Posted on

Identiteitspolitiek is neoliberale natte droom

“Het is wáár dat er in Nederland vele culturen leven. Maar de multiculturele samenleving als ideaal is mislukt. Er is nauwelijks integratie. Bevolkingsgroepen leven veelal gescheiden van elkaar. Kijk eens in het onderwijs: we hebben zwarte en witte scholen. In de steden hebben we zwarte en witte wijken. Kijk eens in het openbare leven. Je kunt nog zo mooi zeggen ‘we leven allemaal vrolijk met elkaar’, maar dat is gewoon niet waar.” Uitspraken van een (extreem)rechtse politicus? Nee, het zijn citaten uit het interview dat Marieke Hoogwout van Vrij Links had met Tweede Kamerlid Jasper van Dijk. De volksvertegenwoordiger van de SP sprak stevige woorden over de illusie van open grenzen, over de noodzaak van islamkritiek, en de race to the bottom door arbeidsmigratie.

Verontwaardiging

Er stak een storm van verontwaardiging op. De termen ‘racist’ en ‘fascist’ spatten van de schermen. Niet uit de hoek van rechtse partijen, maar juist vanuit het progressieve kamp. Van Dijk werd op sociale media met pek en veren besmeurd, op dezelfde dag dat SP-leider Lilian Marijnissen hetzelfde overkwam na haar uitspraak dat “arbeidsmigratie de lonen in Nederland onder druk zet”. Zelfbenoemde antifascisten briesten: “De SP vist in de bruine electorale vijver van de PVV en het Forum voor Democratie.”

Deze vertegenwoordigers van de zogeheten identiteitspolitiek – uit de bekende hoek van Bij1 en GroenLinks – laten hiermee zien dat ze niet links zijn in de klassieke zin, maar gewoon liberaal. Ze zeggen dat ze voor een inclusieve samenleving zijn, maar ze zijn helemaal niet inclusief maar eisen voortdurend erkenning. Erkenning van hun zogenaamde slachtofferschap. Hiermee past hun ideeëngoed naadloos in de postmoderne liberale orde, die stelt dat wat je overkomt je eigen schuld is, dat ziekte een keuze is, en dat als je niet mee kan komen je een loser bent. Het leeft van slachtofferschap en de race wie het ergste slachtoffer is, is nog lang niet gelopen.

Yippies werden yuppies

De propagandisten van identiteitspolitiek – de antiracisten, antifascisten, de inclusie-denkers, de genderadepten – krijgen vaak het stempel ‘cultuurmarxisme’. Maar dat is een slecht gekozen term, die geen recht doet aan de realiteit. Want het zijn helemaal geen marxisten, het zijn liberalen. De revolutionaire geest van de jaren zestig, waar tegenstanders de bron van het cultuurmarxisme leggen, werd namelijk al snel omgevormd in de geest van Veronica: lekker jezelf zijn, lekker doen waar je zin in hebt. Het revolutionaire vuur van Mao- en Castro-volgelingen doofde spoedig. Yippies werden Yuppies.

Jerry Rubin, een van de grondleggers van de protestbeweging die tijdens de presidentsverkiezingen van 1968 hun kandidaat presenteerden – Pigasus, een 66 kilo zwaar varken – stierf in 1994 als een multimiljonair. Zijn medestanders volgden vaak dezelfde weg, creëerden lucratieve universiteitsposten en betrokken luxe appartementen of statige herenhuizen. Ze waren studenten, afkomstig uit de middenklasse, en ze hebben geen enkel idee van wat er leeft in de arbeidersklasse; het klootjesvolk, het plebs.

Slachtofferschap

Vleesgeworden liberalen, die hun progressieve schuldbewustzijn afkopen met een veganistisch dieet, maar ondertussen wel die alternatieve wandelvakantie door Vietnam boeken. Ze grossieren in slachtofferschap. Daarin onderscheiden ze zich van klassieke marxisten. Die spreken namelijk niet over slachtofferschap, maar over macht. De legendarische uitspraak “Het maakt nogal uit wie over de zweep praat: het paard of de voerman!” was een klassieker in socialistische kringen. Zoals rechtse partijen (PVV, FvD, VVD) niet conservatief, maar liberaal zijn, zo zijn progressieve partijen (GroenLinks, D66, PVVD) niet links, maar liberaal.

De voorstanders van open grenzen en identiteitspolitiek verdedigen uiteindelijk de liberale politiek waar multinationals baat bij hebben. De strijd voor het klassieke huwelijk tussen man en vrouw werd in sommige staten in de Verenigde Staten niet verloren omdat een politieke meerderheid er tegen was, maar omdat het bedrijfsleven zich er tegen keerde. De grote bedrijven staan zich voor op inclusief personeelsbeleid en lopen voorop met de LHBT-kleuren.

Vandaar dat Jasper van Dijk stelt dat “het sprookje van de open grenzen de natte droom van het bedrijfsleven is”. Progressieve identiteitspolitiek is niet antikapitalistisch, maar is al tevreden met regenboogtompoezen en gender-neutrale rompertjes bij de HEMA. Daarmee lopen de politieke en ideologische scheidslijnen niet langer tussen links en rechts, maar tussen nationalisme en kosmopolitisme en tussen onderklasse en elite. Voor echte conservatieven biedt dit nieuwe onverwachte bondgenoten. En dat zou zomaar bijvoorbeeld de SP kunnen zijn.

Posted on

Joelen en klappen voor Angela Davis

“Tweeduizend jongeren joelen en klappen als Angela Davis opkomt”, schreef dagblad Trouw over het bezoek van Davis aan de Sorbonne in Parijs, op 3 mei jl. Het was die dag exact 50 jaar geleden dat de studentenopstand in Parijs begon. Met de actievoerende jongeren anno 2018 joelde de Trouw-verslaggeefster mee. Het portret dat de krant op 8 mei publiceerde is een hagiografie van een zwarte activiste die ooit – en waarschijnlijk nog steeds – de Verenigde Staten graag als ‘Amerikkka’ typeerde (de kkk behoeft hier verder geen uitleg).

Trouw omschrijft de Black Panther-beweging als “een organisatie die streed voor de rechten van zwarte mensen”. Dat lijkt een club met een nobel doel, zoiets als Martin Luther King Jr., maar niets is minder waar. De Black Panther Party was een terroristische organisatie die er niet voor terugschrok politieagenten neer te schieten, maar ook, naar goed radicaal links gebruik, mensen uit de eigen beweging die men ‘verdacht’ vond. Laat Angela Davis nu begin jaren zeventig nauw betrokken zijn geweest bij de Black Panthers. Voor schrijver David Horowitz, ooit een links icoon en medestrijder van Angela Davis en de Black Panthers, was de moord op een vriendin van hem door Panther-activisten het begin van zijn werdegang. Hij bekeerde zich van het marxisme – en alle bevrijdingstheorieën die daarmee verwant zijn – stemde in 1984 op Reagan en verkeert nu in neoconservatieve kringen.

Davis ging onverschrokken voort in de marxistisch geïnspireerde zwarte beweging. Terwijl de meeste communistische sympathisanten na de inval van het Sovjetleger in Praag in 1968 twijfels kregen over het ‘reëel bestaande socialisme’, sloot Davis zich in dat jaar juist aan bij de Communistische Partij van de Verenigde Staten. Geen onverwachte keuze, want van jongs af aan verkeerde zij al tussen een aantal bekende communisten, zoals Herbert Aptheker (de partij-ideoloog) en Herbert Marcuse. In 1970 kwam ze op de opsporingslijst van de FBI nadat ze betrokken was bij de gijzeling in een rechtbank. Doel van de gijzeling was de vrijlating van Black Panther George Jackson, die gevangen zat in de Soledad-gevangenis. Zijn boek over zijn gevangenistijd, Soledad Brother, werd een internationale bestseller. De Nederlandse vertaling (1971) in de ‘Kritiese Bibliotheek’ van uitgevers De Bezige Bij en Van Gennep stond op vele boekenplankjes in studentenkamers. Tijdens de gijzeling werd rechter Harold Haley door zijn hoofd geschoten met een geweer dat op naam stond van Angela Davis. Het activistische verhaal – dat ook terug te vinden is op Wikipedia en bijvoorbeeld in het Historisch Nieuwsblad – pleit Davis vrij van de moord. Maar tijdens het proces in 1972 waarin ze terecht stond, trad Davis op als haar eigen advocaat. Dit betekende dat ze niet aan een kruisverhoor onderworpen kon worden en zelf een aantal getuigen kon oproepen die haar alibi – een partijtje Scrabble op kilometers afstand van de gijzeling – bevestigden. Al die getuigen waren trouwe communisten. Getuigen a charge werden door Davis en haar medestanders weggehoond: ze waren blank, dus konden geen betrouwbaar getuigenis geven. Davis werd vrijgesproken, waarna ze de lieveling van radicaal links wereldwijd werd. Overal werd ze als een ‘martelaar voor de goede zaak’ onthaald. Tegenwoordig is ze overigens actief in de beweging ‘The Prison-Industrial Complex’, die alle gevangenen met een minderheidsachtergrond wil vrijlaten, omdat “ze politieke gevangenen zijn van de racistische Verenigde Staten”.

In 1979 ontving ze in de DDR de ‘Internationale Lenin Prijs voor de Vrede’ (voorheen de Stalin Prijs voor de Vrede). Ze was kandidaat vice-president voor de Communistische Partij tijdens de verkiezingen in 1980 en 1984. Ze steunde de inval in Tsjechoslowakije in 1968 en in Afghanistan in 1979. Pas in 1991 werd ze uit de partij gezet nadat ze afstand had genomen van de coup tegen Gorbatsjov.

Niet dat ze haar marxistische idealen aan de wilgen heeft gehangen. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie in 1992 vormde Davis met communistische medestanders de ‘Committees of Correspondence’. Typerende naam voor een klassieke communistische mantelorganisatie, want de comités hebben als doel “het bevorderen van democratie en socialisme” oor middel van acties, seminars op universiteiten, stakingen, burgerlijke ongehoorzaamheid, etc. In 2008 steunde het comité de campagne van Barack Obama.

Davis is hoogleraar ‘History of Consiousness’ aan de Universiteit van Californië. De naam geeft treffend het cultureel marxistisch curriculum aan dat de studenten kunnen volgen. Een greep: African and African American Studies, ethnic studies, queer theory, feminism, disability studies, histories and theories of race and racialization, animality studies, post-colonial studies, Marxism, psychoanalysis, globalization, history of movements of the left and right, environmentalism, popular culture, cultural studies. Davis’ coming-out als lesbiënne past in dit cultureel marxistische gedachtengoed. Voor haar was het “een politiek statement”, zei ze zelf. Wel gemakkelijk gezegd voor iemand die zich uitspreekt voor een “radicale omverwerping van de kapitalistische klasse”, met een salaris van zes cijfers en een honorarium voor spreekbeurten dat ligt tussen de tien en twintigduizend dollar.

Van 12 tot en met 17 mei is Angela Davis in Nederland voor een aantal spreekbeurten. Ze is een week lang te gast in het programma ‘Moving Together: Activism, Art, and Education – A Week with Angela Davis’, waarin “het werk van Angela Davis centraal staat en dat een divers programma voor een breed publiek biedt”, aldus de organisatoren (waarin bekende namen als Amal Alhaag, Quinsy Gario, en Bojana Mladenović). Davis neemt deel aan het programma-onderdeel ‘Public Dialogue: Radical Solidarity and Intergenerational Coalitions’, en verzorgt de belangrijkste speech, waarin ze ongetwijfeld zal ingaan op identiteitspolitiek, feminisme, intersectionaliteit en andere postmoderne en verhuld marxistische nachtmerries.

Opmerkelijk is dat de week vol politiek activisme een initiatief is van SNDO, School voor Nieuwe Dansontwikkeling. Waarschijnlijk gaan de deelnemers veel joelen en klappen.

Posted on

Het Avondland in het licht van Spengler en de Islam

De nu volgende tekst is een ingekorte versie van een voordracht die Sid Lukkassen op 23 oktober jl. hield voor het KVHV Leuven.

Het motto van deze voordracht is: “Ducunt fata volentem, nolentem trahunt”: de gewillige leidt het lot, de onwillige wordt erdoor meegesleept; het lot zal leiden wie wil, wie niet wil zal het dwingen.

Uitgeverij Boom voltooide een vertaling van Der Untergang des Abendlandes (1918) van Oswald Spengler. Boom onderstreept met de publicatie (terecht) de urgentie en relevantie van Spenglers werk voor de huidige tijd. In deze verhandeling maak ik u deelgenoot van mijn omgang met Spengler en de waarde van zijn werk voor een politiek filosoof.

Culturen voorgesteld als levensvormen

Over Spengler moet allereerst gezegd worden dat zijn levensloop in alles naar de conceptie voert van Der Untergang des Abendlandes. Daarop volgt de receptie van dat werk en ten slotte wordt Spenglers leven geheel beheerst en getekend door zijn reacties op die receptie. Steeds keert daarbij terug dat er volgens Spengler ‘culturen’ bestaan; wezenlijk van elkaar te onderscheiden ‘levensvormen’. In de geschiedenis maken zij een analoge ontwikkeling door die in essentie de levenscyclus van een mensenwezen volgt.

Spenglers uitgangspunt wijkt af van het ‘maakbaarheidsdenken’ van de Verlichting en het techno-utopisme – daarom wordt zijn werk verworpen in progressieve kringen. Ook botst de cyclische uitleg van de historie met de lineaire voorstelling van het christendom (vanaf de schepping tot de openbaring gevolgd door de Apocalyps en de verlossing). Ook de nazi’s maakten Spengler het leven zuur: zijn geschiedsopvatting zou het onderwerp ‘ras’ verwaarlozen en werd als ‘fatalistisch’ aangemerkt.

Deze auteur overstijgt zijn tijdsgewricht

Spengler was groot vóór de machtsovername van de nazi’s en dit maakte hem tot een van de enkelen die nog in een positie was om het nieuwe regime te kunnen bekritiseren; dit scenario kan zich in onze toekomst makkelijk herhalen. Het zijn er maar weinigen die intrinsiek gedreven zijn om in alle omstandigheden objectief en kritisch te blijven – dit type mensen keert maar zelden terug op verkiesbare lijstplaatsen: partijbesturen kunnen dit persoonlijkheidstype simpelweg niet aan.

Het is ook precies waarom Spengler zijn tijdsgeest kon overstijgen en waarom het nazi-regime dat niet kon, evenzeer als dat de Westerse politieke partijen zichzelf vandaag overbodig maken. Permanent gevangen in de noodzaak om stemmen te trekken kijken partijleiders niet vooruit maar raken zij blijvend verweven in de waan van de dag. Populariteit, meeklappen en meeglibberen boven inhoud: de buitendienstcultuur in een notendop.

Wat de hofintriges van het politieke spel betreft zag Spengler scherp de schaduwzijden. Hij herkende die in de massapolitiek als voorwaarde voor plebiscieten en demagogie. Zoals toen grote aantallen mensen werden samengeperst in de straten van Rome; zuchtend naar vermaak en afleiding waren zij gevoelig voor bespeling en ophitsing door populaire volksleiders. Kijkend naar hoe joviaal de huidige leiders zich profileren zult u de buitendienstcultuur moeiteloos in hen herkennen: besef dat achter deze gemoedelijke façades meedogenloze partijhiërarchieën schuilgaan. De leden zijn aanvankelijk noodzakelijk om de partij op de kaart te zetten en populair te maken; zij worden gaandeweg op de achtergrond geplaatst en vervangen door teams van professionele spindoctors en imagomakers.

Spengler zou het daarom met ons eens zijn dat de oplossing van onze huidige malaise niet ligt in partijen met hun fladderige leiders – steeds vluchtig en jachtig op zoek naar bekende individuen wier populariteit op hen moet afstralen en die zij vervolgens weer afdanken en aan de kant schuiven – maar ligt in de geaarde binding aan een gemeenschap; een gemeenschap zoals zij vorm krijgt en wortels aanmaakt in een Nieuwe Zuil.

Dit project begrenst tegelijk de libertijnse en hedonistische ego’s van politici: het is de politicus die de zuil dient en politiek vertegenwoordigt; het is de zuil die de politicus corrigeert. De politicus kan omgekeerd niet leven zonder de zuil – zonder de zuil is het geen bestendigd gedachtegoed dat hem draagt maar slechts het vergankelijke beeld dat de spindoctor produceert. Daarmee – zonder zuil – ligt de macht bij de spindoctor en niet bij de gekozen volksvertegenwoordiger. Het zijn zuilen die democratieën überhaupt mogelijk maken, want zonder verankering in gewortelde gemeenschappen, in intellectuele arbeid en in Bildung, is het de wispelturigheid van het moment die de democratie beheerst; zo’n democratie is decadent en gedraagt zich min of meer als tirannie. Ook Spengler constateert in Der Untergang des Abendlandes dat de handel in imago’s een decadente democratie typeert.

Het boek zelf las ik voor het eerst in de vroege lente van 2008. Ik nam het boek mee op studiereis naar Berlijn, de hoofdstad van wat eens “het noordelijke Sparta” werd genoemd. Als er eens een uur was waarin de leerlingen zichzelf vermaakten, dan trok ik mij terug om in rust wat pagina’s te lezen – ik zette daarbij de ramen open en voelde hoe de lentebries zich binnenliet vanuit de skyline van de betonnen metropool. Zo werkte ik het boek in zijn totaliteit door, van kaft tot kaft – als een roman.

Duiding van het thema ‘Avondland’

Volgens Spengler is ‘alleen zijn in het woud’ de diepste religieuze ervaring van Europeanen. Gotische kathedralen bootsen die ervaring na – de meest geslaagde bouwwerken raken iets van het eindeloos ronddolen, wat we ook zien in de epische verhalen van de Westerse cultuur: het ronddolen van koning Arthur, Parsifal en The Lord of the Rings gaat terug op Odin: “Veel heb ik gereisd, veel heb ik gezien, veel van goden ervaren.” aldus het Vikinggedicht Vafþrúðnismál. Ook verwees Spengler vaak naar Gauss en Leibniz – naar ontdekkingsreizen en wiskundige formules. Het Westerse brein heeft een existentiële behoefte aan doorgronding en expansie: de oer-Europeaan vecht tegen de elementen en vormt het leven op het aambeeld van zijn wilskracht.

Europa is voor Spengler het ‘Avondland’ omdat het met zijn westelijke ligging de grond verbeeldt waarachter de zon verdwijnt wanneer de avond valt. Verkenningsschepen doorkruisten kolkende oceanen, zoekend naar nieuwe gebieden met helwitte stranden, waar de zon tot aan de einder loopt – dit was een tijd waarin de schepen van hout waren en de mannen van staal. “Westerse kunst staat gelijk aan het weghakken van de overvloedigheid der natuur” schrijft Camille Paglia. “De Westerse geest maakt definities; dat wil zeggen – deze trekt lijnen.” Het Europees intellect schept een logica die zich exponentieel doorzet, voorbij de grenzen van tijd en ruimte – het oneindige, het lineaire, het abstracte – raketten lancerend door een ijl heelal, afkoersend op onbekende bestemmingen. Dit is een belangrijk verschil met de Oosterse religies – in het boeddhistische Morgenland ligt het einddoel juist in het ophouden te streven. Vanuit deze tegenstelling denkend is ‘Avondland’ tevens een overkoepelend begrip voor de geestelijke cultuur van de Europese beschaving.

In Avondland en Identiteit wees ik vooral op de invloed van Spengler tegen de achtergrond van het fin de siècle. De meesters van de achterdocht, zoals Marx, Nietzsche en Freud brachten het Europese zelfvertrouwen aan het wankelen. Was die indrukwekkende Westerse beschaving niet een façade voor allerlei economische klassenbelangen, machtswellust en seksuele driften? Ook bleek het zelfnuancerende, zelfreflexieve bewustzijn van het christendom gevolgen te hebben voor het zelfbeeld van de Europese beschaving. Het Bijbelboek Daniël beschrijft een opeenvolging van wereldrijken die ten val komen: mede hierdoor hebben Euro­peanen de neiging om zichzelf te duiden binnen een geschiedenis die eigenlijk al is afgerond – als een uitvloeisel van een tijdperk dat reeds is afgesloten. Dit leidde tot relativisme en uiteindelijk tot schuldbesef, vermoeidheid en verlamming. Het is tegen deze achtergrond dat Spengler Der Untergang des Abendlandes schreef.

Een mogelijk dilemma is de lastige falsifieerbaarheid van Spenglers voorspellingen. Ieder fenomeen van verval is uit te leggen als een voorteken van het naderende instorten van een beschaving; dat verval is immers aangekondigd en vervolgens wordt alles in dat licht gezien. Alexis de Tocqueville, toch niet de minste, stelde het zeer krachtig: iedere nieuwe generatie biedt weer vers materiaal om te vormen naar de wensen die wetgevers vooropstellen. Als de wetgevers eenmaal decadent worden, dan is er een groter probleem.

Vervreemding van de eigen cultuur

Spinoza merkte al op dat wetten niet zijn opgewassen tegen de gebreken waarin mensen vervallen die te veel vrije tijd hebben – gebreken die niet zelden de val van een rijk veroorzaken. Zo stelt hij in hoofdstuk tien van Tractatus Politicus (1677) dat in het lichaam van een staat zich net als in een natuurlijk lichaam kwalijke stoffen ophopen, die zo nu en dan moeten worden gereinigd en doorgespoeld. De staat moet dan terugkeren naar haar uitgangspunt – naar de normen en waarden die de grondslag vormen van de bijbehorende cultuur. Blijft deze omwenteling uit, dan zullen het karakter van het volk en het karakter van haar staat volgens Spinoza twee verschillende paden inslaan. “Waardoor men er ten slotte toe komt de vaderlijke zeden te minachten en zich vreemde eigen maken, wat erop neer komt zichzelf te knechten.”

Vanuit deze verandering van heersende zeden komen wij vanzelf op de actuele migratiekwestie en het ‘Heimatgefühl’. Dit wil zeggen dat mensen, wanneer ze niet in de toeristische modus zijn, het liefst in een omgeving verkeren waar ze zich thuis, vertrouwd en geborgen voelen. Het woord ‘goed’ hangt oorspronkelijk samen met dat wat je ervaart als het eigene – vandaar ook een woord als ‘landgoed’. Met de instroom van andere culturen maakt dit thuisgevoel plaats voor maatschappelijke versplintering en sociaal atomisme. Mensen identificeren zich minder met elkaar waardoor solidariteit verdwijnt voor berekenend gedrag. De tradities die voor maatschappelijke samenhang zorgen verwaaien en men krijgt er enclavevorming voor terug.

Als een beschaving de fase van cultuurvervreemding heeft bereikt, dan treedt het onderscheid naar voren dat Spengler in Der Untergang des Abendlandes aanbracht tussen ‘slapende’ en ‘wakende’ zielen. De slapende zielen vertegenwoordigen de onderstroom van een beschaving: ze overdenken hun cultuur niet bewust maar beleven deze gevoelsmatig. Ze zijn verbonden met een oerkracht en sluimeren tussen met mos begroeide ruïnes waaruit een lichte nevel opstijgt. Soms komen ze spontaan in roering – precies om de “giftige stoffen uit te spoelen”. De wakkere zielen daarentegen staan volgens Spengler meer op hun eigen oordeelskracht: ze denken systemen uit en zijn op abstracties gericht, op ‘hoe de wereld in theorie zou moeten functioneren’.

In theorie kan men inderdaad zeggen: “Hoe erg is het als er duizenden of zelfs honderdduizenden immigranten naar Europa komen? Geen enkele cultuur is statisch – we passen ons vanzelf aan.” In de praktijk redeneren alleen mensen op deze wijze die voortdurend in een toeristische modus zijn: het slag mensen voor wie cultuur, geschiedenis en erfgoed geen intrinsieke waarde hebben, en voor hen volledig inwisselbaar zijn. Het is hierom dat Spengler in het tweede deel van zijn magnum opus concludeert dat ontworteling en doorgedreven kosmopolitisme kenmerkend zijn voor oude en stervende beschavingen. 

Nu eerst meer over de invloed van de islam op het Avondland. Daarvoor verdiepen wij ons in een bespiegeling op Michel Houellebecqs roman Onderworpen. Het is in 2015 geschreven als Soumission en naar het Nederlands vertaald door Martin de Haan, dat onze gedachten in die richting stuurt. Het boek verscheen in Frankrijk op exact dezelfde dag dat de moordaanslag op Charlie Hebdo plaatsvond, waarbij tekenaars van onwelgevallige cartoons door moslimfundamentalisten met machinegeweren werden doorzeefd. De provocatieve titel verwijst naar de significantie van het woord islam, wat letterlijk “onderwerping” betekent en uitdraagt dat het leven van de individuele gelovige niet aan hemzelf toebehoort maar aan diens opperwezen.

Integratie tussen de lakens?

In mijn leven deed zich een ontmoeting voor die het voorgaande bevestigt. Dit was toen ik tijdens een wetenschappelijke conferentie een knappe jongedame trof met een migratieachtergrond. Ze kwam me zeer Westers voor. Niet alleen was ze als een veelbelovend wetenschapper uitgekozen voor de bijeenkomst: ook accentueerde de dunne stof van haar kleding haar zandloperfiguur. De rok die ze droeg benadrukte hoe haar venusheuvel afstak tegen de musculatuur van haar onderbuik. Haar ontblote schouders boden uitzicht op de verfijnde pezen en zelfs de amberkleurige huid van haar bescheiden borsten was bij de juiste invalshoek te zien. Plots vertelde ze dat ze de relatie met haar Nederlandse vriend had verbroken vanwege de islam.

Hij was naar haar zeggen goed op weg. Drie jaar geleden had hij zich voor haar bekeerd en sindsdien hadden ze een relatie. Hij had echter laten doorschemeren dat hij voor haar alcohol en varkensvlees liet staan. Met een verzoekende ondertoon vroeg hij haar of er dan ook een punt was waarop zij concessies kon doen. “Hij moet zich aan Allah geven ter wille van Allah,” zei ze resoluut. “niet ter wille van mij.” Precies, zo vulde ik aan, “want zijn overgave moet absoluut zijn.” Haar okerkleurige ogen begonnen te fonkelen: “Absoluut, volkomen en totaal. De kern van ons geloof is onderwerping. Onderwerping aan Allah vanwege Allah en niet vanwege je vriendin.”

Onderworpen is het levensverhaal van een docent in de negentiende-eeuwse Franse literatuur aan een prestigieuze universiteit. Buiten enige affaires met studentes is zijn leven eigenlijk bar saai. Dat verandert zodra de Moslimbroederschap in Frankrijk aan de macht komt en salafistische oliesjeiks zich met het onderwijsbeleid gaan bemoeien. In Onderworpen vertegenwoordigt de islam niet zozeer een bedreiging voor Europa alswel de redding van Europa:

“Want in dezelfde mate als het liberale individualisme wel moest zegevieren zolang het alleen tussenstructuren zoals vaderlanden, corporaties en kasten ontbond, had het zijn eigen doodvonnis getekend toen het zijn aanval richtte op de ultieme structuur van het gezin, en dus op de demografie; daarna kwam logischerwijs de tijd van de islam.” (blz 212).

“De massale komst van immigrantenpopulaties die waren doordrongen van een traditionele cultuur waarin de natuurlijke hiërarchieën, de onderworpenheid van de vrouw en het respect voor ouderen nog niet waren aangetast, vormde een historische kans voor de morele en familiale herbewapening van Europa. Dit opende de weg voor een nieuwe bloeitijd van het oude continent.” (blz 215).

Dit brengt ons terug op wat ik zei over de politieke filosofen van de twintigste eeuw. Als politiek filosoof vermoed ik dat de politieke wijsbegeerte na de voornoemde ‘grote leermeesters’ feitelijk stil kwam te staan. De literatuur blijkt ons te hebben ingehaald en drukt ons nu met de neus op de feiten. Ik bedoel hiermee de enorm visionaire kracht van Houellebecq: terwijl liberalen en socialisten elkaar bevechten met economische vertogen (Piketty) voelt de schrijver haarfijn aan dat het politieke debat zich verplaatst naar identiteit. Politieke botsingen zullen gaan om de demografische voorwaarden die een beschaving nodig heeft om überhaupt te kunnen voortbestaan.

“De Moslimbroederschap is een bijzondere partij – voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie de kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit.” (blz 64).

Wat Onderworpen nóg controversiëler maakt is dat het Front National in het verhaal een verzetsbeweging wordt, als de enige groep die nog bereid is voor de traditionele Westerse waarden te vechten. Sociaal-liberalen zijn bezig met ‘lauwe’ economische compromissen en ondertussen verplaatst het ‘bezielend-ideologische vuur’ zich naar de rechterkant van het politiek spectrum. Zoals in een debat tussen filosoof Etienne Vermeersch en politicus Bart de Wever al werd gezegd “zijn de mensen nu wel een beetje klaar met de holle vertogen over wereldburgerschap die ze vanuit hun maatschappelijke elites krijgen opgedrongen”. Rond dezelfde tijd omschreef Martin Bosma zichzelf als leider van een club rebellen die zich verzet tegen de afschaffing van Nederland. Dit was in een interview over zijn boek Minderheid in eigen land (2015). Ook de recente oprichting van een nieuwe groep in het Europees Parlement, met daarin onder meer Front National, PVV en Vlaams Belang, is een teken aan de wand.

Westerse zelfopheffing?

Minder visionair was de bijeenkomst in Utrecht op 16 mei 2015 waar de schrijver optrad ondersteund door diens vertaler. Wie in de ban is van Houellebecqs boeken is dat wegens de aangrijpende thema’s: de invloed van feminisme op man-vrouw verhoudingen, de pornografisering van de samenleving en de botsing tussen de islam en het Westen. Het vraaggesprek ging echter over technische trivialiteiten omtrent het vertalingsproces. “Hoe vaak herhaal je een woord binnen een alinea – volg je daarin Flaubert of Balzac?” Helaas kreeg het publiek maar vijf minuutjes om vragen te stellen en het debat te ontketenen 

In een interview met Paris Review (2 januari 2015) noemde Houellebecq Frankrijk juist een verzetshaard tegen deze collectieve zelfopheffing; dat maakt het land vrij uniek in vergelijking met andere Europese landen (zoals Zweden). De uitspraak is interessant omdat de discussie «wel of geen Westerse zelfopheffing en zo ja, in hoeverre?» de inhoud van zowel politieke filosofie als geopolitiek zal bepalen. Deze kwestie is de ultieme inleiding tot mijn nieuwe boek Levenslust en Doodsdrift: essays over cultuur en politiek, dat op de boekenbeurs van Antwerpen gepresenteerd zal worden en uitvoerig ingaat op de laatstgenoemde vraag.

Posted on

“In gelul kun je niet wonen”. Het naïeve ideaal van een gemeenschappelijk huis

Bas Heijne, columnist en schrijver, is een scherp observator van sociale ontwikkelingen in ons land. In NRC Handelsblad schrijft hij wekelijks een lezenswaardige column over vooral de eigenaardigheden in stad en platteland. Heijne, net geen babyboomer, ziet namelijk overal tegenstellingen. Tussen stedelingen en dorpelingen, tussen hoog en laag opgeleid, tussen rijk en arm, tussen kosmopolitisme en nationalisme, tussen gevestigden en buitenstaanders (zoals Norbert Elias dat in de vorige eeuw zo treffend omschreef).

Onlangs verscheen van de Amsterdammer een klein boekje over de ‘erfenis van Gandhi, King en Mandela’, met als titel Wereldverbeteraars. Heijne onderzoekt in dit essay wat de idealen van de drie genoemde leiders kunnen betekenen voor onze huidige tijd. Een tijd die Heijne, in navolging van de Britse schrijver Pankaj Mishra, labelt als één vol van ressentiment, van groepsdenken, van woede, van tegenstellingen. Filosofisch duiden beide essayisten ons tijdsgewricht als een reactie op en afkeer van het Verlichtingsdenken. Mishra ziet “een zekere spanning en tegenspraak in het idee van de emancipatie van het individu”, het gelijkheidsideaal van de Verlichting. Want hoe los je de spanning op tussen de emancipatie van individuen en het vormen van een gemeenschap? Een spanning die volgens de auteurs de afgelopen eeuwen alleen maar is toegenomen, nu het Verlichtingsideaal universeel is geworden en iedereen modern is.

Die vaststelling is een handige zet van beide auteurs. Deels klopt het natuurlijk. We kennen allemaal de fameuze ‘Kloof van Lessing’, die stelt dat wij, moderne mensen, nooit meer kunnen denken als iemand die bijvoorbeeld in de Middeleeuwen leefde. De premoderne denkwereld is voorgoed afgesloten. En als we in de stoel van de tandarts liggen prijzen we de technologische vooruitgang. Maar aan de andere kant kunnen de auteurs door hun vaststelling voorbijgaan aan het feit dat er groepen mensen zijn die helemaal geen boodschap hebben aan het moderne denken. Die voor hun doeleinden handig gebruik maken van alle technologische middelen die de moderniteit biedt, zoals vliegtuigen, internet, smartphones en ingrediënten voor verwoestende bommen, maar in hun denken diametraal tegenover het Verlichtingsdenken staan. Een paradox die de Britse auteur V.S. Naipaul in zijn reisboeken over het Midden-Oosten en India al eerder constateerde.

Want hoe definieer je modern? Als een filosofisch denkraam van waaruit het individu de wereld beschouwt? Of als een maatschappij die technologische vooruitgang omarmt? Maar Heijne gaat, in navolging van collega Mishra, voorbij aan deze vraag, en stelt unverfroren dat de tegenstelling – alweer! – gaat tussen het geëmancipeerde individu en de gemeenschap. En hij trekt vervolgens de conclusie dat de moderne (!) reactie hierop “terugvallen op een groepsidentiteit” is. Heijne gebruikt zelfs het ‘verdachte’ woord “identitaire groep” om deze, in zijn ogen, slechte ontwikkeling te duiden. Want je opsluiten in een eigen groep betekent je afsluiten van de wereld. En dat is slecht, aldus Heijne.

De essayist noemt ze niet bij naam en het is aan de lezer om deze zelf in te vullen: de identitaire groep. Bij een progressief schrijver als Heijne denk je dan al snel aan ‘boze, blanke burgers’. Maar de kosmopolitische bewoner van de grachtengordel behoort net zo goed tot een identitaire groep. Net als de salafistische moslim. Net als de zwarte, politiek bewuste migrant uit Afrika. Maar door het bewust gebruik van het woord ‘identitair’ framet Heijne de besloten groep tot één die zich voor de lezer al snel beweegt in het rechtse, nationalistische en conservatieve kamp. Dagblad Trouw, dat een voorpublicatie van het boekje van Heijne afgelopen zaterdag plaatste, doet daar nog een schepje bovenop en plaatst bij het stuk alleen foto’s van woedende burgers bij een inspraakavond over een te vestigen azc. Lekkere hapklare brokken voor de progressieve lezer.

Gandhi, hier met de latere Pakistaanse leider Jinnah, kon zijn ideaal van een gemeenschappelijk huis in eigen land niet waar maken.

Tegenover deze groepen plaatst de auteur het gedachtegoed van Gandhi, King en Mandela (in een vervolg op dit boekje zal ongetwijfeld die andere heilige van progressief seculier Nederland worden bijgevoegd, Obama). Volgens Gandhi is onze identiteit als een huis, waar vele mensen van diverse afkomst samen kunnen leven. De tragiek van de Indiase geweldloze activist is natuurlijk dat zijn eigen geboorteland dat idee niet kon waarmaken. Net zo goed als de erfenis van Martin Luther King ten onder ging in het geweld van Black Power en de Regenboognatie van Nelson Mandela een nachtmerrie van moord en corruptie is geworden. De idealisten die Heijne laat opdraven om zijn ideeën over de toekomst van Nederland en de wereld daarbuiten vorm te geven, laten tegelijk zien hoe naïef zijn wereldbeeld is. Want wat doe je als je imaginaire huis wordt overvallen, volstroomt met mensen die bezit nemen van alles dat je lief is? Die je huis in de brand steken en proberen op te blazen? Die geen boodschap hebben aan de huisregels? Praat maar eens met mensen in een gemiddelde volkswijk, Bas, voordat je een doorwrocht intellectueel essay schrijft. Het is toch opmerkelijk dat iedereen een groep mag vormen, behalve autochtone Nederlanders buiten de Amsterdamse grachtengordel.

Ironisch is dat een paar pagina’s na de voorpublicatie uit het boekje van Heijne Trouw een recensie plaatst van het boek Het Huis van de Regering (what’s in a name?). Dat gebouw werd door de Sovjet-autoriteiten tien jaar na de revolutie gebouwd om de voorhoede van de communisten te huisvesten. “De appartementen werden het thuis van burgers met verdiensten voor de revolutie, staats- en partijfunctionarissen, militairen, geleerden, modelarbeiders en andere zorgvuldig geselecteerden met hun gezinnen.” Weer tien jaar later waren veel van die gezinnen verdwenen, slachtoffers van de zuiveringen onder Stalin. Daarna kwam de oorlog met nazi-Duitsland, die ook het leven eiste van een groot aantal bewoners. De utopische grootheidswaanzin van de bouw van zo’n huis laat zien waar de idealen van de Verlichting, van de moderniteit, toe leiden: controle, terreur, moord. Niet toevallig begon de politieke Verlichting met dit drietal. En de dromen van dat andere drietal, die uit de titel van het boekje van Heijne, leidden eveneens tot dezelfde nachtmerrie.

Want de ideeën van de drie wereldverbeteraars zijn niet alleen grenzeloos naïef in een wereld waar macht en het streven daarnaar leidend zijn, ze leiden ook tot gruwelijke ongelukken. “In gelul kun je niet wonen”, zei de laatste echte arbeider in de sociaaldemocratische beweging ooit. Dat weten ze buiten de Amsterdamse ring, dat weten ze in de voormalige Sovjetunie, en dat beseft Bas Heijne binnenkort hopelijk ook.

Posted on

Geïdealiseerde Jackie Kennedy als troost voor gekwetste Democraten-zieltjes

Gelijk met de wisseling van de wacht in het Witte Huis brengt de Amerikaanse filmindustrie een hommage aan Jackie Kennedy op het witte doek. Het gekozen tijdstip voor de lancering van de film is vanzelfsprekend geen toeval. Zou Hillary Clinton, zoals men in Hollywood verwachtte, de presidentsverkiezingen gewonnen, dan had de boodschap geluid: De nieuwe Amerikaanse president kan aanknopen aan een grootse traditie. Met Jackie Kennedy was er al eens een geweldige, moedige Democraten-vrouw in het Witte Huis. En nu dan eindelijk één als president in plaats van first lady.

Zoals bekend liep het in werkelijkheid anders. De Republikeinse kandidaat won de verkiezingen en zelfs tegenstanders van Trump moeten bij evaluatie van de campagne toegeven dat Hillary Clinton haast perfect beantwoord aan Trumps clichébeeld van het politieke establishment. Na de nederlaag van Clinton kan de film echter ten minste nog als balsem voor gekwetste Democraten-zieltjes dienen, met als boodschap: Niet alle Democraten-dynastieën werden gefnuikt door affaires en schandalen.

Jackie wordt in de gelijknamige speelfilm zacht gezegd welwillend neergezet. Van de hoofdrolspeelsters, de uit Star Wars en Black Swan bekende Natalie Portman, heette het in de Amerikaanse media weliswaar dat ze een treffende gelijkenis met Jackie Kennedy vertoont, maar dat geldt hooguit oppervlakkig. Portmans trekken zijn veel lieflijker. Maar dat past goed in de strategie van de film, waarin Jackie Kennedy als zachte, kwetsbare en door twijfel aan zichzelf geplaagde vrouw voorgesteld wordt.

Het andere beeld van de koude, berekenende vrouw die met de emoties van het volk speelt, moet duidelijk ontkracht worden. Zo komt de beroemde aan deze verdenking voeding gevende scene, waarin John F. Kennedy junior voor de kist van zijn vader salueert in de film niet voor. In plaats daarvan wordt daarentegen Jackie Kennedy geschilderd als een vrouw die de massa’s werkelijk liefhad, een hoogst emotionele vrouw die uit plichtsbetrachting haar gevoelens ten minste ten dele voor het publiek verbergt.

Dat Jackie Kennedy als geen presidentsvrouw voor haar op haar effect in de publieke waarneming bedacht was, wordt in de film niet geloochend, maar zelfs dat wordt positief gepresenteerd. Zo ontvangt Jackie Kennedy als first lady de televisie in haar Witte Huis en krijgt van tevoren door een adviseuse ingeprent wat ze moet zeggen. Tijdens haar optreden voor de camera werpt ze vervolgens dermate verlegen, bevestiging zoekende blikken naar haar adviseuse, dat je er als kijker bijna van zou gaan blozen.

Zo meisjesachtig zullen echter maar weinigen de werkelijke Jackie Kennedy in herinnering dragen. Alle acteurs in de film zijn trouwens erg goed, vooral de Kennedys. Uitzondering daarop is eigenlijk alleen John F. Kennedys opvolger als president, Lyndon B. Johnson.

De eigenlijke handeling van de film bestaat erin dat een journalist, Theodore H. White van het inmiddels door Time opgekochte Life magazine, Jackie Kennedy een week na de moordaanslag op haar man bezoekt in de zomerresidentie van haar familie en haar interviewt. De journalist komt met een taxi, van begin af aan is de kraag van zijn overhemd open en zijn stropdas een weinig los gemaakt. Wanneer de rouwende weduwe iets zegt wat hem onvrijwillig amuseert, onderdrukt hij zijn geamuseerdheid nauwelijks.

Jackie Kennedy doet in hoogst eigen persoon de deur voor de journalist open, personeel is geen velden of wegen te bekennen. Deze enscenering werkt nou niet bepaald geloofwaardig, maar moet kennelijk de indruk wekken van een egalitaire sfeer scheppen waarin een openhartig en eerlijk gesprek plaats vindt. Zodoende laten de filmmakers Jackie Kennedy de journalist ook vermanen dat hij niet alles op mag schrijven wat ze hem nu gaat vertellen.

De hele film had een relatief goedkoop twee-personen-stuk kunnen worden, als er niet een hele reeks veel uitbundigere en actierijkere flashbacks in zaten, die strekken van de aankomst van het presidentiële paar in Dallas tot aan de pompeuze rouwdienst voor de door Peter Sarsgaard gespeelde John F. Kennedy. De flashbacks zijn eigenlijk de krenten in de pap die gevormd wordt door de raamvertelling van het interview.

Behandeld wordt kortom een weliswaar klein, maar niettemin interessant stuk van de Amerikaanse politieke geschiedenis. De manier waarop dit gepresenteerd wordt vraagt wel enig geduld van de kijker en is naar Europese smaak wel erg pathetisch. Dat uit zich in emotioneel geladen dialogen en gedeeltes met close-ups en theatrale achtergrondmuziek. Als men nu wist dat het gepresenteerde authentiek was, kon de kijker zich er tenminste nog mee troosten er iets van op te steken. Maar in de voorstelling van hoe bijvoorbeeld Jackie Kennedy haar met bloed besmeurde jurk uittrekt na de aanslag, of van haar privégesprekken met haar zwager Robert of met haar pastoor, hebben de makers van de film zich erg veel artistieke vrijheid gepermitteerd.

Tegen het einde van de 100 minuten durende film komt het tot zo’n accumulatie van pathetische scènes, dat men als kijker na iedere scène vermoedt dat deze wel het einde van de film zal markeren, om vervolgens verrast te worden door een scène die dit in pathetiek nog weer moet overtreffen. Deze film zal ongetwijfeld de nodige kijkers trekken, maar andere films die in het Witte Huis spelen hebben voor de kijker dikwijls het voordeel meer feiten en minder verheerlijking te bieden.

Posted on

Goed als het woord allochtoon verdwijnt

Adviesorganen van de overheid hebben besloten om met onmiddellijke ingang het woord ‘allochtoon’ niet meer te gebruiken en een mediale storm van verontwaardiging ter rechterzijde was het gevolg. Het is echter helemaal geen verlies, maar het kan leiden tot een einde aan een tijdperk van semantische verwarring.

Het woord ‘allochtoon’ werd in 1971 opgevoerd door de sociaaldemocratische feministe Hilda Verwey-Jonker om een einde te maken aan het gebruik van het woord ‘migrant’ of ‘gastarbeider’.  De nadruk kwam te liggen op de geboortegrond (allo = vreemd, chtoon = grond) – een allochtoon is geboren in het buitenland, maar is desalniettemin een Nederlands burger. Het haakt in op een argument dat je wel eens hoort in de trant van “ik ben ook maar toevallig in Nederland geboren”. Alsof kinderen door de ooievaar worden gebracht.

Het probleem met het wetenschappelijke gebruik van het woord allochtoon is dat het een veel bredere groep mensen omvat dan doorgaans wordt bedoeld. Zo is de koninklijke familie ook allochtoon, aangezien alle partners van de Nederlandse vorsten vanaf Koning Willem I uit het buitenland komen. Toch zal het bevreemding wekken bij mensen als dit wordt opgevoerd. Met allochtonen worden namelijk doorgaans migranten uit het verre buitenland bedoeld, zelfs al wonen zij reeds enkele generaties in Nederland, zoals bijvoorbeeld Surinamers. Zelfs de inwoners van de Antillen, die formeel gezien tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren, worden doorgaans beschouwd als allochtoon.

Het woord allochtoon is hierdoor net zo onbruikbaar als het woord integratie. Met integratie wordt in de volksmond aanpassing aan de Nederlandse cultuur bedoeld, maar dat hoeft het niet noodzakelijkerwijs te betekenen. Integratie kan ook betekenen dat er een afgebakende cultureel-religieuze groep woont die hier woont, maar niet volwaardig deelneemt aan het maatschappelijk leven vanwege een afwijkende cultureel-religieuze identiteit. In dat licht zou je sommige protestants-christelijke kerkgenootschappen ook ‘geïntegreerd‘ kunnen noemen, alsmede culturele minderheden zoals de Friezen met hun aparte taal.

Het gebruik van de woorden ‘allochtonen’ en ‘integratie’ hebben er toe geleid dat discussies over de positie van migranten en vreemde etnisch-culturele minderheden zijn verzand in vage begrippen die voor verschillende groepen verschillend worden uitgelegd. Het vertroebelt het debat over wie wij zijn als natie en over de toekomst van die natie. Aangezien ons politiek bestel is gebaseerd op de natiestaat, bijvoorbeeld op de veronderstelling dat we allemaal Nederlands spreken, is de komst van migranten uit vreemde culturen een uitdaging voor de natiestaat: welke eisen stellen we voor het verwerven van burgerschap, zoals de beheersing van de Nederlandse taal?

Het verdwijnen van het woord ‘allochtoon’ kan een zegen zijn, omdat het ook een einde kan maken aan het idee dat het enige verschil tussen een migrant en een Nederlander de geboortegrond is. De discussie kan zo eindelijk eens verschuiven naar de domeinen waar zich de meeste problemen voordoen, zoals de opleiding en tewerkstelling van migranten, en welke vreemde culturen we kunnen absorberen (en welke niet). Het woord allochtoon heeft er namelijk ook voor gezorgd dat alle migranten op één hoop werden geveegd, los van hun verblijfsstatus (gastarbeider, vluchteling, etc.) en afkomst (taal, cultuur en godsdienst). Daarom zeg ik: weg met het woord allochtoon en laat de discussie over (on)gewenste migratie beginnen!

Posted on 1 Comment

Ophef over Zee

Vanuit diverse hoeken werd Machteld Zee deze week belaagd door critici. De recent gepromoveerde politicologe/juriste Zee heeft haar dissertatie in boekvorm uiteengezet en uit hierin scherpe kritiek op zowel Islamisme als de westerse visie op islamisme. Vooral haar opmerking dat er “een plan” is om te islamiseren wordt haar erg verweten.

De “plan”-quote werd gretig uit zijn context gerukt door de mensen die Zee tracht te bekritiseren. Onmiddellijk gingen dezelfde gevarenlampjes aan, die rood gloeien als een dwalende geest over de “protocollen van de wijzen van Zion” begint te oreren. En als zodanig werd er dan ook gesproken over alu-hoedje en complotdenker. Jammer, maar helaas, daar doelde Zee in het geheel niet op. Waar Zee wel op doelt, is tweeledig. Allereerst, de islam legt een zeer duidelijke claim op de publieke ruimte. Dit concludeert zij op basis van de teksten; het valt te hopen dat mensen dit inmiddels wel doorzien. Dit is ook niet zozeer een georkestreerd plan, maar een “goddelijke” taak van moslims. Vergelijk het met de Bijbelse taken voor christenen om het evangelie te verspreiden of joden om de sabbat te eren. Ten tweede, fundamentalistische regimes als Saoedi-Arabië en Qatar stoppen heel veel geld in de bouw van moskeeën in niet-moslimlanden en sturen conservatieve imams om daar te preken.

Zee stelt ook, dat de huidige spelregels van integratie misbruikt worden door Islamisten en dat, mits niets daartegen ondernomen, westerse landen hierdoor met parallelle samenlevingen komen te zitten. Tevens waarschuwt ze daarom voor het proces van sluimerende islamisering; via druk en angst worden zaken, die haaks staan op de islam – neem bijvoorbeeld alcoholconsumptie – steeds meer uit de publieke sfeer onttrokken. Wie hier aan twijfelt, moet maar eens een spotprent van Mohammed tekenen en inzenden naar de krant onder eigen naam.

In haar dissertatie heeft Zee zich m.n. verdiept in de shariarechtbanken van het VK en is gealarmeerd geraakt door de wijze waarop die parallelle samenlevingen nu al in ons midden bewegen. Zee zag duidelijke voorbeelden van misstanden en deed er verslag van. Voorts waarschuwde Zee ook nog voor de subversieve cultuur, die deze shariarechtbanken voorstaan. Shariarechtbanken ontmoedigen hun gemeenschap actief om zich niet te wenden tot de rechtstaat van de ongelovigen of volgens de algemene normen te leven. Shariarechtbanken helpen integratie dus geenszins, maar leiden tot een religieuze apartheid.

Interpretaties

Ewout Klei deed op Jalta de opmerkingen van Zee af als “ondergangsdenken”. Ik vermoed dat hij hier refereert aan de voorspellingen van bijvoorbeeld Pat Buchanan (“Death of the West”), Mark Steyn (“America Alone”) of Oswald Spengler (“Der Untergang des Abendlandes”). Zij zijn allen zeer negatief over de toekomst, omdat zij stellen dat de moderne seculiere samenleving niet kan overleven zonder sterke cultuur/religie (zoals het christendom) en/of gezonde demografische opbouw (minder dan 2,1 kinderen per vrouw). Wilders zit ook duidelijk op dit spoor. Klei stelde verder dat er een midden gezocht moet worden tussen Zee en het politiek-correcte denken.

Om deze reden probeerde ik de politiek-correcte tegenhanger van Zee te zoeken en stuitte ik op de website Krapuul, die een treffende verwoording gaf van het pro-Islam standpunt. Aldus Krapuul:

Mr. Dr. Zee schetst zichzelf als een realist, die een reële situatie onder ogen durft te zien. Probleem is echter dat ze blijkbaar denkt dat het uniek is voor de Islam (sic) om er een aparte vorm van rechtsspraak op na te houden. Dat dit aperte nonsens is is alleen al duidelijk na de perikelen rondom Vindicat. Ook bijvoorbeeld de Katholieke kerk houdt er haar eigen rechtbank op na.

Krapuul stelt dus dat shariarechtbanken moreel gelijk zijn aan interne afhandeling van onenigheden en affaires binnen studentenverenigingen en de RKK.

Maar Zee doet precies met shariarechtbanken wat anderen met Vindicat en de RKK hebben gedaan. Ze openbaart wat zij ziet als misstanden. Krapuul zou, volgens de eigen logica, dus toe moeten juichen dat Zee de misstanden binnen shariarechtbanken openbaart. Het is wel begrijpelijk dat Krapuul bezwaar maakt tegen Zees verwijt dat multiculturalisten helpen om Nederland te islamiseren. Wat beveelt Zee aan?

We zullen veel weerbaarder moeten worden en grenzen moeten stellen aan de islamisering. Niet ingaan op de eis dat afbeeldingen van schaars geklede vrouwen moeten worden afgeplakt, bijvoorbeeld. ‘Just say no’. En burgers moeten niet telkens een beroep doen op de overheid. Je kunt zelf immers ook laten zien wat je normen en waarden zijn. Waarom haalt de Hogeschool Den Haag preventief de kerstboom weg? En waarom wordt op plekken waar moslims komen alcohol geweerd? Dat hoeft allemaal niet, we doen het zelf.

Zee bekritiseert met deze voorbeelden dus met name de reactie van niet-moslims en de intolerantie van moslims naar niet-moslims. Opnieuw, Zee staat dus weerbaarheid voor en zoekt de primaire schuld bij de links-liberale cultuur en staat oplossingen voor waar geen moslim onder zal lijden: “just say no”.

Multiculturalisme

Zees standpunt over multiculturalisten als belangrijkste veroorzaker van het integratieprobleem met de Islam is waarschijnlijk onjuist. In uiteenlopende landen als Birma, Thailand, Nigeria, China, Angola, India en Rusland zijn er spanningen tussen moslims en niet-moslims en daar hebben ze nog nooit van SJW’s, cultuurmarxisme, multiculturalisme, kosmopolitisme, radicale tolerantie of wat dan ook gehoord. De gemene deler is steeds de islam.

Ook binnen het Westen zijn er zeer verschillende aanpakken van integratie. Frankrijk hanteert republicanisme; België doet (kan?) niets; Duitsland doet alsof er geen probleem is; Zweden heft zichzelf op; Nederland, Denemarken en Oostenrijk doen aan confrontatie; en de Angelsaksische landen gaan voor klassiek multiculti: langs elkaar heen leven. Maar ondertussen: niets helpt. Vrijwel overal zijn dezelfde hardnekkige integratieproblemen met moslims in westerse landen (schooluitval, getto’s, werkloosheid, etnische spanningen, criminaliteit, terreur en extremisme, etc.) Het multiculturalisme helpt natuurlijk niet om het probleem op te lossen, maar inmiddels is het laken van multiculturalisme een wat al te gemakkelijk doelwit om je woede (zonder tegenrisico op geweld) op los te laten.

Verder, moslims zijn bepaald niet de enige migrantengroep in Westerse landen met een andere cultuur. Vietnamezen kwamen bijvoorbeeld in de jaren ’70 naar Frankrijk, ver na de Algerijnen, die zich er al sinds 1900 vestigden, en Vietnamezen doen het nu zelfs beter dan de gemiddelde Fransman. Vietnamezen gedijen prima in het Franse Republicanisme – ook in de Nederlandse aanpak trouwens. In Nederland wordt de integratie van Indo’s niet eens meer bijgehouden, omdat ze volledig geassimileerd zijn. In Nederland en het VK zijn er ook genoeg Hindoescholen, een typisch multiculturalistische vrijheid, maar die leveren burgers op die prima functioneren in de maatschappij.

Liberaal

Het is verder interessant om te melden dat Zee zichzelf identificeert als D66’er en feminist; Zee identificeert zich dus niet eens met het rechterkamp. Zee wordt alleen door links bij rechts geschaard, omdat ze haar ideeën niet kunnen verenigen met hun eigen pro-islam-standpunten. Zee geeft zeer specifieke kritiek op basis van uitgebreid onderzoek. Een dissertatie is dan ook geen prikkelende column of werkstukje, maar het resultaat van (minstens) vier jaar gedegen onderzoek. Daarnaast is Zees kritiek op islamisering gebouwd op onderzoek van vele anderen en komt ze helemaal niet met revolutionaire conclusies.

De woede en verwarring t.a.v. Zee zijn, rationeel bekeken, enigszins verbazingwekkend. In de Volkskrant ging Peter Middendorp helemaal door het lint, zonder één argument tegen Zee in te brengen. Hij was waarschijnlijk zo van zijn stuk dat het voor hem wellicht zelf-evident was, hóé fout Zee wel niet bezig was. Schelden op een tegenstander is meestal een impliciete erkenning dat je geen tegenargumenten hebt. Middendorp is daarmee typerend voor het achterhoedegevecht dat ingegraven progressieven strijden tegen islamkritiek.

Interessanter was Martijn de Koning, een pro-Islam religieonderzoeker, die stelt dat de meeste integratieproblemen ontstaan door discriminatie en islamofobie. De Koning heeft duidelijk het werk van Zee bestudeerd en kwam met een paar zinnige tegenwerpingen. Hij vond dat Zee het multiculturalisme wetenschappelijk tekort deed door er te kort bij stil te staan. De waarheid is eerder dat het multiculturalisme i.p.v. een serieuze leer een sjiek genaamd vehikel is voor beleidsmakers die niet weten hoe ze problemen moeten oplossen en daarom mensen maar hun gang laten gaan.

Het is duidelijk dat Zee met haar, overigens geringe aantal, publieke optredens precies weet te drukken waar het pijn doet. Hopelijk ziet ze de storm die over haar heen komt niet als een ontmoediging, maar een bevestiging dat ze op het juiste spoor zit. Zoals links al een eeuw volhoudt om te zeggen: sommige mensen moet je voor hun eigen bestwil een beetje de juiste richting op duwen. Zee heeft overduidelijk een veelbelovende carrière voor zich, maar het zal haar voorlopig niet gemakkelijk gemaakt worden.


http://www.volkskrant.nl/opinie/ik-laat-me-niet-islamiseren~a4391435/

http://religionresearch.org/closer/2016/10/08/recht-voor-iedereen-een-bespreking-van-de-boeken-van-machteld-zee-over-britse-shariaraden/

https://blendle.com/i/ad/achter-islamisering-zit-een-plan/bnl-adn-20161004-7102167

http://www.krapuul.nl/samenleving/nederland-blog/2604670/mr-dr-machteld-zee-en-de-protocollen-van-mekka/?utm_medium=website&utm_source=nieuwskoerier.nl

Posted on

Integratie en de menselijke natuur

Peter van Duyvenvoorde heeft weer eens op de hem typerende, onderkoelde wijze een knuppel in het hoenderhok gegooid met zijn stuk over DENK als teken van geslaagde integratie. Het is een elegant betoog, steekhoudend ook. En toch klopt er iets niet.

Om daar de vinger achter te krijgen, is het behulpzaam om niet vanuit de boeken naar de praktijk te kijken, maar de praktijk te analyseren en aan de hand daarvan een diagnose te stellen. Doen we daar voor de vuist weg een poging toe.

Spraakregeling

Van Duyvenvoorde werpt terecht de belangwekkende vraag op wat integratie is. Om te beoordelen of de integratie mislukt is, moet men immers eerst weten wat integratie is of zou moeten zijn. In het publieke discours zien we hier het eerste knelpunt. Wanneer veel burgers spreken over integratie, bedoelen ze dat vreemdelingen zich aan moeten passen aan de autochtone mores, en liefst dermate dat je eigenlijk beter van assimilatie dan van integratie zou kunnen spreken. De knellende beperkingen van de politiek-correcte spraakregeling verhinderen echter dat dit punt in het politieke discours wordt opgehelderd. Politici van de gevestigde partijen hebben ook geen belang bij helderheid op dit punt.

Stilzwijgende premisse

politics-of-human-natureEn dat brengt ons bij een volgende probleem in het discours: De vraag die ook bij Van Duyvenvoorde niet aan de orde komt, is die naar de wenselijkheid van integratie. En die wenselijkheid is nu precies de stilzwijgende premisse in het hele integratiedebat dat al jaren voortwoekert. Dat lijkt me toch een wezenlijke vraag. Zeker omdat diverse politici ook wel gezegd hebben dat integratie ‘van twee kanten moet komen’, het vraagt dus niet alleen iets van de allochtonen, maar ook van de autochtonen.

Al jaren wordt er tegen de klippen op een integratiebeleid gevoerd, zonder dat in het publieke debat expliciet de vraag aan de orde gesteld is of we willen integreren. In de praktijk zien we dat mensen van een bepaalde afkomst graag bij elkaar in de buurt wonen. We hebben zelfs gezien dat politici van de meest multicultureel gezinde partijen hun kinderen liever niet naar een ‘zwarte school’ lieten gaan. Zelfs de ‘juiste’ politieke gezindheid kan kennelijk de menselijke natuur niet overwinnen.

Menselijke natuur

utopische-verleidingDat is de kern van het probleem met het politieke waanbeeld van integratie. Het houdt geen rekening met de menselijke natuur. Dat is typisch voor utopische idealen. Niet voor niets waren progressieven steeds gericht op het scheppen van een zogenaamde ‘nieuwe mens’, zie bijvoorbeeld de eugenetische beweging in Amerika of de Sovjet-mens. Zo bezien is het niet alleen de vraag of we wel willen integreren, maar ook of we het uiteindelijk wel kunnen.

Er zit overigens een curieuze sprong in het stuk van Van Duyvenvoorde. In de loop van zijn betoog springt hij van het begrip integratie naar het begrip multiculturele samenleving, om vervolgens door te gaan op de ‘interculturele samenleving’. Daar zitten wat impliciete denksprongen die het niet helderder maken wat hij wil zeggen. Maar dat soort hiaten zijn dus niet exclusief voorbehouden aan die schrijver. De lange weg die het zogenaamde ‘integratiedebat’ al heeft afgelegd is vergeven van dit soort knipgaten.

Mislukt, en dan?

De meesten zullen zich nog wel herinneren dat de toenmalige premier Jan-Peter Balkenende op enig moment stelde dat de multiculturele samenleving mislukt was. Geen wonder, want de meeste mensen konden destijds niet voor de vuist weg zeggen wat dat eigenlijk inhield. Verwoede krantenlezers konden misschien nog een formule als ‘integratie met behoud van eigen cultuur’ ophoesten, maar hoe dat in de praktijk in zijn werk moest gaan, is moeilijk voor te stellen.

Op de vragen wat er dan misgegaan was met de multiculturele samenleving, waarom ze mislukt was en wat het nieuwe ideaal moest zijn, bleef Balkenende – op zijn minst in de publieke waarneming – het antwoord schuldig.

Hiaten

Het zoveelste hiaat in een integratiedebat dat vanaf het begin gedoemd was te mislukken, omdat het al aanving met een hiaat.

verschrikkelijke-janmaatDe meest fundamentele vragen, of we het willen en of we het kunnen, waren namelijk al snel taboe. Temeer omdat op de gerelateerde vragen naar de wenselijkheid van de komst van grote groepen vreemdelingen een zo mogelijk nog groter taboe lag. De ongelikte voormannen van de Centrumbeweging stelden die vragen nog wel, maar werden genegeerd, overstemd, geïntimideerd en uitgesloten van het politieke discours. Velen van hen werden ook in hun persoonlijke leven zwaar getroffen, kregen te kampen met het verlies van hun baan en sociale uitsluiting. En dat allemaal omdat ze de euvele moed hadden om pertinente vragen te stellen. Joost Niemöller heeft er een boeiend boek over geschreven.

Het hiaat in het integratiedebat dat in die jaren geslagen is, is nooit meer ingehaald, integendeel het hiaat heeft zich steeds herhaalt. En zo zitten we nu met een publiek discours over integratie en multiculti dat van de gaten aan elkaar hangt. Geen wonder dat er zoveel onbegrip en wantrouwen bestaat, tussen groepen allochtonen en autochtonen, maar vooral ook tussen burgers en politici.

Het is de hoogste tijd dat eindelijk die cruciale vragen eens behoorlijk besproken worden. In zekere zin is het daar zelfs al te laat voor, want decennia van falend beleid zijn niet meer terug te draaien.

Posted on Leave a comment

Afrikanistiek en koloniale geschiedenis

Afrikanistiek, de studie betreffende het Afrikaanse continent, is jong. De vroegste studies die op schrift gesteld zijn en die vandaag als studiemateriaal gebruikt kunnen worden, dateren van 1880. De archeologische vondsten en overleveringen laten veel ruimte over voor vrije interpretatie. De grote leemten in studiestof maken dat deze discipline gemakkelijk door ideologische stromingen wordt opgeslokt. Aangezien in Zwart Afrika veelal schriftloze volkeren leefden, en er weinig of geen archeologische vondsten van gebruiksvoorwerpen of woningen te vinden zijn, maken de leemten daarom in verreweg de meeste studies plaats voor onwetenschappelijke beweringen. Deze beweringen, waar aan historische feiten voorbij wordt gegaan ten gunste van subjectieve interpretaties waarin de ‘goede’ en ‘slechte’ rollen in het verhaal van tevoren al worden vastgesteld, vindt men terug in het debat rondom de kolonisatie. « Kolonisatie » staat daarom gelijk aan uitbuiting, onrecht en slavernij.

Zo zou de oorsprong van de mensheid in Afrika liggen, de technische (en daarmee de economische) achterstand te wijten zijn aan de “Eerste Wereldlanden” die de bodemschatten leeggeroofd zouden hebben. De oorzaak van de bloederige stammenoorlogen zou bij de kolonisten liggen, die het land hebben afgepakt, de slavenhandel ontwikkeld en na de onafhankelijkheid grenzen hebben achtergelaten die niet overeenkomen met de etnische kaart van Afrika.

Oorspronkelijke bewoners van Afrika
Falilou Diallo schreef in 1987 wat de laatste decennia op de meeste scholen in ons land wordt aangenomen en onderwezen: “Alle wetenschappelijke studies bewijzen dat de eerste bewoners van Zuid-Afrika zwart waren. Sinds vele duizenden jaren bevolken Zuid-Afrikaanse negers, Australopithecus, zuidelijk Afrika.” (Le Soleil, 4 februari 1987)

De wetenschap die uitgaat van de evolutietheorie geeft echter aan dat de Australopithecus leefde in een tijd dat de rassenvorming nog niet was begonnen (deze zou pas tegen 100.000 v. Chr. Begonnen zijn). Hoewel er veel verwantschappen aan te wijzen zijn tussen de Australopithecus en de Homo Erectus, die ook buiten Afrika is gevonden, heeft niemand tot nu toe kunnen bewijzen dat de Homo Erectus van de Australopithecus afstamt. De bewering van Falilou Diallo stuit op een ander probleem, namelijk door de oorspronkelijke afrikaan als zwarte voor te stellen.

Vijf- tot tienduizend jaar geleden werd Subsaharisch Afrika bevolkt door 4 dominerende rassen: de zwarte voorouders van de Bantoevolken in de omgeving van Nigeria en de Nijl-Sahariërs, tevens zwart van huidskleur, woonachtig in de streek rond Nubië. De twee andere volkeren zijn niet-negroïde en noemen wij Pygmeeën, die het gehele gebied van de Kongo bevolkten en de Khoisan, die heel Oost- en zuidelijk Afrika bevolkten. Door archeologische vondsten kennen wij de aanwezigheid van zwarte West-Afrikanen vanaf 15.000 v. Chr. Pas tegen 10.000 v. Chr. vinden wij ook sporen van deze bevolking in Nigeria.

De zwarte West-Afrikaanse en Nubische negerbevolking koloniseerde gaandeweg Oost- en zuidelijk Afrika waardoor de oorspronkelijke bewoners werden gedecimeerd of van hun oorspronkelijke leefomgeving werden beroofd en zich moesten terugtrekken in onherbergzame plaatsen zoals de Pygmeeën in de tropische wouden. Naast de Pygmeeën en Khoisan hebben enkele stammen zich in leven weten te houden in oost- en zuidelijk Afrika. De autochtone bewoners van Bambouk (Senegal/Mali) zijn in de negentiende eeuw door de Fulbe afgeslacht. De oudste bevolking van West-Afrika zijn de Bassari, die hun cultuur hebben weten te behouden, maar vanwege de gemengde huwelijken niet meer als autonoom ras worden onderscheiden van de Zwarten uit hun regio.De Toucouleur (Senegal/Mauritanië/Mali) danken hun overleving tevens aan de vermenging met de Peulen en bestaan als volk slechts sinds de tiende, elfde eeuw. Het is pas vanaf de vijftiende, zestiende eeuw dat een gevestigde, georganiseerde cultuur van zwarte volkeren in West-Afrika en elders ontstaat.

In Zuid-Afrika bestaat tot vandaag de dag een etnische groep, die door de blanke kolonisten “Hottentotten” werden genoemd en vandaag bekend staan als de San (Bosjesmannen) en de Khoi. Oorspronkelijk houden deze volken geen verband met de zwarte bevolking die rond de zestiende eeuw in Zuid-Afrika aankwam. Deze oorspronkelijke bewoners kozen soms de kant van de blanke boeren, soms die van de zwarte overheersers, met als resultaat dat velen in de gevechten tussen blanke en zwarte kolonisten sneuvelden. Vandaag leven er nog slechts enkele duizenden San.

Oorzaken van de Afrikaanse achterstand
De droogte in noordelijk Afrika begon ongeveer twaalf eeuwen geleden en bracht de Sahara tot stand. Hiermee ontstond een klimaatbreuk en een culturele grens in Afrika: ten noorden van de Sahara ontwikkelde zich een rijke beschaving die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de rijke cultuur van het Middellandse Zeegebied. Ten zuiden van de Sahara raakte Afrika geïsoleerd, vergeten en zelfs onbekend voor de rest van de wereld, tot de mosliminvasie enerzijds en de kolonisatie anderzijds. Ten zuiden van het Marokkaanse Mogador heeft de archeologie nog nooit iets gevonden waaruit een invloed van het Middellandse zeegebied blijkt. Slechts de Nijlstreek, de Rode Zee en de Oost-Afrikaanse kuststreek waren reeds in de vijftiende eeuw v. Chr. bekend. Het is juist via deze streek dat de zwarten, rond het begin van onze jaartelling naar zuidelijk Afrika trokken. De oude Grieken en de Romeinen kenden het bestaan van zwarten. Deze waren echter afkomstig van de Nijlstreek Nubië.

De enige nijverheid die men buiten Noord-Afrika met de opkomst van de Islam kan ontdekken zijn de handelssteden zoals Essouk (Tadmakka) en Audoghast, die gesticht waren door (blanke) Berbers, die zwarten aanstelden voor het bestuur. Resultaat van dit isolement en klimaat is naast een culturele achterstand vooral een hopeloze achterstand in de basisbehoeften. Subsaharisch Afrika moest tot de kolonisatie wachten om het gebruik van vee voor landbouw, het wiel en de katrol te leren. Rond het begin van onze jaartelling was de primitieve landbouw in tweederde van subsaharisch Afrika onbekend. Landbouw in Afrika bleef tot die tijd beperkt tot Egypte, het huidige Libië en de noordelijke Sahara. De gewassen die daar werden verbouwd waren niet opgewassen tegen het subsaharische klimaat. Rond 2000 v. Chr. begon men in West-Afrika met het verbouwen van eigen producten. Tot die tijd voedde men zich door verzamelen en kleinschalige veehouderij.

IJzertijd in Afrika
De koper- en bronstijd zijn aan Afrika voorbij gegaan. De steentijd werd opgevolgd door de ijzertijd, doordat Egypte rond de zevende eeuw v. Chr., Axoum (Ethiopië) rond de eerste eeuw v. Chr. en Carthago rond 800 v. Chr. ijzerwerktuigen in omloop brachten. In de streek rondom het Victoriameer begon de ijzertijd tegen 300 v. Chr, in Midden-Afrika tussen 300 en 500 na Chr. en in zuidelijk Afrika tussen 500 en 1100 na Chr.

Rond 2000 v. Chr. trokken zwarte Bantoestammen richting het westen en verbreidden zo de zwarte bevolking over het grootste deel van het continent. Hun kennis van landbouw en metallurgie maakten dat zij een grote voorsprong hadden op de autochtone bevolking van Oost- en zuidelijk Afrika en een dominante positie konden innemen. De trek naar het zuiden van de Bantoe moet niet vroeger dan de tweede eeuw v. Chr. hebben plaatsgevonden.

Khoisanmannen op jacht in Angola.

Lange tijd werd zonder bewijs aangenomen dat de ijzertijd dankzij de Bantoes het licht zag in Afrika. Velen blijven vasthouden aan deze theorie die wetenschappelijk gewoonweg niet hard te maken is en zelfs tegenstrijdig is met de gegevens die nu voorhanden zijn. Men nam de ontwikkeling van landbouw en metallurgie (tussen 500 en 1100 in zuidelijk Afrika) als bewijs van aanwezigheid van Bantoevolkeren en gaf daarmee aan dat de Bantoevolkeren lang voor de komst van de blanken Zuid-Afrika bevolkten. Het enige dat wij met zekerheid over de bevolking van Zuid-Afrika kunnen zeggen is dat er mensen boven de Oranjerivier hebben geleefd vanaf de ijzertijd (vierde, vijfde eeuw) en dat de Nederlandse kolonisten zich in de Kaapprovincie vestigden vanaf 1652. Archeologisch onderzoek wijst echter uit dat er in Zuid-Afrika twee “ijzertijden” hebben plaatsgevonden. De tweede, die rond de twaalfde eeuw ontstaat, gaat samen met nieuwe smeedtechnieken en houdt verband met landbouw. Naar alle waarschijnlijkheid is deze Tweede IJzertijd aan de komst van Bantoevolken toe te schrijven. Deze twee periodes bleven echter beperkt tot het oostelijk deel van Zuid-Afrika, ten oosten van de Visrivier en ten noorden van de Oranjerivier. Aan de rest van Zuid-Afrika is die ijzertijd voorbij gegaan. Deze Tweede IJzertijd duurt ongeveer zes eeuwen. De huizen die in die periode werden gebouwd waren van gedroogde modder. Vanaf het einde van de zestiende eeuw begon men stenen huizen te bouwen. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn essentieel voor de geschiedenis van zuidelijk Afrika, omdat de volken rond die tijd zich in rijkjes en stammen met hiërarchie beginnen te organiseren.

Slavenhandel
Om de slavernij in Afrika te kunnen begrijpen is het nodig het ontstaan hiervan in herinnering te brengen. Terwijl de slavenhandel ontstond na de komst van de moslim- en Europese kolonisten wijst alles er op dat deze op suggestie van de Afrikaners zelf is ontstaan.

Nooit hebben de Westerlingen vrije Afrikanen gevangen genomen met het oog op de slavenhandel. Van oudsher werden de overwonnen vijanden tijdens de stammenoorlogen door de Afrikaners zelf in slavernij weggevoerd. Het koninkrijk Dahomey jaagde zo in het binnenland actief op mensen die zij als slaven konden verkopen. Koning Tegbessou leverde zo in 1750 9000 slaven per jaar, hetgeen hem meer opleverde dan de scheepsreders van Liverpool of Nantes. Voor de Europeanen was het tot 1795 verboden zich buiten het kustgebied te begeven. Zo had « vrijheidsstrijder » Samory Toeré een grootschalig slavennetwerk opgezet.

Vanaf de dertiende eeuw waren de moslims voornamelijk geïnteresseerd in vrouwen en jonge jongens. In de loop van de negentiende eeuw trachtten de Engelse kolonisten de slavenhandel in Oost-Afrika, die voornamelijk in handen was van Arabieren, door middel van het Verdrag van Hamerton, drastisch te verminderen. Tot afschaffing werd éénzijdig, namelijk van Europees-Amerikaanse zijde, besloten, zonder de mening van de Afrikanen of de Arabieren te raadplegen. Arabische karavanen met slaven waren in Libië tot 1929 bekend. Mauritanië heeft de slavernij in de twintigste eeuw vier maal moeten verbieden. In Soedan was het de kolonisatie die een eind maakte aan de slavenhandel. Met de onafhankelijkheid bloeide deze echter weer op.

In Soedan komt ook tegenwoordig nog slavernij voor.

Toen de slavenhandel werd verboden, zagen de Westerse mogendheden geen belang meer in verdere contacten met subsaharisch Afrika. Deze werd aan het begin van de 19e eeuw zelfs als een blok aan het been gezien, die de economie in het thuisland belemmerde. Dat Europa zich niet geheel terugtrok, was om humanitaire redenen: het Britse Lagerhuis verbood in 1807 de slavenhandel en in 1833 de slavernij als zodanig en stuurde schepen die illegale slavenhandel onderschepten.

Deze andere kant van de kolonisatie wordt door Derde Wereldideologen maar al te graag verzwegen. Hun beweringen gaan echter nog verder. Zo zou de slavenhandel één van de oorzaken zijn van de honger in Afrika. Het verdwijnen van de nodige mankracht zou de mislukking in de landbouw verklaren. De feiten spreken deze bewering echter zonder meer tegen. De komst van de Portugese kolonisten brachten juist rijke, snelgroeiende producten met zich mee, die de arme gewassen overbodig maakten en de lokale bevolking tot voeding kon strekken.

De onderverdeling van koloniaal Afrika vond echter pas tussen 1885 en 1900 plaats en duurde tot de onafhankelijkheid van deze landen, zestig of zeventig jaar later. Tot het einde van de 19e eeuw hadden de Westerse mogendheden geen enkele hand in de Afrikaanse landen zelf, maar bleef hun werkveld beperkt tot enkele kuststeden die de handel met de Afrikaanse volkeren mogelijk maakte.

Kolonisatie als Verlichtingsideaal
Onder de verschillende kolonisatiemethoden neemt de Franse een bijzondere plaats in. De Engelse kolonisatie ging doorgaans uit van segregatie. En terwijl de Portugezen mestizaje (vermenging van Portugezen en inboorlingen, red.) invoerden, gingen de Fransen uit van een Verlichtingsideaal. Slechts enkele jaren na de Franse Revolutie zagen veel Fransen het kolonialisme als opdracht om de primitieve volkeren te beschaven. Frankrijk had geen enkel economisch belang bij het koloniseren: slavernij was afgeschaft en rietsuiker was inmiddels vervangen door suikerbieten die op eigen bodem werden verbouwd.

Jules Ferry, de oprichter van het openbaar onderwijs in Frankrijk, verklaarde openlijk aan Jean Jaurès dat zijn politieke doeleinde was: een « mensheid zonder God en koning » op te bouwen. Tegen de koningsgezinde partijen van het parlement en Clémenceau, die waarschuwde dat het kolonialisme tot verarming van zowel Frankrijk als Afrika zou leiden, zette Jules Ferry die minister-president werd, de kolonisatiepolitiek op touw. « Frankrijk, het Vaderland van de Rechten van de Mens, moest de kruistocht voor de vrijheid van de primitieve volkeren aanvoeren ».

In een taalgebruik dat in zijn tijd ontvankelijk werd gezien verklaarde Jules Ferry in 28 juli 1885 : « De superieure rassen hebben rechten ten aanzien van de inferieure rassen maar ook een plicht: om deze te beschaven. De Spanjaarden hebben gefaald door de slavenhandel in Centraal-Amerika in te voeren. Het superieure ras verovert niet voor eigenbelang, maar om de zwakke te beschaven en tot haar niveau op te voeden. »

Leon Blum, de linkse politicus van het Front Populaire verklaarde: « De superieure rassen hebben het recht en de plicht om de rassen die hun niveau nog niet hebben bereikt tot de vooruitgang te roepen aan de hand van wetenschap en industrie. » Ook Emile Zola, altijd begaan met de arbeiders, verklaarde ten opzichte van Algerije dat dit land toebehoort aan hen die er werk van maken.

Albert Bayet, voorzitter van de Liga van Mensenrechten, verklaarde in 1931 dat de kolonisatie rechtvaardig is omdat deze de boodschap van de « illustere voorouders van 1789 » met zich meedraagt. « Rechten van de mens te doen kennen is geen imperialisme, maar een broederlijke taak. »

Victor Schoelcher, vermaarde abolitionist schonk de medaille van de « Société anti-esclavagiste » aan generaal Galliéni, die met harde hand de oude cultuur van Madagascar met wortel en tak uitroeide, maar de slavernij afschafte.

De tegenstanders van dit ideaal vond men in de eerste plaats onder de koningsgezinde partijen maar ook bij de republikeinse nationalisten Maurice Barrès en Paul Deroulède. Zij zagen het verlies van Elzas en Lotharingen als belangrijker en het koloniseren, zeker als verlichtingsideaal, als een kostbare verspilling die de investering niet waard was.Rond 1890 kwam aan dit tegengeluid een einde, toen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zich over de slavernijproblematiek gingen buigen. Mgr. Lavigerie verklaarde in 1888, dat het kolonialisme noodzakelijk was om de slavenhandel, die op dit moment hele volkeren dreigde te vernietigen, een halt toe te roepen. Vanaf dit moment steunden ook de kerk en conservatieve krachten de kolonisatie.

Het is verleidelijk om in deze houding een invloed van het Eerste Vaticaans Concilie te zien. Door de onfeilbaarheid van de Paus uit te roepen werd de universaliteit van de jurisdictie van Rome en daarmee van haar boodschap benadrukt. Het Patriarchaat van Alexandrië, onder wie het Afrikaanse werelddeel sinds de eerste eeuw viel, heeft zich nooit in de Afrikaanse stammenproblematiek willen mengen, ondanks hun aanwezigheid in Oost-Afrika, waar de meeste slaven vandaan kwamen. Het verklaart echter niet het belangrijke aandeel dat de protestanten hebben gehad in de koloniale geschiedenis, die doorgaans meer van privé-initiatieven uitgingen. Het resultaat van de religieuze inmenging in de Afrikaanse culturen is op zuiver politiek vlak desastreus te noemen: Burundi, voor 90% christelijk, kent sinds 1972 meer dan 2 miljoen doden. Landen waarin de christenen in de meerderheid zijn: Rwanda, Oeganda, Kongo, Liberia, Sierra Leone, de Ivoorkust, zijn tonelen waar christenen elkaar onderling uitmoorden. De oppervlakkige kerstening van deze volkeren heeft de etnische verschillen niet weten te overbruggen.

Balans
Voor de balans die Lugan opmaakt betreffende Afrika verwijzen wij de lezer naar zijn werken, waarin hij met veel feiten- en vakkennis de volgende stellingen onderbouwt: zo zouden de westerse landen meer kwijt dan rijk geweest zijn aan de Afrikaanse kolonies. De westerse investeringen in infrastructuur, vooral in de eerste helft van de twintigste eeuw, zijn kolossaal. Terwijl slechts enkelen zich hebben weten te verrijken in deze korte tijd, heeft het aan de westerse landen vooral geld gekost.

De kolonisatie had een eind gemaakt aan vele stammenoorlogen, epidemieën, slavernij en zelfvoorzienende landbouw mogelijk gemaakt. Bij de onafhankelijkheid welden sommige van deze rampzalige gebeurtenissen weer op, maar de nataliteit is daardoor explosief toegenomen. De onafhankelijkheid heeft de verstedelijking tevens verregaand doorgezet en de ontwikkelingshulp geeft het Afrikaanse achterland geen kans om zelfvoorzienende landbouw weer op te pakken.

Bronnen:
Bernard Lugan:

  • Afrique, l’histoire à l’endroit, Perrin, 1989
  • Afrique, de la colonisation philantropique à la reconolisation humanitaire, Bartillat, 1995
  • Pour en finir avec la colonisation, Editions du Rocher, 2006