Posted on

Geheime diplomatie: Oostenrijkse politici offerden Zuid-Tirol voor Europese integratie

Het einde van de Tweede Wereldoorlog en de val van het Italiaanse fascisme gaven Zuid-Tirol weer hoop. Eindelijk, zo hoopte men, zou Zuid-Tirol weer met Noord- en Oost-Tirol verenigd worden. Het liep echter anders.

De historicus en publicist Helmut Golowitsch heeft hier een lijvig boek aan gewijd, waarin hij de lezer van de tijd direct na de oorlog naar het jaar 1966, waarin de conservatieve ÖVP onder bondskanselier Josef Klaus zonder coalitiepartners kon regeren. Bijzondere aandacht gaat uit naar de stille diplomatie tussen de Italiaanse regeringspartij Democrazia Cristiana (DC) en de Oostenrijkse Volkspartij (ÖVP). Het boek is het eerste deel in een nieuwe reeks over de geschiedenis van Zuid-Tirol. Het tweede deel wordt binnenkort verwacht en zal over de periode van 1966 tot 1969 gaan, waarin volgens de titel de Oostenrijkse en Italiaanse christendemocraten de kwestie Zuid-Tirol begroeven.

De auteur begint zijn uiteenzettingen met het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het spanningsveld tussen Oost en West ontstonden in 1947 de Nouvelles Équipes Internationales (NEI), een Europese christendemocratische koepelorganisatie, waarin ook Oostenrijk en Italië vertegenwoordigd waren en politici van de Italiaanse DC en Oostenrijkse ÖVP directe contacten konden onderhouden.

In het kader van deze samenwerking kwam het tot geheime toegevingen van enkele ÖVP-politici, die publiekelijk weliswaar stelden dat Zuid-Tirol hen na aan het hart lag, maar achter gesloten deuren aan de Italiaanse christendemocraten bevestigden dat Zuid-Tirol bij Italië kon blijven. In de optiek van bepaalde ÖVP-functionarissen in Wenen was de kwestie Zuid-Tirol vooral een hypotheek die de relatie met Italië onnodig belastte. In het bijzonder verstoorden ze de onderhandelingen over de toetreding van Oostenrijk tot de Europese Economische Gemeenschap. In dit opzicht werd de deelstaatorganisatie van de ÖVP in Tirol, die zich bijzonder verbonden voelde met Zuid-Tirol, bewust genegeerd.

Juist in deze voor Zuid-Tirol bepalende jaren bemiddelde Rudolf Moser, een ondernemer uit Karinthië met uitstekende contacten met Italiaanse christendemocratische leiders, als onofficiële diplomaat tussen Wenen en Rome, zodat hij al snel de éminence grise van het Oostenrijkse Italië-beleid werd. Moser was een goede jeugdvriend van Leopold Figl, die van 1945 tot 1953 bondskanselier van Oostenrijk was en van 1953 tot 1959 minister van Buitenlandse Zaken. Onder de dekmantel van zijn zakenactiviteiten, kon Moser uit het zicht van de pers en de officiële diplomatieke kanalen het contact onderhouden tussen bondskanselier Figl en premier Alcide De Gasperi. Terwijl de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken Karl Gruber op de Parijse Vredesconferentie van 1946 slecht onderhandelde en voortijdig een volksraadpleging in Zuid-Tirol – zijn troefkaart – uit handen gaf, had Rudolf Moser in Rome een geheime ontmoeting met De Gasperi om over de heropening van het goederenverkeer en een verdieping van de christendemocratische vriendschap tussen Wenen en Rome te spreken. De kwestie Zuid-Tirol liet zich in deze context eerder door autonomie voor de regio binnen Italië oplossen dan door hereniging met Oostenrijk.

Dit alles gebeurde met medeweten van bondskanselier Figl, terwijl minister van Buitenlandse Zaken Gruber noch de deelstaat-ÖVP in Tirol ervan op de hoogte waren. De ervaren politicus De Gasperi wist deze overduidelijk zwakke onderhandelingspositie van de Oostenrijkers uit te buiten, waardoor het tot het Gruber-De Gasperi-akkoord kwam, dat Zuid-Tirol alleen een zwakke schijnautonomie toekende, wat in de daarop volgende jaren tot toenemende spanningen zou leiden.

Rudolf Moser zette zijn heimelijke paradiplomatieke activiteiten voort en organiseerde geheime persoonlijke ontmoetingen tussen premier De Gasperi en bondskanselier Figl: in augustus 1951 in een herberg aan de Karerpas in Zuid-Tirol en een tweede in augustus 1952 in Mosers huis in Karinthië. Van beide gesprekken zijn geen notulen, maar zo merkt de auteur op, vanaf dit moment is er geen merkbaar engagement van de Oostenrijkse regering voor Zuid-Tirol meer. Ook van deze gesprekken waren Noord- noch Zuid-Tiroolse politici op de hoogte.

In 1953 verloor Figl weliswaar het kanselierschap aan zijn partijgenoot Julius Raab, hij werd echter minister van Buitenlandse Zaken, waardoor Moser achter de schermen verder kon gaan de Oostenrijks-Italiaanse relatie te onderhouden en de eisen van Zuid-Tirol te torpederen. Pas toen in 1959 de sociaaldemocraat Bruno Kreisky minister van Buitenlandse Zaken werd, ging de Oostenrijkse federale regering zich weer actief inzetten voor het afgescheiden landsdeel en werd de kwestie Zuid-Tirol bij de Verenigde Naties ter tafel gebracht, wat de basis zou leggen voor de verdere onderhandelingen. Een nieuwe dramatische keer in het Oostenrijkse Zuid-Tirol-beleid kwam er in 1966, toen de ÖVP een absolute meerderheid behaalde in de federale parlementsverkiezingen en Kreisky werd afgelost als minister van Buitenlandse Zaken.

Door een toeval kreeg Golowitsch toegang tot het privé-archief van Rudolf Moser. Na deze stukken bestudeerd en wetenschappelijk verwerkt te hebben, droeg hij de originele documenten over aan het Oostenrijkse Staatsarchief en kopieën aan het Tiroler Landesarchiv. Zodoende is zijn werk niet alleen verifieerbaar, maar biedt het ook voor historici veel tot nog toe onbekend bronnenmateriaal.

De auteur weet met zijn boek zowel voor historici als geïnteresseerde leken boeiend te schrijven. De documenten uit Mosers privé-archief weet hij goed te verweven in een geheel uit achtergrondinformatie, krantenberichten, getuigenverklaringen en andere bronnen, zodat zijn boek ook zonder gedetailleerde voorkennis gelezen kan worden. Waar Wenen tot nog toe als betrouwbare partner van Zuid-Tirol gold, moet de rol van enkele leidende ÖVP-politici naar aanleiding van dit boek heel anders getaxeerd worden.

N.a.v. Helmut Golowitsch, Südtirol – Opfer für das westliche Bündnis. Wie sich die österreichische Politik ein unliebsames Problem vom Hals schaffte (Leopol Stocker Verlag, Graz, 2017), gebonden, 607 pagina’s.

Posted on

Lawrence: Heraut van het kalifaat

Uitgeverij De Blauwe Tijger presenteert dit najaar het ene na het andere belangwekkende boek. Het begon al met De doofpotgeneraal van Edwin Giltay. Afgelopen maandag was er dan de presentatie van Udo Ulfkottes Gekochte journalisten en van de Wikileaks-documenten. En woensdag 12 oktober wordt in Amsterdam het nieuwe boek van Robert Lemm gepresenteerd over niemand minder dan ‘Lawrence of Arabia’.

Een hoogst actueel en belangwekkend onderwerp in een tijd waarin ‘Islamitische Staat’ overal in het Midden-Oosten en Noord-Afrika huishoudt waar het maar voet aan de grond kan krijgen en terroristische aanslagen in Europa opeist. Robert Lemm presenteert T.E. Lawrence dan ook als ‘Heraut van het Kalifaat’, zoals de ondertitel van het boek luidt.

Ook op Novini schreven we al over ‘Lawrence of Arabia’ en de gevolgen tot op de dag van vandaag: De wortel van veel kwaden

Boekpresentatie

lawrenceWoensdag 12 oktober vindt de presentatie plaats van Robert Lemms nieuwe boek Lawrence. Heraut van het Kalifaat, om 20:15 uur in de Wackersacademie, Eerste Helmerstraat 271, 1054  DZ Amsterdam.

Naast de auteur zelf spreken de historica en arabiste Machteld Allan en de publicist en rechtsfilosoof Thierry Baudet.

Facebook-event

Posted on

De wortel van veel kwaden

Honderd jaar geleden verdeelden de Britten en de Fransen het Midden-Oosten onder elkaar. In het zogeheten Sykes-Picot-akkoord maakten ze afspraken over de verdeling van delen van het grondgebied van het Ottomaanse Rijk en braken alle beloftes over zelfbeschikking die ze eerder aan de Arabieren hadden gegeven.

Het militaire aanzien van de Britten was twee jaar na het begin van de Eerste Wereldoorlog zwaar gehavend. De centrale machten Duitsland, Oostenrijk en Turkije hadden zich in de militaire confrontatie met de Entente Londen-Parijs-Sint-Petersburg als gelijkwaardig bewezen. De poging van de Britten om met een landing de Dardanellen en vervolgens de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel te veroveren, was begin 1916 onder zware verliezen voor leger en vloot faliekant mislukt. In Mesopotamië moest weinig later een Brits leger van 13.000 man capituleren voor de Turken die aangevoerd werden door de Duitse veldmaarschalk Colmar Freiherr von der Goltz.

Deze precaire situatie buitte Londens bondgenoot Frankrijk schaamteloos uit om zich in het Midden-Oosten van toekomstige buit te verzekeren. Het ging er daarbij om, om na de voorziene nederlaag van het Ottomaanse rijk het territorium daarvan, buiten het Anatolische kernland, te bezetten. Aanvankelijk was het doel van de Britse diplomatie geweest om de hele regio onder Britse controle te brengen. Nu moest echter ook gerekend worden met de eisen van Frankrijk.

De gesprekken over de opdeling van het Midden-Oosten vonden onder strikte geheimhouding plaats. De leiding van de gesprekken lag bij François-Georges Picot, voormalig consul-generaal in Beiroet, en luitenant-kolonel Sir Mark Sykes, chef van de Arabische afdeling in het Britse Ministerie van Buitenlandse Zaken. “Deze twee mannen hebben een plaats op de eerste rij onder de duivels van Arabië verdient”, aldus de Britse historicus Desmond Stewart. Op 16 mei 1916 sloten de beide diplomaten een akkoord, dat officieel het ‘Asia Minor Akkoord’ heette, maar bekend zou worden als ‘Sykes-Picot-akkoord’. Met de ondertekening door de Britse minister van Buitenlandse Zaken Edward Grey en de Franse speciale gezant Paul Cambon trad het in werking.

Zonder enige rekening te houden met historische, religieuze en etnische verschillen of stamgebieden, werd in het akkoord de nog te veroveren, met talrijke olievelden gezegende, buit verdeeld. Daarbij gingen de deelnemers deels met de liniaal te werk.Ter discussie stond een enorm gebied van meer dan anderhalf miljoen vierkante kilometer, dat zich uitstrekte van Jeruzalem tot de Perzische Golf en van Oost-Anatolië tot het Suezkanaal. In dat gebied woonden ongeveer 20 miljoen mensen, Turken, Arabieren, Armenen, soennieten, sjiieten, christenen en joden.

Het twaalf punten omvattende akkoord verdeelde de zuidelijke territoria van het Ottomaanse rijk in een Gebied A (Frankrijk) en een gebied B (Groot-Brittannië). In deze gebieden bezaten de beide grootmachten “vastgelegde voorrechten”. De Fransen stelden de heerschappij over zuidoost-Turkije (Alexandrette/Iskenderun), Noord-Irak, Syrië en Libanon veilig. Het gebied strekte zich uit van Beirut tot Damascus en Aleppo tot Mosul. De Britten kregen een territorium dat overeenkomt met het huidige Jordanië en het zuiden van Irak en zich uitstrekt van Amman tot Bagdad en Basra. De grenzen binnen hun respectievelijke invloedssfeer konden de Britten den Fransen naar eigen inzicht bepalen.

Onder punt twee van het akkoord heette het: “Het zal beide machten toegestaan zijn in dit gebied direct of indirect bestuur of beheer in te richten, zoals zij dat nodig achten.” Er werd met andere woorden niet voorzien in vertegenwoordiging van de belangen van de autochtone bevolking en de koloniale overheersers konden simpelweg gebruik maken van Arabische vazallen. Tegelijkertijd werd onder punt 10 benadrukt dat men niet zou toestaan dat “een derde macht op het Arabisch schiereiland bezitsrechten verwerft of vlootbases aan de kust of op de eilanden in de Rode Zee inricht”.

Voor het door Frankrijk geclaimde Palestina werd een bijzondere regeling getroffen. Het gebied zou onder internationaal bewind geplaatst worden. De havens van Haifa en Akko vielen echter aan de Britten toe en de Britten kregen ook het recht om een spoorlijn van Haifa naar Bagdad aan te leggen.

Ondanks de geheimhouding drong medio 1916 toch iets van dit akkoord tot de openbaarheid door, waarop onrust ontstond onder Arabische politici die naar onafhankelijke staten streefden. Zo sprak Sykes in Caïro met drie vertegenwoordigers van Syrië en verzekerde hen “dat er niets onzaligs voorbereid werd”. Cynisch meldde hij aan Londen dat het eenvoudig geweest was, “de afgevaardigden om de tuin te leiden, zonder ze een landkaart te laten zien of ze te laten weten, dat er allang een gedetailleerde overkomst was”.

Lawrence, de bedrieger van Arabië

Bij deze heimelijke onderneming moesten de Britten en de Franse wel acht slaan op Hoessein Ibn Ali, de invloedrijke emir van de Hidjaz, het westelijke deel van het tegenwoordige Saoedi-Arabië met de heilige steden van Mekka en Medina. Hoessein, die door een tijdgenoot beschreven werd als “vrome, oude man met een sterke hang naar grootheidswaan”, streefde een onafhankelijk Groot-Arabisch koninkrijk onder zijn leiding na. Zijn zoon Faisal spande sinds 1915 in de omgeving van Damascus met de Britse avonturier en geheim agent Thomas Edward Lawrence, beter bekend als ‘Lawrence of Arabia’, samen. De twee organiseerden een opstand tegen de Turken die op 5 juni 1916 begon en de Britse troepen enorme bijstand verleende. Lawrence zou later bekennen: “Mij was duidelijk dat, in het geval van onze overwinning, de aan de Arabieren gedane beloftes niet meer dan een stukje papier zouden zijn.”

map-asia-minor

Italië en het tsaristische Rusland, bondgenoten van de Britten en Fransen in de Eerste Wereldoorlog, waren inmiddels door hun inlichtingendiensten ook op de hoogte gekomen van het Sykes-Picot-akkoord en deden dan ook al snel een duit in het zakje. Ook zij eisten een deel van de buit voor zich op. Met tegenzin werd Rusland Armenië en delen van Koerdistan toegestaan. De Italianen zouden Rhodos en aantal andere eilanden in de zuidelijke Egeïsche Zee krijgen, alsmede een invloedssfeer rond de stad Smyrna (Izmir) in het zuidwesten van Anatolië.

Toen na het einde van de Eerste Wereldoorlog een rüksichtslose herverdeling van de wereld inzette, werden de hoofdpunten van het Sykes-Picot-akkoord bevestigd (de Sovjets hadden het akkoord reeds eind november 1917, kort na de bolsjewistische revolutie gepubliceerd). Tijdens de conferentie van San Remo in april 1920 kregen de Britten en de Fransen een mandaat van de Volkenbond in het Midden-Oosten. De kiem voor een politieke chaos was daarmee onherroepelijk gelegd. Want de Arabieren, die men jarenlang toezeggingen had gedaan over nationale onafhankelijkheid, zagen zich afgeschaald naar de rang van tweede klas volkeren.

lawrenceZo zijn allerlei gewelddadige conflicten in de regio, het conflict tussen Israël en de Palestijnen, de burgeroorlog in Libanon, de Iraakse inval in Koeweit, de Golfoorlogen en het woeden van ‘Islamitische Staat’ (ISIS) op een of andere wijze te herleiden tot de koloniale grootheidswaan en de willekeurige verdeling van territoria door politici in Londen en Parijs zo’n honderd jaar geleden.

Tip: Bij Uitgeverij De Blauwe Tijger is onlangs een nieuw boek van Robert Lemm verschenen: Lawrence. Heraut van het Kalifaat.