaal Strafhof hebben geratificeerd.” Voor de Tweede Kamer leek daarmee de kous af. Afgezien dan voor Kamerlid Janssen van Raaij die de minister een vraag voorlegde waar deze niet meteen een antwoord op had: “Is er toen wij toestemming gaven voor het stationeren van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen en militairen op Nederlands grondgebied een afspraak gemaakt en, zo nee, is die alsnog te maken, dat zich in Nederland bevindende Amerikaanse krijgsmachtonderdelen in elk geval niet mogen worden gebruikt voor een interventie in Den Haag?” De minister antwoordde daarop, een maand later, in een brief: “Uit de verklaring van de VS van 12 juni 2002 blijkt dat de Amerikaanse regering zich geen situatie kan voorstellen waarbij de VS zouden terugvallen op militaire actie tegen Nederland. Er is dan ook geen reden om te komen tot een afspraak, zoals door de heer Janssen van Raaij wordt gesuggereerd.”

Invasiewet politiek dood

Op 2 augustus, een maand nadat het Internationaal Strafhof van start was gegaan, bekrachtigde toenmalig president George W. Bush de invasiewet. Van Aartsen was even daarvoor opgevolgd door CDA’er Jaap de Hoop Scheffer. Die werd niet naar de Tweede Kamer geroepen om zich te verantwoorden voor wat het kabinet nog had gedaan om de Amerikaanse president ervan te weerhouden zijn handtekening te zetten, of om de balans op te maken van de betrekkingen met de VS. Hij werd hooguit kritisch aan de tand gevoeld over zijn optreden inzake Irak. In zijn ijver het de Amerikanen naar de zin te maken, had hij zich al bereid verklaard een aanval op het land te steunen nog voordat de regering Bush zelf zover was.

Ook in de periode daarna kwamen geen tekenen uit de Tweede Kamer dat de invasiewet de volksvertegenwoordigers nog bezighield. Voor zover het kabinet nog met de wet in haar maag zat, werd het in elk geval niet langer aangemoedigd door de Kamer daar acties aan te verbinden. De Hoop Scheffer verruilde tijdens de jaarwisseling 2003/2004 zijn ministerschap voor de functie van secretaris-generaal van de NAVO, en partijgenoot Ben Bot volgde hem op. De invasiewet leek politiek dood te zijn verklaard. In de Kamerstukken uit de periode 2003 tot en met 2008 wordt althans niet één keer aan de wet gerefereerd.

Aanval op België

Voor zover er nog publiekelijk over de invasiewet werd gesproken, gebeurde dat niet in Den Haag, maar wel bijvoorbeeld in België, waar commentatoren in 2003 veelvuldig verwezen naar de The Hague Invasion Act. Dit omdat in de VS werd gewerkt aan een soortgelijke wet, de Universal Jurisdiction Rejection Act, die het de Amerikaanse president mogelijk moest maken België binnen te vallen. Niet vanwege het Internationaal Strafhof in Den Haag, maar vanwege de Belgische genocidewet, die Belgische rechtbanken het recht gaf overal ter wereld misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden te onderzoeken. De Amerikaanse wet, door de Belgen omgedoopt tot Brussels Liberation Act, kwam er uiteindelijk niet. Een dreigement van minister Donald Rumsfeld dat de VS het NAVO-hoofdkwartier in Brussel zouden sluiten, was voldoende om de Belgische politiek zover te krijgen dat deze de Genocidewet volledig introk.

Verdedigingswal Scheveningen

In 2003 waren er nog ludieke protesten op het Scheveningse strand. Een actiegroep genaamd Volksfront van Hogerhand bouwde een verdedigingswal om de Amerikanen op afstand te houden. Geestelijk vader van het Strafhof Benjamin Ferencz hees er, namens zijn land, de Amerikaanse vlag.

Twee lokale politieke partijen richtten later dat jaar een strook in voor landende Amerikaanse soldaten. De ‘D-Day strook’ werd gemarkeerd met Amerikaanse vlaggen en wijzers die de richting van het Strafhof aangaven. “Zo kunnen de badgasten ongestoord blijven liggen als de Amerikanen komen,” grapte PPS-raadslid Cees de Jager in een interview met De Telegraaf.

In 2004 verscheen er van de hand van Pieter Nouwen een roman getiteld De Pias van het Pentagon, over ene Amerikaanse president Push, die, nadat één van zijn adviseurs is vastgezet door het Strafhof, besluit Nederland binnen te vallen.

In 2005 diende bij de Haagse rechtbank een kort geding vanwege de komst van de Amerikaanse president naar Nederland. Namens een aantal geagiteerde organisaties en particulieren eiste mr. Meindert Stelling dat de president bij aankomst in de boeien werd geslagen, of, als de rechtbank dat een te rigoureuze maatregel vond, hem de toegang tot het land te ontzeggen. Stelling betoogde dat de The Hague Invasion Act een verkapte oorlogsverklaring was aan Nederland in het algemeen en aan de stad Den Haag, als vestigingsplaats van het Internationale Strafhof, in het bijzonder. “De Nederlandse regering gaat er ten onrechte van uit dat de Amerikanen onze vrienden zijn. Door dik en dun,” aldus Stelling. “Dat is een ernstige misvatting. Als ergens ooit het gezegde ‘liefde maakt blind’ opgaat, dan is het hier.” De vredesactivisten haalden echter bakzeil. De rechter vond dat er geen grond was om de president te arresteren of hem tot persona non grata te verklaren.

“Transatlantisch anker”

Het kort geding bij de Haagse rechtbank; de protestacties op het Scheveningse strand; een enkele journalist die zich nog drukte maakte, onder wie Karel van Wolferen, die in een gesprek met NRC zei dat de Nederlandse regering met de vuist op tafel had moeten slaan en desnoods had moeten dreigen uit de NAVO te stappen – veel leek er niet meer te doen rond de gewraakte invasiewet, in de eerste vijf jaar nadat Bush deze had bekrachtigd met zijn handtekening. De betrekkingen met de VS waren er op geen enkele manier door geschaad, getuige de uitspraak van minister Bot in 2005. Integendeel, deze waren er volgens hem alleen maar op vooruitgegaan. De Amerikaanse ambassadeur Sobel kon dat alleen maar beamen.

In het door Wikileaks gelekte ambtsbericht dat hij schreef, bij zijn afscheid in 2005, had hij niets dan lof over Nederland. En dan vooral omdat hij vond dat de Nederlanders de Amerikaanse belangen zo goed dienden, in Irak, in Afghanistan, in de NAVO, in de VN, in de EU. “De Nederlanders dienen als een belangrijk transatlantisch anker in Europa,” aldus Sobel. “Ze trekken samen met de Britten op om Frans-Duitse pogingen te dwarsbomen om Europa los te weken van zijn transatlantische koers. Het aanhalen van de Amerikaans-Nederlandse betrekkingen is van belang om er zeker van te zijn dat de Nederlanders voortgaan met het meekrijgen van anderen in het behartigen van belangen die in lijn zijn met die van de VS, in het bijzonder op politiek-militair gebied.” Zelfs in de ondermijning van het Internationaal Strafhof zag Sobel een belangrijke taak voor de Nederlanders weggelegd. Nederlanders hechten sterk aan hun eigen rechtsbeginselen, maar zijn tegelijk erg pragmatisch ingesteld, zo stelde hij. Die unieke combinatie maakte ze tot een belangrijke partner voor de VS in het gladstrijken van verschillen van inzicht met de EU over het Internationaal Strafhof en artikel 98-verdragen.

Hoop op Obama

Dat was in 2005. Twee jaar later, in 2007, werd minister van Buitenlandse Zaken Bot opgevolgd door zijn CDA-partijgenoot Maxime Verhagen, die zich eerder als Kamerlid scherp had uitgesproken tegen de invasiewet. “De Amerikanen weten dat ze goodwill hebben verspeeld,” zei Verhagen in 2008 in een interview met de Volkskrant. Hij noemde in dat verband Guantanamo Bay en de weigering van de regering Bush om het Kyoto-klimaatverdrag te tekenen. Verhagen sprak verder de hoop uit dat onder de nieuwe president, die dat jaar werd gekozen, de VS alsnog Kyoto zouden omarmen, meer waarde zouden toekennen aan de Verenigde Naties alsook ‘partij’ zouden worden in het Internationaal Strafhof.

Over de vraag van de Volkskrant of Verhagens voorkeur uitging naar de Republikeinse kandidaat John McCain of de Democratische kandidaat Barack Obama, daarover liet Verhagen zich – heel diplomatiek – niet uit. Maar het is vrijwel zeker dat hij zijn hoop had gevestigd op Obama, omdat die zich, anders dan McCain, had geprofileerd als multilateralist. Tot geluk van Verhagen werd het niet McCain, maar Obama.

Nadat Obama in januari 2009 was beëdigd, zag Verhagen zijn kans schoon, en toverde hij een onderwerp uit de hoge hoed dat vier opeenvolgende kabinetten Balkenende daar gedurende zeven jaar verborgen hadden gehouden: de The Hague Invasion Act. “Deze wet is uit de tijd en moet worden aangepast,” tekende het ANP op uit Verhagens mond, tijdens diens bezoek aan de VS, in april 2009. Hij zou die boodschap hebben overgebracht aan de Democratische afgevaardigde Chris van Hollen, die zich als medevoorzitter van een groep congresleden inzette voor goede betrekkingen tussen Nederland en de VS. Verhagen zei veder tegen de ANP-verslaggever blij te zijn met de betere samenwerking tussen de Verenigde Staten en het Internationaal Strafhof. Als voorbeeld daarvan noemde hij het onderzoek van het  Strafhof naar misdrijven in Darfur, het westelijk deel van Soedan, waarbij de VS in de VN-veiligheidsraad dwars hadden kunnen liggen, maar dat niet hadden gedaan, nota bene tijdens de tweede termijn van Obama’s voorganger Bush. “Ik hoop dat die trend zich zal voortzetten en dat dit ook zal leiden tot de herziening van de The Hague Invasion Act’,” zo sprak hij.

Verhagen bij Clinton

Het waren mooie worden, maar in hoeverre waren ze ook echt gemeend? De vorige dag nog had Verhagen een ontmoeting gehad met zijn Amerikaanse ambtsgenote Hillary Clinton. Zij was door de Amerikaanse ambassade in Den Haag goed voorbereid op de thema’s die Verhagen waarschijnlijk zou aansnijden: Guantanamo Bay en het Internationaal Strafhof. “Het sluiten van Guantanamo zal heel veel scepsis wegnemen van de Nederlanders over de Amerikaanse politiek ten aanzien van mensenrechten en burgerrechten,” schreef de ambassade haar in een later door Wikileaks gelekt ambtsbericht. “Verhagen zal u misschien ook om steun verzoeken voor het Internationaal Strafhof. De Nederlanders zijn er trots op thuisbasis te zijn voor het internationaal recht en gastland te zijn voor vele internationale rechtsorganen zoals het Internationaal Strafhof. Als u of de president een belangrijke aankondiging wilt doen over het Strafhof, of over Amerikaanse inzet voor internationaal recht en mensenrechten, dan is er geen beter podium dan Den Haag, Nederland.”

Maar wat schetste Clintons verbazing? Verhagen bracht noch Guantanamo, noch het Internationaal Strafhof ter sprake, laat staan de The Hague Invasion Act, blijkt uit een door Wikileaks gelekt verslag van de ontmoeting. De onderwerpen die wel besproken werden waren: de strijd tegen Somalische piraterij, de Nederlandse militaire inzet in Afghanistan, de hernieuwde deelname van de VS aan de VN-mensenrechtencommissie – en de herdenking van de exploratie van New York, 400 jaar daarvoor, door de Britse kapitein in VOC-dienst Henry Hudson.

Balkenende bij Obama

Waren dan Verhagens woorden, gesproken in Washington tegen een ANP-verslaggever, alleen maar bestemd voor de bühne, het Nederlandse thuisfront? Het heeft er alle schijn van. In juli 2008 volgde een bezoek van premier Balkenende aan president Obama. Een verslag hiervan ontbreekt helaas op de Wikileaks-website. Maar het is vrijwel zeker dat ook bij die gelegenheid de invasiewet onbesproken is gebleven. Uit een bericht dat de Amerikaanse ambassade Obama stuurde ter voorbereiding van diens onderhoud met de Nederlandse premier blijkt dat Balkende zich wilde “beperken tot vier belangrijke onderwerpen tijdens zijn ontmoeting met de president”. Dat waren: Afghanistan/Pakistan; de economische crisis/G20; het vredesproces in het Midden Oosten/Iran; klimaatverandering.

Het was in elk geval niet wat het thuisfront verwacht had. Dat ging er, na de paukenslag van Verhagen, eerder dat jaar, in zijn interview met het ANP, nog steeds blindelings van uit dat het kabinet de invasiewet op het hoogste niveau zou aankaarten bij de Amerikanen. “New York staat na de zomer bol van de feestelijkheden vanwege zijn vierhonderdjarige bestaan. Amsterdam en in bredere zin Nederland stonden aan de wieg van deze stad,” schreef Willem Post van Instituut Clingendael in Het Parool, enkele dagen na terugkomst van Balkenende in Nederland. “Alle aanleiding dus voor een gezamenlijk feest, maar helaas heeft de Amerikaanse volksvertegenwoordiging nog steeds niet de The Hague Invasion Act ingetrokken. Nog voor het zomerreces in augustus moet het Congres deze blamage van tafel vegen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken heeft onlangs in Washington in diplomatieke taal hetzelfde gezegd. Twee Congresleden zijn nu bezig een soort ‘feestresolutie’ te ontwerpen om de goede betrekkingen tussen de VS en Nederland nog eens te onderstrepen. Ik vertrouw daar niet op. De Nederlandse regering moet geen genoegen nemen met een slap epistel. In een resolutie moet klip-en-klaar staan dat de eerdere resolutie wordt ingetrokken en dat dus geen militaire middelen zullen worden ingezet als het Internationaal Strafhof in Den Haag Amerikaanse soldaten laat arresteren.”

Druk op de VS

De Amerikanen vriendelijk verzoeken de wet in te trekken, zou geen effect hebben, stelde CDA-Europarlementariër Wim van de Camp (CDA) in een interview met het TROS-radioprogramma Kamerbreed. Nederland moest druk zetten. Bijvoorbeeld door zich bereid te verklaren gedetineerden uit Guantanamo op te nemen op voorwaarde dat de VS het Internationaal Strafhof erkenden en de The Hague Invasion Act introkken.

Ook het CDA-kamerlid Coşkun Çörüz maande het kabinet druk te zetten op de Amerikanen. “De VS vragen ons deel te nemen aan de strijd tegen terrorisme. Wij vragen de VS lid te laten worden van het Internationaal Strafhof. Wat onderneemt de minister daarin?” Verhagen antwoordde dat hij de VS “meerdere malen” had aangesproken over het Internationaal Strafhof. En hij beloofde dat te blijven doen. “De eerste stap die gezet zal moeten worden, is de wijziging van de wetgeving die wij hier gekscherend de The Hague Invasion Act noemen.”

Toen later in dat jaar, 2009, SP-Kamerlid Harry van Bommel de minister vroeg naar de stand van zaken rond het Internationaal Strafhof en de invasiewet, antwoordde Verhagen dat, hoewel de nieuwe Amerikaanse regering “een positievere toon” aansloeg ten aanzien van het Strafhof, het er niet naar uitzag dat de VS “op korte termijn” zouden toetreden tot het Statuut van Rome, omdat hiertegen in het Amerikaanse Congres nog steeds veel weerstand bestond. Verhagen verwees verder naar zijn bezoek eerder dat jaar aan Washington, waarbij hij had aangedrongen op intrekking van de invasiewet. “Mijn gesprekspartners toen wezen erop dat de intrekking van deze wet voorlopig lastig ligt”, zo lichtte hij toe. “Tegelijkertijd is ook duidelijk te kennen gegeven dat er geen sprake is van een mogelijke invasie van Den Haag.” Verder herhaalde hij zijn belofte aan de Kamer: “De regering zal bij de VS blijven aandringen op intrekking dan wel aanpassing van de wet.”

Belofte van Verhagen

Verhagen gaf in het jaar daarop, 2010, het ministersstokje door aan Frans Timmermans (PvdA), die op zijn beurt werd opgevolgd door achtereenvolgens Bert Koenders (PvdA), Halbe Zijlstra (VVD) en Stef Blok (VVD). In hoeverre hebben zij de belofte van Verhagen waargemaakt? Wat hebben zij gedaan om de Amerikanen er toe te bewegen de invasiewet in te trekken? Deze ministers hebben zich hierover nooit hoeven te verantwoorden in de Kamer. Er zijn althans geen Kamerstukken uit de periode 2010-2019 waaruit blijkt dat de invasiewet onderwerp van gesprek is geweest tussen de Kamer en de opeenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken. Op de vraag van Novini aan het ministerie van Buitenlandse Zaken wat het kabinet vanaf 2010 heeft ondernomen inzake de invasiewet kwam een algemeen en ontwijkend antwoord. “Het Nederlandse standpunt is bekend bij de Verenigde Staten. Nederland brengt het belang van het Strafhof consistent onder de aandacht tijdens de reguliere diplomatieke dialogen met de VS,” aldus een voorlichtster van het ministerie.

“Strafhof al dood”

Het Internationaal Strafhof stond in 2018 weer even volop in de schijnwerpers. Dit vanwege het onderzoek dat het Strafhof wil doen naar oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid tijdens de oorlog in Afghanistan. Omdat de aanklaagster van het Hof, Fatou Bensouda, zich waarschijnlijk niet wil beperken tot misdaden begaan door de Taliban, maar ook Amerikaanse misdaden in het onderzoek wil betrekken, kwam uit Washington een ongemeen felle reactie. Nationaal Veiligheidsadviseur John Bolton dreigde met strafmaatregelen tegen de rechters en aanklagers van het Hof. Ze zouden door Amerikaanse rechtbanken worden vervolgd, hun banktegoeden zouden worden bevroren en ze zouden de VS niet meer inkomen. En niet alleen zij, maar elk bedrijf of land dat het Strafhof bijstaat in onderzoek naar Amerikanen zou worden gestraft. ” We zullen het Strafhof rustig laten sterven,” voegde Bolton daaraan toe. “In praktisch alle opzichten is het Strafhof voor ons immers toch al dood.”

Er volgden meteen de volgende dag reacties van de Franse en Duitse regering. “We staan pal achter het Internationaal Strafhof – in het bijzonder als het onder vuur komt te liggen”, verklaarde het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken. “Frankrijk, met zijn Europese partners, steunt het Internationaal Strafhof,” voegde het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken daar aan toe. “Het Hof moet zijn bevoegdheden kunnen uitoefenen, ongehinderd, onafhankelijk en onpartijdig, binnen het juridische kader van het Statuut van Rome.” Van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken kwam geen reactie, en dus vroeg CDA-kamerlid Martijn van Helvert minister Blok wat hij vond van de uitspraken van Bolton. “Stevige uitspraken, maar niet geheel nieuw,” antwoordde die. “De VS zijn vanaf het begin tegenstander geweest van het Strafhof, omdat zij niet willen dat hun eigen burgers daar berecht kunnen worden.”

“Invasiewet blijft gevaarlijk”

Twee maanden later richtten de VS opnieuw een dreigement richting Nederland. De Amerikaanse ambassadeur Pete Hoekstra dreigde met sancties tegen Nederlandse bedrijven als Shell, Boskalis en Van Oord vanwege hun betrokkenheid bij de aanleg van Nord Stream 2, een gaspijpleiding van Rusland naar Duitsland. Al snel bleek dat deze bedrijven niet hoefden te rekenen op steun van de Nederlandse regering. Die liet, bij monde van minister Blok, weten het conflict tussen de VS en de Nederlandse bedrijven niet te beschouwen als iets waar de Nederlandse overheid zich mee zou moeten bemoeien. “Nord Stream 2 is een privaat project,” zo verklaarde hij. “Als Nederlandse bedrijven daarbij betrokken zijn, en ik weet dat dat zo is, dan zullen zij in contact moeten treden met de Amerikaanse regering en moeten kijken wat de consequenties voor hen zijn.”

Kan het zijn dat de Nederlandse overheid ongeveer dezelfde redenering toepast op het Internationaal Strafhof? Het Strafhof is net als Shell, Boskalis en Van Oord geen Nederlandse overheidsinstelling. Beschouwt dus het kabinet het conflict dat de VS heeft met het Strafhof als iets wat haar primair niet aangaat?

http://www.novini.nl/the-hague-invasion-act-blijft-gevaarlijk/

Novini vroeg William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof in hoeverre Nederland de dreiging van een Amerikaanse invasie serieus moet nemen. “The Hague Invasion Act blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht,” antwoordde Pace. “Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie.”

Bovenstaand artikel is tot stand gekomen zonder subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten. Een subsidieaanvraag bij het Fonds werd afgewezen omdat het Fonds een Zwarte Lijst blijkt te hanteren, waar het de auteur van dit artikel aan toe heeft gevoegd.
Voor een verdere verdieping van het onderwerp had de auteur graag willen spreken met (oud-)diplomaten, (oud-)politici, (oud-)medewerkers van het Internationaal Strafhof en andere ingewijden. Ook had hij een WOB-procedure willen aanspannen om overheidsdocumenten boven tafel te krijgen. Maar aangezien er geen subsidie werd verstrekt, heeft hij zich voor zijn journalistieke onderzoek beperkt tot een literatuurstudie.

 

Posted on 1 Comment

Laat internationale jihadisten gewoon door Syrië berechten

Nu het rijk van ISIS, al Qaida en de andere salafistische moordenaars- en plunderbendes in Syrië en Irak ten einde loopt stelt zich de vraag wat er met hen moet gebeuren. Voor de VS en hun huurlingen van de YPG/PKK is dat simpel: De westerse landen moeten hen gewoon terugnemen en er daarna mee doen wat ze willen.

Een wel erg merkwaardige redenering. Deze uit allerlei landen van Indonesië over Mali tot Frankrijk, Nederland en België afkomstige huurlingen moeten niet in hun thuislanden berecht worden maar moeten hun gerechtigde straf krijgen in de landen waar ze hun zware misdaden begingen. En dat zijn Irak en Syrië.

Territoriale integriteit

Zowel Nederland als België onderhouden nog steeds officiële relaties met de regeringen in Bagdad en Damascus en dienen gewoon de rechten van die staten te respecteren zoals onafhankelijke naties horen te doen. Als een Syriër hier een moord begaat gaan we die toch ook niet naar Syrië sturen om hem ginds te laten berechten? Neen, dan is er werk aan de winkel voor de Belgische of Nederlandse rechtbanken. Toch heel simpel.

Wat Syrië in het Belgische geval kan en moet doen is zorgen voor juridische bijstand voor haar landgenoot. Hetzelfde voor diegenen die in Bagdad en Damascus voor de rechter zouden verschijnen waar onze ambassades dan legale bijstand moeten verlenen. Meer niet.

Abdoelhamid Abaaoud
Abdoelhamid Abaaoud, een van de Belgische ‘idealisten’ die het niet overleefden. Moeten wij zijn nog overlevende collega’s echter naar hier halen zodat zij in Syrië en Irak hun rechtmatige straf ontlopen? Het voorstel is een pure schande. Laat hen ginds verder rotten. Ze moesten nu eenmaal naar ginds vertrekken.

Zelfs al zijn het gruwels zoals Mehdi Nemmouche. Bijstand is essentieel. Worden zij vrijgesproken of krijgen zij effectief de doodstraf dan is dan niet onze zaak maar die van de rechtbanken in Syrië of Irak.

Bovendien is het weghalen van die jihadisten een grove schending van het internationaal recht. Wij hebben gewoon het recht niet om hen daar weg te halen. Het zou het schenden van de territoriale integriteit van die landen betekenen. En dat is op zich toch een crimineel feit.

Maar ja, in de redenering van onze westerse regeringen bestaat er niet zoiets als de onschendbaarheid van de Syrische of Iraakse grenzen. Wij zijn de meester en zij, de knechten, moeten naar onze bevelen luisteren. Dat is toch complete waanzin.

Syrisch garnizoen

We moeten simpelweg de zaak overlaten aan het gerechtelijk apparaat van die landen. Het is bovendien een grote besparing voor onze begrotingen en het betekent ook dat ze ginds blijven zitten in allerlei gevangenissen, eventueel wachtend op hun executie.

Verder is de Syrische staat, inclusief een stevig garnizoen van het Syrische leger, in dit gebied aanwezig zowel in de provinciale hoofdstad Hasaka als in het aan de Turkse grens gelegen Qamishli. Die moeten die zaak ter hand nemen. Laat hen gewoon hun werk doen.

Ook betekent dit dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de veiligheidsproblematiek hier. Wat kan gemakkelijker zijn? Onze politici moeten dan zelfs niet wakker liggen over een eventueel ongeruste publieke opinie. Ze kunnen zonder zorgen gaan slapen.

En het risico op een heel zware (dood)straf zal in die landen zeker groter zijn dan hier waar ze er misschien met vijf jaar – ‘mijnheer, ik was er ambulancier’ – van af komen. Want hoe verzamel je hier bewijslast tegen dat uitschot? Moeten wij onze al overbelaste magistraten en politiemensen hiermee nog gaan belasten? Kom nou!

Posted on

De omvang van de Russische aanwezigheid in Donbass

In een aantal video’s en rapporten van de afgelopen dagen legt de OVSE opnieuw de vinger bij de betrokkenheid van Rusland in het conflict in Oost-Oekraïne. De betrokkenheid van Rusland heeft tot veel kritiek uit westerse landen geleid. In dit artikel een korte weergave van de betrokkenheid van Rusland in het conflict in Oost-Oekraïne en de omvang hiervan. Daarnaast wordt ingegaan op een aantal juridische en ethische zaken die verband houden met de Russische aanwezigheid in Oost-Oekraïne.

De militaire aanwezigheid van Rusland in Oekraïne is op zich geen nieuws. Zelfs president Poetin heeft erkend dat er tot op zeker hoogte een Russische militaire aanwezigheid is in Oekraïne. Er blijft echter onduidelijkheid over hoever deze Russische militaire aanwezigheid precies gaat. In dat opzicht zijn een aantal recent gepubliceerde drone-beelden van de OVSE erg interessant.

Op de drone beelden is te zien hoe een colonne vrachtwagens vanuit grondgebied dat onder controle van de Volksrepubliek Donetsk en Loegansk staat in het midden van de nacht naar Russisch grondgebied toe rijdt. Eveneens is te zien hoe de colonne tegemoet wordt gereden door een konvooi vrachtwagens dat Oekraïne inrijdt. De videobeelden zijn bijzonder interessant omdat de beelden laten zien dat de colonne de Russische grens oversteekt. Wat de lading was die de vrachtwagens transporteerden is niet duidelijk. Wel moet erbij woren vermeld dat er in de DNR en LNR een avondklok geldt in verband met de oorlog.

In dezelfde week deed de OVSE nog een ontdekking. In een rapport maakte ze het volgende bekend:

In niet-door-de-overheid-gecontroleerde gebieden spotte op 28 juli een mini-drone vier verschillende elektronische oorlogsvoeringssystemen (een Leer-3 RB-341V, een 1L269 Krasukha-2 en RB-109A Bylina en een anti-drone systeem, Repellent-1) bij Tsjornuchyne (64 zuidwestelijk van Loegansk), allen werden voor de eerste keer gezien door de Waarnemingsmissie.

Voor al dit materiaal geldt dat het om gloednieuw Russisch materiaal gaat. De RB-109A Bylina bevindt zich zelfs nog in de testfase. De wapensystemen konden dus niet zijn buitgemaakt op het Oekraïense leger.

Dit is echter niet de eerste keer dat dergelijke beelden opduiken. Eveneens bekend is het verschijnen van een  modern Russisch wapensysteem Pantsir-S in Loegansk. Het gloednieuwe luchtdoelraketsysteem werd waargenomen in Loegansk rond de tijd van de slag om Debaltsevo. Ook hier gaat het om een wapensysteem wat niet door Oekraïne wordt of werd gebruikt en zodoende door Rusland moest zijn geleverd.

Pantsir-S anti-luchtsysteem rijdt door de straten van Loegansk in Februari 2015, rond de tijd van de slag om Debaltsevo.

Een ander voorval is toen de Engelse journalist Graham Phillips, die bekend staat om zijn positieve houding naar de DNR en LNR, in één van zijn video’s bij de slag om Debaltsevo in 2015 een colonne T-72B3M’s liet zien. Het gaat hier om de meest moderne versie van de T-72-tank die evenmin in gebruik is bij het Oekraïense leger en dus uit Rusland afkomstig was.

Daarnaast bestaat er een beroemde reportage van VICE News die sterk in de richting wijst van de aanwezigheid van reguliere troepen van het Russische leger. In de reportage reproduceert de journalist Simon Ostrovsky een aantal foto’s die gemaakt zijn door een officier van het Russische leger. Ostrovsky laat zien dat één van de foto’s van de desbetreffende dienstdoende officier hoogstwaarschijnlijk in Oost-Oekraïne is gemaakt ten tijde van de eerder genoemde slag om Debaltsevo.

De grenzen van de Russische militaire aanwezigheid

Met het bovenstaande is nog niet alles gezegd. De aanwezigheid van het Russische leger in Oost-Oekraïne wordt veelal groter voorgesteld dan ze naar alle waarschijnlijkheid is. Misschien wel het bekendste voorbeeld hiervan is een persconferentie van de Oekraïense president Porosjenko aan het begin van het conflict. Op de conferentie houdt Porosjenko o.a. een aantal Russische paspoorten omhoog en gebruikt dit om aan te tonen dat er Russische troepen aanwezig zijn in Oekraïne. Het beeld van Porosjenko met de paspoorten in de hand levert weliswaar mooie plaatjes, maar aantonen dat het Russisch leger massaal in Donbass aanwezig is doet het niet. Iedere Rus die het leger ingaat moet namelijk zijn paspoort inleveren en krijgt daarvoor in de plaats een militair biljet. Reizen naar het buitenland, buiten missies om, is daarmee niet mogelijk. Daarenboven kan de soldaat na zijn dienst vijf jaar het land niet uit.

(foto: Widmann/MSC)

De mediastunt van Porosjenko heeft daarentegen eerder het tegenovergestelde aangetoond: namelijk dat tussen de rebellen veel Russische burgers dienstdeden. (Overigens waren er aan de zijde van DNR en LNR niet alleen vrijwilligers uit Rusland, er waren ook Serven, Wit-Russen, Moldaviërs, Kazakken,etc.) Dit beeld werd bevestigd door de Amerikaanse journalist George Eliason die een invasief paspoort- en wapenonderzoek heeft uitgevoerd in het door rebellen gecontroleerde gebied in 2014, aan het begin van het conflict. Eliason geeft aan bij vele checkpoints te zijn gestopt die door het Prezrak-Bataljon werden gecontroleerd en daar checks te hebben uitgevoerd van paspoorten en wapens van soldaten. Hoewel hij ook een aantal Russische vrijwilligers is tegengekomen geeft hij aan dat Oekraïense paspoorthouders verreweg de meerderheid vormden. De grootste groep buitenlanders die hij bij elkaar aantrof waren tien Spanjaarden. Wat wapens betreft geeft hij aan dat het meest moderne wapen dat hij in die tijd is tegen gekomen een Kalasjnikov was van bouwjaar 1963. Het type wapen dat tegenwoordig door het Russische leger wordt gebruikt is begin jaren `90 geproduceerd.

In dit opzicht van Russische troepen in Donbass is de bewoording van het Amerikaanse State Department (ministerie van Buitenlandse Zaken) voor de milities van de LNR en DNR interessant. Het State Department refereert namelijk veelal aan de rebellen als ‘Russian-led forces’. Deze bewoording wordt onder andere gebruikt door de speciale afgevaardigde van de VS voor het conflict in Oekraïne, Kurt Volker, als de woordvoerster van het State Department Heather Nauert. Er wordt dus niet gesproken over het Russische leger, hoewel een lezer niet bekend met het onderwerp misschien wel met deze indruk achterblijft.

De woordkeuze van het State Department is in overeenstemming te brengen met het antwoord dat president Poetin eind 2014 heeft gegeven op de vraag van een Oekraïense man. Tijdens een Q&A-sessie die live werd uitgezonden op de Russische televisie deed de Oekraïner Poetin de groeten van twee Russische soldaten die zich vermeend in Oekraïense gevangenschap bevonden. Poetin antwoordde:

“We hebben nooit gezegd dat daar (in Donbass, red.) geen mensen zijn die zich daar bezighouden met het oplossen van bepaalde vragen, inclusief in de militaire sfeer. Maar dat betekent niet dat daar een aanwezigheid is van reguliere Russische troepen. Voel het verschil.”

De permanente aanwezigheid van Russen in de Donbass zal vermoedelijk commandanten betreffen (uitgaande van de woordkeuze van het State Department) en specialisten. Het is bijvoorbeeld onwaarschijnlijk dat het hierboven besproken Pantsir-S luchtdoelraketsysteem wordt bediend door lokale soldaten. Om een dergelijk systeem en elektronische oorlogsvoeringssystemen te bedienen is een aanzienlijke training nodig die niet voorhanden is in de DNR of LNR. Ook kan gedacht worden aan de aanwezigheid van Russische speciale eenheden of trainers.

Voor de permanente inzet van het reguliere leger zijn echter geen aanwijzingen. Weliswaar hebben reguliere formaties van het Russische leger hoogstwaarschijnlijk een rol gespeeld in de slag om Ilovaisk en de eerder genoemde slag om Debaltsevo (zie: Gordon M. Hahn, Ukraine over the Edge, p.272-275), op andere momenten zijn er echter geen aanwijzingen dat het reguliere Russische leger aan gevechten heeft deelgenomen in Oekraïne.

Ondanks dat zijn de tussenkomsten van het Russische leger wel op belangrijke momenten gekomen. Tijdens de slag om Ilovaisk zou, zonder de tussenkomst van het Russische leger, de DNR gevallen zijn. Tijdens de slag om Debaltsevo in februari werd een belangrijk spoorwegknooppunt, dat het in december had ingenomen, op Oekraïne heroverd.

Internationale kritiek op Rusland

Met haar steun aan de zelfuitgeroepen volksrepublieken in Oost-Oekraïne heeft Rusland veel kritiek geoogst. Overigens beperkt zich deze kritiek niet alleen tot de militaire steun, maar wordt ook de humanitaire steun die Rusland de DNR en LNR geeft bekritiseerd. Die hulp betreft bijvoorbeeld voedsel, medicijnen en schoolboeken. Volgens internationaal recht is de militaire steun aan de DNR en LNR inderdaad illegaal. Wat echter opvalt is het grote verschil in perceptie in de westerse wereld van wat Rusland in Oekraïne doet in vergelijking met de veelvuldige inmenging van westerse landen in de binnenlandse aangelegenheden van derden.

Het is bijvoorbeeld geen geheim dat de VS in de jaren ’80 de Taliban steunden toen deze verwikkeld waren in een oorlog met o.a. de Sovjet-Unie in Afghanistan. Ook de steun van de VS aan het UÇK in Kosovo is algemeen bekend en is nooit serieus veroordeeld in westerse landen. Actueler is de steun van de Verenigde Staten aan de Koerden in het noordoosten van Syrië. En daarvoor hun steun aan het Vrije Syrische Leger en de westerse bombardementen op Syrië. Dit alles is ook niet in overeenstemming met het internationale recht.

Hoewel Rusland door westerse landen wordt bekritiseerd voor hun steun aan ‘dictator Assad’, is de militaire aanwezigheid van Rusland in Syrië wel legaal. Dit komt omdat het Russische leger op uitnodiging van Syrische regering naar het land is gekomen. Voor de Verenigde Staten is dit niet het geval, Syrisch Koerdistan, voor zover zij de VS hebben uitgenodigd, is geen erkende staat, ook niet door de VS zelf. Eveneens geldt dat de oorlogen die zijn gevoerd door westerse landen tegen andere landen (zoals bijvoorbeeld de oorlogen in Irak en Afghanistan) tegen het internationaal recht ingaan.

Er is een reden voor het verschil in perceptie in het westen van bijvoorbeeld de aanwezigheid van de VS in Syrië of haar handelen in Irak toen de oorlog uitbrak, in vergelijking met de aanwezigheid van bijvoorbeeld Rusland in Oekraïne of in Georgië. In het westen worden veel oorlogen namelijk als humanitaire interventies gepresenteerd (als ‘goede’ oorlogen) die moeten worden gevoerd om een bevolking te beschermen, vrijheid en democratie te brengen, te vechten tegen een dictator, etc. Welke oorlog een ‘goede’ oorlog is en welke oorlog een ‘slechte’  wordt hier aan de lezer overgelaten. Maar of een oorlog ‘goed’ of ‘slecht’ is zegt niets over de legaliteit van een dergelijke oorlog, het internationale recht is hier vrij duidelijk over: Internationaal-rechtelijk is de militaire aanwezigheid van een land op het grondgebied van een ander land pas gerechtvaardigd als het ofwel door de VN gesanctioneerd wordt op grond van massale mensenrechtenschendingen óf het land wordt uitgenodigd op het grondgebied. Dit betekent dat de Amerikaanse aanwezigheid in Syrië evenals de Russische aanwezigheid in Oekraïne illegaal is.

Indien het standpunt wordt ingenomen dat als een oorlog ‘goed’ is, het internationaal recht voor lief mag worden genomen, dan moet echter ook worden gekeken naar de situatie waarin de Donbass-oorlog zich heeft afgespeeld. In dat geval moet in het achterhoofd worden gehouden dat westerse landen openlijk hun steun hebben gegeven aan de staatsgreep die in Kiev heeft plaats gevonden. Het daaropvolgende verbod van politieke partijen die meer georiënteerd waren op federalisering van Oekraïne kan ook dienen om een ‘humanitaire interventie’ te bepleiten. Andere pijnpunten zijn: het voorstellen van het afschaffen van de officiële status van de Russische taal, wat veel kwaad bloed heeft gezet onder de bevolking van de Donbass; het afzetten van de president en het instellen van de interim-regering had geen grondwettelijke basis en beslissingen zijn door het parlement gemaakt onder druk van geweld; het sturen van het leger naar de demonstranten in Donbass ondanks dat er amper onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen de demonstranten en de regering. Ook de aanslag op het vakbondsgebouw in Odessa van 2 mei 2014 en het gebrek aan vervolging van de daders zouden stuk voor stuk goed kunnen dienen als argumenten voor een ‘humanitaire interventie’ van Russische zijde.

De houding van het Westen tegenover het conflict in Oekraïne staat in schril contrast met de houding ten opzichte van het conflict in Libië of Irak: daar waar schendingen van mensen- en burgerrechten in de laatste voorbeelden in het westen als moverende redenen voor interventie gezien worden, zijn de bovengenoemde zaken in Oekraïne niet serieus opgepakt door westerse landen. Veelal genieten deze feiten zelfs amper bekendheid.

Betekent Russische aanwezigheid oorlog?

Niet verrassend blijft de Oekraïense houding ten opzichte van de militaire betrokkenheid in Donbass onverminderd hard. Door Oekraïense politici en media wordt aan de Donbass (maar ook de Krim) gerefereerd als de ‘tijdelijk bezette gebieden’. Veelal wordt er gesproken over ‘Russische agressie’ en ‘Russische militaire aanwezigheid’ en wordt er in hun taalgebruik geen onderscheid gemaakt tussen de soldaten die voor het overgrote deel lokale burgers zijn en de Russische specialisten, commandanten en materieel.

De houding van Oekraïne naar het conflict in Donbass kwam recent opnieuw aan het licht toen Deutsche Welle aan de oorlog in de Donbass refereerde als zijnde een burgeroorlog. Er werd vervolgens een mediaoffensief opgezet vanuit Oekraïne dat Deutsche Welle haar woordgebruik over een ‘burgeroorlog’ zou moeten aanpassen. In deze campagne heeft ook de Oekraïense woordvoerster van het ministerie van buitenlandse zaken Mariana Betsa zich gemengd. Het resultaat is dat Deutsche Welle uiteindelijk haar woorden heeft aangepast als zou het conflict in Donbass geen burgeroorlog zijn.

Er valt wat te zeggen voor het gebruik van de term ‘oorlog’ voor het conflict in Oost-Oekraïne. Maar om de term ‘burgeroorlog’ te vermijden gaat voorbij aan het lokale karakter van de opstand in Donbass. Rusland steunt de DNR en LNR weliswaar, ook met militaire middelen. Sterker nog, zonder Rusland zouden de volksrepublieken niet kunnen bestaan vanwege de sancties vanuit Kiev. Maar het is hetzelfde als zeggen dat de burgeroorlog in Kosovo geen burgeroorlog is maar een oorlog door de steun van de VS aan het UÇK. Eenzelfde soort argument kan worden gebruik voor de situatie in Tsjetsjenië, Libië, Jemen etc. stuk voor stuk conflicten die in het Westen algemeen als burgeroorlog worden beschouwd. Een groot deel van de achterliggende problemen gaat verloren door het conflict een oorlog te noemen waarin alleen Rusland moet stoppen.

Een peiling die vorig jaar is afgenomen in de DNR legt dit bloot. Daarin wordt opnieuw stil gestaan bij het referendum dat in 2014 werd gehouden in de DNR. Van de stemmers heeft destijds 89% voor gestemd voor ‘de akte van staatsonafhankelijkheid van de Volksrepubliek Donetsk’, 10% stemde tegen. Na drie jaar oorlog geeft slechts 55% van de deelnemers van de peiling aan nog steeds hetzelfde te zullen stemmen indien een dergelijk referendum opnieuw zou worden gehouden. De overige 45% stemt tegen. Op de vraag echter welke toekomst voor de DNR door de respondenten van de enquête wordt geprefereerd geeft 65% aan deel te willen worden van Rusland, 18% zou onafhankelijk of met de LNR verder willen, slechts 11% wil terug naar Oekraïne (9% onder voorwaarde van autonomie of in een confederatie).

Hoewel Rusland de zelfuitgeroepen Volksrepublieken in Oost-Oekraïne steunt, inclusief met (beperkte) militaire steun, lijkt de militie in de Volksrepublieken voornamelijk te bestaan uit lokale krachten. Alleen op kritieke momenten zijn deze versterkt door Russische reguliere legereenheden. Dit doet er echter weinig af aan dat er sterke aanwijzingen zijn dat de lokale bevolking weinig sympathie heeft voor een terugkeer naar Oekraïne. Het conflict in Oost-Oekraïne heeft daarom het karakter van een burgeroorlog.

Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

De islam is het probleem niet

Meegaan in het anti-islam discours staat in de weg van een kritische zelfreflectie van onze samenleving.

Voor velen is dit misschien al meteen vloeken in de kerk. De golf van gewelddadige incidenten en aanslagen volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Parijs, Brussel, Nice, München … één constante is telkens aanwezig: het is weer een moslim en de motieven zijn meestal geheel of gedeeltelijk religieus geïnspireerd. Volledig terecht komt dan de vraag bij veel mensen op of de islam de oorzaak is van deze golf van geweld. Ik ga geen moeite doen om de rol van de islam te ontkennen in al wat er gebeurt qua aanslagen in Europa en elders in de wereld. Dat de laatste jaren de meerderheid van de aanslagen gebeuren met een religieus motief valt ook niet te ontkennen. Dit telkens weer proberen te bestempelen als een alleenstaand geval, een lone wolf-verhaal, is alleen maar geloofwaardig als dit soort aanslagen daadwerkelijk een uitzondering zou zijn. Toch is het te simplistisch en zelfs contraproductief om het vijandsbeeld van de islam als uitgangspunt te nemen in je politieke visie.

Wat feitelijk al onjuist is, is de islam als één geheel te beschouwen. Net zoals in het christendom zijn de beschouwingen binnen de islam zeer divers. Daarvoor moeten we zelfs geen theologische discussie voeren, de chaos in grote delen van het Midden-Oosten spreekt daar boekdelen van, evenals de aanslag van een Iraniër op voornamelijk soennitische moslims in München. Niet alle moslims zijn aanhangers van het jihadisme, de meerderheid is er zelfs mede het slachtoffer van. Dat een significant gedeelte dit wel steunt, is een niet te ontkennen realiteit, maar daar kom ik later op terug.

Zelfreflectie

De voornaamste reden voor mij om niet mee te gaan in het anti-islam discours is dat dit in de weg staat van een kritische zelfreflectie van onze samenleving. ‘Het is die groep zijn schuld’ is meteen de schuld van onze eigen samenleving afschuiven. Het is een gemakkelijk verhaaltje om de oorzaken extern te leggen.

Bovendien is een ideologie op zich nooit gevaarlijk. Nu maakt u wellicht de vergelijking met de rampzalige jaren 30-40, wat nogal vaker gedaan wordt als het over een vijandsbeeld gaat. Het nationaalsocialisme is vandaag vrij onschadelijk als ideologie, omdat het weinig voedingsbodem heeft en de maatschappelijke omstandigheden zich er niet toe lenen om van een dergelijke ideologie ook een heersende ideologie te maken. Men kan gemakkelijk Mein Kampf in een boekenrek laten liggen, de meerderheid zal het eens vastnemen uit historisch perspectief. Maar bang zijn dat een significant deel van de bevolking daarin zou geloven is er niet. Waarom waren er geen islamitische aanslagen op ons territorium in de jaren 20, of in de jaren 60, of pakweg vorige eeuw? De vraag stellen wie of wat dit probleem heeft mogelijk gemaakt, is relevanter dan te zoeken naar de motieven van de daders.

De huidige golf van islamitisch geweld los bekijken van de grote migratiestromen en mislukte integratie van de afgelopen pakweg 40 jaar naar Europa zou al minstens even dom zijn als ontkennen dat de aanslagen gebeuren met een jihadistisch perspectief. Dat er telkens ook een verband is met een slechte justitie, zowel in België als Frankrijk valt evenzeer op. Als laatste hebben we ook de geopolitieke realiteit en instabiliteit in het Midden-Oosten, die meestal de veiligheid op eigen bodem niet ten goede komt.

Enkele decennia geleden, na de overwinning op het communisme bij de val van de muur, dacht een groot deel van de westerse bevolking dat de geschiedenis zijn eindpunt had bereikt. Althans de geschiedenis van de ideologieën. Een abstracte discussie over ideologie werd naar achter geschoven, en in de plaats werd het heel logisch om vanuit ons ‘superieur’ maatschappijbeeld de wereld te beschouwen. Politieke discussies werden discussies tussen centrumlinks of centrumrechts, maar een politieke partij of beweging die het politiek systeem zelf in vraag durfde te stellen werd weggezet met epithetons als ‘extreemlinks’ of nog beter ‘extreemrechts’. Het beleid werd bepaald vanuit het centrum, de ene keer wat meer toegevingen voor links, de andere keer voor een wat rechtser beleid.

Op geopolitiek vlak moest en zou heel de wereld ons model van democratische waarden aanvaarden en respecteren. Als gevolg hebben we heel wat ‘dictators’ gedestabiliseerd, en landen in burgeroorlog gestort. Op vlak van justitie zijn we zodanig beginnen te geloven in de goedheid van de mens dat we meestal veel te laat komen om te voorkomen dat recidivisten telkens weer gewelddadiger toeslaan.

Als we met een kritische zelfreflectie naar ons huidig politiek systeem kijken, kunnen we niet anders dan vaststellen dat de aanslagen een aantal van deze steunpilaren en gevoeligheden onder druk plaatsten. Is het dan geen schuldig verzuim van onze politici en intellectuelen die de oorzaken van de problemen hebben gezien en laten groeien?

Vrije migratie onder druk

Op vlak van migratie is er al jaren de kritiek te horen dat dit in grote getallen negatief zou zijn op vlak van onder meer veiligheid, maar tot op vandaag doet men een aardige poging om dit gelijk te stellen met xenofobie en racisme. Het cordon sanitaire is trouwens nog steeds aan de macht en het lijkt voor velen ondenkbaar dat Vlaams Belang of Front National zou meedoen aan het beleid omwille van die reden. Dit is onlogisch aangezien stilaan meer en meer mensen toch dezelfde argumenten beginnen over te nemen. Echter is het logisch als we ermee rekening houden dat vrije migratie één van de pijlers is van ons huidig politiek systeem.

Naast de migratiediscussie is een discussie over integratie vandaag relevant. De migratie van de afgelopen decennia is ook niet meer weg te denken. Wat moet een Syriër, Afghaan of een Chinees eens hij het recht heeft om zich te vestigen, en hoe zit het met de tweede en derde en zelfs vierde generatie? De migratiecrisis is niet ontstaan sinds het conflict in Syrië. We hebben vandaag zeker zoveel problemen met nakomelingen van migranten, die hier zijn opgegroeid. Een groot gedeelte van de derde en vierde generatie nakomelingen van de tweede migratiegolf zitten met een serieuze identiteitscrisis. Velen voelen zich geroepen om een heilige jihad te gaan vechten in Syrië, Lybië of Irak of keren zich rechtstreeks tegen de samenleving waarin ze alle rechten krijgen van volwaardige burgers, anderen houden zich dan maar bezig met kleine of grote straatcriminaliteit. Het ene ligt vaak in het verlengde van het andere. De meeste integratieproblemen lijken zich alweer te stellen met moslims.

Als we moslims hun geloof laten gebruiken om zich niet te integreren in onze samenleving, wil dat zoveel zeggen als dat we zelf accepteren dat onze cultuur geen alternatief is voor hun cultuur. Als we vandaag kijken naar de binnenlandse rellen na de mislukte staatsgreep in Turkije, kunnen we het resultaat zien van ‘onze Turken’ die na drie of vier generaties nog steeds onze belangen en onze gemeenschappelijke toekomst niet erkennen boven die van hun afkomst. Dit is een rechtstreeks gevolg van onze aanvaarding van groepen die hier komen migreren en hun eigen collectief bewustzijn niet vereenzelvigen met het land waarin ze terechtkomen. De dubbele nationaliteit die nog steeds in Belgische wetgeving mogelijk is, is een tekenend voorbeeld dat op vlak van integratie niets is veranderd. Hoe kan het ook zijn dat een politieagent, een leraar of een ambtenaar nu aan twee naties trouw kan zijn?

Onveiligheid en justitie

De Witte Mars door Brussel in oktober 1996 is een nooit geziene gebeurtenis. Op dat moment kwamen er een paar honderdduizend mensen op straat om een rechtvaardige justitie te eisen. Vandaag stellen we vast dat justitie op dat vlak nog steeds een even grote puinhoop is. Hoe kan het zijn dat figuren die met zware oorlogswapens op politieagenten schieten niet beter worden opgevolgd? Of dat ondanks zoveel inlichtingen over gevaarlijke individuen zij niet eerder worden tegengehouden? Meestal blijkt daags na de aanslagen dat ze al op zijn minst ‘gekend waren door het gerecht’. We doen er echter niets mee.

Hoe kan het dat we er niet in slagen illegale wapenhandel te verhinderen, ondanks zo’n strenge blik op legale wapens? Volautomatische vuurwapens zijn zelfs toevallig te vinden in de parkjes in Brussel, althans als we bepaalde verklaringen mogen geloven. De werving van terreurgroepen als IS, loopt niet enkel via de moskeeën maar via gevangenissen. Men zou denken dat we een grote concentratie van criminelen die in gevangenschap worden genomen omwille van de veiligheid van de samenleving dan toch beter in het oog houden? We stellen telkens opnieuw vast dat justitie en de veiligheidsdiensten er zijn om achteraf naar motieven te zoeken.

Geopolitieke verschuivingen

De Arabische lente was ogenschijnlijk de eindelijke verwestering en democratisering van het Midden-Oosten. Echter stellen we nu vast dat daar ofwel nieuwe dictaturen zich hebben gevestigd, in het beste geval, ofwel er nog steeds een burgeroorlog is. Het Westen blijft zich vasthouden aan een verzameling rebellengroepen steunen die ogenschijnlijk rondlopen met de naam ‘democratische militie’, maar in de praktijk ofwel meteen worden weggevaagd en hun nieuw wapentuig geleverd door ons in handen valt van IS of Al Nusra, ofwel zelf overlopen naar IS of Al Nusra.  Diezelfde strategie van destabilisering blijven we steevast volhouden als het de agenda van de Verenigde Staten uitkomt. Is het nu nog niet duidelijk geworden dat instabiliteit in die regio’s dan onze veiligheid evenzeer in gevaar brengt, of dit net weer meer grote migratiestromen met zich meebrengt? Dan zwijgen we nog maar over de humanitaire ramp die we voor de regio’s in kwestie veroorzaken. Toch blijven we als NAVO-bondgenoten trouw aan de VS-strategie, en gaan we met een paar F-16’s nog maar eens in de weg lopen in Syrië en Irak. Frankrijk en België worden op hun eigen grondgebied aangevallen door hier opgegroeide moslims en het enige wat onze leiders weten te verzinnen is: ‘We gaan ISIS bombarderen in Syrië in Irak’. Met andere woorden: we gaan ginder nog meer bommen gooien – maar hier willen we vooral niets veranderen. Er is geen grondrecht op een eenzijdige oorlog, maar dat hebben onze ministers van Defensie nog steeds niet door.

Er is trouwens wel wat aan de hand, als je de machtsverhoudingen wereldwijd bekijkt. Bij de aanslagen van 2001 op het WTC was er één baas op wereldschaal, één oppermachtige natie op militair vlak, de Verenigde Staten. Zij hadden zoveel militaire middelen ter beschikking om de war on terror aan te vatten. Er was gewoon geen geloofwaardig alternatief. De grote vijand van de Koude Oorlog had het communisme achterwege gelaten en zolang een Boris Jeltsin en een paar corrupte oligarchen aan de macht bleven, was er geen zorg voor concurrentie. Vandaag is die situatie lichtjes anders. Het Midden-Oosten pikt de bemoeienissen niet meer van de VS. Als de VS er al eens in slagen om een staatshoofd aan de macht te krijgen, bijt die de hand die hem wist te voeden. Elders kiezen ze resoluut van een antiwesterse koers. Rusland is terug een wereldmacht. Met een sterke leider als Poetin weten we sinds Oekraïne, maar eigenlijk al eerder sinds Georgië in 2006, dat we hem beter niet te veel kunnen treiteren. Rusland heeft ook één voordeel, ze zijn van het communisme af. Dit wil echter nog niet zeggen dat ze het het liberalisme zomaar aanvaarden, al kunnen we hier nog veel verder over uitweiden. We zullen dan nog maar zwijgen over China, die de afgelopen decennia de sterkste groei kende op economisch vlak. De groeilanden zijn ook niet van plan zich braafjes aan de leiband te laten houden door de VS. Hoewel er ook positieve elementen te melden zijn aan het Amerikaanse (economische) herstel, zal het zich moeten neerleggen met het feit dat het niet de alleenheerser meer is op zowel economisch als geopolitiek vlak.

Niet naïef

Om terug te komen op mijn inleiding, ik ben verre van naïef en zal niet ontkennen dat het ‘toch weer eens moslims’ zijn. Maar ik ben evenmin naïef om te vergeten dat de oorzaken van dit probleem liggen bij het beleid dat we al jaren volgen, en onze politici die pertinent weigeren dit aan te passen. Ik laat me dan ook niet voor de kar spannen om hen te ontzien van dit schuldig verzuim.

Ons huidig politiek systeem staat onder druk. Als we ons beleid niet dringend een grote wending geven in een andere richting, blijven we achter de feiten aanlopen. Dan zijn nog meer aanslagen het gevolg en dreigen we definitief te verzanden in een burgeroorlog. We hebben nu vooral een kritische zelfreflectie nodig en zeker ook een ander beleid.

Een halt aan de grote migratie influx, een andere en minder naïeve visie op integratie, een kordate en strenge justitie en een geopolitiek gebaseerd op nationale soevereiniteit. Dit is niet waar we nu mee bezig zijn en met de oorzaak van de problemen kortweg bij ‘de islam’ te leggen zijn we onszelf aan het ontslaan van de plicht om hier ook daadwerkelijk iets aan te wijzigen. Voor mij moet er geen genade zijn voor de jihadisten die in de naam van de islam hier aanslagen willen komen plegen of dit willen faciliteren. Maar evenmin genade voor de politici, intellectuelen en mediagroepen die dit probleem veroorzaken en nog steeds weigeren om de fout op zijn minst gedeeltelijk bij zichzelf te leggen.

Dit artikel is oorspronkelijk verschenen op Doorbraak.be

Posted on 1 Comment

Waarom de mislukte Turkse couppoging geen “valse vlag” machtsgreep door Erdogan was

Door Andrew Korybko, vertaling door Anneke de Laaf

De mislukte couppoging tegen President Erdogan heeft een wervelwind aan opgewonden polemieken veroorzaakt in de alternatieve informatiekanalen, wat heeft geleid tot de totstandkoming van twee concurrerende hypotheses. De auteur heeft eerder al zijn eigen analyse gepubliceerd, dat de couppoging in werkelijkheid een onzorgvuldige, wanhopige poging van de VS was om koortsachtig de alles-veranderende geopolitieke consequenties van de recente, verrassende Russisch-Turkse detente te neutraliseren, maar de andere hoofdtheorie die de ronde doet is dat dit een valse vlag poging was van Erdogan om meer macht te grijpen.

De Valse Vlag Theorie

Er zijn talrijke redenen waarom dit geloofwaardig is, niet in het minst vanwege Erdogan’s betrokkenheid bij andere valse vlag operaties, zoals de afgebroken aanval in 2014 op de Süleyman Shah tombe in noord Syrië als voorwendsel voor het lanceren van een grootscheepse aanval. De sterke man van Turkije is ook beschuldigd van betrokkenheid bij de terroristische bommencampagne die uitbrak in het zuidelijk deel van het land afgelopen zomer en die uiteindelijk is gebruikt als excuus om opnieuw de Koerden aan te vallen.

Voorstanders van de “valse vlag coup” theorie wijzen naar Erdogan’s onmiddellijke vergelding op politieke tegenstanders als aannemelijk bewijs dat hij het machtswisselingsdrama in zijn land zelf geïnitieerd heeft om hem zo een excuus te geven om zuiveringen door te voeren en de islamisering van de bij grondwet seculiere staat te voltooien.  Maar in werkelijkheid was het al in brede laag bekend dat de President een lange lijst van politieke vijanden had die hij een voor een afhandelde en dat de op de Moslim Broeders geïnspireerde ‘Salafizatie’ van de maatschappij geleidelijk mogelijk was gemaakt door internationaal erkende “democratische” middelen (hoe gebrekkig en gemanipuleerd ze ook mogen zijn). Erdogan had geen “valse vlag coup” nodig om deze jaren durende en breedvoerige agenda voort te zetten, hoewel het ongetwijfeld zijn plannen heeft versneld.

Bij het weerleggen van de “valse vlag coup” theorie is het relevant om te onthouden dat Erdogan de volleerde politicus is die nooit een kans mist om een crisis te benutten voor zijn eigen profijt. Nadat hij zijn macht opnieuw deed gelden in de nasleep van de mislukte coup, zag Erdogan een ongekende kans om al zijn vijanden in een keer uit de weg te ruimen, wat precies is dat hij nu aan het doen is. Uiteraard bewijst dit nog niet noodzakelijkerwijs dat hij niet “betrokken” was vanaf het begin.

Een redelijke verfijning van de theorie

Als we deze aantijgingen voor een moment in overweging nemen en een iets redelijkere benadering toevoegen, zou je kunnen zeggen dat het theoretisch mogelijk is dat Erdogan zich inderdaad bewust was dat er actief aan een coup tegen hem werd gewerkt, maar tot de conclusie is gekomen dat het beter was om het zwakke en al gecompromitteerde plan te laten uitspelen om zijn tegenstanders zo te verpletteren en vervolgens de opportune voordelen te oogsten. Dit zou in zekere zin vergelijkbaar zijn met de situatie rondom Pearl Harbor en volgens sommigen zelfs 9/11, waar de Verenigde Staten wisten dat een aanval aanstaande was, maar een diepgeworteld, alles overstijgend strategisch belang hadden om het desondanks toch te laten gebeuren.

De auteur onderschrijft deze benadering waar het Turkije betreft niet per se, het lijkt een te bovenmatig riskante gok zelfs voor Erdogan (die een geschiedenis heeft van zulk roekeloos gedrag), maar als we deze theorie voor het moment accepteren is het zelfs voorstelbaar dat hij door de Russische geheime dienst is gewaarschuwd over wat op het punt stond te gebeuren. Moskou zou de details van het plan hebben kunnen aanbieden als blijk van vertrouwen in aanloop naar de alles-veranderende – “game-changing” – Russisch-Turkse detente, en ook omdat Rusland niet wilde dat de VS en zijn bondgenoten haar de schuld in de schoenen zou kunnen schuiven als de coup zou mislukken.

Erdogan, ontstoken in razernij omdat de VS probeert zijn aanstaande vernederende ondergang live op tv te orkestreren, zou zich daarop hebben kunnen committeren aan de geleidelijke heroriëntatie van zijn land op Eurazië, wel wetend dat hij daarvoor een publiekelijk verdedigbare reden zou moeten hebben, ergo toestaan dat het geschonden Amerikaanse plan doorgaat zodat hij het direct kan verpletteren en gebruiken om de draai in het buitenlands beleid van zijn land te rechtvaardigen.

Acties spreken luider dan speculatie

Hoe dan ook, of Erdogan nu volstrekt overvallen werd door de coup of van tevoren al besloot er zijn voordeel mee te doen, de opeenvolgende gebeurtenissen die zich afspeelden in de nasleep van de coup bieden overtuigend bewijs dat de poging tot gedwongen machtswisseling door de VS gedirigeerd werd.

De Turkse minister van Arbeid Suleyman Soylu zei dit zelfs openlijk, maar Premier Binali Yildirim was diplomatieker toen hij over Gülen zei: “Ik zie geen enkel land dat zich achter deze man zou scharen, deze leider van een terroristische bende, vooral niet na afgelopen nacht. Het land dat achter deze man zou staan is geen vriend van Turkije. Het zou zelfs een agressieve daad tegen Turkije zijn.”  De gelijktijdige de facto neutralisatie van de Amerikaanse luchtmachtbasis Incirlik door het instellen van een ‘no-fly zone’ (hoewel het zo niet formeel genoemd wordt), het afsluiten van de elektriciteit van alle faciliteiten daar en de arrestatie van  de bevelhebber ter plekke Generaal Bekir Ercan Van op het terrein van de basis vanwege zijn betrokkenheid bij de coup zijn een sterke indicatie dat dit niet slechts een geënsceneerde, melodramatische machtsgreep door Erdogan is, maar het beginstadium van een serieuze geopolitieke heroriëntatie weg van de VS.

Of de VS in Incirlik blijft of niet is feitelijk niet het twistpunt, omdat de diepe symboliek van wat zich nu ontvouwt veel substantiëler is dan de fysieke aanwezigheid van het Pentagon ter plaatse. Nooit eerder in de geschiedenis is de VS afgesloten geweest van de eigen nucleaire wapens, wat feitelijk gebeurd is met de ‘no-fly zone’ en het uitschakelen van de elektriciteit op Incirlik. Erdogan probeert op de meest memorabele manier met de grootst mogelijke impact duidelijk te maken dat hij de Sultan van heel Turkije is — inclusief Incirlik — en dat hij niet zal tolereren dat de basis gebruikt wordt tegen hem door actief coupplegers te helpen en te verbergen. In antwoord op dit ondenkbare gebrek aan respect door een voormalige quisling is de VS nu bezig met een boosaardige Hybride Oorlog aanval op Erdogan, een aanval die zelfs kan escaleren tot een niveau waarbij Turkije geopolitiek opgedeeld wordt en de 70 miljoen inwoners van het Neo-Ottomaanse “Kalifaat” in de hete ketel van de chaos worden geworpen, een chaos die dan strategisch tegen Rusland en Iran ingezet kan worden.

Bewapening van de Turkse gevechtsruimte tegen Rusland en Iran

Deze beide multipolaire naties zijn zich zeer wel bewust van hoe de VS hen wil destabiliseren vis-a-vis de verbreiding van de verwoesting van het Midden-Oosten, dit ligt dan ook ten grondslag aan hun strijd tegen terroristen en militaire samenwerking in Syrië.  Nu het tij van die oorlog zich eindelijk tegen de VS heeft gekeerd en het conflict langzaam naar het einde beweegt (hoe lang het uiteindelijk ook zal duren voordat het volledig opgelost is), valt te verwachten dat de VS zal trachten andere regionale conflicten te organiseren om de rol van het Syrische conflict over te nemen en de indirecte asymmetrische oorlog tegen de Russische en Iraanse strategische belangen te prolongeren. De militante schepping van het “tweede geopolitieke Israël – i.e. Koerdistan” is beslist onderdeel van deze plannen, maar met Erdogan’s anti-unipolaire rebellie en daar bovenop de gevolgen van de mislukte door de VS gedirigeerde coup heeft Washington nu een veelheid aan redenen om de talloze mogelijkheden om Turkije uit elkaar te reten uit te buiten.

Rusland en Iran begrijpen allebei de ernst van wat op het spel staat en dat het zeer waarschijnlijk is dat de VS zal trachten om zijn mislukte couppoging tegen Erdogan om te zetten in kiemen voor een nieuwe Kleurenrevolutie tegen hem en misschien mogelijk zelfs een Onconventionele oorlog. Er is een overvloed aan legitieme redenen waarom Turken hun President verachten, met zijn betrokkenheid bij de oorlog in Syrië door te “Leiden van Achteren” en zijn islamistische binnenlandse politiek als eerste en belangrijkste reden, maar de vrees bestaat dat de verdedigbare boosheid van een groot deel van de maatschappij door de VS misbruikt kan worden in zijn streven om tumult te verspreiden in heel Turkije en een zwart gat van chaos te creëren dat structureel zou functioneren als een “Nieuw Syrië”.

Irans antwoord en belangen

Omdat Iran deze keten van gebeurtenissen voorzag en realiseerde dat ze de eersten zouden zijn die hier direct door getroffen zouden worden, uitte Iran onmiddellijk haar bezwaar tegen de couppoging. Minister van Buitenlandse zaken Zarif, in commentaar dat werd gerapporteerd door de door de overheid gefinancierde Iraanse omroep Press TV, ging zelfs zo ver dat hij het parlement voorhield: “Wij zijn het eerste land dat expliciet een verklaring over haar houding tegenover Turkije heeft afgelegd, terwijl andere landen of muisstil bleven of … nogal vaag waren over hun houding, als ze al een positie innamen, en verzuimden om hun steun voor de democratie te uiten …  Sommige landen zoals Saudi-Arabië en Qatar gaven de voorkeur aan de escalatie van de couppoging tegen de Turkse regering.” Deze volmondige en krachtig verwoorde verklaring gaat veel verder dan de obligatoir geuite steun aan de internationaal erkende regering waartoe bijna alle andere landen zich beperkten en demonstreert ontegenzeggelijk dat Teheran zich opzettelijk positioneert als Ankara’s trouwste internationale bondgenoot in het regionale post-coup landschap.

Hiervoor zijn verscheidene redenen en ze hebben te maken met het volgende:

  • Iran wil geen slachtoffer worden van “Wapens van Massa Migratie” in de nasleep van een door de VS geplande vernietiging van Turkije;
  • Iran wil Erdogan’s blijvende en gecoördineerde samenwerking om te reageren op potentieel, grensoverschrijdend Koerdisch terrorisme (Iran wordt momenteel aangevallen door de PKK-gelieerde “Koerdische Democratische Partij van Iran”);
  • en Iran voorziet een toekomst waar de Iraanse gaspijpleiding kan aansluiten op het TAP project in Noord-Turkije en zo Europa’s vraag naar niet-Russische energieleveringen kan vervullen.

Ruslands antwoord en belangen

Ruslands anti-coup antwoord was in vergelijking terughoudender, maar was desondanks behoorlijk krachtig. Terwijl Rusland zich onthield van het beschuldigen van betrokkenen of profiteurs van de ontwikkelingen en het benadrukken van hoe snel ze diplomatiek reageerde op de coup achterwege liet, zoals Iran in beide gevallen wel deed, uitte ze simpelweg haar steun aan de internationaal erkende regering van Turkije en sprak over de ontoelaatbaarheid van een militaire machtswisseling.  Veelzeggend echter was dat president Poetin later Erdogan opbelde en instemde om hun al geplande afspraak in september een maand te vervroegen, en ook sprak over potentiële samenwerking via de Euraziatische Economische Unie.

Ruslands belangen in Turkije zijn talrijk, maar een aantal vallen meer op dan de rest en zijn bedoeld om te garanderen dat Ankara haar geopolitieke heroriëntatie voltooit door de volgende stappen te zetten:

  • Turkije moet haar eerdere beleid afzweren door de steun aan de terroristen in Syrië te stoppen en de grens af te sluiten voor de voortdurende infiltratie door terroristen;
  • Turkije moet de onderhandelingen over de Balkan Stream-pijpleiding hervatten en dit multipolaire megaproject nieuw leven inblazen;
  • en Turkije moet de complexe economische onderlinge afhankelijkheid met Rusland verdiepen door samen te werken via het Euraziatische Economische Unie platform.

Daarenboven is Moskou’s diplomatieke steun aan Erdogan’s presidentschap ook ingegeven door de pragmatische noodzaak te voorkomen dat de Gülenisten de macht grijpen. Indien de in de VS wonende en Clinton-gelieerde religieuze leider van dit duistere, transnationale netwerk de volgende leider van Turkije zou worden of een overheersende invloed zou hebben op wie dan ook van zijn ondergeschikten in plaats van hem de leider zou worden, dan heeft Rusland alle reden om aan te nemen dat ze alle instrumenten van de staat zouden omleiden om de agenda van de terroristische netwerken te promoten in het hele post-sovjet territorium. Dit zou dozijnen “mini- Tsjetsjeniës” kunnen creëren waar Rusland op zou moeten reageren namens haar CVVO-bondgenoten, waarmee ze gedwongen zou worden permanent strategisch defensief te opereren en alle vorderingen die ze sinds 2008 heeft bereikt wereldwijd zouden worden teruggedraaid.

De blik afwenden van Erdogan’s zondes

Het meest controversiële aspect van deze hele situatie waar veel multipolaire supporters moeite mee hebben om te accepteren is, waarom Rusland en Iran Turkije zouden steunen terwijl ze zich zeer wel bewust zijn van Erdogan’s medeplichtigheid in de Oorlog van Terreur tegen Syrië. En na het zien van beelden van wraakzuchtig groepsgeweld in Istanboel en tenminste één geverifieerde openbare onthoofding, om nog maar niets te zeggen van de sectoroverschrijdende natiewijde zuivering die momenteel plaatsvindt, krabben mensen die normaliter sympathiek staan tegenover Ruslands en Irans buitenlandbeleid zich achter de oren en vragen zich af waarom Moskou en Teheran zich niet krachtig uitspreken tegen zulke schokkende gebeurtenissen.

Hoezeer dit ook veel lezers kan teleurstellen, de harde realiteit is dat Rusland noch Iran er enig belang bij heeft om zich te mengen in de binnenlandse aangelegenheden van hun partners, of die nu goed of fout zijn. Beide staten volgen in het algemeen een politiek van nationale soevereiniteit waarbij ze controversiële ontwikkelingen bij hun partners meestal negeren, zolang de pragmatische staat-met-staat samenwerking er niet door belemmerd wordt.

De uitzondering op deze regel is vooral te zien wanneer een staat die van groot belang is voor Rusland of Iran plotseling vijandig wordt (of al is) tegen een van hen en een serie schandelijke stappen zet, ontworpen om indirect schade te berokkenen aan de strategische positie in het land van deze multipolaire leiders. Het Kiev van na de Maidan bijvoorbeeld steunt impliciet de etnische zuiveringen tegen Russen en de aan Rusland verbonden bevolking in Oekraïne, wat verklaart waarom Rusland reageerde op het verzoek [tot re-unificatie] van de Krim en bepaalde vormen van steun verleende aan de milities in Donbasbekken.

Iran, aan de andere kant, heeft afwijzend gereageerd op de gewelddadige onderdrukking van de Sjiitische minderheid in Bahrein en Saudi-Arabië. Hieraan moet echter worden toegevoegd, dat Teheran zich in het verleden ook heeft beziggehouden met minder makkelijk te verdedigen uitzonderingen op deze regel, door de Bosnische Moedjahedien te bewapenen en diplomatieke steun te verlenen aan de anti-Khadaffi rebellen, van wie Iran officieel verkondigde dat ze betrokken waren bij een “Islamitisch Ontwaken” (de term die Iran gebruikte voor de “Arabische Lente” Kleurenrevoluties, voordat ze beseften dat dit allemaal door Amerika aangestuurde unipolaire operaties waren).

Ondanks deze uitzonderingen die Rusland en Iran per geval toepassen op de voornaamste richtlijn van hun buitenlands beleid van nationale soevereiniteit, verwerpen deze beide landen de door het Westen gefabriceerde ideologieën van “humanitaire interventie” en het “bevorderen van democratie”. Geen van beide landen laat doorgaans “humanitaire” of “democratische” overwegingen de relaties met hun tegenhangers beïnvloeden, hoewel zoals reeds gezegd dit niet noodzakelijkerwijs het geval is wanneer ze te maken hebben met een vijandige regering die een (bestaand of potentieel) pragmatisch partnership mijdt. Moskou en Teheran zien “humanitaire interventie” en het “bevorderen van democratie ” als een marketing truc om politieke, economische, sociale en militaire, destabiliserende interventies in de binnenlandse aangelegenheden van andere landen te rechtvaardigen in het streven naar “zero-sum” geostrategische winst en als zodanig zouden deze strategieën slechts zelden gebruikt mogen worden en uitsluitend in de meest extreme situaties.

Conclusie

Vanwege het leidende principe van nationale soevereiniteit in het buitenlands beleid, het feit dat Erdogan is gedraaid en nu aanstuurt op een Turkije dat een vriendelijke multipolaire bondgenoot is, en vanwege de zwaarwegende geopolitieke overwegingen van dit moment steunen Rusland en Iran Turkije diplomatiek op dit scharniermoment in haar geschiedenis (en die van de rest van de wereld), ondanks Erdogan’s anti-“humanitaire” en anti-“democratische” uitbuiting van de mislukte Amerikaanse coup tegen hem.

Dit artikel is oorspronkelijk in het Engels verschenen op Geopolitica.

Posted on

Roekeloze haviken

Eerder deze week gingen kandidaten voor de Republikeinse nominatie voor het presidentschap van de Verenigde Staten op CNN in debat over buitenlands beleid en veiligheid. Wat vooral duidelijk werd, is dat de grootste kanshebbers zonder uitzondering roekeloze haviken zijn.

Sinds de neoconservatieven greep kregen op de Republikeinse partij, wordt deze in toenemende mate gekenmerkt door een losgeslagen en ronduit gevaarlijke kijk op buitenlandse bedreigingen en wat de gepaste reactie daarop zou zijn. Het debat van dinsdag werd gedomineerd door ISIS en het Midden-Oosten in het algemeen. Over andere delen van de wereld werd nauwelijks gesproken.

Vergeleken met de roekeloze stellingnames van hardliners als Rubio, Kasich, Christie en Fiorina, kunnen de standpunten van Cruz en Trump soms nog gematigd klinken. Maar ook zij zien er als het er op aan komt geen been in om op grote schaal oorlogsmisdaden te plegen om maar flink over te komen. Toen men bijvoorbeeld bij Cruz doorvroeg over zijn retoriek over tapijtbombardementen op ISIS, deinsde hij niet terug, maar bleef hij bij zijn standpunt dat in feite in zou houden dat tienduizenden burgers in door ISIS bezette Syrische steden om zouden komen door Amerikaanse bombardementen.

Het Duitse Wezel werd in 1945 door tapijtbombardementen in een maanlandschap veranderd.
Het Duitse Wezel werd in 1945 door tapijtbombardementen in een maanlandschap veranderd.

De hardliners lieten zich daarentegen voorstaan op standpunten die tot een direct conflict met Rusland zouden kunnen leiden, neem bijvoorbeeld het idee van een ‘no-fly-zone’ boven Syrië, maar wilden niet toegeven dat er ook een risico zou kunnen zitten aan dergelijke voorstellen. Eerder in het debat maakte Christie er een punt van om te zeggen dat het conflict met ISIS zoveel is als een Derde Wereldoorlog. Een herhaling van eerdere uitspraken die inhoudelijk weinig toevoegde, vooral een poging om op te vallen door stevige retoriek. Dat het in dit verband misschien ook zaak zou kunnen zijn om te voorkomen dat er een direct conflict met Rusland ontstaat, kwam bij Christie kennelijk niet op.

Paul deed het in dit debat relatief goed. Hij nam Rubio op de korrel inzake immigratie, surveillance en buitenlands beleid. Paul greep het geblaat van Christie over een derde wereldoorlog aan om hem in z’n hemd te zetten:

“Nou, als je voor een derde wereldoorlog bent, dan heb je je kandidaat gevonden. Hier heb je ‘m dan. Lieve mensen, wat we zoeken in een leider is iemand met oordeelsvermogen, niet iemand die zo roekeloos is dat hij hier op het podium staat en zegt: ‘Ja, ik sta te springen om Russische vliegtuigen neer te halen.’ Rusland vliegt immers al in dat luchtruim.”

Paul wees er ook terecht op dat als er twee jaar geleden daadwerkelijk naar de zogenaamde ‘rode lijn’ gehandeld was, ISIS nu waarschijnlijk ook de rest van Syrië onder controle zou hebben. Het debat van dinsdag gaf Paul de kans om zich duidelijk te onderscheiden van de andere kandidaten op deze beleidsterreinen, maar hij was dan ook de enige die zich werkelijk onderscheidde.

Trump maakte nog wel even een sterke opmerking over de zinloosheid van recente Amerikaanse interventies. Waarbij hij benadrukte dat de VS er “niets” aan gehad heeft, om vervolgens wat tegenstrijdig door te gaan over olie. Toen hij gevraagd werd naar het moderniseren van het Amerikaanse kernwapenarsenaal had Trump duidelijk geen idee waar het precies om gaat. In antwoord op een vraag over Syrië, zei Trump dat “we niet iedereen tegelijk kunnen bestrijden”, dat is in ieder geval een wat meer realistische en verantwoorde kijk op de zaak dan die van de hardliners.

Kasich sloeg een flater toen hij de Saoedi’s op hun blauwe ogen geloofde inzake het doel van hun internationale ‘anti-terrorisme-coalitie’. Inmiddels ontkennen diverse landen die door de Saoedi’s als onderdeel van die coalitie genoemd worden hun betrokkenheid. Maar wat belangrijker is, het idee dat uitgerekend Saoedi-Arabië, dat al decennia jihadisten in diverse landen ondersteund, een internationale anti-terrorisme-coalitie zou gaan leiden, moet toch op zijn minst de wenkbrauwen doen fronsen. Hij maakte zich verder belachelijk door te stellen dat Amerika Rusland op de neus moet slaan. Een clowneske en gevaarlijke opmerking die nog maar eens laat zien hoe onrealistisch en ondoordacht de visie van veel Republikeinse politici op internationale spanningen en potentiële conflicten is.

Ook Fiorina maakte zich volstrekt belachelijk door te denken dat China de VS zal steunen inzake Noord-Korea, als de Amerikanen eerst maar op alle mogelijke manieren de Chinese belangen doorkruisen.

“Ik heb 25 jaar zaken gedaan in China, dus ik weet dat om China zo ver te krijgen dat het met ons meewerkt, we eerst terug moeten slaan tegen hun cyberaanvallen, zodat ze weten dat het ons ernstig is. We moeten weerstand bieden aan hun verlangen om de handelsroute door de Zuid-Chinese Zee, waardoor ieder jaar 5 triljoen dollar aan goederen en diensten stroomt, te beheersen.

We kunnen ze niet de betwiste eilanden laten beheersen en we moeten samenwerken met de Australiërs, de Zuid-Koreanen, de Japanners en de Filipijnen om China in bedwang te houden. En dan moeten we ze vragen om hun steun en hun hulp inzake Noord-Korea.”

Wat er aan logica en samenhang ontbreekt in hun argumenten, lijken de haviken aan te willen vullen met strijdbaarheid en confrontatiegerichtheid.

Rubio kreeg de meeste aanvallen te verduren in het debat. Hij hield zich staande, maar kwam niet erg uit de verf. Hij bepleitte nog maar eens een agressiever beleid inzake Syrië. Daar hoort volgens Rubio ook een grondoorlog bij, die dan vooral door de legers van soennitische Arabische staten uitgevochten zou moeten worden. Waarom die landen dat risico zouden nemen, werd niet duidelijk. Hij kwam ook weg met een praatje over de verspreiding van ISIS naar Libië en Jemen. Terwijl die verspreiding juist plaats heeft kunnen vinden door oorlogen die hij Rubio steunde en in het geval van Jemen nog steeds steunt.

Al met al was het debat weinig hoopgevend. Alarmistische taal en bangmakerij zetten de toon en dreigingen werden opgeblazen. Voorgestelde oplossingen kwamen vooral neer op totale en rücksichtslose confrontatie. Er waren een paar positieve uitzonderingen, maar over het algemeen maakte het debat maar weer eens duidelijk waarom het buitenlandbeleid niet aan Republikeinen toevertrouwd kan worden.

Posted on 1 Comment

Oekraïne, corrupte journalistiek en Atlantisch geloof

Karel van Wolferen, voormalig correspondent van de Nederlandse krant NRC Handelsblad, is verontrust over de escalerende crisis in Oekraïne en de kritiekloze journalistiek in Europa, die zich volledig laat leiden door een blinde verbondenheid met de VS. De huidige escalatie door de NAVO kan volgens hem tot een oorlog leiden.

De EU wordt niet langer geleid door politici met een elementaire kennis van geschiedenis, een nuchter overzicht van de werkelijkheid in de wereld of zelfs maar gezond verstand en een gevoel van verbondenheid met de langetermijnbelangen die ze dienen. Als daar nog bewijs moest voor worden gevonden, dat is dat nu geleverd met de sancties die ze vorige week hebben overeengekomen, om Rusland te bestraffen.

Eén manier om hun waanzin te vatten begint bij de media. Welk begrip of bezorgdheid deze politici persoonlijk mogen hebben, ze willen vooral gezien worden als personen die ‘the right thing’ doen. Daar zorgen tv en kranten voor.

In het overgrote deel van de EU wordt het algemeen inzicht in de werkelijkheid sinds het gruwelijk einde van de mensen aan boord van het toestel van Malaysia Airlines vorm gegeven door de mainstream kranten en tv-zenders. Die hebben de aanpak van de Anglo-Amerikaanse media gekopieerd. Zij hebben ‘nieuws’ gepresenteerd waarin insinuatie en verdachtmaking in de plaats komen van echte berichtgeving.

Gerespecteerde publicaties zoals de Britse Financial Times en het Nederlandse NRC Handelsblad, waar ik zestien jaar heb gewerkt als correspondent voor het Verre Oosten, hebben deze corrupte journalistieke aanpak niet alleen gevolgd maar ook mee begeleid naar zijn krankzinnige conclusies.

De opinies van zelfverklaarde media-experten en de editorialen die hieruit zijn ontstaan, gaan verder dan alle vroegere voorbeelden van mediahysterie voor politieke doeleinden die ik me kan herinneren. Het meest flagrante voorbeeld dat ik vond, was een anti-Poetin hoofdartikel in de Economist Magazine van 26 juli 2014. Het had de toon van Shakespeare’s Henry V, terwijl hij zijn troepen opjut voor de Slag van Agincourt wanneer hij Frankrijk binnenvalt.

Geen Europese media
Er zijn geen kranten of andere publicaties die de volledige EU bereiken, om een Europese publiek forum te vormen waar politiek geïnteresseerde Europeanen met elkaar belangrijke internationale ontwikkelingen kunnen bespreken. Wie belangstelling heeft voor internationale politiek, leest meestal de internationale editie van de New York Times of de Financial Times.

Vragen en antwoorden over geopolitieke aangelegenheden worden zo routinematig gevormd of sterk beïnvloed door wat de hoofdredacteurs in New York en Londen belangrijk vinden. Meningen die hier in belangrijke mate van afwijken vind je in Der Spiegel, de Frankfurter Allgemeine Zeitung, Die Zeit en Handelsblatt. Die blijven echter binnen de Duitse grenzen. We zien bijgevolg geen Europese publieke opinie over wereldzaken, zelfs niet als die een directe impact hebben op de belangen van de EU zelf.

De Nederlandse bevolking werd ruw wakker geschud uit zijn slaperige passiviteit tegenover wat in de wereld gebeurt en op haar toch een impact kan hebben, door de dood van 193 landgenoten (samen met 105 mensen van andere landen) in het neergehaalde vliegtuig. De Nederlandse media volgden daarbij zonder aarzelen de vingerwijzingen naar Rusland, die door de Amerikanen in gang werden gezet.

Eenzijdige interpretaties zonder bewijsgrond
Elke mogelijke uitleg die niet op een of andere manier de verantwoordelijkheid bij de Russische president legde, was onaanvaardbaar. Daarmee gingen de Nederlandse media lijnrecht in tegen de nuchtere verklaringen van eerste minister Rutte. Die stond nochtans onder aanzienlijke druk om mee in dezelfde richting te wijzen maar koos ervoor op een grondig onderzoek te wachten over wat er precies was gebeurd.

De tv-programma’s die ik kon zien in de dagen onmiddellijk na de crash, nodigden onder meer anti-Russische en Amerikaanse neoconservatieve personen uit die hun uitleg gaven aan een verward en oprecht geschokt publiek.

Een Nederlandse expert buitenlandse politiek legde uit dat de (Nederlandse) minister van Buitenlandse Zaken of zijn vervanger niet naar de site van de crash kon gaan (wat Maleisische vertegenwoordigers wel hadden gedaan) om de lichamen van de Nederlandse burgers te repatriëren, omdat dat een impliciete erkenning zou inhouden van de diplomatieke status van de ‘separatisten’. Wanneer de EU unaniem een regime erkent dat is ontstaan uit een door de Amerikanen aangestoken staatsgreep, dan zet je jezelf inderdaad diplomatiek vast.

De omwonenden en de anti-Kievstrijders, die op de site van de crash rondliepen, werden met beelden van YouTube voorgesteld als criminelen die weigerden mee te werken, wat voor heel wat kijkers neerkwam op een bevestiging van hun schuld. Dat veranderde toen latere berichten van echte journalisten de geschokte en diep bezorgde dorpelingen toonden. De discrepantie met de eerste beelden werd echter niet uitgelegd.

Geen ruimte voor objectieve analyse
De aanvankelijke insinuaties van smerig gedrag ruimden geen plaats voor objectieve analyse over de redenen waarom deze mensen in feite aan het vechten zijn. Tendentieuze tweets en YouTube-filmpjes zijn de basis geworden van de officiële Nederlandse verontwaardiging over de Oost-Oekraïners.

Zo werd de algemene indruk geschapen dat er toch ‘iets’ moest worden gedaan om een en ander recht te zetten. Dat werd volgens de overheersende meningen bereikt door een nationaal uitgezonden thuiskomst van de stoffelijke resten (die door Maleisische bemiddeling vrijgekomen waren) met een sobere en waardige rouwceremonie.

Nergens heb ik iets gelezen of gezien dat ook maar suggereerde dat de crisis in Oekraïne – die tot een staatsgreep en een burgeroorlog leidde – in gang werd gezet door neoconservatieven en een aantal R2P-fanatici (Responsibility to Protect) in het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en het Witte Huis, die daar blijkbaar van president Obama vrij spel voor hadden gekregen.

De Nederlandse media leken zich evenmin bewust te zijn van het feit dat deze catastrofe onmiddellijk werd omgezet in een voetbalmatch ten bate van het Witte Huis en het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. De mogelijkheid dat Poetin gelijk had, toen hij stelde dat de ramp niet zou zijn gebeurd als zijn dringend voorstel voor een staakt-het-vuren was aanvaard, werd niet in overweging genomen.

Het was nochtans Kiev dat de wapenstilstand in de burgeroorlog met de Russischsprekende Oost-Oekraïners verbrak op 10 juni 2014. Die willen niet geregeerd worden door een samenraapsel van misdadigers, nakomelingen van Oekraïense nazi’s en oligarchen die in bed liggen met het IMF en de EU.

Deze veronderstelde ‘rebellen’ hebben gereageerd op de start van etnische zuiveringsoperaties, systematische terreurbomcampagnes en wreedheden (meer dan dertig Oekraïners werden levend verbrand) door troepen van Kiev, iets waarover we in de Europese berichtgeving nauwelijks iets vernomen hebben.

5 miljard dollar politieke destabilisatie
Het is weinig waarschijnlijk dat de Amerikaanse ngo’s, die volgens eigen officiële mededelingen vijf miljard dollar hebben uitgegeven voor politieke destabilisatie, voorafgaand aan de putsch van februari 2014 in Kiev, plotseling zouden verdwenen zijn uit Oekraïne. Net zo min hebben Amerikaanse militaire adviseurs en gespecialiseerde troepen lijdzaam staan toekijken terwijl het leger en de milities van Kiev de strategie voor hun burgeroorlog uitstippelden.

Deze nieuwe zware jongens vormen een regime dat overleeft met financiële bloedtransfusies van Washington, de EU en het IMF. Al wat we weten is dat Washington de aan de gang zijnde slachtingen aanmoedigt, in een burgeroorlog die het zelf in gang heeft gezet.

Washington heeft permanent de bovenhand in een propagandaoorlog tegen een tegenstander die het spel weigert mee te spelen, dit in tegenspraak met wat de mainstream media ons willen doen geloven. Washington zendt de ene propagandagolf na de andere om een beeld te scheppen van een Poetin, gedreven door nationalisme en door het verlies van het Sovjet-imperium, en die poogt de Russische Federatie uit te breiden tot aan de grenzen van dat teloorgegane imperium.

De meer avontuurlijke zelfverklaarde media-experten, aangestoken door neoconservatieve koorts, zien Rusland al het Westen omsingelen. De Europeanen wordt dus wijsgemaakt dat Poetin elke diplomatie weigert, terwijl hij daar altijd op aangedrongen heeft. Deze overheersende propaganda heeft de perceptie gecreëerd dat niet de acties van Washington maar die van Poetin gevaarlijk en extreem zijn. Iedereen die een persoonlijk verhaal heeft dat Poetin en Rusland in een kwaad daglicht stelt wordt gemobiliseerd, de Nederlandse hoofdredacteurs lijken voor het ogenblik wel onverzadigbaar.

Het lijdt geen twijfel dat ook Rusland een propagandaoorlog voert. Er bestaan echter middelen voor ernstige journalisten om dergelijke tegenstrijdige propaganda af te wegen en om uit te pluizen hoeveel waarheid, leugens en bullshit ze bevat. Zelf heb ik dat soort journalistiek in beperkte mate alleen waargenomen in Duitsland.

Amerikaanse websites
Voor het overige moeten we tegenwoordig de politieke realiteit samenstellen met behulp van de meer dan ooit onmisbaar geworden Amerikaanse websites die wel gastvrij zijn voor klokkenluiders en ouderwetse onderzoeksjournalistiek. Dat is vooral zo sinds het begin van de ‘oorlog tegen het terrorisme’ en de invasie van Irak. Sindsdien heeft een permanente samizdat-pers vorm gekregen.

In Nederland wordt zowat alles dat van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken komt voor waar aangenomen, ook al is dat een reeks van adembenemende leugens die begint bij de ondergang van de Sovjet-Unie: Panama, Afghanistan, Irak, Syrië, Venezuela, Libië en Noord-Korea; een waslijst omvergeworpen regeringen; geheime en valse-vlag-operaties; de gluiperige bezetting van de planeet met zowat duizend militaire basissen: niets daarvan wordt in overweging genomen.

De opgeklopte hysterie in de dagen na de crash van het vliegtuig belette mensen met enige relevante kennis van de geschiedenis om hun mond open te doen. Werkzekerheid is in de huidige wereld van de journalistiek erg wankel. Tegen de stroom in gaan wordt gezien als spelen met vuur, omdat dat de eigen journalistieke ‘geloofwaardigheid’ zou kunnen beschadigen.

Redactionele onverschilligheid
Het probleem dat de oudere generatie van ernstige journalisten heeft met de geloofwaardigheid van de mainstream media is de redactionele onverschilligheid voor mogelijke aanwijzingen die het officiële verhaal zouden kunnen ondermijnen. Dit verhaal is reeds volledig doorgedrongen in de populaire cultuur.

Je vindt het terug in lukrake verwijzingen die boek- en filmrecensies opsmukken. In Nederland staat het officiële verhaal reeds onwrikbaar vast, niet verwonderlijk als het al tienduizenden malen herhaald werd. Het mag dus ook niet weerlegd worden, ook al is er niet het minste bewijs voor.

De aanwezigheid van twee Oekraïense gevechtsvliegtuigen op de Russische radar in de buurt van het toestel van Malaysia Airlines is een dergelijke aanwijzing, die mij als onderzoeksjournalist of lid van het door Nederland aangestelde onderzoeksteam zou interesseren. Dit wordt blijkbaar bevestigd door een BBC-reportage met ooggetuigen onder de nabije dorpelingen. Die hadden net voor de crash duidelijk een ander toestel gezien vlak bij het passagiersvliegtuig toen ze omhoog keken naar de ontploffingen in de lucht.

Dat bericht kreeg heel wat aandacht omdat het uit het BBC-archief werd verwijderd. Ik zou dan ook willen praten met Michael Bociurkiv, één van de eerste inspecteurs van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) die de site van de crash bereikten. Hij bleef er meer dan een week om wrakstukken te onderzoeken.

Op (de Canadese zender) CBC World News beschreef hij ‘pokdalige’ inslagen op twee of drie wrakstukken: “(Die inslagen) zagen eruit als wat je verwacht van munitie uit een machinegeweer, van zeer krachtig machinegeweervuur dat zijn unieke merktekens achterliet, die we nergens anders terugvonden.”

Ik zou zeker ook de radar- en stemopnames te horen willen krijgen van de luchtverkeerscontrole in Kiev, waarvan wordt beweerd dat ze in beslag werden genomen. Zo zou ik kunnen begrijpen waarom de Maleisische piloot plots van zijn koers afweek en zeer snel daalde, kort voor zijn toestel neerstortte. Ik zou ook willen onderzoeken waarom buitenlandse luchtverkeerscontroleurs in Kiev onmiddellijk na de crash werden weggestuurd.

Satellietbeelden
Net als de Veteran Intelligence Professionals for Sanity zou ik er bij de Amerikaanse autoriteiten met toegang tot de satellietbeelden zeker op aandringen de bewijzen te tonen die ze beweren te hebben van het BUK-luchtafweergeschut in handen van de ‘rebellen’ en van de Russische betrokkenheid daarbij. Ik zou hun dan ook willen vragen waarom ze dat nog steeds niet gedaan hebben.

Tot nu heeft Washington zich gedragen als een bestuurder die weigert een alcoholtest te ondergaan. Een aantal officieren van de Amerikaanse inlichtingendiensten hebben hun ‘mindere zekerheid’ gelekt naar een aantal kranten over de Amerikaanse ‘zekerheden’, die de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken aan de wereld heeft kond gemaakt. Dat zou mijn nieuwsgierigheid fel hebben aangewakkerd.

Om de loyaliteit van de Europese media aan Washington in het geval van Oekraïne en het slaafse gedrag van Europese politici enigszins in perspectief te plaatsen, moeten we meer weten over het Atlantisme en dat ook begrijpen.

Het gaat hier over een Europees geloof. Er is geen officiële doctrine uit ontstaan, maar het functioneert wel als dusdanig. Het wordt goed samengevat door deze Nederlandse slogan ten tijde van de invasie van Irak: “Zonder Amerika gaat het niet”.

Atlantisme, product van de Koude Oorlog
Eigenlijk overbodig om het te vermelden, maar het Atlantisme is een product van de Koude Oorlog. Dit geloof werd ironisch genoeg sterker toen de dreiging van de Sovjet-Unie minder en minder overtuigend begon te worden voor een steeds groter aantal leden van de Europese politieke elite.

Dat had waarschijnlijk te maken met een generatiewissel: verder weg van de Tweede Wereldoorlog herinnerden de Europese regeringen zich steeds minder wat het betekent om een eigen onafhankelijk buitenlands beleid te hebben over de wereldpolitiek. De huidige regeringsleiders van de EU hebben geen ervaring in praktisch strategisch overleg. Routineus denken over internationale betrekkingen en wereldpolitiek is diep geworteld in de kennistheorie van de Koude Oorlog.

Atlantisme is vandaag een zware plaag voor Europa: het veroorzaakt historische amnesie, gewilde blindheid en gevaarlijke misleide politieke woede. Zo ontstaat dan onvermijdelijk ‘verantwoordelijk’ redactioneel beleid.

Deze plaag kan echter verder woekeren met een mengelmoes van nooit in vraag gestelde zekerheden uit de tijd van de Koude Oorlog, die zijn blijven hangen, van impliciete koudeoorlogsloyaliteit ingebed in de populaire cultuur, van naakte Europese onwetendheid en van een enigszins begrijpbare weigering om toe te geven dat men ook maar een klein beetje gehersenspoeld is.

Washington kan waanzinnige dingen blijven doen zonder dat Atlantisme te beschadigen, dankzij ieders vergeetachtigheid, terwijl de media nauwelijks iets doen om dat te verhelpen. Ik ken Nederlandse mensen die walgen van de moddercampagne tegen Poetin, maar het idee dat in het geval van Oekraïne Washington met de vinger moet worden gewezen toch zo goed als onaanvaardbaar vinden.

Gebrek aan perspectief
Als gevolg van die houding kunnen Nederlandse publicaties – net als vele andere in Europa – zich er niet toe brengen om de crisis in Oekraïne in het juiste perspectief te plaatsen, door te erkennen dat deze crisis door Washington in gang werd gezet en dat het Washington is – en niet Poetin – die de sleutel voor een oplossing in de hand heeft. Dat zou immers een verzaking aan dat Atlantisme impliceren.

Dit Atlantisme haalt veel van zijn kracht uit de NAVO, het is zijn institutionele belichaming. De bestaansreden van de NAVO is echter verdwenen met de ondergang van de Sovjet-Unie, dat wordt grotendeels vergeten. Het bondgenootschap werd in 1949 opgericht op basis van het idee van transatlantische samenwerking voor veiligheid en defensie, die nodig was geworden na de Tweede Wereldoorlog, omdat het door Moskou georchestreerde communisme van plan was de volledige planeet over te nemen.

Waar men veel minder over praatte, was het toenmalige interne Europese wederzijdse wantrouwen. De Europeanen zetten toen immers hun eerste stappen in de richting van economische integratie. De NAVO werd een soort Amerikaanse garantie dat geen Europese grootmacht zou pogen de anderen te domineren.

De NAVO is voor de EU al een tijdje een blok aan het been, omdat de organisatie de ontwikkeling verhindert van een overlegd buitenlands en defensiebeleid. Het heeft de EU-lidstaten gedwongen instrumenten te worden ten dienste van het Amerikaanse militarisme.

Het bondgenootschap is tevens een morele last geworden, omdat de regeringen die (in Irak) deelnamen aan de ‘coalition of the willing’ aan hun eigen burgers de leugen moesten verkopen dat Europese soldaten in Irak en Afghanistan gingen sterven als noodzakelijke prijs om Europa te vrijwaren van terroristen.

Deze regeringen, die troepen hebben geleverd voor de gebieden die de VS bezet hielden, deden dit meestal met grote weerzin, wat hen het verwijt opleverde van een reeks Amerikaanse vertegenwoordigers dat de Europeanen te weinig doen voor de collectieve verdediging van democratie en vrijheid.

Typisch voor een ideologie is het Atlantisme ahistorisch. Als paardenmiddel tegen de storm van fundamentele politieke dubbelzinnigheid schrijft het zijn eigen geschiedenis, een geschiedenis die op zijn beurt wordt herschreven door de Amerikaanse mainstream media, die het Woord verspreiden vanuit Washington.

Je kan daar nauwelijks een beter voorbeeld voor vinden dan de huidige Nederlandse ervaring. De voorbije drie weken heb ik tijdens gesprekken oprechte verrassing bespeurd toen ik vrienden erop wees dat de Koude Oorlog door diplomatie werd beëindigd. Er werd een deal gesloten in Malta tussen Gorbatsjov en president Bush senior in december 1989. Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken James Baker kreeg Gorbatsjov zo ver de hereniging van Duitsland en de terugtrekking van de troepen van het Warschaupact te aanvaarden, met de belofte dat de NAVO ‘geen duimbreed’ zou uitbreiden naar het Oosten.

Gebroken beloftes
Gorbatsjov beloofde daarop geen geweld te gebruiken in Oost-Europa, waar de Russen op dat ogenblik nog troepen hadden, 350.000 in Oost-Duitsland alleen, in ruil voor de belofte van Bush senior dat Washington geen misbruik zou maken van de terugtrekking van de Sovjets uit Oost-Europa. President Bill Clinton kwam terug op die Amerikaanse beloftes toen hij om puur electorale redenen opschepte over een uitbreiding van de NAVO.

In 1999 maakte hij de Tsjechische Republiek en Hongarije volwaardige leden. Tien jaar later zijn daar nog negen andere landen bijgekomen, zodat de NAVO nu dubbel zoveel leden had als tijdens de Koude Oorlog. De befaamde Amerikaanse Rusland-expert George Kennan noemde Clintons initiatief ‘de meest fatale vergissing van het Amerikaanse beleid sinds het einde van de Koude Oorlog’.

De historische onwetendheid inherent aan het Atlantisme is vlijmscherp zichtbaar in de bewering dat de invasie van de Krim het ultieme bewijs zou zijn tegen Poetin. Ook deze politieke realiteit werd gecreëerd door de Amerikaanse media. Er was helemaal geen invasie. De Russische soldaten en matrozen waren al ter plaatse omdat het de thuisbasis is van de warmwaterhaven van de Russische zeemacht in de Zwarte Zee De Krim was reeds een onderdeel van Rusland voor het bestaan van de VS.

Het belang van geschiedenis
In 1954 heeft Chroesjtsjov – zelf uit Oekraïne – de Krim aan de Oekraïense Socialistische Republiek gegeven. Dat kwam neer op de verplaatsing van een regio naar een andere provincie, want Rusland en Oekraïne behoorden toen tot hetzelfde land. De Russischsprekende bevolking van de Krim was nu maar al te blij. Ze stemden in een referendum eerst voor onafhankelijkheid van het regime in Kiev, dat uit de staatsgreep was ontstaan, en vervolgens voor hereniging met Rusland.

Zij die beweren dat Poetin het recht niet had om iets dergelijks te doen, zijn zich niet bewust van een ander historisch gegeven, namelijk dat de VS zijn (Star Wars) antiraketsystemen steeds dichter bij de Russische grenzen heeft geplaatst. Dat gebeurde zogezegd om vijandige raketten uit Iran op te vangen, die echter niet eens bestaan. Plechtige oproepen voor territoriale integriteit en soevereiniteit zijn in die omstandigheden weinig zinvol. Wanneer dergelijke uitspraken van Washington komen – dat het concept van soevereiniteit in zijn eigen buitenlands beleid heeft overboord gegooid – zijn ze zonder meer hilarisch.

Een verwerpelijk Atlantisch initiatief was de uitsluiting van Poetin uit de ontmoetingen en andere activiteiten voor de herdenking van de landing (van de geallieerde troepen) in Normandië, voor de eerste keer in zeventien jaar.

Geheugenverlies en onwetendheid hebben de Nederlanders blind gemaakt voor een geschiedenis die hen nochtans rechtstreeks aanbelangt. Het is immers de Sovjet-Unie die het hart van de nazi-oorlogsmachine – die Nederland bezet hield – heeft uitgerukt. Zij betaalde daar een prijs voor met een onvergelijkbaar aantal militaire doden dat de verbeelding tart. Zonder de Sovjet-Unie zou er nooit een landing geweest zijn in Normandië.

Een godsgeschenk voor de NAVO
Nog niet zo lang geleden leek het erop dat de rampzalige mislukkingen van Irak en Afghanistan de NAVO dicht bij zijn onvermijdbare ontbinding zou brengen. De crisis in Oekraïne en Poetins gedecideerde reactie, die voorkwam dat de Krim en zijn Russische zeemachtbasis mogelijk in de handen zouden zijn gevallen van een door de Amerikanen geleide alliantie, zijn echter een geschenk uit de hemel gebleken voor de tot dan uit elkaar vallende organisatie.

De leiding van de NAVO heeft al troepen gestuurd om zijn aanwezigheid in de Baltische staten te versterken en heeft luchtdoelraketten en gevechtsvliegtuigen in Polen en Litouwen gestationeerd. Sinds het neerhalen van het vliegtuig van Malaysia Airlines heeft het nog verdere militaire initiatieven genomen die gevaarlijke provocaties tegen Rusland kunnen worden.

Het werd daarna duidelijk dat de Poolse minister van Buitenlandse Zaken samen met de Baltische staten hier de drijvende kracht achter waren. Deze landen waren niet eens lid van de NAVO toen deze organisatie nog een enigszins verdedigbare reden van bestaan had. De voorbije dagen hangt er (in die landen) een sfeer van mobilisatie.

De buiksprekende handpoppen Anders Fogh Rasmussen en Jaap de Hoop Scheffer (de huidige en voormalige NAVO-secretaris-generaal) deden hun werk door luid te protesteren tegen elke aarzeling van NAVO-lidstaten. Rasmussen verklaarde op 7 augustus 2014 in Kiev dat “de steun van de NAVO voor de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne onwrikbaar is” en dat hij van plan is het partnerschap met het land te verstevingen op de komende top van de NAVO in Wales in september. Dat partnerschap is nu sterk, beweert hij, “en als antwoord op de agressie van Rusland gaat de NAVO nog meer samenwerken met Oekraïne om zijn gewapende strijdkrachten te versterken”.

Russian Aggression Prevention Act
Ondertussen hebben 23 Republikeinse senatoren in het Amerikaanse Congres een wetsvoorstel ingediend – de Russian Aggression Prevention Act – dat de bedoeling heeft Washington toe te laten van Oekraïne een niet-NAVO-bondgenoot te maken. Dat is een stap die een direct militair conflict met Rusland mogelijk maakt. We zullen waarschijnlijk moeten wachten tot na de Amerikaanse tussentijdse verkiezingen om te zien wat ervan komt. Het voorstel heeft een excuus bezorgd aan hen die in Washington nog nog verdere stappen willen ondernemen in Oekraïne.

In september 2013 hielp Poetin Obama nog om een bommencampagne tegen Syrië te voorkomen, die de neoconservatieven toen wilden doordrukken. Hij hielp hem ook om het kerndispuut met Iran te ontmijnen, eveneens een neoconservatief project. Dat heeft deze ‘neocons’ ertoe gedreven de band tussen Obama en Poetin te breken. Je kan het nauwelijks een geheim noemen dat zij de omverwerping van Poetin wensen en als het even kan ook de ontmanteling van de Russische Federatie.

Minder bekend in Europa is dat er talloze ngo’s actief zijn in Rusland, die hen daarbij helpen. Vladimir Poetin kan nu of binnenkort toeslaan om de NAVO en het Amerikaanse Congres voor te zijn, door het oosten van Oekraïne in te nemen, iets wat hij eigenlijk al had moeten doen onmiddellijk na het referendum in de Krim. Dat zou dan voor de Europese redactionele ogen uiteraard het ultieme bewijs zijn geweest van zijn duivelse plannen.

Europa moet wakker worden

Gezien al het voorgaande dringt zich een van de meest cruciale vragen in de huidige wereldpolitiek op: wat moet er nog gebeuren om de Europeanen wakker te schudden dat Washington met vuur aan het spelen is, dat de VS opgehouden hebben de beschermer te zijn waar ze op konden rekenen en dat de VS hun veiligheid in gevaar brengt? Gaat het ogenblik komen dat het voor hen duidelijk wordt dat de crisis in Oekraïne bovenal draait om de Star-Wars-raketten die langs de Russische grens verspreid staan en die Washington de capaciteit geven voor een ‘first strike’ – in het krankzinnige jargon van de nucleaire strategen?

Bij oudere Europeanen neemt het besef toe dat de VS vijanden hebben die geen vijanden van Europa zijn, omdat het land hen nodig heeft voor interne politieke redenen; om een economisch uiterst belangrijke oorlogsindustrie draaiend te houden en om de politieke ‘goede trouw’ van mededingers voor de openbare macht op de proef te stellen.

Het gebruik van ‘schurkenstaten’ en terroristen als doelwitten voor ‘juiste oorlogen’ is nooit erg overtuigend geweest. Het door de militaristische NAVO gedemoniseerde Rusland van Poetin kan echter het transatlantisch status quo verlengen. Van zodra ik er de eerste berichten over vernam, meende ik dat het lot van het vliegtuig van Malaysia Airlines politiek zou worden bepaald. De zwarte dozen zijn in Londen. In de handen van de de NAVO?

Er blijven nog enorme obstakels tegen een dergelijk Europees ontwaken; het neoliberaal beleid en de overname van de economie door de financiële instellingen hebben een intieme transatlantische vervlechting voortgebracht van plutocratische belangen. Samen met het Atlantisch geloof heeft deze evolutie de politieke ontwikkeling van de EU in de kiem gesmoord. Sinds Tony Blair heeft Washington Groot-Brittannië in de zak en sinds Nicolas Sarkozy kan van Frankrijk min of meer hetzelfde worden gezegd.

Duitse stemmen in de woestijn

Zo blijft alleen Duitsland nog over. Angela Merkel was duidelijk ongelukkig met de sancties maar stapte er uiteindelijk in mee aan de ‘goede kant’ van de Amerikaanse president. De VS hebben als de overwinnaar van de Tweede Wereldoorlog immers nog steeds een grote speelruimte, dankzij een groot aantal bestaande samenwerkingsakkoorden.

Duits minister van Buitenlandse Zaken Frank-Walter Steinmeier werd geciteerd in de kranten en verscheen op tv, terwijl hij de sancties afkeurde. Hij wees naar Irak en Libië als voorbeelden van wat er gebeurt met escalatie en ultimatums. Ook hij ging uiteindelijk overstag en schaarde er zich achter.

Der Spiegel is één van de Duitse podia die nog hoop geven. Jakob Augstein, één van zijn columnisten, valt de ‘slaapwandelaars’ aan die de sancties goedgekeurd hebben en berispt zijn collega’s die Moskou met de vinger wijzen.

Gabor Steingart, uitgever van Handelsblatt, protesteerde krachtig tegen de Amerikaanse neiging “tot verbale en daarna militaire escalatie, isolering, demonisering en aanval tegen vijanden”. Hij trekt de conclusie dat de Duitse journalistiek “in een aantal weken is omgeslagen van koelbloedig naar geagiteerd. Het spectrum van opinies is verengd tot het zichtveld door het vizier van een scherpschutter.” Er zijn zeker nog wel meer journalisten in andere delen van Europa die gelijkaardige dingen zeggen. Hun stemmen zijn nauwelijks hoorbaar door de stormram van de smeercampagnes.

Opnieuw wordt geschiedenis geschreven. De uiteindelijke lotsbestemming van Europa wordt niet alleen bepaald door de verdedigers van het Atlantische geloof maar evengoed door hen die zich er niet toe kunnen brengen het disfunctioneren en totale onverantwoordelijkheid van de Amerikaanse staat in te zien.


Vertaling: Lode Vanoost, met toestemming overgenomen van DeWereldMorgen