Posted on

“The Hague Invasion Act blijft gevaarlijk”

“Dreigementen gericht tegen het Internationaal Strafhof zijn dit keer veel serieuzer”, zegt William Pace van de Coalitie voor het Internationaal Strafhof. “Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk.”

William Pace leidt de Coalitie voor het Internationaal Strafhof, een internationale koepel van meer dan 2500 maatschappelijke organisaties die pleiten voor een rechtvaardig, effectief en onafhankelijk Internationaal Strafhof. Hoewel het Strafhof wordt gesteund door maar liefst 123 lidstaten, inclusief alle landen in de Europese Unie, is het er niet in geslaagd om de Verenigde Staten, Rusland, China, India en Israël aan boord te krijgen. Sterker nog: sinds het Hof in 2002 van start ging, hebben de Verenigde Staten verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat er nooit een Amerikaan voor de rechter kan verschijnen in Den Haag. In 2002 riep het Amerikaanse Congres de Amerikaanse Service-Members’ Protection Act in het leven, die al snel de bijnaam ‘The Hague Invasion Act’, ‘Den Haag Invasiewet’ kreeg. De wet machtigt de Amerikaanse president met alle middelen, zo nodig met geweld, personen te bevrijden die door of namens het Internationaal Strafhof gevangen worden gehouden. Bovendien bedreigde de Amerikaanse nationale veiligheidsadviseur John Bolton in september 2018 het Strafhof met sancties en beloofde hij functionarissen van het Strafhof strafrechtelijk te zullen vervolgen – indien de rechtbank een onderzoek zou beginnen naar mogelijke oorlogsmisdaden begaan door Amerikaanse militairen en inlichtingendiensten tijdens de oorlog in Afghanistan. Hetzelfde lot zou het Strafhof treffen als het Israël of een andere Amerikaanse bondgenoot in het beklaagdenbankje zou plaatsen.

Meneer Pace, denkt u dat de aanklaagster van het Strafhof, Fatou Bensouda, toestemming zal krijgen van de rechters van het Strafhof om een ​​onderzoek in te stellen naar Amerikaanse betrokkenheid bij oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid in Afghanistan?

Ik denk dat het erg moeilijk zal zijn voor de rechters om geen toestemming te verlenen voor het Afghaanse onderzoek. Maar dat is slechts een mening op basis van alle misdaden tegen de menselijkheid en de oorlogsmisdaden die daar sinds 2002 hebben plaatsgevonden. Het zou uiterst vreemd zijn als een onderzoek naar de Taliban en IS niet werd toegestaan. Ik weet echter niet of de rechters het onderdeel van de extraordinary renditions daarin zullen opnemen.

(Met Extraordinary renditions wordt bedoeld: Amerikaanse ontvoeringen van personen in Afghanistan en hun buitengerechtelijke overdracht aan het militaire gevangenenkamp Guantanamo Bay en ‘black sites’, geheime gevangenissen van de CIA, met als doel de Amerikaanse wetten inzake ondervraging, detentie en foltering te omzeilen, EvdB)

Zullen misschien de rechters mevrouw Bensouda niet machtigen om de extraordinary renditions te onderzoeken uit vrees voor de recente dreigementen van John Bolton?

Ik weet niet of de rechters aandacht schenken aan de dreigementen van Bolton. Ik hoop dat ze dat niet doen. Maar ik denk wel dat Bolton alles zal doen waar hij mee weg kan komen. Hij is fanatiek tegen een Internationaal Strafhof en hij was een belangrijke architect van de The Hague Invasion Act.

Wat als mogelijke misdaden van Amerikanen niet worden onderzocht? Hoe zullen de Afrikaanse landen hierop reageren? Sommige hebben het Internationaal Strafhof ervan beschuldigd een instrument te zijn van westers imperialisme, alleen leiders van kleine, zwakke staten te straffen en misdaden van rijkere en machtiger staten te negeren.

Ik denk dat het voor de geloofwaardigheid van de rechtbank absoluut van belang is dat de aanklager en de rechters alle personen vervolgen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdaden waar het Hof bevoegd is, ongeacht de regio of nationaliteit van de beschuldigden. De VS, Rusland en Israël mogen dan weliswaar nog niet hebben geratificeerd, maar de rechtbank heeft niettemin rechtsbevoegdheid over misdaden begaan door Amerikaanse, Russische en Israëlische staatsburgers indien begaan op het grondgebied van landen die het Statuut van Rome hebben geratificeerd. Aangezien Afghanistan het Statuut heeft geratificeerd, heeft de rechtbank jurisdictie over alle misdaden begaan op Afghaans grondgebied, of het nu Afghaanse onderdanen of Amerikaanse staatsburgers zijn. Veel van de klachten van tegenstanders van het Strafhof in Afrika negeren dergelijke juridische implicaties van het Statuut van Rome. Nu Palestina geratificeerd heeft, kan de aanklager zowel vermeende Palestijnse misdaden onderzoeken als vermeende Israëlische misdaden. Georgiërs zijn van mening dat Rusland misdaden heeft begaan op hun grondgebied, en aangezien Georgië een verdragsstaat is, heeft het Hof rechtsmacht over vermeende misdaden van Russische staatsburgers op Georgisch grondgebied.

Wat als Fatou Bensouda niet gemachtigd wordt onderzoek te doen naar mogelijke misdaden van Amerikanen? Kan dit leiden tot een uittocht van Afrikaanse landen?

Er is veel meer steun voor het Strafhof in Afrika dan de academici en media ons willen doen geloven. Twee jaar geleden deden Kenia, Soedan en anderen een oproep aan de Afrikaanse landen zich massaal terug te trekken uit het Strafhof. Zestien regeringen in de Afrikaanse Unie hebben zich toen publiekelijk hiertegen uitgesproken. Ook zijn de meeste Afrikaanse regeringen erg afhankelijk van Amerikaanse hulp en handel. Ze zullen daarom de rechtbank niet snel bekritiseren als die besluit geen Amerikaanse leiders of zelfs soldaten te vervolgen. En het is verder interessant te zien dat de kritiek van de Afrikanen op de rechtbank vooral van invloed is geweest op de manier waarop er in het Westen wordt gekeken naar de rechtbank. In Zuid-Amerika en Azië is er nauwelijks iets veranderd in de opvattingen over het Strafhof.

Denkt u dat het Strafhof zich beschermd voelt door de Nederlandse regering en de Europese Commissie? Is het Strafhof tevreden over de manier waarop Den Haag en Brussel reageren op acties en verklaringen zoals die sinds 2002 uit Washington komen?

Zelfs met de huidige conservatieve regering en de huidige premier Rutte die Trump prijst, staat Nederland vierkant achter het Statuut van Rome en het Internationaal Strafhof. De Europese Unie heeft zich ook een fervent supporter getoond.

Steun uitspreken aan het Strafhof is één ding. Hebben bij uw weten Den Haag en Brussel zich ooit publiekelijk uitgesproken tegen verklaringen en acties van de VS gericht tegen het Strafhof?

Ze hebben zich grotendeels op de vlakte gehouden, waarschijnlijk uit berekening, omdat de The Hague Invasion Act werd aangenomen nog zo kort na de aanslagen van 11 september op de Verenigde Staten. De meeste regeringen waren toen niet bereid openlijk kritiek te uiten op de regering-Bush.

Meteen nadat Barack Obama tot president was verkozen, in 2009, heeft onze minister van Buitenlandse zaken Maxime Verhagen in het Amerikaanse Congres gepleit voor intrekking van de The Hague Invasion Act. Zonder succes.

Het Congres heeft een aantal bepalingen van de American Service Members’ Protection Act aangepast toen deze ten koste bleken te gaan van de militaire samenwerking met landen en van de Amerikaanse wapenverkopen, maar de The Hague Invasion-bepaling is toen inderdaad niet geschrapt.

Den Haag en Brussel steunen het Strafhof, maar ze hechten ook sterk aan goede betrekkingen met Washington. Zijn ze bereid om hun relatie met Washington op het spel te zetten voor de bescherming van het Strafhof?

Dat is één van de kwesties waarbij we goed de vinger aan de pols houden. We zien overal in de wereld een buitengewoon gevaarlijke verkwanseling van de principes van het multilateralisme. En het meest zorgelijk is dat sommige regeringen in West-Europa zich daarin mee laten slepen. Als afnemende steun voor multilateralisme zou leiden tot omstandigheden waarin regeringen bereid zouden zijn het Strafhof te offeren aan goede betrekkingen met de Verenigde Staten, dan zou dat een grote nederlaag betekenen voor de internationale rechtsorde.

Moeten Nederland en de EU de The Hague Invasion Act serieus nemen? In 2002 verklaarde de Amerikaanse ambassade in Den Haag dat de Amerikaanse regering zich geen omstandigheden kon voorstellen waarin de Verenigde Staten zouden besluiten om militaire actie te ondernemen tegen Nederland.

Het officiële standpunt van het Amerikaanse Congres, de The Hague Invasion Act, blijft een gevaarlijk symbolisch verzet tegen het internationale strafrecht. Het hele idee van een militaire invasie van Nederland om een ​​Amerikaans staatsburger te bevrijden, zou je normaliter naar het rijk der fabelen verwijzen. Maar we hebben nu een president die voortdurend in die sectie opereert. Onder de huidige regering Trump is alles mogelijk. Als beschuldigingen worden ingebracht tegen hooggeplaatste personen uit de regering-Bush of tegen onze militairen, dan denk ik dat dit zal leiden tot een zeer krachtige reactie. En ik denk dat dat precies is wat Bolton graag zou zien gebeuren. Hij zou de internationale gemeenschap er graag van overtuigen: “U hebt een fout gemaakt met de oprichting van het Strafhof en nu moet u de deuren sluiten. Als u dat niet doet, zullen we u net zo lang straffen totdat u dat wel doet.” Tijdens de regering-Bush waren er nog personen in het Witte Huis die Bolton een beetje in toom konden houden, zoals de ministers van Buitenlandse zaken Colin Powell en Condoleeza Rice. Nu heeft hij meneer Trump. Ik denk daarom dat we zijn dreigementen dit keer veel serieuzer moeten nemen.

Posted on

Waarom Libië een failed state werd

In het Noord-Afrikaanse land werd in 2011 door westerse interventie een regimewissel doorgezet. Voorgewende reden was dat Khadaffi grof geweld zou gebruiken tegen de burgerbevolking. In feite werd het ooit welvarende land vanwege westerse belangen in chaos en ellende gestort.

Sinds 2015 geldt Libië als een van de grootste doorgangslanden voor de Afrikaanse migratie naar Europa. In het afgelopen jaar probeerden landen als Frankrijk en Italië de massale transit vanuit Libië in overladen en vaak niet zeewaardige boten te kanaliseren. Wat alleen al moeilijk bleek omdat er in Libië geen centraal gezag is dat de controle over de gehele Libische kust uitoefent. Of het teruglopen van de migratiestroom in het najaar van 2017 het gevolg is van onderhandelingen met lokale warlords of toch vooral met het jaargetijde samenhangt, zal de komende maanden blijken. De situatie in de Libische kampen is in ieder geval nauwelijks verbeterd.

Opdat niet in vergetelheid raakt hoe het tot deze tragedie gekomen is en wie daarvoor verantwoordelijk is, is het van belang om de aanvalsoorlog tegen Libië in herinnering te roepen, die ruim zeven jaar geleden, in maart 2011, begon. Op 1 mei 2003 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush de Irak-oorlog voor succesvol beëindigd. Enkele dagen later verkondigde John Gibson, een leidende manager van de Halliburton’s Energy Service Group, in een interview: “We hopen dat Irak de eerste dominosteen is en dat Libië en Iran aansluitend vallen. We houden er niet van uit markten buitengesloten te worden, omdat dit onze concurrenten een oneerlijk voordeel verschaft.” De voorzitter van de raad van toezicht van Halliburton van 1995 tot 2000 was Richard (Dick) Cheney, voordat hij in 2001 vicepresident van de Verenigde Staten werd.

In 2011 moest de Libische dominosteen vallen. Bewust misleidende berichten over slachtingen die de Libische regering aan zou richten onder demonstranten leidden op 17 maart tot Resolutie 1973 van de VN-Veiligheidsraad, waarmee een wapenembargo en een no-fly-zone werden opgelegd. Op 19 maart begonnen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten luchtaanvallen op Libië, totdat de NAVO de oorlogsvoering op 31 maart overnam. Tegen de zomer van 2011 had de door Resolutie 1973 voorziene beperkte interventie ter bescherming van burgers zich ontwikkeld tot een tegen het internationaal recht indruisende campagne voor regime change. De uitkomst was de politieke en economische instorting van Libië, oorlog tussen de verschillende milities en stammen, humanitaire crises en de migratiecrisis, wijdverbreide schendingen van de mensenrechten, slavenmarkten, de plundering van Libische wapenarsenalen vanwaar wapens hun weg vonden naar landen als Mali en Syrië, en de uitbreiding van de positie van ‘Islamitische Staat’ in Noord-Afrika.

De oorlog tegen Libië druiste in tegen de grondwet van de Verenigde Staten, tegen letter en geest van het Noord-Atlantische Verdrag en tegen het internationaal recht. Het Handvest van de Verenigde Naties verbiedt de leden geweld te gebruiken tegen een andere lidstaat en laat alleen zelfverdediging tegen een aanval of een interventie met een mandaat van de VN-Veiligheidsraad toe. De Veiligheidsraad kan de inzet van militaire middelen echter pas dan toestaan wanneer de internationale veiligheid niet met andere middelen bewaard kan worden en de wereldvrede bedreigd wordt.

Libië heeft in 2011 echter geen ander land aangevallen, noch ging er een bedreiging voor de wereldvrede van uit. Er werd dan ook een rookgordijn aan voorgewende redenen opgetrokken, waarachter de agressors hun werkelijke economische en geostrategische beweegredenen verborgen:

  1. Libië zou terroristen steunen,
  2. de bescherming van de mensenrechten zou niet gewaarborgd zijn,
  3. burgers zouden het slachtoffer van slachtingen door de regering zijn.

De werkelijke redenen voor de oorlog waren echter:

  1. het veiligstellen van de toegang tot Afrikaanse natuurlijke hulpbronnen,
  2. bezorgdheid om het mogelijke verlies van westerse grip op het bankwezen van Libië en mogelijk andere Afrikaanse landen,
  3. het veiligstellen van westerse geostrategische belangen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Bondgenoot tegen islamistisch terrorisme

Voor de NAVO-oorlog gold Moeammar al-Khadaffi in Amerikaanse militaire en inlichtingenkringen als een betrouwbare bondgenoot in de strijd tegen het islamistische terrorisme. in 2006 kondigde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice derhalve aan dat de volwaardige diplomatieke betrekkingen van de VS met Libië hervat werden en bedankte Libië daarbij uitdrukkelijk voor de “uitstekende samenwerking” in de terrorismebestrijding. Khadaffi gold in islamistische oppositiekringen namelijk als vijand nr. 1. Deze kringen bestreden hem dan ook niet omdat hij een vijand van de democratie zou zijn, maar omdat hij in hun ogen ‘onislamitisch’ was.

Om het mensenrechtenargument te beoordelen, moet men Libië vergelijken met andere landen in de bredere regio. Nemen we slechts Saoedi-Arabië en Bahrein als voorbeelden: Saoedi-Arabië is een van de meest repressieve staten ter wereld en in 2011 werd niet alleen in Libië, maar ook in Bahrein militair geweld aangewend tegen demonstranten. In Bahrein wordt namelijk een sjiitische twee derde meerderheid door een soennitisch koningshuis onder de knoet gehouden. De Verenigde Staten hebben echter militaire bases in Bahrein, Qatar, Koeweit, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In Bahrein ligt het hoofdkwartier van de Amerikaanse 5e vloot. In het Westen zweeg men dan ook over het met hulp van Saoedische troepen neerslaan van de volksopstand in februari 2011.

Bovendien moesten de Amerikaanse minister van Defensie Robert Gates en de chef van de generale staf, admiraal Michael Mullen, tijdens een persconferentie van het Pentagon op 1 maart 2011 op vragen van journalisten reeds toegeven, dat er geen bewijzen waren dat Khadaffi luchtaanvallen op zijn eigen volk uit zou hebben laten voeren. Er was in Libië een genocide, noch etnische zuiveringen, noch een slachting onder de burgerbevolking.

Het in september 2016 gepubliceerde onderzoeksrapport van het Britse Lagerhuis was dan ook een dreunende oorvijg voor de Britse regering onder de toenmalige premier David Cameron en daarmee ook voor de andere aan de oorlog deelnemende mogendheden. De acties van het Westen berustten volgens het rapport “niet op accurate inlichtingen van de geheime dienst. De [Britse] regering onderkende met name niet, dat het gevaar voor de burgerbevolking overdreven voorgesteld werd en dat zich een aanzienlijk aantal islamisten onder de rebellen bevond.”

Nadat Libië afzag van het bezit van massavernietigingswapens investeerden westerse olieconcerns massief in het land. Men was echter al snel teleurgesteld, omdat Libië terughoudend was met de door Amerikaanse firma’s verwachte miljardenopdrachten voor de uitbouw van de infrastructuur. Ook Khadaffi was ontevreden over de opbrengst van de Libische olie en dacht erover de oliebedrijven te nationaliseren. Tijdens zijn bezoek aan Moskou in november 2008 werd de oprichting van een aardgaskartel besproken, dat Rusland, Libië, Iran, Algerije en Centraal-Aziatische landen zou moeten omvatten. Nauwelijks een maand na de moord op Khadaffi op 20 oktober 2011 hadden vertegenwoordigers van diverse Amerikaanse firma’s een ontmoeting met het Libische staatsbedrijf National Oil Company, naderhand toonden ze zich uiterst tevreden en hoopvol ten aanzien van toekomstige zaken.

Libië wikkelde zijn financiële transacties buiten de controle van internationale, dat wil zeggen westerse, financiële agentschappen af. De Libische Centrale Bank, die voor honderd procent in handen van de Libische staat was, kon eigen betaalmiddelen in omloop brengen en een eigen kredietsysteem runnen. De Libische onafhankelijkheid van externe financieringsbronnen moest mogelijk gemaakt worden door zijn goudreserves en zijn fossiele brandstoffen. Libië beschikt immers over de grootste aardolievoorraad op het Afrikaanse continent en de Libische aardolie staat bekend om zijn goede kwaliteit.

De Libische centrale bank bezat verder in het jaar 2010 143,8 ton goud en nam daarmee plaats 24 op de ranglijst van landen met goudreserves in. Deze reserves moesten dienen tot dekking van een pan-Afrikaanse, op de Libische goud-dinar berustende, munt. Voorts zouden ook alle handelszaken met Libische olie via de Libische centrale bank op basis van deze munt afgewikkeld moeten worden, in plaats van in Amerikaanse dollars. Dat had voor de VS het verlies van de controle over de aardoliehandel met Libië betekent. Aangezien de Verenigde Staten er aanspraak op maken zich met alle transacties die in dollars afgehandeld worden te mogen bemoeien en buitenlandse zakenpartners voor Amerikaanse rechters te mogen dagen, zou het succes van Khadaffi’s plan een verlies aan controle van de VS over Libisch-Afrikaanse handels- en financiële aangelegenheden met zich mee gebracht.

Slachtoffer van geostrategische machtsprojectie

De door de VS ‘bevroren’ tegoeden van de Libische staat, van minstens 30 miljarden dollar, hadden de Libische bijdrage moeten zijn aan de financiering van drie kernprojecten van de Afrikaanse monetaire onafhankelijkheid: de Afrikaanse Investeringsbank in Sirte, het Afrikaanse Monetair Fonds in Yaoundé en de Afrikaanse Centrale Bank in Aboedja. Een centrale bank die eigen geld uitgeeft op basis van de dekking door Libisch goud had de francofone staten in Afrika een alternatief voor de Franse CFA-frank verschaft.

Volgens de toenmalige Franse president Nicolas Sarkozy vormden de Libische activiteiten een “bedreiging voor de financiële veiligheid van de mensheid”. Volgens een e-mail aan Hillary Clinton van 2 april 2011, die zich baseert op informatie uit Franse inlichtingenkringen, wou Sarkozy door de oorlog tegen Libië

  1. voor Frankrijk een groter aandeel in de Libische aardolieproductie veiligstellen;
  2. de Franse invloed in Noord-Afrika vergroten;
  3. verhinderen dat Libië op de lange termijn Frankrijk verdringt als dominante macht in francofoon Afrika;
  4. de Franse krijgsmacht de gelegenheid geven op het wereldtoneel zijn kunnen te demonstreren;
  5. zijn eigen politieke positie in Frankrijk verstevigen.

Libië was een Noord-Afrikaanse staat die zich ertegen verweerde onder curatele van het United States African Command (Africom) te raken en door de verplaatsing van het Africom-hoofdkwartier van Stuttgart naar Libische bodem tot NAVO-partnerstaat te worden. Africom coördineert de Amerikaanse militaire activiteiten in Afrika, om te verzekeren dat de Afrikaanse grondstoffen vrijelijk naar de wereldmarkt (lees: de Amerikaanse en Europese markt) blijven vloeien. In het jaar 2000 importeerden de VS reeds 16 procent van hun aardolie uit Sub-Sahara-Afrika, bijna evenveel als uit Saoedi-Arabië. Al in 2002 gold de Golf van Guinee als een gebied van vitaal Amerikaans veiligheidsbelang, want de regio beschikt niet alleen over fossiele brandstoffen maar ook over mineralen en delfstoffen die voor de VS van grote economische betekenis zijn: chroom, uranium, kobalt, titanium, diamanten, goud, koper, bauxiet en fosfaten.

Een geostrategisch doel van het Westen is de neutralisering van de invloed van China en Rusland in Afrika. Het ging zodoende bij de oorlog tegen Libië ook om de inrichting van een basis voor de Amerikaanse machtsprojectie in de rest van het Afrikaanse continent. Van daaruit moesten de Maghreb, het zuidelijk Middellandse Zeegebied en de staten van de Sahel onder controle gebracht worden. Met Khadaffi ontdeed men zich van de sterkste tegenstrever, want hij was faliekant tegen een basis voor Africom op Afrikaanse bodem.

De Wikileaks Documenten ~ Wikileaks en Julian Assange

Een diplomatiek bericht van de Amerikaanse ambassade in Tripoli informeerde minister van Buitenlandse Zaken Rice voor haar bezoek aan Libië in 2008 over de houding van de Libische regering: “Met betrekking tot Africom is de Libische regering van mening dat iedere buitenlandse militaire aanwezigheid op het Afrikaanse continent, ongeacht haar opdracht, een onacceptabel neokolonialisme en bovendien een aantrekkelijk doelwit voor Al Qaida zou vormen.”

Khadaffi kwam in het vizier van de NAVO, omdat hij niet inschikkelijk genoeg tegenover de westerse belangen en doelstellingen was. Daarom besloot men hem uit de weg te ruimen. Libië, eens een bloeiende staat, werd door de NAVO-oorlog in chaos en ellende gestort. Welke fatale gevolgen dit had, wordt alleen al duidelijk uit de Human Development Index, die levensstandaard, levensverwachting, kindersterfte, inkomen, opleidingsgraad, voeding, gezondheid, vrije tijd en infrastructuur meet. Libië had in 2010 de hoogste plaats onder alle staten op het Afrikaanse continent. Dat is verleden tijd.

Posted on

Het aantal buitenlandse missies van Amerikaanse speciale eenheden is snel toegenomen

Inmiddels zijn Amerikaanse speciale eenheden wereldwijd in bijna honderdvijftig staten actief, waarvan ruim een vijfde in Afrika.

De crisisboog in Sub-Sahara Afrika is in de laatste jaren uitgegroeid tot het zoveelste krijgstoneel van Amerikaanse speciale eenheden. Van Mauretanië tot Tsjaad, het Congobekken en de Hoorn van Afrika, hebben ze militaire bases ingericht en assisteren ze bondgenoten bij de vorming van reguliere legers, politie-eenheden en milities, maar komen ze ook zelf in actie tegen het groeiende aantal vaak islamistisch geïnspireerde gewapende groeperingen.

Toenemende inzet in Afrika

De inzet van deze speciale eenheden wordt gerechtvaardigd met verwijzing naar hun flexibiliteit, de hoge bereidheidsgraad en hun geringe zichtbaarheid. Niet zelden vervangt hun inzet de inzet van grotere contingenten reguliere troepen. Onder de Amerikaanse president Donald Trump zijn de speciale eenheden inmiddels in 149 landen actief. Onder zijn voorganger Barack Obama waren het er nog 138 en onder George W. Bush rond de honderd. Volgens Amerikaanse bronnen zijn Amerikaanse speciale eenheden in 33 Afrikaanse landen actief. In 2006 was nog slechts ongeveer één procent van de Amerikaanse speciale eenheden in donker Afrika actief. In 2010 was het drie procent en in 2017 reeds 17%.

Leden van de 10th Special Forces Group geven opleiding in infanterie-technieken aan Malinese soldaten. Timboektoe, 2004.

De speciale eenheden vormen een eigen commando, het US Special Forces Command, dat circa 70.000 soldaten sterk is. De operaties in Afrika staan onder toezicht van het US Africa Command in Stuttgart. Ze kwamen in het blikveld van het bredere publiek toen in oktober 2017 een gemengde gevechtseenheid van Amerikaanse militairen en militairen uit het leger van Niger in een hinderlaag van ‘Islamitische Staat in de Grotere Sahara’ (ISGS) liep. Vier Amerikanen werden daarbij gedood, alsmede vier militairen uit Niger en een tolk. Het was tot een lang gevecht gekomen, doordat luchtsteun vooreerst uitbleef. Franse gevechtsvliegtuigen waren pas een uur later ter plaatse. De ISGS-strijders waren toen reeds over de dichtbij gelegen grens naar het buurland Mali vertrokken.

Politieke controle

Voor veel Amerikaanse parlementsleden was deze schermutseling verbonden met een onaangename vaststelling. “We weten niet precies waar in de wereld we actief zijn en wat we daar precies doen”, zo moest de Amerikaanse senator Lindsey Graham, die lid is van de Defensiecommissie en als havik bekend staat, toegeven.

In de Republiek Niger zijn momenteel circa 800 Amerikaanse militairen gestationeerd. Zij ondersteunen het leger van Niger en runnen twee bases van waaruit onbemande drones ingezet worden. De Amerikaanse troepen zijn sinds 2012 in het land, toen in het buurland Mali een burgeroorlog uitbrak. De regering van Niger heeft zowel te kampen met binnengeslopen strijders uit het westelijke buurland Mali, als ook met de in het noorden van het zuidelijke buurland Nigeria opererende organisatie Boko Haram.

Vanwege de geheimhouding valt het de politiek verantwoordelijken in Washington zwaar effectief toe te zien op de vele operaties. William Hartung, directeur van het Arms & Security Project van de denktank Center for International Policy in Washington, stelt tegenover Amerikaanse media dat dit zeer riskant is:

Zonder controle door het publiek of het Congres, is er geen mogelijkheid de Amerikaanse strijdkrachten verantwoordelijk te maken voor hun acties en is er geen mogelijkheid hun prestaties objectief te beoordelen.”

Meestal fungeren de Amerikaanse militairen als opleiders of coördineren ze luchtsteun. De strijd op de grond wordt meestal waargenomen door inheemse krachten, ook al laat het gevecht in Niger van oktober zien dat ook militaire adviseurs gemakkelijk in gevechtssituaties betrokken kunnen raken. De balans van de operaties is bepaald niet onproblematisch. Zo onderzoekt de recherchedienst van de Amerikaanse marine momenteel een missie in Somalië in augustus 2017, waarbij soldaten mogelijk tien burgers doodden. In Mali hebben twee Navy SEALs mogelijk een kameraad van de Green Berets gewurgd, omdat ze hem voor een vijandelijke strijder hielden. In Mali, Burkina Faso en diverse andere landen werden staatsgrepen gepleegd door officieren die het Amerikaanse trainingsprogramma doorlopen hadden.

Van Koude Oorlog naar War on Terror naar concurrentie met China

Afrika is niet pas sinds het begin van de zogenaamde War on Terror en de wereldwijde opkomst van gewapende islamistische groeperingen een arena waarin de Verenigde Staten hun invloed doen gelden. Vandaag de dag gaat het er om een groeiend aantal gewapende groeperingen tegen te werken dat Amerikaanse economische belangen doorkruist, alsmede om het militaire gewicht van Amerika tegenover het groeiende economische gewicht van China in de regio te stellen.

Ten tijde van de Koude Oorlog waren de Amerikanen echter ook al zeer actief in Afrika. Toen was de belangrijkste tegenstrever de Sovjet-Unie, die aan socialistische staten ontwikkelingshulp en militaire steun bood. Een vroeg voorbeeld zijn de activiteiten van de CIA tijdens de Congocrisis tussen 1960 en 1962. De eerste gekozen premier van het land was Patrice Lumumba, die reeds de onafhankelijkheidsbeweging geleid had. Hij oriënteerde zich meer op de Sovjet-Unie en was zodoende een doorn in het oog van de VS. De CIA ondersteunde dan ook de oppositie tegen Lumumba, wat tot de kortstondige afscheiding van de delfstofrijke provinice Katanga en tot de moord op Lumumba leidde. Uiteindelijk zette zich de op het Westen georiënteerde dictator Mobutu Sese Seko door, die tot 1997 aan de macht bleef.

Een ander voorbeeld is de circa 30 jaar durende burgeroorlog in de vroegere Portugese kolonie Angola. Die begon in 1974 met de zogeheten Anjerrevolutie in Portugal, toen de nieuwe regering in dat land de koloniën onafhankelijk liet worden. In Angola streden drie organisaties om de macht. De socialistisch georiënteerde MPLA zette zich door, maar de tot het einde van de Koude Oorlog door het Westen ondersteunde UNITA legde pas in 2002 de wapens neer. De verdekte CIA-steun werd daarbij primair door Congo (onder Mobutu Zaïre genoemd) afgewikkeld.

Terwijl Angola zich inmiddels van de effecten van de burgeroorlog herstelt, is in de Congo nog altijd geen duurzame vrede gevestigd. Met het begin van de zogenaamde War on Terror hebben de VS hun geheime operaties in Afrika weer uitgebreid.

Posted on

De oorzaken van de massamigratie in historisch perspectief

In zijn nagelaten werk Das Migrationsproblem ontwerpt de Duitse historicus, politicoloog en socioloog Rolf Peter Sieferle een groot historisch en functioneel beeld van het verschijnsel massa-immigratie.

De ondertitel van het boek, over de onverenigbaarheid van verzorgingsstaat en massa-immigratie, is daarentegen misleidend. Gelukkig maar, want over dit thema valt per slot van rekening weinig meer te zeggen. Wie nu nog niet begrepen heeft dat een solidariteitssysteem slechts op grond van exclusiviteit kan functioneren, of gechargeerd, dat we niet de halve wereld een uitkering kunnen bieden, zonder onze verzorgingsstaat te overvragen, die zal het wel nooit begrijpen.

Gelukkig heeft Rolf Peter Sieferle (1949-2016) veel meer te bieden dan deze trivialiteit. In Das Migrationsproblem poogt hij het verschijnsel van de massa-immigratie binnen het functionele kader van de hedendaagse westerse democratie te verklaren en historisch te plaatsen. Dat alles in niet meer dan 124 pagina’s. Het probleem dat Sieferle bespreekt bestaat dan ook niet, zoals de ondertitel deed vrezen, in het eindeloos herhalen van het hierboven beschrevene. In tegendeel, het gaat om een groot essay met een keur aan inzichten, zonder expliciete integrerende betoogtrant.

Ondanks dat is het een even leesbaar als omvattend boek. Sieferle slaagt er in vanuit de kern van zijn bespreking, de destructieve wisselwerking tussen verzorgingsstaat en immigratie, waarin de verzorgingsstaat de immigranten aantrekt en deze de verzorgingsstaat overbelasten, verbanden te leggen in vrijwel alle richtingen.

Hij begint met de oorzaken van de migratie en maakt duidelijk dat er met het oog op de bevolkingsexplosie in de derde wereld geen relevant onderscheid tussen economische en burgeroorlogsvluchtelingen meer is. Van de wereldhistorisch onvermijdelijke aftakeling van de verzorgingsstaat in de oude industrielanden gaat hij over naar het blootleggen van de verschillende narratieven waarmee de politiek de massa-immigratie rechtvaardigt.

Demografische ontwikkeling

In het bijzonder een simpele vaststelling verdient het ook door de tegenstanders van het multiculturele experiment ter kennis genomen te worden: De huidige massa-immigratie heeft niets met de teruglopende demografie van de ontwikkelde landen te maken. Dit is veeleer een gezonde ontwikkeling in een tijd waarin het massale sterven door infectieziektes gelukkig tot het verleden behoort.

De “indringers” dringen niet in lege gebieden door. In tegendeel, ze trekken in de regel van dunner bevolkte naar dichter bevolkte gebieden. Sieferle loochent niet de demografische druk van een overschot aan jongeren in Afrika, maar verwijst het complementaire idee van een demografische zog van het kinderarme Europa, die een soort ‘eigen schuld’ impliceert, naar het rijk der fabelen.

Hetzelfde geldt voor de zich anti-imperialistische noemende ideologie, die de armoede van de derde wereld verklaart door de vermeende uitbuitende handel met de eerste wereld. Alsof deze landen niet reeds lang voor het koloniale tijdperk arm waren en het handelsvolume van de industrielanden onder elkaar de handel met de ontwikkelingslanden niet vele malen overstijgt.

Ochlocratie

Daarbij ontlast Sieferle de Europeanen echter geenszins van de verantwoordelijkheid voor hun huidige dilemma. In tegendeel, hij ziet hun huidige politieke systemen als onhervormbaar gecorrumpeerd. Dikwijls bekruipt de lezer het gevoel dat de onspectaculaire titel van het boek ter versluiering dient, om zich ten minste het gekrijt van die commentatoren van het lijf te houden, die een dergelijk boek sowieso niet lezen, maar bij een titel de inhoud treffend beschrijft alleen al vanwege de titel in de gebruikelijke luidkeelse verontwaardiging ontbrand zouden zijn.

Sieferle ziet de democratie in Duitsland en West-Europa in ieder geval onderhevig aan ochlocratisch verval. Verval dat zich, aan de hand van de stijgende staatsschuld, die immers niets anders dan consumptie op de pof is, zelfs laat meten. Kort bespreekt hij de problemen van verschillende vormen van degeneratie van staten, om uiteindelijk de vraag te stellen of het Chinese systeem niet beter is toegesneden om de duurzaamheidsproblemen van de 21e eeuw meester te worden.

In deze ochlocratie nu heeft de universalistische ethiek van de gelijkheidsideologie een catastrofale uitwerking. Het geïnfantiliseerde volk kiest ook in dit opzicht de weg van de minste weerstand en ziet er geen been in zich tegen de prijs van de opname van onintegreerbare “barbaren” het goede geweten te verschaffen dat in de welvaartszones tot de levensstandaard behoort.

Multiculturalisme

Hier ligt echter ook de grote zwakte van het boek. Sieferle, die overigens nog veel meer verschijnselen bespreekt dan hier behandeld kunnen worden, zwijgt over het ontstaan en de verbreiding van de multiculturele ideologie. Het lijkt wel of deze uit de lucht is komen vallen, een onafwendbaar lot van de Europese beschaving. Alleen het nationaalsocialisme noemt hij als oorzaak. In de Duitse context speelt dit natuurlijk ook een grote rol. Maar Sieferle laat na de vraag te bespreken of dit door links niet propagandistisch is uitgebuit om de huidige metapolitieke misère te creëren. In plaats daarvan vervalt Sieferle, die in 2016 zelfmoord pleegde, in defaitisme.

Met de holocaust als oorzaak van het multiculturalisme, ziet Sieferle Duitsland als het onbetwiste centrum en uitgangspunt van de multiculturele waanzin. Daarmee vergeleken zou de rest van de westerse wereld nog relatief normaal zijn. In het andere boekje uit zijn nalatenschap, Finis Germania, wordt dit nog duidelijker. Deze kijk op Duitsland gaat gepaard met de voor dergelijke gezichtspunten niet ongebruikelijke anglofilie, die het huidige Engeland en Amerika, maar ook Frankrijk als “burgerlijk-aristocratische wereld” wil zien.

In het licht van de decennia lange, door de politie niet gehinderde, handel van Pakistaanse bendes in Engelse meisjes, de regelmatig in brand staande Franse voorsteden en de absurde excessen van Amerikaanse social justice warriors, lijken alle naar Duitse bijzonderheden verwijzende verklaringen voor de multiculturele ideologie echter moeilijk houdbaar. De kwestie van het recente politieke verleden maakt het de Duitsers dan wel niet gemakkelijker de multiculturele ideologie te bestrijden, het ontslaat ze niet van hun verantwoordelijkheid.

Toekomst

Zeer zinvol is daarentegen hoe Sieferle het migratieprobleem in de historische horizon van onze tijd plaatst. Met het oog op zijn jarenlange studie naar het thema is het niet verwonderlijk dat zijn aandacht hierbij vooral uitgaat naar de onopgeloste energie-economische vragen van onze industriële beschaving. De huidige economische bedrijfsvoering vernietigt in ras tempo de eigen basis en nieuwe duurzaamheid is volgens de auteur alleen door massieve technologische doorbraken – en geenszins door nulgroei – mogelijk.

Of een geïslamiseerd of geafrikaniseerd Europa aan deze daadwerkelijke opgaven voor de mensheid zijn bijdrage zal kunnen leveren, is meer dan twijfelachtig. Met dit perspectief toont Sieferle het migratieprobleem als wat het uiteindelijk is: Een nieuwe barbareninval, die we geconfronteerd met urgente andere problemen kunnen missen als kiespijn.

N.a.v. Rolf Peter Sieferle, Das Migrationsproblem. über die Unvereinbarkeit von Sozialstaat und Masseneinwanderung (Manuscriptum: Waltrop/Berlin, 2017), paperback, 135 pagina’s.

Posted on

Libië: Slavenhandel bloeit op door migratie

Na een zes jaar voortdurend verval van de Libische staat, sinds de omverwerping van Muammar Khadaffi, komt de slavernij weer in zwang. Volgens informatie van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een instelling van de Verenigde Naties, wordt een toenemend aantal migranten, die Libië als doorgangsland naar Europa gebruiken, aan slavernij blootgesteld.

Vooral in het zuiden van Libië zouden regelrechte “slavenmarkten” zijn ontstaan, waar migranten worden overgeleverd aan dwangarbeid en seksuele uitbuiting. Giuseppe Loprete, IOM-missieleider in Niger, maakte als eerste melding van het bestaan van dergelijke markten. Maar eerder hadden enkele migranten al van dergelijke toestanden, vooral in het moeilijk toegankelijke zuiden van Libië, bericht.

De sfeer op deze markten wordt naar verluidt gekenmerkt door geweld, misbruik en uitbuiting. Zo meldden West-Afrikaanse migranten concreet, hoe ze in garages en parken van de zuid-Libische stad Sebha, waar bijna alle West-Afrikaanse migranten langs komen, voor 200 tot 300 dollar voor enkele maanden als slaaf verkocht werden, zo meldde  Othman Belbeisi, de OIM-missieleider in Libië.

De netwerken van slavenhouders, die tegelijk ook als mensensmokkelaars fungeren, zijn in de laatste tijd steeds machtiger geworden. Dat de EU halfslachtig grip probeert te krijgen op de mensensmokkel voor de Libische kust en in het noordwesten van het land, is daarbij van weinig betekenis.

De migranten worden op hun weg vanuit West-Afrika door Libië al in het zuiden van het land door gewapende bendes gevangengenomen en via hun netwerken naar de Middellandse Zee gesmokkeld. Vooral wanneer migranten inmiddels al hun geld uitgegeven hebben, zijn ze aan de mensensmokkelaars overgeleverd. Velen moeten door slavenarbeid het bedrag verdienen om naar Europa gesmokkeld te worden. Vooral voor vrouwen, die vaak zwanger zijn en kinderen bij zich hebben, is het rechteloze zuiden van Libië een ware hel van gedwongen prostitutie en kindermisbruik.

De bevindingen van OIM worden bevestigd door Marwa Mohamed, die voor Amnesty International verantwoordelijk is voor Libië. Het zuiden van Libië is een regio die door geen van de elkaar bestrijdende regeringen van Libië beheerst wordt en zodoende buiten iedere effectieve overheidscontrole valt. Ook internationale hulporganisaties dringen niet in dit gebied door.

Niet alleen migranten uit West-Afrika, maar ook de inheemse bevolking heeft te kampen met de plaag van verschillende milities en misdaadbendes. Het gemakkelijkste doelwit zijn echter de migranten, die voor de milities in deze regio een interessante bron vormen om hun voortbestaan te financieren.

Sinds diverse westerse landen het bewind van Muammar Khadaffi omver hebben geworpen, is Libië een vruchtbare bodem voor allerlei duistere zaken, een staat is er niet meer en vooral in de woestijngebieden van het zuiden heerst volstrekt wetteloosheid. Tegelijk is Libië nog altijd een open poort naar Europa.

Posted on

Afrika: demografisch booming, economisch een dwerg

Met het oog op de snelle bevolkingsgroei op het Afrikaanse continent zou eigenlijk een extreem hoge economische groei nodig zijn. Na decennia ontwikkelingshulp is Afrika in economisch opzicht echter nog altijd een dwerg.

Zo nu en dan is er weer sprake van Afrika als ‘markt van de toekomst’, maar de economische situatie van het continent blijft ontnuchterend. Momenteel woont ruim 16 procent van de wereldbevolking in Afrika, maar bij elkaar opgeteld dragen alle 54 Afrikaanse landen slechts drie procent bij aan het gezamenlijke Bruto Binnenlands Product van de wereld. Ter vergelijking: Frankrijk had in het jaar 2014 een BBP van 2,849 biljoen dollar, heel Afrika bij elkaar slecht 2,427 biljoen.

Een relatief groot aandeel in de economische macht van Afrika hebben de beide zwaargewichten Nigeria en Zuid-Afrika. Het economische potentieel van het continent is onbetwistbaar. Zo bereikte Subsahara Afrika in de afgelopen jaren gemiddelde economische groeicijfers van meer dan vijf procent. De OESO gaat ook voor het jaar 2017 van een gemiddelde economische groei van 4,5 procent uit.

Met het oog op de voorzienbare demografische ontwikkeling zijn echter groeicijfers van een heel andere dimensie nodig. Terwijl mondiaal gezien het gemiddelde vruchtbaarheidscijfers intussen gedaald is naar 2,5 kind, ligt die waarde voor vrouwen op het Afrikaanse continent bij gemiddeld 4,7 kinderen. Als die hoge geboortecijfers aanhouden, dan zal de bevolking van Afrika zich van 1,3 miljard nu verdubbelen tot 2,6 miljard in het jaar 2050 en mogelijk zelfs groeien tot meer dan zes miljard mensen aan het eind van de eeuw.

De econoom en socioloog Gunnar Heinsohn heeft er inmiddels herhaaldelijk op gewezen dat met een dergelijke bevolkingsgroei massieve, ook gewelddadige strijd uit zal breken over de verdeling van grondstoffen in de betroffen samenlevingen, wat ook kan overslaan naar de rest van de wereld. Zo is de gemiddelde leeftijd in Afrika momenteel 18 jaar. In de economisch maar zwak ontwikkelde landen van Afrika woedt dan ook een felle strijd om arbeidsplaatsen, terwijl de rest van de jonge mannen zijn hoop vestigt op emigratie.

Welke dimensies dit probleem al binnen een paar jaar aan zal nemen, maken berekeningen voor Subsahara Afrika duidelijk. Voor dit deel van Afrika is de prognose dat al in de komende 15 jaar 370 miljoen jongemannen extra op de arbeidsmarkt zullen komen. Tot het jaar 2050 zou dat aantal zelfs meer dan 800 miljoen kunnen bedragen.

Met de eerste voorbodes van deze bevolkingsexplosie krijgt Europa inmiddels in toenemende mate te maken. Nog niet zo lang geleden zorgde een analyse van de Oostenrijkse militaire inlichtingendienst voor ophef, daarin werd gewaarschuwd voor een nieuwe migratiegolf vanuit Nigeria, de Congo, de Soedan en Ethiopië. Als reden daarvoor werd door de geheime dienst aangevoerd, dat het aanbodoverschot op de arbeidsmarkt in de belangrijkste landen van herkomst in Afrika al in de jaren tot 2020 met een verdere 15 miljoen personen aan zou kunnen groeien.

Het is de vraag of de gevolgen van deze ontwikkeling überhaupt nog door een conventionele forcering van de economische ontwikkeling aanmerkelijk afgeremd kunnen worden. Onlangs heeft – na Merkels gezwollen retoriek over een soort Marshallplan voor Afrika – de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking Gerd Müller (CSU) een nieuw concept voor de economische ontwikkeling van Afrika voorgesteld. Müller wil daarvoor geen extra geld naar Afrika overmaken, maar de beschikbare middelen anders inzetten. Zo moet een budget voor ‘hervormingen’ ter hoogte van 300 miljoen euro ontstaan. Dit geld moet dan aan die staten ten goede komen, die zich inspannen voor hervormingen en de bestrijding van corruptie. Cliëntelisme en corruptie zijn naast de slecht uitgebouwde infrastructuur, een gebrek aan vaklieden, nepotisme, kleptocratie en een vaak gebrekkige rechtsstatelijkheid, hoofdproblemen in de economische ontwikkeling van Afrika. Müller heeft ook aangekondigd de strijd aan te willen binden met de belastingontwijkingsstrategieën van grote concerns, waardoor Afrika jaarlijks miljardenbedragen misloopt. De vraag blijft echter waarom de ontwikkelingssamenwerking van Duitsland en andere westerse landen met en in diverse Afrikaanse landen nu ineens wel zoden aan de dijk zou zetten.

In kringen van de Europese Unie doet intussen de gedachte de ronde om een speciale eurocommissaris voor Afrika aan te stellen, die zich bezig zou moeten houden met onder andere een vrijhandelsverdrag tussen de EU en de Afrikaanse landen aan de Middellandse Zee. In het afgelopen jaar had voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker reeds een Marshallplan voor Afrika aangekondigd en in het vooruitzicht gesteld dat vanaf 2017 88 miljard euro aan investeringssteun gemobiliseerd zou worden.

De verwachting is dat het concept van de Duitse minister van Ontwikkelingssamenwerking in de komende maanden gevolgd wordt door initiatieven van andere landen. Duitsland heeft dit jaar het voorzitterschap van de G20 en wil dat vooral gebruiken om aandacht te vragen voor de economische ontwikkeling van Afrika.

Posted on

Khalifa Haftar – De sterke man in Oost-Libië

Begin deze maand is de Libische eenheidsregering er na een belegering van zes maanden in geslaagd om de laatste IS-terroristen uit Sirte, dat eens hun bolwerk in Libië was, te verdrijven. Sirte was ook de geboorteplaats van de man die Libië lange tijd leidde, Moeammar al-Khadaffi, wiens bewind vijf jaar geleden door een westerse militaire interventie omvergeworpen werd. Een interventie die het land in de chaos gestort heeft die tot op de dag van vandaag voort bestaat.

Nadat de laatste IS-strijders na zes maanden weer hun weg naar de woestijn zochten waaruit ze ooit gekomen waren, zijn er echter direct weer andere conflicthaarden ontstaan, die het tussen twee regeringen en parlementen en talrijke milities omstreden land nog lang niet tot rust laten komen.

Aan de afmattende slag om Sirte namen ook de Amerikanen na enige jaren van afwezigheid weer met luchtaanvallen deel, ofschoon president Barack Obama onlangs toegaf dat de interventie in Libië de grootste fout van zijn ambtstermijn was.

De nieuwe sterke man in het oosten van Libië, Khalifa Haftar, gaf er de voorkeur aan zich buiten de slag om Sirte te houden. Hij heeft in dezelfde periode geprobeerd geheel Benghazi onder zijn controle te brengen, evenals de centrale oliehaven rond Ras Lanoef in het midden van het land, dat de belangrijkste inkomstenbron van het land is.

Haftar (rechts) met de Russische minister van Defensie Sjoigoe in Moskou.

Anders dan de eenheidsregering in Tripoli verwacht Haftar het niet meer van de hulp van het Westen, maar van Moskou. Een stad die Haftar, die generaal was onder Khadaffi, nog goed kent van zijn militaire opleiding. Driemaal heeft hij in het laatste halfjaar Rusland bezocht en met de minister van Defensie Sergej Shoigu en minister van Buitenlandse Zaken Sergej Lavrov gesproken. Zijn reizen naar Moskou mondden uit in een akkoord en militaire samenwerking op de grond. Volgens berichten van het nieuwsportaal Al-Araby Al-Jadeed is reeds een onbekend aantal Russische militaire experts in het oosten van Libië aangekomen. Egypte zou de contacten gestimuleerd hebben.

Rusland helpt de strijdkrachten van Haftar te reorganiseren, wapensystemen te moderniseren en lucht- en zeeverdedigingssystemen efficiënter te maken. Haftars regeringszetel is de stad Tobroek, die op slechts 100 kilometer van de Egyptische grens ligt. De militaire overeenkomsten tussen Tobroek en Rusland belopen zo’n vier miljard dollar. Het geld daarvoor hoopt Haftar te verkrijgen uit de sinds september weer binnenkomende inkomsten uit de olie van Ras Lanoef.

Haftar, die lang in de Verenigde Staten gewoond heeft, staat bekend om zijn ‘law and order’-standpunten. Na de gebeurtenissen die de afzetting en dood van Khadaffi tot gevolg hadden, keerde de krijgsgevangen genomen commandant uit de grensoorlog met Tsjaad (1978-1987) in 2011 uit zijn Amerikaanse ballingschap naar Libië terug en stelde zich aan de zijde van de seculiere krachten, die in de enige vrije verkiezingen als winnaar naar voren kwamen.

In mei 2014 startte Haftar de operatie ‘Libische waardigheid’, nadat de niet ontwapende islamistische milities een staatsgreep pleegden tegen de gekozen regering. Terwijl Haftar probeert om na de verdrijving van IS het gehele oosten van Libië, de historische regio Cyrenaica, onder zijn controle te brengen, zijn in de hoofdstad Tripoli weer niet gevechten losgebarsten tussen rivaliserende islamistische milities. Dat voorspelt weinig goeds, want Libië geldt in zekere zin als proeftuin voor Irak en Syrië, waar de offensieven tegen IS van jongere datum zijn.

Rusland is overigens niet het enige land dat Haftar ondersteunt, zo moest Frankrijk afgelopen zomer, na het verlies van een helikopter toegeven dat het ook via Tobroek probeert weer enige stabiliteit in Libië te brengen, na de val van Khadaffi waarin ook de Fransen een groot aandeel hadden. De Fransen hebben een internationale militaire basis nabij Benghazi, waar ook de Britten gebruik van maken.

Lees ook: